keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen19/02/2000 Documentcode: a088012
report_problem Zie advies a109009 : TNR 109 p. 6.
Belegging in onroerende goederen door een artsenvennootschap

Een provinciale raad maakt een brief over van een administratiekantoor met betrekking tot het volgend probleem : "Veel artsenvennootschappen brengen naast hun beroepsactiviteit ook hun woning in de professionele bvba of bouwen een nieuwe woning (al dan niet voor gemengd gebruik) voor rekening van de bvba. De fiscus meent dat de intresten en afschrijving van het privé-bewoonde gedeelte van de woning niet meer aftrekbaar zijn en wordt hierin gesteund door twee arresten van het Hof van Beroep. De fiscus beroept zich o.a. op het feit dat de statuten niet voorzien in het beheer of de belegging van onroerende goederen."
Het administratiekantoor meent echter dat veel fiscale moeilijkheden kunnen vermeden worden door dit laatste toe te laten.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 19 februari 2000 de adviesaanvraag van het Administratiekantoor X in verband met de belegging in onroerende goederen door een artsenvennootschap.

De Nationale Raad is van oordeel dat het doel van een professionele artsenvennootschap enkel de uitoefening van de geneeskunde door zijn vennoten kan zijn.

Het is duidelijk dat een artsenvennootschap zich de nodige middelen mag aanschaffen om de uitoefening van de geneeskunde door zijn vennoten te vergemakkelijken en dat hiertoe een onroerend goed kan behoren.

De Nationale Raad is van oordeel dat het beheer van of de belegging in onroerende goederen, die geen verband hebben met de uitoefening van de geneeskunde door de vennoten, niet als doelstelling van een burgerlijke professionele artsenvennootschap kan weerhouden worden.

Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen29/05/1999 Documentcode: a085016
Vennootschap voor radiologie - Financiële participatie in een andere vennootschap voor radiologie

Een provinciale raad maakt de Nationale Raad een brief over van een accountant waarin deze de vraag stelt of een vennootschap voor radiologie een financiële participatie (aankoop van deelbewijzen) mag nemen in een andere vennootschap voor radiologie met precies hetzelfde maatschappelijk doel.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 29 mei 1999 uw brief van 30 maart 1999 over een financiële participatie van een vennootschap voor radiologie in een andere vennootschap voor radiologie.

Tijdens de vergaderingen van 20 april 1996 en 20 februari 1999 bracht de Nationale Raad adviezen uit die van toepassing zijn op de aangehaalde situatie. Als bijlage sturen wij u een kopie van deze adviezen.

In het algemeen moeten we er aan herinneren dat over de specifieke gevallen rechtstreeks moet onderhandeld worden door de betrokken arts met zijn provinciale raad en zonder tussenkomst van derden.

Bijlage : de adviezen van 20 april 1996 en van 20 februari 1999

Advies van de Nationale Raad van 20 april 1996 :

Professionele artsenvennootschappen

De Nationale Raad wordt om advies verzocht aangaande verschillende vragen met betrekking tot de professionele artsenvennootschappen.
In antwoord op deze vragen heeft de Nationale Raad naar de betrokkenen en naar alle provinciale raden een nota van zijn studiedienst gezonden.

Nota van de studiedienst :

1. Kan een geneesheer geassocieerd zijn in twee of meerdere professionele geneesherenvennootschappen? Waarom?

Indien het gaat over een professionele vennootschap met rechtspersoonlijkheid kunnen de artsen niet geassocieerd zijn in twee of meerdere geneesherenvennootschappen aangezien deze vorm slechts mogelijk is wanneer de geneesheren-vennoten hun volledige medische activiteit in gemeenschap brengen. (art. 159, §4, al. 2, van de Code van geneeskundige Plichtenleer)
Indien het gaat over een professionele vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid kunnen de artsen geassocieerd zijn in twee of meerdere geneesherenvennootschappen aangezien zij hun medische activiteit geheel of gedeeltelijk in gemeenschap kunnen brengen.
Er dient opgemerkt dat de in een professionele vennootschap geassocieerde geneesheren dezelfde of aanverwante disciplines moeten uitoefenen. (art. 159, §1, van de Code van geneeskundige Plichtenleer)

2. Kan een geneesheer geassocieerd zijn in twee of meerdere middelenvennootschappen? Waarom?

Ja, want een middelenvennootschap wordt alleen opgericht met het doel de beroepsuitoefening voor ieder van de geneesheren-vennoten (ongeacht hun discipline) te vergemakkelijken. De vennootschap staat totaal los van de beroepsuitoefening zelf. (art. 160, § 1 en § 3, van de Code van geneeskundige Plichtenleer)

3. Kan een professionele geneesherenvennootschap zelf aandeelhouder of vennoot zijn van een andere professionele geneesherenvennootschap (met hetzelfde specialisme)? Waarom?

4. Indien het antwoord van de Orde op de bovenstaande vragen 1 en 3 negatief is, op welke wijze kunnen artsen die reeds in vennootschapsverband werken zich dan associëren volgens de Orde der geneesheren?

Het antwoord op de derde vraag is negatief. De oprichting van een professionele vennootschap is, gezien het voorwerp ervan, enkel mogelijk voor artsen-fysieke personen (advies van de Nationale Raad van 19 september 1992, Tijdschrift Nationale Raad, nr. 58, december 1992, p. 26; art. 159, § 3, al. 1, van de Code van geneeskundige Plichtenleer).
"Er is daarentegen geen bezwaar tegen de oprichting van een middelenvennootschap door reeds bestaande vennootschappen, eenpersoonsvennootschappen of andere. De bepaling geneesheer in de Code van geneeskundige Plichtenleer (artikelen 159 en 160) mag daartoe in brede zin geïnterpreteerd worden. De provinciale raden zullen elke hun voorgelegde zaak in het licht van feiten en omstandigheden beoordelen." (advies van de Nationale Raad van 19 september 1992, l.c.)
De provinciale raden beperken zich aldus tot een deontologische beoordeling van de verschillende samenwerkingsvormen; het komt hen niet toe rekening te houden met de financiële en fiscale aspecten ervan.

5. Kan een professionele geneesherenvennootschap zelf de bestuurder of zaakvoerder zijn van een andere professionele geneesherenvennootschap (met hetzelfde specialisme) in de vorm van een NV of van een CVBA? (in het geval van een BVBA kan de zaakvoerder alleen een natuurlijke persoon zijn) Waarom?

Neen: overeenkomstig het advies van de Nationale Raad van 20 maart 1993 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 60, juni 1993, p. 30) dient de zaakvoerder van een geneesherenvennootschap een fysieke persoon te zijn. Het is niet toegelaten aan het begrip geneesheer voorkomend in art. 164 § 6 van de Code van geneeskundige Plichtenleer een zelfde ruime interpretatie te geven als in het advies van de Nationale Raad van 19 september 1992. (cfr. het antwoord op de bovenstaande vragen 3 en 4; zie ook art. 164, 6, van de Code van Plichtenleer)
In verband met de oprichting van een geneesherenvennootschap in de vorm van een NV dient opgemerkt te worden dat "de samenwerking tussen artsen in een vennootschap met rechtspersoonlijkheid een intuitu personae-karakter heeft. Dit impliceert dat als mogelijke vennootschapsvormen voor artsenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid enkel personen-vennootschappen of vennootschappen met gemengde vorm in aanmerking komen, te weten: de vennootschap onder firma, de coöperatieve vennootschap en de (eenpersoons-) besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De naamloze vennootschap is uitgesloten als vennootschapsvorm voor artsenvennootschappen [...]." (advies van de Nationale Raad van 20 maart 1993, Tijdschrift Nationale Raad, nr. 60, juni 1993, p. 28.)

6. Kan een arts die een ziekenhuisactiviteit uitoefent (als zelfstandig arts) zijn "ziekenhuis"-cliënteel valoriseren en inbrengen in zijn eigen professionele vennootschap?

Aangezien een arts die zijn medische activiteit uitoefent in het kader van een professionele vennootschap zijn volledige medische activiteit kan (bij een professionele vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid) of moet (bij een professionele vennootschap met rechtspersoonlijkheid) inbrengen in de vennootschap, kan hij zijn "ziekenhuis"-cliënteel inbrengen in de professionele vennootschap.
Artikel 18, § 1, van de Code van geneeskundige Plichtenleer bepaalt dienaangaande: "De materiële en immateriële bestanddelen van een geneeskundige praktijk kunnen het voorwerp uitmaken van een inbreng of quasi-inbreng in een geneesherenvennootschap en van een overdracht aan een geneesheer, een geneesherenassociatie of een geneesherenvennootschap."

In de richtlijnen voor de praktische toepassing van dit artikel, die door de Nationale Raad goedgekeurd werden in zijn vergadering van 19 september 1992, wordt gepreciseerd dat de principes betreffende de overdracht van cliënteel ook van toepassing zijn op de overdracht van een ziekenhuispraktijk.
"Uiteraard kunnen in dit geval enkel díe elementen van de ziekenhuispraktijk overgedragen worden die de arts toebehoren." (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 58, december 1992, p. 22 nr. 5.)

Machteld Van Lil
4 maart 1996

Advies van de Nationale Raad van 20 februari 1999 :

Beheer van een kabinet door een collega die er de geneeskunde niet uitoefent

Na een adviesaanvraag door een provinciale raad bracht de Nationale Raad op 16 mei 1998 het advies uit dat "de arts, lid van een bvba, die beheermiddelen aanbrengt in een privé-kabinet voor radiologie waarin hij niet uitoefent, valt onder het verbod van artikel 24 van de Code van geneeskundige Plichtenleer" (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 81, 16).
De betrokken provinciale raad laat nu weten dat de statuten van deze bvba door de provinciale raad reeds goedgekeurd werden in 1992. In deze statuten is bepaald dat de deelbewijzen slechts toegekend mogen worden aan artsen die hun beroep uitoefenen of zullen uitoefenen in het kader van de vennootschap. De provinciale raad wijst erop dat nergens in de Code van geneeskundige Plichtenleer (art. 164, § 1) vastgesteld wordt binnen welke termijn de arts zijn beroep moet uitoefenen binnen de vennootschap. De provinciale raad vraagt of de Nationale Raad hier geen beperkende precisering kan aanbrengen.

Verder wordt ook gevraagd of de omstandigheid dat de arts geassocieerd is in twee professionele vennootschappen met hetzelfde maatschappelijk doel, namelijk de uitoefening van de radiologie, strijdig is met art. 159, § 4, van de Code van geneeskundige Plichtenleer.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale raad besprak in zijn vergadering van 20 februari 1999 uw brief van 24 december 1998 aangaande de bijkomende inlichtingen die u verstrekt over radiologiekabinetten beheerd, in het kader van vennootschappen, door een radioloog die er zijn beroep niet uitoefent.

1. Wat betreft het probleem van artikel 164 § 1 dat bepaalt dat "deelbewijzen op naam moeten zijn en enkel toegekend mogen worden aan geneesheren die in het kader van de vennootschap hun beroep uitoefenen of zullen uitoefenen", moet er opgemerkt worden dat met "geneesheren die in het kader van de vennootschap hun beroep zullen uitoefenen", de Raad de artsen heeft willen associëren die op het einde van hun opleiding of in proefperiode vóór aanwerving zijn en die effectief in het kader van de vennootschap werken op het ogenblik van hun opleiding. In het geval dergelijke beperking niet aangebracht werd in de betwiste tekst, zou deze iedere betekenis verliezen aangezien het dan mogelijk zou zijn voor elke arts die in aanmerking komt op een bepaald moment zijn beroep uit te oefenen in het kader van een vennootschap, deelbewijzen ervan te verkrijgen op zijn naam.

2. Wat betreft de deelname van een arts aan twee vennootschappen met hetzelfde doel : de brief van de Provinciale Raad van Henegouwen leert ons dat het gaat om twee professionele vennootschappen. Artikel 159 § 4 bepaalt wel duidelijk dat de arts zijn volledige medische activiteit moet uitoefenen in één professionele vennootschap. Het is dan ook ondenkbaar dat een arts zijn beroep voltijds kan uitoefenen in verschillende vennootschappen.

Tot besluit en ondanks het feit dat de Provinciale Raad de statuten van de bvba goedkeurde in 1992, is het niet aanvaardbaar dat de beschreven situatie als zodanig aangenomen wordt : de geleverde informatie over de twee professionele vennootschappen blijkt niet volledig. Bovendien is de interpretatie van artikel 164 § 1 onjuist.

Kabinet20/02/1999 Documentcode: a084017
Beheer van een kabinet door een collega die er de geneeskunde niet uitoefent

Na een adviesaanvraag door een provinciale raad bracht de Nationale Raad op 16 mei 1998 het advies uit dat "de arts, lid van een bvba, die beheermiddelen aanbrengt in een privé-kabinet voor radiologie waarin hij niet uitoefent, valt onder het verbod van artikel 24 van de Code van geneeskundige Plichtenleer" (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 81, 16).
De betrokken provinciale raad laat nu weten dat de statuten van deze bvba door de provinciale raad reeds goedgekeurd werden in 1992. In deze statuten is bepaald dat de deelbewijzen slechts toegekend mogen worden aan artsen die hun beroep uitoefenen of zullen uitoefenen in het kader van de vennootschap. De provinciale raad wijst erop dat nergens in de Code van geneeskundige Plichtenleer (art. 164, § 1) vastgesteld wordt binnen welke termijn de arts zijn beroep moet uitoefenen binnen de vennootschap. De provinciale raad vraagt of de Nationale Raad hier geen beperkende precisering kan aanbrengen.

Verder wordt ook gevraagd of de omstandigheid dat de arts geassocieerd is in twee professionele vennootschappen met hetzelfde maatschappelijk doel, namelijk de uitoefening van de radiologie, strijdig is met art. 159, § 4, van de Code van geneeskundige Plichtenleer.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale raad besprak in zijn vergadering van 20 februari 1999 uw brief van 24 december 1998 aangaande de bijkomende inlichtingen die u verstrekt over radiologiekabinetten beheerd, in het kader van vennootschappen, door een radioloog die er zijn beroep niet uitoefent.

  1. Wat betreft het probleem van artikel 164 § 1 dat bepaalt dat "deelbewijzen op naam moeten zijn en enkel toegekend mogen worden aan geneesheren die in het kader van de vennootschap hun beroep uitoefenen of zullen uitoefenen", moet er opgemerkt worden dat met "geneesheren die in het kader van de vennootschap hun beroep zullen uitoefenen", de Raad de artsen heeft willen associëren die op het einde van hun opleiding of in proefperiode vóór aanwerving zijn en die effectief in het kader van de vennootschap werken op het ogenblik van hun opleiding. In het geval dergelijke beperking niet aangebracht werd in de betwiste tekst, zou deze iedere betekenis verliezen aangezien het dan mogelijk zou zijn voor elke arts die in aanmerking komt op een bepaald moment zijn beroep uit te oefenen in het kader van een vennootschap, deelbewijzen ervan te verkrijgen op zijn naam.
  2. Wat betreft de deelname van een arts aan twee vennootschappen met hetzelfde doel : de brief van de Provinciale Raad van Henegouwen leert ons dat het gaat om twee professionele vennootschappen. Artikel 159 § 4 bepaalt wel duidelijk dat de arts zijn volledige medische activiteit moet uitoefenen in één professionele vennootschap. Het is dan ook ondenkbaar dat een arts zijn beroep voltijds kan uitoefenen in verschillende vennootschappen.

Tot besluit en ondanks het feit dat de Provinciale Raad de statuten van de bvba goedkeurde in 1992, is het niet aanvaardbaar dat de beschreven situatie als zodanig aangenomen wordt : de geleverde informatie over de twee professionele vennootschappen blijkt niet volledig. Bovendien is de interpretatie van artikel 164 § onjuist.

Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen20/02/1999 Documentcode: a084019
report_problem Dit advies is niet meer actueel. Wijziging artt. 159-165 van de Code van geneeskundige plichtenleer van 16.03.2002.
Artikel 159, § 1, van de Code van geneeskundige Plichtenleer - Begrip "aanverwante disciplines"

Twee provinciale raden vragen of het deontologisch aanvaardbaar is dat huisartsen hun medische activiteit uitoefenen in een artsenvennootschap waarin hun echtgenote, respectievelijk reumatologe en arbeidsgeneesheer, zou opgenomen zijn als vennote.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 20 februari 1999 uw adviesaanvraag betreffende het verzoek van een huisarts die zijn medische activiteit wenst uit te oefenen in het kader van een vennootschap waarin hij zijn echtgenote, arbeidsgeneesheer-"reumatologe", zou opnemen als vennoot.

Ongeacht de discipline die ze beoefenen kunnen artsen een middelenvennootschap oprichten om de beroepsuitoefening van ieder van hen te vergemakkelijken (artikel 160 van de Code van geneeskundige Plichtenleer). Dit geldt echter niet voor de oprichting van een professionele vennootschap met of zonder rechtspersoonlijkheid, waarvoor de uitoefening van dezelfde discipline of van een aanverwante discipline vereist is.

De provinciale raden zijn bevoegd om in elk concreet geval de graad van aanverwantschap van de verschillende disciplines te beoordelen. Er dient evenwel aan herinnerd te worden dat de Nationale Raad op 19 oktober 1985 het advies verstrekt heeft dat hij niet kan instemmen met een vennootschap tussen een huisarts en een oftalmoloog, ook al gaat het over een echtpaar (Officieel Tijdschrift Orde der geneesheren, 1985-1986, nr. 34, 28).

De Nationale Raad bevestigt dat dit advies nog steeds geldt, ook al besliste hij tijdens diezelfde vergadering van 20 februari 1999 binnen zijn midden een commissie op te richten die zich opnieuw zal buigen over het deontologische aspect van de gehele problematiek inzake de artsenassociaties en de uitoefening van de geneeskunde door een associatie, dit in het bijzonder in het kader van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid.

Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen16/01/1999 Documentcode: a084011
Oprichting van een maatschap tussen neurologen en neurochirurgen

Een provinciale raad doet de Nationale Raad een vraag geworden van twee artsen over de deontologische aanvaardbaarheid van een maatschap tussen neurologen en neurochirurgen.
De provinciale raad is van oordeel dat dergelijke maatschap wellicht kan aanvaard worden onder strikt bepaalde voorwaarden maar stelt de vraag of zij kan aanvaard worden voor de totaliteit van de medische interventies dan wel moet beperkt worden tot welbepaalde handelingen.

Antwoord van de Nationale Raad:

In zijn zitting van 16 januari 1999 heeft de Nationale Raad uw vraag om advies, van 6 november 1998, besproken omtrent de eventualiteit van maatschap tussen neurologen en neurochirurgen.

In het licht van de belangrijke evolutie binnen het domein van de functionele neurochirurgie waarbij de inbreng van de neuroloog/neurofysioloog een onmiskenbare aanwinst en noodzaak is geworden, valt de aanverwantschap van beide disciplines niet te ontkennen.

Daadwerkelijke honorering van deze substantiële samenwerking aan de operatietafel dringt zich dan ook logischerwijze op. De Nationale Raad ziet hiervoor een mogelijkheid bij middel van een in te richten honorariumpool binnen de structuur van een middelenvennootschap, en dit voor een limitatieve reeks van welbepaalde gezamenlijke prestaties.

Het samenbrengen van de totaliteit van medische prestaties van beide disciplines binnen de structuur van een professionele vennootschap is deontologisch niet te verantwoorden gezien de uiteenlopende diversiteit van de meerderheid der medische prestaties van de onderlinge disciplines en het reële risico op collusie dat hieruit zou kunnen ontstaan samen met de beperking van de vrije keuze door de patiënt.

Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen12/12/1998 Documentcode: a084004
Wijziging van artikel 164, § 6, en artikel 163, § 1, van de Code van geneeskundige Plichtenleer - Terugwerkende kracht

Wijziging van artikel 164, §6, en artikel 163, §1, van de Code van geneeskundige Plichtenleer - Terugwerkende kracht

Een provinciale raad vraagt of de wijziging van artikelen 164, §6, en 163, §1, van de Code - ten gevolge waarvan het bestuurders van artsenvennootschappen deontologisch toegelaten wordt bezoldigd te worden voor de uitoefening van een bestuurdersmandaat - terugwerkende kracht kan hebben tot 1 januari 1997.

Antwoord van de Nationale Raad:

Als gevolg aan uw brief van 16 november 1998 betreffende de wijziging van het artikel 164, §6, van de Code van geneeskundige Plichtenleer, deel ik u mede dat de Nationale Raad in zijn vergadering van 12 december 1998 heeft bevestigd dat de nieuwe tekst van dit artikel op deontologisch vlak slechts uitwerking kan hebben vanaf 24 oktober 1998, datum van de vergadering van de Nationale Raad waarin de nieuwe Codetekst werd goedgekeurd.

De schriftelijke overeenkomsten bedoeld in het eveneens gewijzigde artikel 163, §1, derde lid, van de Code, zullen geen vroegere aanvangsdatum van de nieuwe regeling mogen vermelden.

Uit de wijzigingen eventueel voortvloeiende gevolgen en mogelijkheden op fiscaal vlak behoren niet tot de beoordelingsbevoegdheid van de ordinale instanties.

Een kopie van dit advies wordt overgemaakt aan de andere provinciale raden.

Vennootschappen tussen artsen en met niet-artsen24/10/1998 Documentcode: a083002
Vergoeding van artsen voor het uitoefenen van een bestuursfunctie binnen een artsenvennootschap : wijziging van de Code van geneeskundige Plichtenleer

Vergoeding van artsen voor het uitoefenen van een bestuursfunctie binnen een artsenvennootschap: wijziging van de Code van geneeskundige Plichtenleer

Artikel 164, § 6, van de Code van geneeskundige Plichtenleer voerde in 1987 de onbezoldigdheid van het bestuurdersmandaat in een artsenvennootschap in hoofdzakelijk om te voorkomen dat een ongelijkheid zou ontstaan tussen de artsen-vennoten met en die zonder bestuursfunctie.
Intussen is het vennootschapslandschap er zowel in de wetgeving als in de praktijk enigszins anders komen uit te zien. Zo bijvoorbeeld werden eenpersoonsvennootschappen voor artsen gecreëerd, is vast komen te staan dat andere vrije beroepers wel een bezoldigd bestuurdersmandaat mogen uitoefenen, is de fiscale wetgeving geëvolueerd e.d. .
Daarom heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren in zijn vergadering van 24 oktober 1998 beslist de verplichte onbezoldigdheid van de artsen-bestuurders uit de Code van geneeskundige Plichtenleer te schrappen. Bestuurders van artsenvennootschappen mogen voor deze bestuursfunctie nu dus bezoldigd worden, zij het onder controle van de provinciale raden aangezien deze raden voortaan ook bedoelde bezoldigingen dienen in aanmerking te nemen bij de deontologische beoordeling van een hen ter goedkeuring voorgelegd ontwerp van vennootschapscontract.
De gewijzigde artikels 163, § 1 en 164, § 6 van de Code van geneeskundige Plichtenleer luiden als volgt:

Artikel 164, § 6

"De bestuursfuncties moeten door artsen-vennoten worden waargenomen.
Deze functies zijn van welbepaalde duur; herverkiezing is mogelijk."

Artikel 163, § 1

Eerste en tweede alinea worden behouden.

Derde alinea wordt:

"In geval van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid worden de werkverdeling, alle vergoedingen voor het gepresteerde werk - inclusief de eventuele bezoldigingen als bestuurder - en terugbetalingen van kosten en vacaties vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die onderworpen is aan de bepalingen van artikel 161."

Geneesmiddelen24/10/1998 Documentcode: a083014
Arts als bestuurder van een naamloze vennootschap met een commercieel doel

De Provinciale Raad van Henegouwen legt de Nationale Raad zijn antwoord voor op een brief van een accountant die de visie van de Orde van geneesheren wenst te kennen in verband met volgende vraag: mogen twee artsen, van wie de ene de geneeskunde geregeld uitoefent en de andere slechts uitzonderlijk, een kosteloos of bezoldigd mandaat aanvaarden van bestuurder in een naamloze vennootschap waarvan het maatschappelijk doel als volgt zou luiden:
"De vennootschap heeft tot doel zowel in België als in het buitenland alle verrichtingen die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de klein- of groothandel van alle producten van artsenijbereidkunde, biotherapie, diëtetiek, schoonheidsverzorging, medisch, paramedisch en gelijk welk ander materiaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met deze handel; ook de aankoop en de verkoop van grondstoffen die ermee verband houden en de uitvoering van alle medische voorschriften, evenals de verhandeling van homeopathische en bandagistproducten."

De Nationale Raad keurt het ontwerpantwoord van de Provinciale Raad goed.

Advies van de Provinciale Raad van Henegouwen:

Artikel 179 § 3 van de Code van geneeskundige Plichtenleer bepaalt dat de arts niet terzelfdertijd de geneeskunde mag uitoefenen en fabrikant of verdeler zijn van geneesmiddelen, geneeskundige of protheseapparaten.

In het voorliggende geval staat het vast dat het gaat over artsen die praktiseren, de ene geregeld, de andere uitzonderlijk.

Ofschoon het gaat over bestuurders van een vennootschap met een doel dat louter commercieel is en geen verband houdt met de uitoefening van de geneeskunde, kunnen de deontologische aspecten van hun uitoefening van de geneeskunde er niettemin door beïnvloed worden, waardoor een risico op collusie of op misbruik van de therapeutische vrijheid bestaat.

De bevoegde Raad van de Orde brengt bijgevolg een ongunstig advies uit betreffende de uitoefening van een mandaat van bestuurder in een naamloze vennootschap waarvan het maatschappelijk doel beschreven is in uw brief.