keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Biologie (Klinische-)16/01/1988 Documentcode: a040003
Overmaken van medische dossiers

Een geneesheer‑bioloog legt aan zijn provinciale raad twee vragen voor:
1‑ Is het een geneesheer‑bioloog toegelaten de resultaten van laboratorium‑onderzoekingen van een patiënt mede te delen aan om het even welke collega die er belangstelling voor heeft, zelfs indien deze niet de voorschrijver is en hij van de geneesheer-voorschrijver daartoe geen toelating heeft verkregen ?

2‑ De laboratoriumresultaten behoren de patiënt toe. Als die stelling correct is, betekent dat dan tegelijk dat zij mogen worden medegedeeld aan elke nieuwe arts die door de patiënt wordt geraadpleegd ? Mogen de resultaten worden bezorgd aan de patiënt die erom verzoekt ?

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat artikelen 41 en 42 van de Code van geneeskundige Plichtenleer het antwoord bevatten op de twee eerste vragen van Dr X.(1)

De geneesheer‑bioloog heeft niet het recht om laboratoriumresultaten van een patiënt mede te delen aan een arts die niet de voorschrijver is van de analyses. Voorts is mededeling ervan slechts toegestaan met de toestemming van de patiënt.
M.b.t. de tweede vraag, is de Nationale Raad verder van oordeel dat de laboratoriumresultaten de onderzochte patiënt toebehoren.

(1) Code van geneeskundige Plichtenleer:
Art. 41. Op vraag van de patiënt of met diens toestemming moet de geneesheer zo spoedig mogelijk aan een ander behandelende geneesheer alle inlichtingen verstrekken die nuttig of nodig zijn voor de vervollediging van de diagnose of de voortzetting van de behandeling.

Art. 42. Op vraag van de patiënt of wanneer hij het zelf nuttig oordeelt, mag de geneesheer zo het belang van de patiënt het vergt, objectieve gegevens uit het dossier, zoals radiografieën en resultaten van onderzoekingen, aan de zieke mededelen.

KB nr 78, 10 nov. 1967:
Art. 13. Elke beoefenaar bedoeld bij de artikelen 2, 3 of 4 is gehouden, op verzoek of met akkoord van de patiënt, aan een ander behandelend beoefenaar door de patiënt aangeduid om hetzij de diagnose, hetzij de behandeling voort te zetten of te vervolledigen, alle nuttige of noodzakelijke hem betreffende inlichtingen van geneeskundige of farmaceutische aard mede te delen.

Informatica18/07/1987 Documentcode: a038007
Laboratoria klinische biololgie - Overmaken resultaten

Laboratoria voor klinische biologie
Overmaken van resultaten

Naar aanleiding van het negatieve advies dat de Nationale Raad op 19 april 1987 formuleerde m.b.t. het overmaken van laboratoriumresultaten aan de geneesherenvoorschrijvers via modem en terminal, verzoekt de geneesheer-directeur van de firma Data Soft Management het advies van de Nationale Raad omtrent een aantal alternatieve mogelijkheden bij het eerder voorgestelde systeem.

  1. De uitslagen worden op diskette en/of tape aan de arts overgemaakt. Bij het inlezen van deze diskette/tape, worden de uitslagen in het medisch dossier geïntegreerd.
  2. Het klinisch laboratorium stuurt, onder een gecodeerde/geïncrypteerde vorm, de laboratoriumresultaten naar een centraal brievenbussysteem bij middel van electronic mailing.
    Dit centraal brievenbussysteem staat open voor al wie, naar de artsen gebruikers, enige vorm van mailing moet doen.
    Wij denken dus niet alleen aan klinische laboratoria maar tevens aan geneesheren-specialisten versus huisartsen, en ziekenhuizen versus verwijzende artsen. De centrale brievenbus wordt dan door de bestemmeling op geregelde tijdstippen geledigd, waarbij de briefwisseling/uitslagen geïntegreerd worden in het medisch dossier.
  3. Een klinisch laboratorium of een ziekenhuis stuurt langs het gecommuteerde net op een rechtstreekse wijze zijn uitslagen naar de arts-bestemmeling.
    De uitslagen worden vervolgens bij de bestemmeling opgeslagen.
  4. De arts ondervraagt rechtstreeks de computer van het klinisch laboratorium en/of van het ziekenhuis en dit binnen de hem toegestane faciliteiten.
    In voorkomend geval dienen natuurlijk maatregelen te worden genomen om de arts enkel toe te laten die informatie op te vragen, die voor hem bestemd is.
  5. De uitslagen of rapporten worden, onder leesbare vorm, over het gecommuteerde net verstuurd bij middel van telefax.

In alle hierboven geciteerde gevallen onderstellen wij dat de aard van de verstrekte informatie deontologisch verantwoord is.
Het advies betreft alleen de WIJZE van transmissie.

Nadat door de Nationale Raad de voorgestelde alternatieven worden besproken, formuleert de Nationale Raad onderstaand advies:

De Nationale Raad blijft bij zijn vroegere mening en heeft over de door U opgesomde alternatieven volgend advies verleend:

  1. De uitslagen mogen op diskette en/of tape aan de arts worden overgemaakt. Deze transmissie van de uitslagen moet steeds schriftelijk worden bevestigd.
  2. Het sturen van de laboratoriumuitslagen naar een centraal brievenbussysteem bij middel van electronic mailing is alleen aanvaardbaar indien dat systeem alle waarborgen biedt m.b.t. de eerbiediging en bescherming van het medisch beroepsgeheim.

De systemen vermeld onder 3, 4 en 5 zijn onaanvaardbaar daar zij een beperking inhouden van de vrije keuze van het laboratorium door de arts.

Biologie (Klinische-)19/11/1984 Documentcode: a032011
Bloedafnamen

Vragen voorgelegd door een provinciale raad:

1. Wordt het afnemen van bloed beschouwd als een medische handeling die exclusief aan geneesheren is voorbehouden of is het verplegend personeel daartoe gemachtigd ?
2. Indien het bloedafnemen door verplegend personeel is toegelaten, is de aanwezigheid van een arts niet vereist ? Wie is aansprakelijk bij gebeurlijke ongevallen ?
3. Wanneer een huisarts bloedafnamen uitvoert voor rekening van een laboratorium:

  1. mag dat gebeuren in een straal waardoor concurrentie met collegae generalisten van de streek mogelijk wordt ?
  2. hoe moet deze dienstverlening worden vergoed ?

4. Is de situatie dezelfde:

  1. wanneer de afname gebeurt op het domicilie van de patiënt,
  2. wanneer de afname gebeurt in een centrum afhankelijk van een laboratorium ?

Antwoord van de Nationale Raad in zijn vergadering van 19 november 1983:

In antwoord op Uw vragen 1, 2 en 4, bevestigt de Nationale Raad zijn eerder uitgebracht advies zoals gepubliceerd in het Officieel Tijdschrift nr. 29 (1980‑1981) op pagina's 63 en volgende (1).
Voor wat de derde vraag betreft, is de Nationale Raad van mening dat deze aangelegenheid niet tot de deontologie behoort.

(1) KLINISCHE BIOLOGIE ‑ BLOEDAFNAMEN

Bloedafnamen in een laboratorium geleid door apothekers‑biologen

Mag een apotheker‑bioloog bloedafnamen verrichten of deze door laboranten laten verrichten ?

Op wettelijk vlak, moet verwezen worden naar het KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies en gewijzigd door de wetten van 17 december 1973 en 20 december 1974.
In artikel 2, § 1, lid 1, worden de vereiste voorwaarden voor de uitoefening van de geneeskunst gesteld.
In artikel 2, § 1, lid 2, wordt een opsomming gegeven van de feiten die neerkomen op een onwettige uitoefening van de geneeskunde: "Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij lid 1 van deze paragraaf, niet vervult, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysische of psychische, werkelijke of vermeende pathologische toestand, hetzij de inenting".
"De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 16, de handelingen bedoeld bij vorig lid nader bepalen".
Artikel 5, § 1 betreft de voorwaarden waaronder geneesheren, de paramedici of het verplegend personeel, met bepaalde handelingen kunnen belasten.
Artikel 5, § 1: "De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 46, de voorwaarden vaststellen waaronder de geneesheren, op eigen verantwoordelijkheid en onder eigen toezicht, personen die een paramedisch beroep uitoefenen kunnen belasten met het verrichten van bepaalde handelingen die de diagnose voorafgaan of de toepassing van de behandeling aangaan of de uitvoering van maatregelen van preventieve geneeskunde betreffen".
"De Koning kan eveneens, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 46bis, de voorwaarden vaststellen waaronder de in het voorgaande lid bepaalde handelingen kunnen worden opgedragen aan personen die bevoegd zijn om de verpleegkunde uit te oefenen.
"De lijst van de in de voorgaande leden bedoelde handelingen, de uitvoeringsmodaliteiten ervan alsook de vereiste kwalificatievoorwaarden worden door de Koning vastgesteld: 1 overeenkomstig de bepalingen van artikel 46, wanneer het aan beoefenaars van een paramedisch beroep, toevertrouwde handelingen betreft; 2 overeenkomstig artikel 46bis, wanneer het aan beoefenaars van de verpleegkunde toevertrouwde handelingen betreft".
Artikel 5, § 2, betreft het verrichten van analyses van klinische biologie door apothekers of licentiaten in de scheikundige wetenschappen.
Artikel 5, § 2, lid 1: "De houders van het wettelijk diploma van apotheker of van licentiaat in de scheikundige wetenschappen zijn ertoe gemachtigd de analyse van klinische biologie te verrichten, welke de Koning bepaalt overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 waarvan Hij, in dezelfde voorwaarden, de uitvoeringsmodaliteiten vaststelt".
Artikel 19: "verbiedt aan elke beoefenaar bedoeld bij de artikelen 2, 3 of 4 op om het even welke wijze zijn medewerking te verlenen aan een derde of als naamlener voor hem op te treden, met het doel hem te onttrekken aan de straffen waarmede de onwettige uitoefening van de geneeskunde of de artsenijbereidkunde gestraft wordt".
Artikel 21bis definieert de vereiste kwalificatievoorwaarden voor het uitoefenen van de verpleegkunde.
In artikel 21ter wordt bepaald wat onder verpleegkunde wordt verstaan en in § 2 van datzelfde artikel wordt verwezen naar artikel 46bis voor de vaststelling van de sub § 1, b bedoelde prestaties en hun uitvoeringsmodaliteiten.
Artikel 21ter, § 1: "Onder verpleegkunde wordt verstaan het uitoefenen door de in artikel 21bis bedoelde personen van nagenoemde activiteiten:

  1. enerzijds de observatie en het nauwkeurig vastleggen van de symptomen en reacties van de patiënt, zowel op fysisch als op psychisch vlak, ten einde zijn verschillende noden tegemoet te komen en bij te dragen tot het stellen van de diagnose door de geneesheer of het uitvoeren van de geneeskundige behandeling met het oog op de zorgen die zijn toestand vereisen, en anderzijds, het onder zijn hoede nemen van een gezonde of een zieke persoon om hem, dank zij een voortdurende bijstand, de handelingen te helpen verrichten die bijdragen tot het behoud, de verbetering of het herstel van de gezondheid of hem bij het sterven te begeleiden: dit alles om een globale verpleegkundige verzorging te verzekeren:
  2. de uitvoering van technische verpleegkundige prestaties die verband houden met het stellen van de diagnose door de geneesheer of met het uitvoeren van een behandeling voorgeschreven door de geneesheer of het nemen van maatregelen van preventieve geneeskunde:
  3. de uitvoering van geneeskundige handelingen die door een geneesheer kunnen worden toevertrouwd overeenkomstig artikel 5, § 1, tweede en derde lid".

§ 2: "De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 46bis, de lijst vaststellen van de in § 1, b, van dit artikel bedoelde prestaties, alsook de uitvoeringsmodaliteiten ervan en de vereiste kwalificatievoorwaarden".
Artikel 21sexies is voor wat de verpleegkunde betreft analoog met hogervermeld artikel 19.
In artikel 21octies wordt de oprichting vastgelegd van een Nationale Raad voor verpleegkunde bij het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin. Artikel 21nonies bepaalt de taak van voornoemde Raad.
§ 1: "De Nationale Raad voor verpleegkunde heeft tot taak aan de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort, op diens verzoek of op eigen initiatief, advies te verstrekken over alle aangelegenheden in verband met de verpleegkunde, meer bepaald betreffende de uitoefening van de verpleegkunde en de kwalificatie hiertoe".
Artikel 21duodecies, § 1, regelt de oprichting van een technische commissie voor verpleegkunde bij het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin.
"Die commissie is ermee belast de Koning de in artikel 46bis bedoelde adviezen te verstrekken".
Artikel 22 definieert wat onder paramedisch beroep wordt verstaan.
Artikel 23 machtigt de Koning, overeenkomstig de bepalingen van artikel 46, de prestaties van de beoefenaars van een paramedisch beroep nader te bepalen en de uitvoeringsmodaliteiten vast te stellen.
Artikel 27 is op paramedisch vlak te vergelijken met voornoemde artikelen 19 en 21.
Artikel 28 regelt de oprichting van een Nationale Raad voor de paramedische beroepen bij het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin. Artikel 29: "De Raad verstrekt aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, op diens aanvraag, of op eigen initiatief, adviezen betreffende alle aangelegenheden in verband met de paramedische beroepen".
"Hij kan de Minister onder meer, voorstellen doen met het oog op de uitvoering van artikel 23, § 1, lid 1".
In artikel 33 wordt voornoemde Raad meer bepaald belast met het onderzoek van vraagstukken die betrekking hebben op prestaties van paramedici en op de medewerking welke door de leden van de paramedische beroepen wordt verleend bij de uitvoering van de door de geneesheren gevraagde akten.
Artikel 37 § 1, 2) a en c: legt de Provinciaal geneeskundige commissies in het bijzonder op de echtheid na te gaan van de titels van de beoefenaars van de geneeskunde, van de artsenijbereidkunde, van de veeartsen, van de beoefenaars van de verpleegkunde en van de beoefenaars van de paramedische beroepen en bij het Parket de gevallen van onwettige uitoefening aan te geven.
Artikelen 46 en 46bis waar in meerdere artikelen naar verwezen wordt, bepalen de beschikkingen volgens dewelke de Koning de prestaties preciseert die door de beoefenaars van de geneeskunde, van de artsenijbereidkunde, van de verpleegkunde en van de paramedische beroepen mogen worden verricht.
Artikel 46 ‑ een uiterst ingewikkeld artikel ‑, preciseert dat de koninklijke besluiten dienaangaande op advies van de Academieën worden genomen maar volgens verschillende modaliteiten.
Artikel 46bis betreffende de verpleegkunde preciseert dat bedoelde koninklijke besluiten getroffen worden op eensluidend advies van de technische commissie voor verpleegkunde.
In artikel 50, § 1, lid 2, wordt bepaald dat "Ten titel van overgangsbepaling en zolang de koninklijke besluiten voorzien bij de artikelen 5, 6 (21ter, § 1, b) en 23, § 1 niet zullen genomen zijn, blijven de huidige modaliteiten van uitvoering van de daardoor bedoelde handelingen of prestaties, zoals zij worden beperkt door de rechtspraak volgend uit de hogervermelde wet van 12 maart 1818, verder van toepassing".

Besluit

De Koning is bij koninklijk besluit en overeenkomstig de procedureregels voorzien bij artikelen 46 en 46bis belast met het bepalen van de prestaties welke de beoefenaars van de verschillende takken van de geneeskunde, de verpleegkunde en de paramedische beroepen mogen verrichten.
Bedoelde koninklijke besluiten werden evenwel nooit genomen.

***

Een KB van 10 november 1978 definieert de erkenningsregels van laboratoria voor klinische biologie.
Op grond van dit KB mag een apotheker‑bioloog eigenaar zijn van een laboratorium voor klinische biologie, analyses verrichten en belast worden met het beheer van een laboratorium.

***

Het KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren machtigt de Orde geenszins de handelingen te bepalen die de beoefenaars van de verschillende takken van de geneeskunde, de verpleegkunde en de paramedische beroepen mogen verrichten.
De Provinciale Raden van de Orde hebben in dat verband enkel tot taak de bevoegde overheden over eventuele gevallen van onwettige uitoefening van de geneeskunde in te lichten.
Hieruit zou natuurlijk kunnen worden afgeleid dat, om onwettige handelingen te kunnen aangeven, zij het recht hebben te oordelen of een door een niet‑beoefenaar van de geneeskunde gestelde handeling onwettig is.
De Nationale Raad van de Orde heeft in zijn Officieel Tijdschrift nr. 27 een artikel gepubliceerd over het vraagstuk van de klinische biologie.
In het tweede hoofdstuk van dat rapport gewijd aan de organisatie en de werking van de laboratoria, lezen we het volgende:

"Het probleem van de directie van het laboratorium is van groot belang. Ingevolge de bestaande uitoefeningsmogelijkheden van de klinische biologie kunnen immers naast geneesheren ook apothekers en zelfs chemici verantwoordelijkheid dragen".
"De Orde is van mening dat in het vlak van de verantwoordelijkheid een medische participatie noodzakelijk is; deze dient te correleren met de omvang van de laboratoriumactiviteiten. Deze geneesheren dienen immers als consulent op te treden: hier gaat het om medische handelingen die een kennis van de geneeskunde vereisen die enkel de geneesheer bezit".

In datzelfde nummer vinden wij een richtlijn ter attentie van de Provinciale Raden van de Orde der geneesheren en alle Belgische geneesheren.
Op bladzijde 81 onder de titel "Gedragsregels voor de geneesheer‑aanvrager van analyses", 1. ‑ lid 3, lezen we:

"Wanneer het klinisch probleem zijn bevoegdheid overschrijdt, zal de aanvrager op een specialist ter zake beroep doen. Samen beslissen zij welke analyses dienen te worden gevraagd".
En op bladzijde 83 onder punt 7 van "Gedragsregels voor de geneesheer‑bioloog": "Wanneer de geneesheer‑bioloog analyses niet gerechtvaardigd of overbodig vindt, dient hij de aanvrager te contacteren. Hij mag zich niet verschuilen achter de verantwoordelijkheid van de geneesheer‑aanvrager".
Deze drie punten tonen aan hoe belangrijk het is dat een geneesheer‑bioloog aan het hoofd staat van een laboratorium.

***

De vraag of een apotheker‑bioloog of een laborant gerechtigd is een bloedafname te verrichten werd wettelijk nog niet op expliciete wijze geregeld.
Artikel 5 van het KB nr. 78 bepaalt echter dat de geneesheer het verrichten van bepaalde handelingen die de diagnose voorafgaan mag toevertrouwen aan beoefenaars van een paramedisch beroep of van verpleegkundigen.
Alhoewel in § 2 van datzelfde artikel bepaald wordt dat een apotheker gemachtigd is analyses van klinische biologie te verrichten, wordt daarentegen nergens voorzien dat een geneesheer hem behandelingen kan toevertrouwen die de diagnose voorafgaan of betrekking hebben op de toepassing van de behandeling.
De Nationale Raad die het ontbreken van koninklijke besluiten ter regeling van deze kwestie ten zeerste betreurt, is van oordeel dat op grond van een jarenlange praktijk en overeenkomstig artikel 5 van KB nr. 78, een beoefenaar van de verpleegkunde bloedafnamen mag verrichten onder de verantwoordelijkheid en onder toezicht van een geneesheer.
De Nationale Raad acht een medische participatie op het niveau van de verantwoordelijkheid vereist binnen een laboratorium voor klinische biologie.

De Nationale Raad kan geen wettelijke noch rechtskundige rechtvaardiging aanvoeren voor het verrichten van veneuze puncties door apothekers.

***

Opmerking

Subsidiair dient te worden opgemerkt dat sommige veneuze puncties niet geassimileerd kunnen worden met gewone bloedafnamen voor laboratoriumanalyses.
Dit geldt meer bepaald voor bloedafnamen bestemd voor transfusies waar een voorafgaandelijk medisch onderzoek van de donor vereist is.
Bij bloedcoagulatiestoornissen ‑ waar de advocaat terecht gewag van maakt (hij spreekt van "hemofilie") ‑, is een bijzondere medewerking van de arts eveneens nodig.
Wij zouden nog andere biologische onderzoekingen kunnen aanhalen die exclusief tot de bevoegdheid van de arts behoren, maar de Nationale Raad acht het niet opportuun deze kwesties nu nader te onderzoeken.
De Nationale Raad meent op afdoende wijze te hebben geantwoord op de vraag of een apotheker‑bioloog gemachtigd is veneuze puncties te verrichten.