keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Biologie (Klinische-)19/08/1995 Documentcode: a070001
Klinische biologie : bewaring en archivering van medische dossiers, accreditering van de laboratoria

1. De nieuwe nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen bepaalt dat laboratoriumprotocollen voortaan gedurende drie jaar in plaats van twee jaar dienen te worden bewaard.
Artikel 46 van de Code van geneeskundige Plichtenleer, anderzijds, verplicht de artsen ertoe de medische dossiers van hun patiënten gedurende dertig jaar te bewaren.
De Belgische Beroepsvereniging der Geneesheren-Specialisten in Medische Biologie vraagt of deze laatste verplichting van toepassing is op de artsen van laboratoria in de klinische biologie.
Een bewaring van de analyseprotocollen gedurende een periode van twee of drie jaar schept geen problemen, terwijl een bewaring gedurende dertig jaar aanzienlijke problemen met zich zou brengen.

2. Het Ministerie van Economische Zaken publiceerde op 20 juli 1990 de Wet betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen, alsmede van beproevingslaboratoria.
De laboratoria voor klinische biologie vallen onder de rubriek "beproevingslaboratoria" en kunnen dus worden geaccrediteerd. Deze accreditatie staat buiten de bestaande erkenning in het kader van de wetgeving van het RIZIV.
Mogen de artsen van de laboratoria die erkend zijn op grond van de Wet van 20 juli 1990 melding maken van deze accreditatie in hun betrekkingen met hun cliënteel, bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen of arbeidsgeneeskundige diensten ?

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren besprak in zijn vergadering van 19 augustus 1995 uw schrijven betreffende de archivering van laboratiumresultaten en de accreditering van laboratoria voor klinische biologie.

1. Bewaring medische dossiers en archivering laboratoriumresultaten

De Nationale Raad is van oordeel dat de originele laboratoriumprotocollen dienen bewaard te worden in het medisch dossier van de patiënt waarop artikel 46 van de Code van geneeskundige Plichtenleer van toepassing is. De Nationale Raad meent dan ook dat er geen deontologische redenen voorhanden zijn om de laboratoria voor medische biologie eveneens een verplichte termijn van bewaring op te leggen.

De Nationale Raad is niet bevoegd uitspraak te doen over de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de klinisch bioloog in het vlak van de bewaring van laboratoriumresultaten. Daarnaast zijn er administratieve verplichtingen voortvloeiend uit de RIZIV-reglementering.

2. De accreditering van laboratoria voor klinische biologie

De Nationale Raad is van oordeel dat de loutere mededeling van de accreditatie als beproevingslaboratorium aan het kliënteel niet als reclame kan worden beschouwd. Het behoort tot de bevoegdheid van de Provinciale Raden van de Orde van geneesheren en de Orde van apothekers in elk concreet geval na te gaan of deze mededeling gebeurt conform de regels van de Plichtenleer. De Provinciale Raden dienen in het bijzonder na te gaan of de mededeling niet misleidend is, naar vorm en inhoud bescheiden is en geen commercieel karakter heeft.

Biologie (Klinische-)11/12/1993 Documentcode: a063021
Enquête Test-Aankoop

a) Een geneesheer-bioloog vindt dat hij het slachtoffer geworden is van valsheid vanwege een confrater. Deze laatste heeft hem verzocht enkele bloed-en urineonderzoeken uit te voeren, heeft hem hiertoe de nodige geneeskundige voorschriften bezorgd en heeft vervolgens de resultaten medegedeeld aan Test- Aankoop. De arts vraagt nu aan zijn provinciale raad of deze, langs gerechtelijke weg, in het bezit kan worden gesteld van de gegevens van deze enquête.

Antwoord van de Nationale Raad:

Het komt aan Dokter X toe zich te wenden tot het bevoegde gezag dan wel de volgens hem noodzakelijke rechtsvorderingen in te stellen.

b) Een klinisch laboratorium heeft vastgesteld dat "artsen, buiten het medeweten van het R.I.Z.I.V. en van de patiënt, gebruik hebben gemaakt van reële mutualiteitsgegevens en van het systeem derde betalende voor analysen die volledig buiten de Z.l.V.- wetgeving vallen". Zij maakten hiervan gebruik in het raam van de enquête van Test-Aankoop betreffende de laboratoria voor klinische biologie.

Het laboratorium merkt bovendien op dat de resultaten van de enquête waaraan de artsen hebben meegewerkt, gepubliceerd werden met vermelding van de naam van de laboratoria en dat dientengevolge artikel 9 van de Code van Plichtenleer van toepassing is.

Advies van de Nationale Raad:

De Orde der geneesheren is enkel bevoegd op deontologisch gebied. De beoordeling van klachten tegen geneesheren behoort tot de bevoegdheid van de provinciale raden.

Op strafrechtelijk gebied zijn enkel de Rechtbanken bevoegd.

Artikel 9 van de Code van geneeskundige Plichtenleer:

De geneesheer moet ervoor waken, zelfs buiten zijn beroepsactiviteiten, geen daden te stellen die de eer of de waardigheid van het beroep zouden kunnen schaden.

Biologie (Klinische-)22/08/1992 Documentcode: a058009
Oprichting van een vennootschap tussen een geneesheer-bioloog en een apotheker-bioloog

Oprichting van een vennootschap tussen een geneesheer‑bioloog en een apotheker‑bioloog

Een provinciale raad vraagt aan de Nationale Raad of een geneesheer‑bioloog en een apotheker‑bioloog zich mogen associëren in een BVBA.

Advies van de Nationale Raad:

Bij brief van 3 februari 1992 vroeg u het advies van de Nationale Raad over de deontologische aanvaardbaarheid van een overeenkomst tussen een geneesheer‑bioloog en een apotheker‑bioloog tot oprichting van een B.V.B.A., met het oog op de uitbating van een laboratorium voor klinische biologie.

De Nationale Raad heeft op 11 mei 1991 reeds een omstandig advies in deze materie uitgebracht (zie Tijdschrift Nationale Raad, nr. 53, september 1991, 26‑27 ‑ kopie als bijlage). (...)

Advies van 11 mei 1991:

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft in zijn vergadering van 11 mei 1991 kennis genomen van uw brief van 6 maart 1991. In die brief verzoekt U ons om advies aangaande een overeenkomst voor een BVBA, gesloten tussen een geneesheer‑ bioloog en twee apothekers‑biologen en ter uwer goedkeuring voorgelegd vóór de ondertekening ervan door beide partijen.

Op grond van de artikelen 173 en 175 van de Code van Plichtenleer is het verboden een BVBA op te richten die de uitbating van een laboratorium voor klinische biologie ten doel heeft, aangezien een BVBA een vennootschap is en een vennootschap per definitie een winstoogmerk heeft.
Het oprichten van een vereniging zou wel toelaatbaar zijn op voorwaarde dat een dergelijke vereniging geen enkele winst of geen rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel verschaft.

Er dient echter ook rekening gehouden te worden met twee adviezen die de Nationale Raad in deze materie reeds heeft uitgebracht. Zij hebben betrekking op een associatie tussen een geneesheer‑ bioloog en een licentiaat in de chemische wetenschappen en op een associatie tussen een apotheker‑bioloog en geneesheren‑biologen (Officieel Tijdschrift Orde der geneesheren nr. 32, 1983‑1984, 26‑27 en Officieel Tijdschrift Orde van de geneesheren nr. 29, 1980-1981, 28).

In de twee hierboven aangehaalde adviezen heeft de Nationale Raad erop gewezen dat, ondanks het feit dat er geen deontologische bezwaren aangevoerd kunnen worden, er wel een wettelijk verbod lijkt te bestaan dat afgeleid wordt uit art. 18§2 van het K.B. nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies.

In dit artikel wordt bepaald dat "elke overeenkomst van welke aard ook gesloten hetzij tussen de beoefenaars, bedoeld bij de artikelen 2, 3 en 4 (d.w.z. beoefenaars van de geneeskunde, de tandheelkunde en de artsenijbereidkunde), hetzij tussen deze beoefenaars en derden, (...) verboden is wanneer deze overeenkomst betrekking heeft op hun beroep en ertoe strekt aan de een of ander rechstreeks of onrechtstreeks winst of voordeel te verschaffen".

Daartegenover bestaan echter de bepalingen van het K.B. nr. 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor verstrekkingen van klinische biologie.
Volgens art. 3 §1 4° moet een laboratorium voor klinische biologie worden uitgebaat door, ondermeer, een burgerlijke vennootschap die de vorm heeft aangenomen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de vennoten, zaakvoerders en bestuurders uitsluitend bestaan uit één of meer personen die gemachtigd zijn om verstrekkingen van klinische biologie uit te voeren, nl. doctors in de genees‑, heel‑ en verloskunde, apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen (art. 3 §1 3° en art. 2 al. 1 K.B. nr. 143 van 30 december 1982 io art. 5 §2 K.B. nr. 78 van 10 november 1967), die effectief in dit laboratorium dergelijke verstrekkingen uitvoeren en die geen voorschrijvende geneesheren zijn.

De Nationale Raad heeft bijgevolg geen deontologisch bezwaar tegen de oprichting van een BVBA tussen een geneesheer‑bioloog en één of meerdere apothekers‑biologen die binnen een zelfde laboratorium dezelfde discipline uitoefenen.

In verband met de opmerkingen die geformuleerd worden bij de voorgelegde ontwerpen van vennootschapsstatuten en huishoudelijk reglement, brengt de Nationale Raad in herinnering dat het beoordelen van deze ontwerpen volgens de Code van geneeskundige Plichtenleer tot de taken van de Provinciale Raden behoort. De adviezen die de Provinciale Raden in dit kader verlenen m.b.t. individuele contracten dienen niet ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de Nationale Raad.

Biologie (Klinische-)11/05/1991 Documentcode: a053007
Laboratorium voor klinische biologie - BVBA

Laboratorium voor klinische biologie ‑ BVBA

Een Provinciale Raad verzoekt de Nationale Raad om advies in verband met een overeenkomst tot oprichting van een BVBA tussen een geneesheer‑bioloog en twee apothekers‑biologen. De Provinciale Raad heeft geen enkel deontologisch bezwaar tegen de oprichting van een dergelijke vennootschap maar wenst enkele opmerkingen te uiten in verband met de clausules van de overeenkomst.

Nadat de Raad kennis genomen heeft van een nota van de studiedienst, waarin enkele wetteksten, artikels van de Code van Plichtenleer en vroegere adviezen van de Nationale Raad in herinnering gebracht worden, ontstaat een gedachtenwisseling.
Er blijkt geen deontologisch bezwaar te bestaan tegen de oprichting van de voorgestelde vennootschap maar de overeenkomst en het huishoudelijk reglement dienen, vóór de ondertekening ervan, voorgelegd te worden aan de respectieve Orden.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft in zijn vergadering van 11 mei 1991 kennis genomen van uw brief van 6 maart 1991. In die brief verzoekt U ons om advies aangaande een overeenkomst voor een BVBA, gesloten tussen een geneesheer‑ bioloog en twee apothekers‑biologen en ter uwer goedkeuring voorgelegd voor de ondertekening ervan door beide partijen.

Op grond van de artikelen 173 en 175 van de Code van Plichtenleer is het verboden een BVBA op te richten die de uitbating van een laboratorium voor klinische biologie ten doel heeft, aangezien een BVBA een vennootschap is en een vennootschap per definitie een winstoogmerk heeft.
Het oprichten van een vereniging zou wel toelaatbaar zijn op voorwaarde dat een dergelijke vereniging geen enkele winst of geen rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel verschaft.

Er dient echter ook rekening gehouden te worden met twee adviezen die de Nationale Raad in deze materie reeds heeft uitgebracht. Zij hebben betrekking op een associatie tussen een geneesheer‑ bioloog en een licentiaat in de chemische wetenschappen en op een associatie tussen een apotheker‑bioloog en geneesheren‑biologen (Officieel Tijdschrift Orde der geneesheren nr. 32, 1983‑1984, 26‑27 en Officieel Tijdschrift Orde van de geneesheren nr. 29, 1980‑1981, 28).

In de twee hierboven aangehaalde adviezen heeft de Nationale Raad erop gewezen dat, ondanks het feit dat er geen deontologische bezwaren aangevoerd kunnen worden, er wel een wettelijk verbod lijkt te bestaan dat afgeleid wordt uit art. 18 §9 van het K.B. nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies.

In dit artikel wordt bepaald dat "elke overeenkomst van welke aard ook gesloten hetzij tussen de beoefenaars, bedoeld bij de artikelen 2, 3 en 4 (d.w.z. beoefenaars van de geneeskunde, de tandheelkunde en de artsenijbereidkunde), hetzij tussen deze beoefenaars en derden, (...) verboden is wanneer deze overeenkomst betrekking heeft op hun beroep en ertoe strekt aan de een of ander rechtstreeks of onrechtstreeks winst of voordeel te verschaffen".

Daartegenover staan echter de bepalingen van het K.B. nr. 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor verstrekkingen van klinische biologie.
Volgens art. 3 §1 4° moet een laboratorium voor klinische biologie worden uitgebaat door, ondermeer, een burgerlijke vennootschap die de vorm heeft aangenomen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de vennoten, zaakvoerders en bestuurders uitsluitend bestaan uit één of meer personen die gemachtigd zijn om verstrekkingen van klinische biologie uit te voeren, nl. doctors in de genees‑, heel‑ en verloskunde, apothekers en licentiaten in scheikundige wetenschappen (art. 3§1 3° en art. 2 al.1 K.B. nr. 143 van 30 december 1982 io art. 5 §2 K.B. nr. 78 van 10 november 1967), die effectief in dit laboratorium dergelijke verstrekkingen uitvoeren en die geen voorschrijvende geneesheren zijn.

De Nationale Raad heeft bijgevolg geen deontologisch bezwaar tegen de oprichting van een BVBA tussen een geneesheer‑bioloog en één of meerdere apothekers‑biologen die binnen een zelfde laboratorium dezelfde discipline uitoefenen.

In verband met de opmerkingen die geformuleerd worden bij de voorgelegde ontwerpen van vennootschapsstatuten en huishoudelijk reglement, brengt de Nationale Raad in herinnering dat het beoordelen van deze ontwerpen volgens de Code van geneeskundige Plichtenleer tot de taken van de Provinciale Raden behoort. De adviezen die de Provinciale Raden in dit kader verlenen m.b.t. individuele contracten dienen niet ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de Nationale Raad.

Biologie (Klinische-)26/08/1989 Documentcode: a046005
Klinische biologie - Enveloppes - Dichotomie

Klinische biologie-Enveloppes-Dichotomie

Een provinciale raad werd door geneesheren-biologen geïnterpelleerd over de problematiek omtrent "de onderaanbesteding van de enveloppes voor klinische biologie door niet-ziekenhuislaboratoria":

  • naar aanleiding van deze nieuwe wetgeving worden de aan de laboratoria verschuldigde honoraria in twee delen verdeeld: 25% van de honoraria wordt rechtstreeks bij het verzekeringsorganisme in rekening gebracht en de overblijvende 75% wordt bij het aanvragend ziekenhuis in rekening gebracht;
  • enkele externe laboratoria maken zich hieromtrent zorgen en menen dat de ziekenhuizen wellicht geneigd zullen zijn een beroep te doen op externe laboratoria die in onderaanneming functioneren, evenwel niet omwille van de kwaliteit, maar wel omwille van enig financieel voordeel m.b.t. de door het ziekenhuis verschuldigde sommen.

Enkelen zijn de mening toegedaan dat de evolutie van de klinische biologie, met gestadig meer "geautomatiseerde" technieken, die bijwijlen zweemt naar een "commercialisering", problemen schept. Anderzijds is het "enveloppenstelsel", waar de ziekenhuizen veeleer dan de geneesheren rechtstreeks bij betrokken zijn, volop in ontwikkeling.
Geconfronteerd met concrete gevallen, worden de provinciale raden geacht op te treden en erop toe te zien dat ondeontologische toepassingen van het Koninklijk Besluit nr 143 worden voorkomen.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad is van oordeel dat de provinciale raden er moeten op toezien dat ondeontologische toepassingen van het Koninklijk Besluit nr 143 door geneesheren worden voorkomen.

Informatica17/06/1989 Documentcode: a045006
Klinische biologie - Overmaken van resultaten

Klinische biologie-Overmaken van resultaten

De Raad neemt kennis van het ontwerp advies dat werd voorgelegd door de commissie die met de analyse van deze problematiek werd belast (cf. supra vergadering van 15 april 1989, p.15).

Het voorgelegde advies wordt goedgekeurd.

De geneesheer is verantwoordelijk voor het bewaren van het beroepsgeheim. Het overseinen van gegevens mag dus enkel gebeuren indien de geneesheer alle nodige voorzorgen neemt om het beroepsgeheim te bewaren. De provinciale raden van de Orde der geneesheren moeten erover waken dat het beroepsgeheim steeds geëerbiedigd wordt.

Tegen het overmaken van laboratoriumresultaten door middel van telefax is er geen deontologisch bezwaar, voor zover de nodige voorzichtigheid aan de dag gelegd wordt, zoals dat ook met de briefwisseling moet gebeuren. De toestellen moeten voldoende beveiligd zijn.

Voor het rechtstreeks overseinen vanuit de computer via een modem bestaat er een reëel gevaar voor inbreuken op de deontologie. Hier bestaat een gevaar voor schending van het beroepsgeheim, voor een beperking van de vrije keuze van de patiënt en voor ongeoorloofde voordelen die een verdoken dichotomie kunnen zijn. Indien het overseinen op de gepaste manier georganiseerd wordt, kunnen deze gevaren vermeden worden. Gezien het reëel gevaar voor inbreuk op de deontologie, kan dit slechts toegestaan worden na goedkeuring door de provinciale raad waartoe de geneesheren behoren die er gebruik van maken.
Wanneer een klinisch laboratorium de resultaten die opgeslagen zijn in zijn computer rechtstreeks wil ter beschikking stellen van de refererende artsen via een modem, mag dit slechts gebeuren op voorwaarde dat het gebruik ervan vastgelegd is in een schriftelijk reglement, dat goedgekeurd werd door de provinciale raad van de Orde der geneesheren van de refererende artsen en dat meegedeeld wordt aan de geneesheren die van deze dienst wensen gebruik te maken. Dit reglement moet de vrije keuze van de geneesheer en van de patiënt waarborgen en het laboratorium verbieden inzage te hebben van het geheel of van een gedeelte van het medisch dossier. Een geneesheer mag van deze dienst slechts gebruik maken nadat hij een exemplaar gekregen heeft van het door zijn provinciale raad goedgekeurd reglement. Uit dit reglement moet blijken dat de nodige voorzorgen genomen werden om inbreuken op de deontologie te voorkomen.

Om het beroepsgeheim te bewaren moet blijken dat enkel de geneesheer die de patiënt verwijst naar het klinisch laboratorium toegang kan krijgen tot de uitslagen van zijn patiënt via de computer en dat die geneesheer enkel gegevens kan krijgen betreffende zijn eigen patiënten. Het reglement moet dus uitdrukkelijk vermelden welke beveiliging hiervoor gebruikt wordt. De provinciale raad moet oordelen of die beveiliging afdoende is. Dezelfde voorzorgen moeten genomen worden wanneer medische gegevens door verschillende gebruikers in een centrale computer worden opgeslagen en door verschillende gebruikers langs verschillende terminals kunnen worden opgeroepen.

Om de vrije keuze van de patiënt te vrijwaren moet uit het reglement blijken dat door het gebruik van deze dienst er geen ongeoorloofde binding ontstaat tussen de geneesheer en het laboratorium en dat de geneesheer de vrijheid behoudt om met andere laboratoria samen te werken. Deze dienst moet ter beschikking gesteld worden van alle geneesheren die er wensen gebruik van te maken, zonder enige verplichting om patiënten te verwijzen.

Het gebruik van deze manier van overseinen van medische gegevens mag aan de behandelende geneesheer geen andere voordelen geven dan een betere en snellere overdracht van de resultaten. Elk ander voordeel moet als verdoken dichotomie beschouwd worden en is dus niet geoorloofd.

Deze voorwaarden zijn ook van toepassing op ieder geneesheer die de resultaten of verslagen via een computer rechtstreeks zou willen ter beschikking stellen van de verwijzende artsen.