keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Anesthesie15/09/2018 Documentcode: a162006
Simultane anesthesieën

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht de vraag betreffende simultane anesthesieën.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 15 september 2018 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag betreffende simultane anesthesieën onderzocht.

Sectie IV artikel 2.07 van de Belgian Standards for patient safety in anesthesia (an update 2002) stelt dat er een aanwezigheid bij de patiënt dient te zijn vanaf het begin van de anesthesie tot de overbrenging naar de ontwaakzaal of intensieve zorgen. Deze aanwezigheid is continu. Enkel bij vitale urgenties bij andere patiënten kan de anesthesist de patiënt gedurende een korte tijd verlaten, mits een bevoegd persoon exclusief de bewaking van de patiënt overneemt.

De Belgian Standards for patient safety in anesthesia (1998 en an update 2002) maken geen onderscheid tussen locoregionale anesthesie en algemene anesthesie.

De Belgian Standards for patient safety in anesthesia (1998 en an update 2002) zijn guidelines of klinische richtlijnen. Ongetwijfeld wordt met deze normen een vorm van soft lawgecreëerd die als bijkomend toetsingskader voor de rechtspraak kan dienen. Het is namelijk bekend dat de rechtspraak voor de invulling van "het zorgvuldig handelen" van de beroepsbeoefenaar een beroep zal kunnen doen op klinische praktijkrichtlijnen. Afwijkingen van klinische richtlijnen kunnen echter gerechtvaardigd worden in individuele gevallen.

De nationale raad verwijst verder naar het advies van de nationale raad van 14 november 1998 dat nog steeds actueel is.

De arts heeft voor een kwaliteitsvolle uitoefening van zijn beroep de vereiste kennis en deskundigheid en de gepaste attitude[1]. De arts aanvaardt slechts het aantal patiënten die hij, volgens de huidige stand van de wetenschap, gewetensvol, zorgvuldig en respectvol kan verzorgen[2]. De arts organiseert zijn praktijk zodanig dat hij zijn beroep kwalitatief hoogstaand en veilig uitoefent en de continuïteit van de zorg verzekert[3].

Tevens dient vermeld te worden dat sommige verzekeraars simultane anesthesie als een uitsluiting beschouwen. Deontologisch dient een arts verzekerd te zijn voor de uit te voeren medische handelingen[4]. De wet patiëntenrechten[5] bepaalt dat een arts zijn patiënt inlicht omtrent de verzekeringsdekking.



[1] artikel 3, Code van medische deontologie 2018 (CMD2018)

[2] artikel 6 CMD2018

[3] artikel 8 CMD2018

[4] artikel 9 CMD2018

[5] artikel 8/1, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

Anesthesie20/12/2008 Documentcode: a123019
Uitvoeren van narcoses door een verpleegkundige

De Federale Politie wenst het standpunt van een provinciale raad te kennen betreffende het uitvoeren van narcoses door al dan niet geneesheren-anesthesisten bij chirurgische ingrepen die worden verricht in een centrum voor esthetische behandelingen.
De Nationale Raad wordt verzocht hierover een advies te formuleren.

Advies van de Nationale Raad :

Betreffende het uitvoeren van narcoses door een verpleegkundige, wenst de Nationale Raad het volgende op te merken.

In toepassing van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 mag in de regel niemand de geneeskunde bedrijven tenzij hij houder is van het wettelijke diploma van dokter in de geneeskunde, heelkunde en verloskunde.

In zijn artikel 5, § 1, bepaalt datzelfde koninklijk besluit dat de Koning de voorwaarden mag vaststellen waarin bepaalde geneeskundige handelingen aan personen kunnen worden toevertrouwd die houder zijn van een beroepstitel van verpleegkundige.

De lijst van technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van handelingen die door een arts kunnen worden toevertrouwd aan beoefenaars van de verpleegkunde, werden bepaald in het koninklijk besluit van 18 juni 1990. Dit koninklijk besluit bepaalt ook de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde dienen te voldoen.

Na analyse van deze teksten komt het de Nationale Raad voor dat in het geval waarvan sprake, de verpleegkundige niet voldeed aan de wettelijke vereisten om een narcose uit te voeren of te bewaken en dat, zodoende, artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 78 werd overtreden.

Overigens dient iedere verpleegkundige houder van een diploma afgeleverd door een lidstaat, naast de erkenning van zijn beroepsbekwaamheden ook het visum van de provinciale geneeskundige commissie te verkrijgen(1).

Betreffende de beroepstitel van verpleegkundige gespecialiseerd in de anesthesie waarvan betrokken verpleger in Nederland houder zou zijn, dient te worden opgemerkt dat hoewel deze titel in België wordt erkend door het koninklijk besluit van 27 september 2006, dit besluit evenwel nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitvoeringsbesluit waarin de erkenningcriteria worden vastgesteld.

Met betrekking tot het uitvoeren van narcoses door een arts niet-anesthesist, stelt artikel 35, punt b, van de Code van geneeskundige plichtenleer dat de geneesheer zijn bevoegdheid niet mag overschrijden.

De Belgische beroepsvereniging van specialisten in Anesthesie-Reanimatie wijst er op dat de anesthesie een medisch specialisme is dat uitsluitend voorbehouden is aan anesthesisten(2).

Bovendien is anesthesiologie een specialisme dat officieel door de FOD Volksgezondheid erkend is.

Wat betreft de voorwaarden waarin een narcose moet worden toegepast, wijst de Nationale Raad er in zijn advies van 14 november 1998 op dat aan alle veiligheidsvoorwaarden dient te worden voldaan, zowel wat betreft de voorbereiding van de patiënt als de beschikbaarheid van de nodige uitrusting en het vereiste hulppersoneel. Deze voorwaarden blijken des te meer belangrijk wanneer deze handelingen buiten het ziekenhuis plaatshebben.

De Belgische Vereniging voor Anesthesie en Reanimatie en de Belgische beroepsvereniging der geneesheren specialisten in Anesthesie-Reanimatie zijn wat dit betreft gestart met het opstellen van de veiligheidsstandaarden voor patiënten die door een anesthesist worden onderworpen aan een algemene narcose, een diepe regionale narcose of een sedatie, met het oog op therapeutische of diagnostische handelingen. Deze standaarden zijn toegankelijk op de website van de Belgische Vereniging voor Anesthesie en Reanimatie en de Belgische beroepsvereniging der geneesheren specialisten in Anesthesie-Reanimatie : http://www.bvar.be/nl/activiteiten/bsar/saf_first_nl.htm.

(1) Artikel 37 §1er, 2° a) van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies.

(2) Acta Anesthesiologica Belgica, 2008, 59, n°3

Anesthesie16/02/2008 Documentcode: a120003
Medewerking aan een medische handeling en recht op niet-medische persoonlijke gegevens van de patiënt

Een anesthesist werkzaam in een ziekenhuis wordt er steeds vaker toe gebracht, tegen zijn geweten en zijn filosofische overtuiging in, sedatie toe te passen bij bepaalde patiënten die een eicelpunctie ondergaan in het kader van een in-vitrobevruchting.
Om die reden legt hij de volgende vragen voor aan zijn provinciale raad :
1. Heeft de anesthesist het recht, uit persoonlijke overtuiging, te weigeren sedatie toe te dienen bij een patiënte die verklaart lesbische te zijn en die een eicelpunctie dient te ondergaan ?
2. Heeft de anesthesist, in geval van twijfel, het recht aan een patiënte van wie hij denkt dat ze lesbische is en die een eicelpunctie dient te ondergaan, te vragen of ze homoseksueel is ?
3. Is de gynaecoloog van de patiënte, wanneer de anesthesist hem dat vraagt, verplicht hem alle inlichtingen die in zijn bezit zijn te geven ?

De provinciale raad formuleert hierop een uitvoerig antwoord en stuurt ook een brief aan de voorzitter van de medische raad van het betrokken ziekenhuis.
De arts kan zich echter niet vinden in het negatieve antwoord op de derde vraag
(1). De betrokken provinciale raad verwijst naar het advies van de Nationale Raad van 30 juni 2007 betreffende het verzet van de patiënt tegen de inhoud van zijn medisch dossier en vraagt het advies van de Nationale Raad.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 16 februari 2008 heeft de Nationale Raad van de Orde der geneesheren zich gebogen over de vraag van uw Provinciale Raad aangaande een arts “die weigert zijn medewerking te verlenen aan een medische handeling wegens persoonlijke redenen en het recht van deze arts om geïnformeerd te worden betreffende niet-medische persoonlijke gegevens van patiënten”.

De Nationale Raad kan het op artikelen 28 en 31 van de Code van geneeskundige plichtenleer gefundeerde advies van uw Provinciale Raad bijtreden. Behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten tekort zou schieten, staat het de arts immers vrij om wegens persoonlijke of beroepsredenen de behandeling van een zieke te weigeren, maar hij/zij zal zich onthouden van inmenging in familiale aangelegenheden.

Specifieke problemen stellen zich wanneer deze problematiek het ‘colloque singulier’ overstijgt en zich binnen een multidisciplinaire samenwerking situeert.

De Nationale Raad meent dat in die gevallen door een voorafgaande open dialoog tussen alle betrokkenen onder toezicht van de lokale commissie voor medische ethiek, een protocol dient te worden opgesteld dat de in artikelen 5, 28, 31 en 86 van de Code bedoelde rechten van zorgverstrekker en patiënt garandeert, zonder hierbij noch de ene, noch de andere te gijzelen of te stigmatiseren.

(1)Brief van de provinciale raad

Geachte collega,

Tijdens de vergadering van 26 april ll. heeft onze Raad kennis genomen van uw brief van 28 maart 2007 waarin u hem drie vragen voorlegt in verband met het eventuele recht voor een anesthesist, op grond van zijn filosofische overtuigingen, te weigeren sedatie toe te dienen aan een homoseksuele patiënte in het kader van een eicelpunctie. De Raad heeft u een eerste antwoord gestuurd (zie bijlage) en had beslist de drie vragen voor onderzoek voor te leggen aan zijn commissie voor ethiek.

De commissie heeft zijn reflecties over de gestelde vragen doorgegeven aan de Raad.

Eerste vraag :

Heeft de anesthesist het recht, uit persoonlijke overtuiging, te weigeren sedatie toe te dienen bij een patiënte die verklaart lesbische te zijn en die een eicelpunctie dient te ondergaan ?

Het antwoord is affirmatief en dit ondermeer met naleving van de bepalingen van artikel 28 van de Code van geneeskundige plichtenleer :
“Behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten te kort zou schieten, staat het de geneesheer steeds vrij om persoonlijke of beroepsredenen de behandeling van een zieke te weigeren. De geneesheer mag eveneens van zijn opdracht afzien op voorwaarde dat hij de patiënt of de naastbestaanden ervan in kennis stelt, de continuïteit van de verzorging verzekert en aan de geneesheer die zijn taak overneemt, alle nuttige inlichtingen verstrekt.”

De weigering deel te nemen aan de aangewezen medische interventie kan ondermeer gerechtvaardigd worden door overwegingen van deontologische of morele aard.

1. De arts waarop een beroep gedaan wordt kan er inderdaad toe gebracht worden zich vragen te stellen over het deontologische karakter van zijn deelname aan het verloop van een medische verrichting (of aan de verrichting zelf) wanneer hij in de doelstelling van de gevraagde handeling en de verwezenlijking ervan, niet de waarborgen vindt die hij in geweten op ethisch en deontologisch vlak meent te moeten vinden.
2. Zo kan de arts zich ook vragen stellen over het bestaan van een voldoende, toereikende psychosociale omgeving die in staat is deze materie te begrijpen en, los van de rechtmatigheid van de beslissing die ongetwijfeld door zijn collega’s bewust genomen werd, de gevolgen van de gevraagde handeling te analyseren. Deze vraag gaat verder dan de problematiek van de medisch-technische aard van de verrichting zelf.
3. Zo kan hij zich ook vragen stellen over zijn participerende verantwoordelijkheid bij de educatieve wording van het kind aan wiens conceptie hij zou moeten meewerken en bij de beste vorming van dit kind met het oog op zijn integratie in het huidige organisatiebeeld van de maatschappij. Het zou hier enkel gaan om de opvoeding van dit kind in een “ouderlijke” omgeving die volledig verschilt van die van een gezin, zelfs uiteengevallen en/of nieuw samengesteld.
4. Aangezien de arts waarop een beroep gedaan wordt niet deelnam aan een beslissing al dan niet een kunstmatige bevruchting uit te voeren bij een homoseksuele vrouw die de wens heeft een kind op te voeden in een uitsluitend homoseksuele omgeving, kan hij niet in de situatie geplaatst worden te moeten deelnemen aan verrichtingen die in strijd zijn met zijn persoonlijke opvattingen en dit enkel wegens de organisatie van de dienst.

Wij moeten de arts-anesthesist er evenwel op wijzen dat zijn weigering “à la carte” tussen te komen bij afname van eicellen, tot gevolg zou kunnen hebben dat aan de andere tussenkomende of deelnemende personen van deze medische handeling de vertrouwelijke mededelingen die deze patiënte deed aan haar gynaecoloog, tenminste gedeeltelijk onthuld zouden kunnen worden. Deze mede-tussenkomende personen zouden hieruit vertrouwelijke conclusies kunnen trekken over het privé-leven van de patiënte.
Bovendien is het helemaal niet zeker dat deze ermee akkoord gaat dat haar homoseksualiteit die bekend gemaakt werd aan de gynaecoloog in het kader van de besloten dialoog op die manier openbaar gemaakt wordt.

Om een gedrag te vermijden dat zou indruisen tegen de deontologische regels betreffende de vertrouwelijkheid van het toevertrouwde, is het beter dat de arts die in geweten meent niet te kunnen meewerken, het gynaecologenteam er duidelijk van in kennis stelt dat hij om persoonlijke redenen niet kan deelnemen aan de wegneming van eicellen in dergelijke context of omstandigheden.
Er dient tevens op gewezen te worden dat, waar hij zelf stipt moet toezien op zijn vervanging, er eveneens gevaar bestaat dat de eventuele homoseksualiteit van de patiënte onthuld wordt. De arts-anesthesist die meent dat hij rechtmatig verhinderd is, zou het gynaecologenteam ervan in kennis moeten stellen dat hij doorgaans niet wenst mee te werken aan de wegneming van eicellen om te vermijden dat conclusies getrokken worden wanneer hij in een welbepaald, punctueel geval weigert dit soort verrichting uit te voeren.

Tweede vraag :

Heeft de anesthesist, in geval van twijfel, het recht aan een patiënte van wie hij denkt dat ze lesbische is en die een eicelpunctie dient te ondergaan, te vragen of ze homoseksueel is ?

Indien de patiënte niet zelf verklaard heeft dat ze homoseksueel is, is het niet aan de arts deze vraag als dusdanig te stellen. De bekendmaking van haar homoseksualiteit zou de beslissing van de arts om haar al dan niet te behandelen immers alleen maar kunnen wijzigen. Deze wijziging zou geïnterpreteerd kunnen worden als een overtreding van de wetsbepalingen betreffende de eerbiediging van het recht op verscheidenheid.

Het is de gynaecoloog in wie de patiënte haar vertrouwen gesteld heeft en aan wie ze haar homoseksualiteit toevertrouwd heeft, die haar erop dient te wijzen dat andere artsen die dienen mee te werken aan de gevraagde geneeskundige verrichting mogelijk gewetensbezwaren zullen hebben om mee te werken.
Het is onaanvaardbaar dat de patiënte door een bevestigend antwoord betreffende haar homoseksualiteit op het gepaste moment (dat voor de patiënte een spoedeisendheid vormt in het verloop van de gevraagde verrichting) niet kan rekenen op de medewerking van een arts in een zorgparcours dat ze mag verwachten.

Derde vraag :

Is de gynaecoloog van de patiënte, wanneer de anesthesist hem dat vraagt, verplicht hem alle inlichtingen die in zijn bezit zijn te geven ?

Het antwoord is negatief.
De formulering van de vraag doet veronderstellen dat de anesthesist het antwoord op zijn vraag niet gevonden heeft in het papieren of elektronisch dossier : ongetwijfeld maakt deze informatie volgens de gynaecoloog geen deel uit van het “gedeeld geheim” betreffende de patiënte.
De anesthesist heeft het recht alle medisch-sociale en nosologische gegevens te verkrijgen die nodig en nuttig zijn voor het vervullen van zijn opdracht, zoals bepaald wordt door artikel 142 van de Code van plichtenleer.
Tenzij bewezen is dat de homoseksualiteit een bijkomend risico vormt voor de anesthesist, heeft alleen de gynaecoloog het recht te oordelen over de gegrondheid om deze informatie al dan niet mee te delen, zelfs, in onderhavig geval, met de toestemming van de patiënte.

Hoogachtend.

Anesthesie30/10/1999 Documentcode: a087011
Geneesheren-anesthesisten - Aangepaste SAFETY-FIRST-normen

Geneesheren-anesthesisten - Aangepaste SAFETY FIRST- normen

De Belgische Beroepsvereniging van de geneesheren specialisten in de anesthesie-reanimatie (BSAR-APSAR) legt de Nationale Raad onderstaande vragen voor:

  1. kan de Nationale Raad instemmen met de vaststelling dat het mogelijk is dat een anesthesist-reanimator wegens een noodtoestand zijn patiënt onder narcose dient te verlaten;
  2. kan de Nationale Raad aanvaarden dat de anesthesioloog die zijn patiënt dient te verlaten wegens een noodtoestand, de patiënt achterlaat onder bewaking van een voldoende opgeleide en ervaren verpleegkundige die enkel en alleen de supervisie van de narcose tot taak heeft in afwachting van de terugkomst van de anesthesioloog;
  3. acht de Nationale Raad de guideline in haar gewijzigde vorm, goedgekeurd door de Nationale Algemene Vergadering van de BSAR-APSAR, al dan niet strijdig met de Code van geneeskundige Plichtenleer:
    "Behoudens vitale noodtoestand zijn simultane anesthesieën verboden, (d.w.z. het gelijktijdig onder narcose brengen van twee patiënten door één anesthesist-reanimator).
    De anesthesist-reanimator blijft continu aanwezig bij zijn patiënt.
    Indien de anesthesist-reanimator, als uitzondering op de hogervermelde algemene regel, toch verplicht is zijn patiënt tijdelijk te verlaten, duidt hij een bevoegde persoon aan, die de bewakingsplicht exclusief overneemt, met uitsluiting van elke andere activiteit. Deze bewaking valt onder de volledige verantwoordelijkheid van de behandelende anesthesist-reanimator." ?

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn zitting van 30 oktober 1999 de problematiek, vervat in uw brief van 21 september 1999, uitvoerig besproken.
Als antwoord op de door u gestelde vragen wil de Nationale Raad vooreerst terug verwijzen naar zijn advies daaromtrent van 8 mei 1982 dat steeds in zijn totaliteit van kracht blijft.

Dit advies houdt rekening met de noodtoestand waarvoor de anesthesist-reanimator zich kan geplaatst zien om zijn patiënt in veilige toestand achter te laten onder de bewaking van een hiertoe opgeleide en ervaren verpleegkundige. Strikte voorwaarden hiertoe zijn echter dat de geneesheer-anesthesist zich slechts kortstondig verwijdert en in de werkzame nabijheid van zijn patiënt blijft.

De Nationale Raad wil er niettemin de nadruk op leggen dat het tot de taak behoort van de daartoe bevoegde ziekenhuisgeneesheren om in samenspraak met het beheer de organisatie van de betrokken diensten dermate op te zetten opdat hogervermelde noodtoestand maximaal zou kunnen worden voorkomen.

Tenslotte kan de Nationale Raad u bevestigen dat hij artikel 2.09 van de door uw beroepsvereniging opgestelde Safety First-normen niet strijdig acht met de Code van medische Plichtenleer.

Anesthesie14/11/1998 Documentcode: a083007
Continue aanwezigheid van de anesthesist in de operatiezaal

De Belgische Vereniging voor Anesthesiologie en Reanimatie (BVAR) en de Belgische Beroepsvereniging van geneesheren-specialisten in de anesthesie-reanimatie (BSAR) wensen de bemerkingen van de Nationale Raad te kennen bij hun beslissing om wijzigingen aan te brengen in de veiligheidsnormen inzake anesthesie-reanimatie, vastgelegd in de tekst "Safety First" die in 1989 gepubliceerd werd in de Acta Anaesthesiologica Belgica.
De belangrijkste wijzigingen zijn de mogelijkheid om de bewaking van de patiënt tijdelijk te verlaten en de mogelijkheid tot simultane algehele anesthesieën bij vitale noodtoestand.

Advies van de Nationale Raad:

In zijn vergadering van 14 november 1998, heeft de Nationale Raad nota genomen van de beslissing van uw verenigingen om de veiligheidsnormen inzake anesthesie-reanimatie, die vastgelegd werden in de tekst "Safety First", te wijzigen.

De Nationale Raad nam kennis van de wijzigingen die u besloot aan te brengen aan de vroegere normen.

De Nationale Raad bevestigde tijdens diezelfde vergadering zijn advies van 8 mei 1982 aangaande simultane anesthesieën, advies dat actueel blijft.

Advies van 8 mei 1982 :

De Nationale Raad herinnert aan artikel 51 van de Code van geneeskundige Plichtenleer:

"Indien een geneesheer met de anesthesie wordt belast, krijgt hij van de chirurg of ieder ander opererend geneesheer alle nuttige informatie en neemt hij zijn eigen verantwoordelijkheid op zich.
De geneesheer anesthesist moet toezicht houden op de anesthesie gedurende heel de tijd van de ingreep. Hij moet de medische en paramedische medewerkers die hem bijstaan evenals het nodige materiaal kunnen kiezen en er zich verantwoordelijk voor stellen."

De anesthesist moet in staat zijn om op de patiënt, voor wie hij de verantwoordelijkheid heeft opgenomen, effektief toezicht te houden zodat hij zonder verwijl kan optreden.

Zijn aktiviteit moet hij bijgevolg op zulke wijze organiseren, dat hij bestendig aan deze vereiste kan voldoen. Voorrang moet worden verleend aan de patiënt onder narcose en aan de behoeften in verband met de bewaking van patiënten in de ontwaakzaal. Hij mag niet aanvaarden simultaan verscheidene anesthesieën uit te voeren.

Het is onaanvaardbaar dat de anesthesist niet bij machte zou zijn om persoonlijk al zijn patiënten onder controle te houden tot het autonoom hervatten van de vitale funkties, of het kunstmatig verzekeren ervan met voldoende veiligheid indien dit hervatten niet binnen de normale tijd kan voorzien worden. Dit principe moet leidinggevend zijn bij het organiseren van het werk, in het bijzonder wanneer de anesthesist zijn aktiviteit op verschillende plaatsen uitoefent, binnenshuis of buitenshuis.

Zelfs om dringende zorgen toe te dienen aan een patiënt in de onmiddellijke omgeving, mag de anesthesist zich slechts van zijn patiënt onder narcose verwijderen, indien hij deze patiënt in veilige toestand kan achterlaten.

De anesthesist mag nooit aanvaarden een narcose te beginnen, indien niet aan alle voorwaarden voor de veiligheid is voldaan, zowel wat betreft de voorbereiding van de patiënt als de beschikbaarheid van de nodige uitrusting en het vereiste hulppersoneel.

De geneesheer, die op de anesthesist een beroep doet, moet rekening houden met de vereisten in verband met de veiligheid van de anesthesie bij het opstellen van zijn werkprogramma, gezien de weerslag ervan op de organisatie van het werk voor de anesthesist.

Aan die vereisten mag geen afbreuk worden gedaan door om het even welke andere beschouwingen, met name de uurregeling in het operatiekwartier, de voorkeur van de chirurgische equipes, om niet te spreken van mogelijke eisen vanwege het bestuur van de inrichting.

De medische raden moeten waken over de harmonieuze samenwerking in dit verband tussen de collega's die de verschillende betrokken disciplines uitoefenen. De medische raden dienen bijzondere aandacht te besteden aan de problemen in verband met de uitrusting van anesthesie en monitoring, overeenkomstig de huidige stand van de medische wetenschap.

Voor de anesthesiologie, zoals ten andere voor alle andere disciplines, zal de toenemende diversifikatie van de aktiviteiten, waar het nodig is, aanleiding zijn tot uitbreiding van de bestaande equipes.

Anesthesie14/11/1998 Documentcode: a083015
Continue aanwezigheid van de anesthesist in de operatiezaal

Een arts vraagt aan de Provinciale Raad van West-Vlaanderen of de aanwezigheid van de anesthesist in de operatiezaal vereist is tijdens de volledige duur van de anesthesie.

De Provinciale Raad stelt voor deze vraag als volgt te beantwoorden:

1. Op deontologisch vlak :

Er wordt verwezen naar art. 51 van de Code van geneeskundige Plichtenleer : twee elementen zijn belangrijk :

  1. de anesthesist krijgt van de chirurg alle nuttige informatie (onder andere : pre-operatieve onderzoeken) en neemt zijn eigen verantwoordelijkheid;
  2. de anesthesist moet toezicht houden op de anesthesie gedurende heel de duur van de ingreep.

Verder stelt de Nationale Raad in zijn advies van 8 mei 1982 : ..."De geneesheer anesthesist moet toezicht houden op de anesthesie gedurende heel de tijd van de ingreep... De anesthesist moet in staat zijn om op de patiënt, voor wie hij de verantwoordelijkheid heeft opgenomen, effektief toezicht te houden zodat hij zonder verwijl kan optreden. Zijn aktiviteit moet hij bijgevolg op zulke wijze organiseren, dat hij bestendig aan deze vereiste kan voldoen... Hij mag niet aanvaarden simultaan verscheidene anesthesieën uit te voeren."

2. Op juridisch vlak zowel burgerlijk als strafrechtelijk :

Het deskundig onderzoek is een advies dat de magistraat - bij vermoeden van medische fout - ten gronde kan helpen tot het vormen van een overtuiging, doch die hem vrij laat in zijn beoordeling.
Bij vermoeden van medische fouten, zal de rechter deskundigen aanstellen, die zich kunnen laten leiden door de normen van "Safety First" (zie Acta Anaesthesiologica Belgica, 1989).
Dit zijn ook de Belgische normen voor patiëntenbeveiliging bij anesthesie, opgesteld door de wetenschappelijke én beroepsvereniging van anesthesisten. Deze kwaliteitsnormen zijn van het type "Standard-of-care guidelines". Indien de deskundige het eens is met deze guideline, is er weinig twijfel dat de rechtbank zich bij de beoordeling van de zorgvuldige en vooruitziende arts zal laten leiden door de gepubliceerde guideline. Bij andersluidende expertises, zal een richtlijn een belangrijke rol spelen in de beoordeling van de rechter.
Wij verwijzen ook naar Deel 2 van "Safety First" : Veiligheidsaanbevelingen voor de anesthesiepraktijk, Sectie IV : peroperatoire patiënt controle :
2.07 "Van bij het begin van de anesthesie tot de post-anesthesie zorgen eenheid of intensieve zorgen eenheid, blijft de anesthesioloog continu in de onmiddellijke nabijheid van de patiënt. Daardoor houdt de anesthesioloog een permanent fysiek contact, hartslag per hartslag, met de patiënt..."
2.09 "Het is de anesthesioloog niet toegelaten de geanesthesieerde patiënt te verlaten om tussen te komen in een levensbedreigende toestand in de omgeving, tenzij een andere persoon aangewezen wordt om continu de vitale symptomen van de patiënt te observeren en de algemene verantwoordelijkheid overgedragen wordt aan en aanvaard wordt door een andere dokter."

In een recent vonnis (30 juni 1992) oordeelde de Correctionele Rechtbank van Leuven dat een chirurg een nalatigheid en schuldig verzuim beging ofwel door de Medische Raad niet in te lichten omtrent het reeds lang aanslepend en structureel probleem in verband met de door de anesthesist uitgevoerde anesthesie, ofwel de anesthesist niet te hebben aangemaand tot het in acht nemen van alle veiligheidsmaatregelen ("de langdurige afwezigheid in de operatiezaal, als gevolg van een overbodig gesprek met (een collega), in de gegeven omstandigheden foutief was", ofwel niet te hebben geweigerd te opereren in risicovolle omstandigheden.

4. Op vlak van de aansprakelijkheidsverzekering :

De wet op de landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 (art. 8 al. 2 en 3) stipuleert dat de verzekeraar de schade door de schuld, zelfs de grote schuld, van de verzekeringnemer, van de verzekerde of van de begunstigde dekt. De verzekeraar kan zich van zijn verplichtingen bevrijden voor gevallen van grove schuld, die op uitdrukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst zijn bepaald. Zo geldt in verschillende polissen voor de anesthesist als een grove fout of als een waarborg-uitsluiting : schade ten gevolge van simultane anesthesie of de afwezigheid van een anesthesist tijdens de duur van de anesthesie.

4. Op vlak van het Riziv :

Volgens artikel 1, § 4 bis, II, A. van de nomenclatuur is de fysieke aanwezigheid van de geneesheer-specialist voor anesthesie vereist voor de in artikel 12 vermelde anesthesieverstrekkingen. Voor die verstrekkingen moet de geneesheer bij de zieke aanwezig zijn en verstrekking verrichten.

De Nationale Raad bevestigt zijn advies van 8 mei 1982 (zie blz. 13) en heeft geen deontologisch bezwaar tegen het antwoord van de Provinciale Raad.

Anesthesie20/09/1997 Documentcode: a080020
Anesthesist - Weigering van narcose

De Provinciale Raad van West-Vlaanderen legt aan de Nationale Raad zijn antwoord voor op een adviesaanvraag van een anesthesist die zich volgende vragen stelt:

  • kan een anesthesist een narcose weigeren bij een acuut zieke patiënt met zeer ongunstige prognose wanneer de behandelende chirurg toch nog wenst over te gaan tot een ingreep;
  • kan de anesthesist in dergelijke omstandigheden de familie van de patiënt samenroepen en zijn standpunt toelichten?

Advies van de Provinciale Raad van West-Vlaanderen :

Tenzij de Nationale Raad er anders over oordeelt, is het Bureau de mening toegedaan dat de anesthesist een narcose kan weigeren op grond van zijn medische verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Zowel de chirurg als de anesthesist hebben elk hun eigen medische verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij de behandeling van de patiënt.
Verwijzend naar de regels van de informed consent is de anesthesist, in dit geval, ertoe gehouden aan de familie zijn standpunt toe te lichten.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 20 september 1997 de adviesvraag van dr X en het hem door uw Raad toegestuurde antwoord besproken.

De Nationale Raad stemt in met het aan dr X verstrekte antwoord, behoudens wat de slotbemerking in verband met de toelichting door de anesthesist van zijn standpunt aan de familie betreft : deze toelichting dient in eerste instantie te gebeuren aan de patiënt zelf en, in geval dit niet mogelijk is, aan zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) of bij ontstentenis hiervan aan de door de patiënt aangewezen vertrouwenspersoon.

Anesthesie10/12/1983 Documentcode: a032010
Anesthesie

De vraag wordt gesteld of door de anesthesisten en de ziekenhuizen wel rekening wordt gehouden met het advies dat in 1982 door de Nationale Raad werd uitgebracht in verband met de "simultane anesthesie".

In zijn vergadering van 10 december 1983 beslist de Nationale Raad bedoeld advies dat eerder gepubliceerd werd in het Officieel Tijdschrift nr. 30 (1981‑1982), over te maken aan alle Voorzitters van de medische raden van de verzorgingsinstellingen en aan alle Hoofdgeneesheren en Directeurs van de verzorgingsinstellingen.

Hieronder de tekst van het rondschrijven:

Op zijn vergadering van 19 november 1983 heeft de Nationale Raad van de Orde der geneesheren beslist het in het Officieel Tijdschrift nr. 30 (1981 ‑ 1982) verschenen advies betreffende de "simultane anesthesie" aan alle ziekenhuisdirecties en medische raden van het land toe te zenden.

De Nationale Raad wenst eraan te herinneren dat ALLE geneesheren zowel op wettelijke als op deontologische gronden verplicht zijn de continuïteit van de zorgenverlening te waarborgen. Deze verplichting dient in alle omstandigheden nageleefd te worden en a fortiori in de ziekenhuizen.

Het uitgebrachte advies is niet enkel van toepassing voor de geneesheren‑anesthesisten, maar ook voor de beoefenaars van alle andere disciplines, die op de anesthesiologie een beroep doen evenals voor alle verantwoordelijken van de ziekenhuisorganisatie en de uitrusting van de diensten voor anesthesiologie.

Meer algemeen gezien, dienen de verantwoordelijken voor de organisatie en de uitrusting van alle ziekenhuisdiensten, de uitbreiding en de diversificatie van de activiteiten te bewerkstelligen.

Anesthesie10/12/1983 Documentcode: a045014
Rappel m.b.t. de anesthesie

De jongste tijd behelst de juridische kroniek van tal van kranten niet zelden accidenten bij anesthesie. Bepaalde accidenten doen zich tijdens de ingreep voor terwijl de anesthesist niet in het operatiekwartier aanwezig is; andere gevallen betreffen post‑operatieve accidenten terwijl de anesthesist niet in het ziekenhuis aanwezig is. De Nationale Raad meent de geneesheren en meer in het bijzonder de anesthesisten nogmaals te moeten wijzen op het advies van 8 mei 1982 dat in het Officieel Tijdschrift Orde van de geneesheren nr 30 ‑ 1981‑1982, p. 36 is verschenen.

De Nationale Raad herinnert aan artikel 51 van de Code van geneeskundige Plichtenleer:

"Indien een geneesheer met de anesthesie wordt belast, krijgt hij van de chirurg of ieder ander opererend geneesheer alle nuttige informatie en neemt hij zijn eigen verantwoordelijkheid op zich.

De geneesheer‑anesthesist moet toezicht houden op de anesthesie gedurende heel de tijd van de ingreep. Hij moet de medische en paramedische medewerkers die hem bijstaan evenals het nodige materiaal kunnen kiezen en er zich verantwoordelijk voor stellen".

De anesthesist moet in staat zijn om op de patiënt, voor wie hij de verantwoordelijkheid heeft opgenomen, effectief toezicht te houden zodat hij zonder verwijl kan optreden.

Zijn activiteit moet hij bijgevolg op zulke wijze organiseren, dat hij bestendig aan deze vereiste kan voldoen. Voorrang moet worden verleend aan de patiënt onder narcose en aan de behoeften in verband met de bewaking van patiënten in de ontwaakzaal. Hij mag niet aanvaarden simultaan verscheidene anesthesieën uit te voeren.

Het is onaanvaardbaar dat de anesthesist niet bij machte zou zijn om persoonlijk al zijn patiënten onder controle te houden tot het autonoom hervatten van de vitale functies, of het kunstmatig verzekeren ervan met voldoende veiligheid indien dit hervatten niet binnen de normale tijd kan voorzien worden. Dit principe moet leidinggevend zijn bij het organiseren van het werk, in het bijzonder wanneer de anesthesist zijn activiteit op verschillende plaatsen uitoefent, binnenshuis of buitenshuis.

Zelfs om dringende zorgen toe te dienen aan een patiënt in de onmiddellijke omgeving, mag de anesthesist zich slechts van zijn patiënt onder narcose verwijderen, indien hij deze patiënt in veilige toestand kan achterlaten.

De anesthesist mag nooit aanvaarden een narcose te beginnen, indien niet aan alle voorwaarden voor de veiligheid is voldaan, zowel wat betreft de voorbereiding van de patiënt als de beschikbaarheid van de nodige uitrusting en het vereiste hulppersoneel.

De geneesheer, die op de anesthesist een beroep doet, moet rekening houden met de vereisten in verband met de veiligheid van de anesthesie bij het opstellen van zijn werkprogramma, gezien de weerslag ervan op de organisatie van het werk voor de anesthesist.

Aan die vereisten mag geen afbreuk worden gedaan door om het even welke andere beschouwingen, met name de uurregeling in het operatiekwartier, de voorkeur van de chirurgische equipes, om niet te spreken van mogelijke eisen vanwege het bestuur van de inrichting.

De medische raden moeten waken over de harmonieuze samenwerking in dit verband tussen de collega's die de verschillende betrokken disciplines uitoefenen. De medische raden dienen bijzondere aandacht te besteden aan de problemen in verband met de uitrusting van anesthesie en monitoring, overeenkomstig de huidige stand van de medische wetenschap.

Voor de anesthesiologie, zoals ten andere voor alle andere disciplines, zal de toenemende diversificatie van de activiteiten, waar het nodig is, aanleiding zijn tot uitbreiding van de bestaande equipes.