keyboard_arrow_right
Deontologie

Vennootschappen - Bestuurders niet-geneesheren

Vennootschappen – Bestuurders niet-geneesheren

Met betrekking tot de toepassing van het op 16 maart 2002 gewijzigde artikel 162, §5, d, van de Code van geneeskundige plichtenleer vragen enkele provinciale raden aan de Nationale Raad of de bestuurders van professionele artsen-vennootschappen met rechtspersoonlijkheid niet-vennoten mogen zijn en of niet-geneesheren aanvaardbaar zijn als bestuurders.

Advies van de Nationale Raad :

Op 16 maart 2002 wijzigde de Nationale Raad Titel IV, Hoofstuk IV, van de Code van geneeskundige plichtenleer betreffende de professionele samenwerking tussen geneesheren. Bij deze wijzigingen werd niet langer weerhouden dat de bestuursfuncties door geneesheren-vennoten dienen waargenomen te worden. Artikel 162, §5, zegt wel dat de provinciale raden bij de beoordeling van de voorgelegde teksten bijzondere aandacht dienen te schenken aan de wijze van verkiezing van de bestuurders, de duur van hun mandaten en de eventuele vergoeding die dient overeen te stemmen met de werkelijk uitgeoefende bestuursactiviteiten. Hieruit volgt dat niet-geneesheren als bestuurder kunnen verkozen worden. Artsen dienen zich wel te realiseren dat bijvoorbeeld een zaakvoerder van een bvba een belangrijk aantal bevoegdheden heeft met een eigen aansprakelijkheid wat tot bijkomende moeilijkheden kan leiden wanneer de zaakvoerder geen vennoot is.

Uitgesloten blijft dat een niet-geneesheer vennoot wordt van een professionele vennootschap daar alle vennoten artsen moeten zijn die op een actieve wijze de geneeskunde dienen uit te oefenen zoals bepaald in artikel 159, § 3, en artikel 162, § 3 en § 4, van de Code van geneeskundige plichtenleer.

In geval van ontbinding van de vennootschap dient/dienen de vereffenaar(s) geneeshe(e)r(en) te zijn zoals bepaald in artikel 162, § 5, j. Zij moeten er onder meer op toezien dat de patiëntendossiers uitsluitend volgens de wens en in het belang van de patiënten worden toegewezen.