keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Publiciteit en reclame16/07/2009 Documentcode: a126028
Benaming van artsenvennootschappen – Vermelding van de naam en het specialisme van elke vennoot

Benaming van artsenvennootschappen - Vermelding van de naam en het specialisme van elke vennoot

Een provinciale raad legt een vraag voor betreffende de vermelding van de naam en het specialisme van elke vennoot in de benaming van een artsenvennootschap.

Advies van het Bureau van de Nationale Raad :

Artikel 160, § 5, van de Code van geneeskundige plichtenleer meldt dat de associatie naar buiten kan treden onder de naam van haar leden met vermelding van het uitgeoefende specialisme maar dat ze ook een eigen naam kan kiezen. Deze benaming moet door de bevoegde provinciale raad worden aanvaard.

Artikel 163, § 4, van de Code van geneeskundige plichtenleer bepaalt dat een professionele eenpersoonsvennootschap bij het naar buiten treden de rechtsvorm evenals de naam van de arts en het uitgeoefende specialisme dient te vermelden.

Artikel. 162, § 6, van de Code van geneeskundige plichtenleer bepaalt dat een professionele meerpersoonsvennootschap kan opteren voor een eigen benaming die objectief en discreet moet zijn en door de provinciale raad moet worden aanvaard.

De rechtsvorm en de naam van elke vennoot met het door deze uitgeoefende specialisme dient te worden vermeld.

Zowel de associatie als de professionele meerpersoonsvennootschap met rechtspersoonlijkheid kan dus een eigen benaming kiezen, die objectief en discreet dient te zijn en door de bevoegde provinciale raad dient te worden aanvaard. Onder de benaming van de associatie of de vennootschap dient steeds de naam van elke vennoot en het door deze uitgeoefende en door het RIZIV erkende specialisme te worden vermeld.

Wanneer niet wordt gekozen voor een eigen benaming dienen de namen van alle artsen te worden vermeld alsook hun door het RIZIV erkende specialisme.

Publiciteit en reclame24/01/2009 Documentcode: a125002
Gefusioneerd ziekenhuis - Algemeen en medisch reglement Professionele eenpersoonsvennootschap – Vermelding van naam en specialisme van de arts

Gefusioneerd ziekenhuis - Algemeen en medisch reglement
Professionele eenpersoonsvennootschap – Vermelding van naam en specialisme van de arts

De Nationale Raad behandelde een vraag betreffende de eindverantwoordelijkheid bij de beoordeling en de goedkeuring van het algemeen en medisch reglement van een gefusioneerd ziekenhuis indien twee provinciale raden betrokken zijn bij de goedkeuring ervan. Ten tweede werd de vraag gesteld of een vennootschap de naam van de arts, met de melding van zijn specialisme, moet hebben bij de oprichting van een professionele eenpersoonsvennootschap.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn zitting van 24 januari 2009 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het schrijven van een provinciale raad van 23 oktober 2008 betreffende de eindverantwoordelijkheid bij de beoordeling en de goedkeuring van het algemeen en medisch reglement van een gefusioneerd ziekenhuis en betreffende de vraag of een vennootschap de naam van de arts, met de melding van zijn specialisme, moet hebben bij de oprichting van een professionele eenpersoonsvennootschap.

De Nationale Raad is van mening dat indien twee provinciale raden betrokken zijn bij de goedkeuring van een algemeen en medisch reglement van een gefusioneerd ziekenhuis de provinciale raad waar de maatschappelijke zetel van de gefusioneerde instelling zich bevindt, de coördinerende rol speelt en de eindverantwoordelijkheid draagt. Dit vereist overleg tussen de beide provinciale raden.

De meest restrictieve regels tussen beide provinciale raden worden toegepast. De coördinerende provinciale raad zal de arts tevens informeren.

Krachtens artikel 163, § 4, van de Code van geneeskundige plichtenleer moet de professionele eenpersoonsvennootschap bij het naar buiten treden de rechtsvorm vermelden alsook de naam van de arts en het uitgeoefende specialisme. De Nationale Raad herinnert eraan dat de benaming zeker niet monopoliserend mag zijn.

Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen14/07/2007 Documentcode: a117014
Verhuring van een onroerend goed door een artsenvennootschap

Een provinciale raad ontving een brief van een accountantskantoor betreffende het verhuren van een onroerend goed door een artsenvennootschap. De accountant verwijst naar het advies van de Nationale Raad van 3 maart 2007 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 116, juni 2007, p. 9) waarin de Nationale Raad stelde dat in de statuten van de professionele vennootschap o.m. dient te worden vermeld dat “één en ander in gene mate mag aanleiding geven tot het ontwikkelen van welke commerciële activiteit ook”. De betrokken accountant meent dat de verhuur aan derden van een onroerend goed nooit kan kaderen in het normale beheer van privaat patrimonium en bijgevolg ongetwijfeld een handelsactiviteit is.
De provinciale raad legt deze vraag voor aan de Nationale Raad.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad is het niet eens met de opvatting volgens dewelke de verhuring op zich van een onroerend goed steeds aanzien dient te worden als een commerciële activiteit en nooit kan kaderen in het normale beheer van privaat patrimonium.

Ten eerste dient te worden vastgesteld dat commerciële activiteit een winstoogmerk met zich brengt (zie het arrest van het Hof van Cassatie van 19 januari 1973, Pas., 1973, I, 492). Het spreekt vanzelf dat het normaal beheer van vermogen geenszins de rendabiliteit ervan uitsluit. Er kan slechts sprake zijn van winstoogmerk in de veronderstelling dat de voordelen voortvloeiend uit de verhuring van het onroerend goed niet bestemd worden voor het behoud en de ontwikkeling van het doel van de vennootschap. Het doel van een artsenvennootschap is van burgerlijke aard : de uitoefening van de geneeskunde. De verhuring van het verworven onroerend goed beoogt het beheer als een goede huisvader van het vermogen. In casu blijkt deze investering geen winstoogmerk te hebben zodat de verhuring van het onroerend goed geen commerciële activiteit kan uitmaken.

Bovendien blijkt uit het advies van de Nationale Raad van 3 maart 2007 dat investeringen in onroerende goederen aangegaan door een artsenvennootschap geen aanleiding mogen geven tot het ontwikkelen van welke commerciële activiteit ook. Om van commerciële activiteit te kunnen spreken dient iemand herhaaldelijk handelsdaden te stellen, wat van hem een handelaar maakt in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel. Naast het feit dat de verhuring van een onroerend goed geen handelsdaad is vervult ze op zich niet de noodzakelijke voorwaarde van herhaling om te kunnen spreken van commerciële activiteit.

Tot slot wijst de Nationale Raad erop dat artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek de verhuring van een onroerend goed vrijstelt van de belasting over de toegevoegde waarde.

Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen03/03/2007 Documentcode: a116005
Vennootschappen : beleggen in roerende en onroerende goederen

In zijn advies van 21 mei 2005 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 109, september 2005, p. 6), stelde de Nationale Raad dat het beleggen in onroerende en roerende goederen, die geen verband houden met de uitoefening van de geneeskunde, enkel mogelijk was wanneer het één vennoot betreft die alle aandelen bezit, met andere woorden in geval van een éénpersoonsvennootschap. De Nationale Raad was van mening dat dit in geval van meerpersoonsvennootschappen niet kon worden toegestaan.

Een provinciale raad stelde evenwel de vraag of bij meerpersoonsvennootschappen een verbod op het beleggen in onroerende en roerende goederen vreemd aan de medische praktijk dient te worden gehandhaafd indien de vennoten met elkaar gehuwd zijn.

De Nationale Raad was van mening dat deze vraag eventueel kan worden doorgetrokken naar bijvoorbeeld artsen die samenwonen of artsen met familiale bindingen (bv. vader – dochter). In het verlengde van deze reflectie kan nog de vraag gesteld worden of de toelating om te beleggen in onroerende en roerende goederen die niet in rechtstreeks verband staan met de medische praktijk als bijkomstig doel dient te worden uitgebreid tot de meerpersoonsvennootschappen.

Hierover werd de mening gevraagd van de provinciale raden. Een meerderheid hiervan was van mening dat die mogelijkheid diende te worden toegestaan onder bepaalde voorwaarden.

De Nationale Raad besprak uitvoerig de gestelde problematiek tijdens zijn vergadering van 3 maart 2007 en is van mening dat het beleggen in roerende en onroerende goederen in alle professionele vennootschappen, zowel één- als meerpersoonsvennootschappen onder strikte voorwaarden kan worden toegelaten.

De Nationale Raad legt er de nadruk op dat volgende criteria expliciet in de statuten dienen vermeld te worden :

  • het moet blijken dat het om een bijkomstig doel gaat;
  • de voorwaarde dat deze handelingen niet van aard mogen zijn het burgerlijk karakter van de vennootschap te wijzigen, dient benadrukt;
  • één en ander mag in gene mate aanleiding geven tot het ontwikkelen van welke commerciële activiteit ook;
  • de vennoten dienen de modaliteiten van een akkoord over het investeringsbeleid te bepalen.
Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen21/05/2005 Documentcode: a109009
Beleggingen van artsenvennootschappen

Op verzoek van verschillende provinciale raden besprak de Nationale Raad zijn op 18 september 2004 uitgebracht advies waarin wordt gesteld dat beleggingen van een artsenvennootschap in roerende en onroerende goederen die geen verband houden met de uitoefening van de geneeskunde niet toegelaten zijn (1).

Advies van de Nationale Raad :

Los van alle vennootschapsrechtelijke bepalingen blijft de Nationale Raad van mening dat de essentie van een professionele vennootschap met rechtspersoonlijkheid onder artsen de professionele samenwerking dient te zijn. De provinciale raden dienen erover te waken dat de statuten en de huishoudelijke reglementen van deze vennootschappen geen bepalingen bevatten die deze samenwerking op termijn kunnen hypothekeren. Beleggingen in roerend en onroerend goed die geen verband houden met de uitoefening van de geneeskunde kunnen op termijn een nefaste invloed hebben op de samenwerking onder artsen. Zelfs als de vennoten unaniem en ongedwongen beslissen een gedeelte van de reserve op een bepaalde wijze te beleggen, sluit dit niet uit dat zij na verloop van tijd van mening gaan verschillen. Zo kan een vennoot door omstandigheden in zijn privé-leven op een bepaald ogenblik voor de verkoop van de gedane belegging opteren terwijl de andere vennoten het daarmee niet eens zijn. Dit kan tot grote spanningen binnen de vennootschap leiden met een negatieve repercussie op de samenwerking en de kwaliteit van de zorgverlening.

Overigens kunnen deze beleggingen bij dissociatie, langdurige ziekte of overlijden van vennoten tot grote problemen en meningsverschillen onder de resterende vennoten leiden met een negatieve weerslag op de samenwerking en de zorgverstrekking.

De Nationale Raad blijft dan ook bij zijn standpunt dat beleggingen in roerende en onroerende goederen die geen verband houden met de uitoefening van de geneeskunde niet toegelaten zijn. Wel kan de Nationale Raad accepteren dat deze regel niet doorgetrokken wordt naar de eenpersoonsvennootschappen daar de hoger ontwikkelde redenering voor deze vennootschappen niet opgaat. Om moeilijkheden te voorkomen dienen de eenpersoonsvennootschappen er wel rekening mee te houden dat het burgerlijk karakter van de vennootschap niet kan betwist worden.

(1) Dit advies van de Nationale Raad werd noch in het Tijdschrift noch op de website van de Nationale Raad gepubliceerd. De tekst ervan luidt als volgt :
In zijn vergaderingen van 17 juli en 18 september 2004 onderzocht de Nationale Raad de vraag van een provinciale raad betreffende het doel van een professionele doktersvennootschap.
De Nationale Raad bevestigt zijn advies van 19 februari 2000 :
“De Nationale Raad is van oordeel dat het doel van een professionele artsenvennootschap enkel de uitoefening van de geneeskunde door zijn vennoten kan zijn.
Het is duidelijk dat een artsenvennootschap zich de nodige middelen mag aanschaffen om de uitoefening van de geneeskunde door zijn vennoten te vergemakkelijken en dat hiertoe een onroerend goed kan behoren.
De Nationale Raad is van oordeel dat het beheer van of de belegging in onroerende goederen die geen verband houden met de uitoefening van de geneeskunde door de vennoten, niet als doelstelling van een burgerlijke professionele artsenvennootschap kan weerhouden worden”.
De Nationale Raad is mening dat dit advies evenzeer geldt voor roerende goederen.

Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen18/10/2003 Documentcode: a103005
Vennootschappen - Bestuurders niet-geneesheren

Vennootschappen – Bestuurders niet-geneesheren

Met betrekking tot de toepassing van het op 16 maart 2002 gewijzigde artikel 162, §5, d, van de Code van geneeskundige plichtenleer vragen enkele provinciale raden aan de Nationale Raad of de bestuurders van professionele artsen-vennootschappen met rechtspersoonlijkheid niet-vennoten mogen zijn en of niet-geneesheren aanvaardbaar zijn als bestuurders.

Advies van de Nationale Raad :

Op 16 maart 2002 wijzigde de Nationale Raad Titel IV, Hoofstuk IV, van de Code van geneeskundige plichtenleer betreffende de professionele samenwerking tussen geneesheren. Bij deze wijzigingen werd niet langer weerhouden dat de bestuursfuncties door geneesheren-vennoten dienen waargenomen te worden. Artikel 162, §5, zegt wel dat de provinciale raden bij de beoordeling van de voorgelegde teksten bijzondere aandacht dienen te schenken aan de wijze van verkiezing van de bestuurders, de duur van hun mandaten en de eventuele vergoeding die dient overeen te stemmen met de werkelijk uitgeoefende bestuursactiviteiten. Hieruit volgt dat niet-geneesheren als bestuurder kunnen verkozen worden. Artsen dienen zich wel te realiseren dat bijvoorbeeld een zaakvoerder van een bvba een belangrijk aantal bevoegdheden heeft met een eigen aansprakelijkheid wat tot bijkomende moeilijkheden kan leiden wanneer de zaakvoerder geen vennoot is.

Uitgesloten blijft dat een niet-geneesheer vennoot wordt van een professionele vennootschap daar alle vennoten artsen moeten zijn die op een actieve wijze de geneeskunde dienen uit te oefenen zoals bepaald in artikel 159, § 3, en artikel 162, § 3 en § 4, van de Code van geneeskundige plichtenleer.

In geval van ontbinding van de vennootschap dient/dienen de vereffenaar(s) geneeshe(e)r(en) te zijn zoals bepaald in artikel 162, § 5, j. Zij moeten er onder meer op toezien dat de patiëntendossiers uitsluitend volgens de wens en in het belang van de patiënten worden toegewezen.