Resultaten
Resultaten
Laattijdige annulering of niet komen opdagen voor een chirurgische ingreep.
In zijn zitting van 7 november 2025 heeft de nationale raad van de Orde der artsen een vraag onderzocht betreffende de mogelijkheid voor een arts of een ziekenhuisinrichting om aan de patiënt een schadevergoeding te vragen wanneer hij laattijdig een ingreep afzegt of niet komt opdagen.
Het is niet in strijd met de medische deontologie dat een arts of een instelling van de patiënt een vergoeding eist voor de door zijn toedoen geleden schade. Dit geldt ook in geval van late annulering of het niet verschijnen voor een geplande chirurgische ingreep.
1.De juridische geldigheid van het vragen van een schadevergoeding valt niet onder de bevoegdheid van de Orde der artsen.
De nationale raad beperkt zich tot de opmerking dat een schadevergoeding, naast een geldige overeenkomst en een fout, ofwel het bewijs vereist van de daadwerkelijk geleden schade, ofwel moet vastgelegd zijn in een geldige contractuele clausule waarvan de patiënt nauwkeurig in kennis gesteld is en die hij aanvaard heeft.
Een schadebeding moet duidelijk en in begrijpelijke taal worden opgesteld en moet wederkerig en proportioneel zijn.
Indien de clausule misleidend is in de zin van het Wetboek van economisch recht, is ze nietig[1].
Dit is bijvoorbeeld het geval indien ze bepaalt dat alleen een late annulering door de patiënt aanleiding geeft tot schadevergoeding, zonder te voorzien in wederkerigheid indien de ziekenhuisinrichting of de arts in gebreke blijft. Hetzelfde geldt indien de voorziene schadevergoeding duidelijk de omvang van de potentiële schade overschrijdt.
Het recht om af te zien van zorg[2] stelt de patiënt in staat om zijn toestemming in te trekken, maar ontslaat hem niet van een eventuele schadevergoeding als hij een fout begaat. De fout kan bestaan uit het uitblijven of de laattijdigheid van de annulering. De beoordeling van de laattijdigheid is een feitelijke kwestie. De annuleringstermijn die vastgelegd is in een schadevergoedingsclausule in geval van niet-verschijnen voor een medische ingreep moet het recht van de patiënt om af te zien van zorg eerbiedigen en overeenkomen met het moment waarop de annulering schade veroorzaakt.
Wanneer het niet nakomen van de afspraak geen fout inhoudt (bijvoorbeeld in geval van overmacht), kan aan de patiënt geen schadevergoeding gevraagd worden.
2. Op deontologisch vlak zou de problematiek van het niet verschijnen van een patiënt voor een medisch gerechtvaardigde chirurgische ingreep, waarvan de noodzaak en de voordelen hem uitgelegd werden en waarmee hij na bedenktijd vrijwillig ingestemd heeft, breder benaderd moeten worden dan alleen vanuit financieel oogpunt.
Om dit tegen te gaan, dient ongetwijfeld een reeks maatregelen genomen te worden die inspelen op de verscheidenheid van de oorzaken. Net zoals automatische herinneringen algemeen geworden zijn, kunnen ook andere structurele oplossingen ontwikkeld worden.
De financiële, professionele of familiale situatie van de patiënt kan een belemmering vormen voor de zorg. Door de toegang tot nauwkeurige informatie over de kosten van de zorg, de omvang van de verzekeringsdekking of de sociale rechten te vergemakkelijken, en door een alleenstaande patiënt door te verwijzen naar een dienst die hem kan helpen bij de thuiszorg of hem kan aflossen als hij voor een afhankelijke persoon zorgt, kunnen moeilijkheden voorkomen worden.
De arts-patiëntrelatie moet de patiënt de mogelijkheid bieden om zijn vragen, zorgen en angsten te uiten.
Ten slotte, en meer in het algemeen, moet de sensibilisering van patiënten over het belang van het nakomen van afspraken en de gevolgen van late annuleringen voor de organisatie van de zorg gepaard gaan met een eenvoudig annuleringsproces.
[1] Hoofdstuk 6 van titel 3 van boek VI van het Wetboek van economisch recht
[2] Artikel 8/1 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt
Verplichtingen arts met hepatitis C
De Nationale Raad bracht op 15 februari 2003 (Tijdschrift nr. 100, juni 2003, p. 5) en op 21 september 2002 (Tijdschrift nr. 98, december 2002, p.6) advies uit over de maatregelen die een ziekenhuis kan of moet nemen ten overstaan van een chirurg die werkzaam is in de instelling en lijdt aan hepatitis C.
De geneesheer-directeur van een vzw voor preventie en bescherming op het werk drukt zijn bezorgdheid uit over de door de Nationale Raad aan de arbeidsgeneesheren toegekende opdrachten.
Wanneer de arbeidsgeneesheer bijzondere preventiemaatregelen dient te nemen die de niet-besmettelijkheid van de potentieel besmette zorgverlener waarborgen zal hij zijn beroepsgeheim schenden. Verder druist het feit dat de arbeidsgeneesheer zich dient uit te spreken over de arbeidsgeschiktheid van een werknemer die lijdt aan hepatitis C, hepatitis B of Hiv-seropositief is in tegen zijn hoofdopdracht die erin bestaat in een vertrouwensrelatie met het verzorgend personeel hen te sensibiliseren inzake preventie.
Advies van de Nationale Raad :
De Nationale Raad heeft nota genomen van de opmerkingen over de beperkingen van de opdracht van de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren en past derhalve zijn adviezen van 21 september 2002 en 15 februari 2003 aan.
De arts die aangetast is door een besmettelijke aandoening heeft deontologisch de plicht alle nodige maatregelen te treffen om besmetting van patiënten te voorkomen.
Daarom is het aangewezen dat de artsen, in het bijzonder diegenen die tot de risicocategorieën behoren, regelmatig hun HCV-serologie (1)(2)(3) controleren en bij positiviteit alles in het werk stellen om het pathogene agens uit te roeien door een aangepaste behandeling.
Teneinde de besmettelijkheid in te perken bij de uitvoering van potentieel besmettelijke handelingen, zal hij voorts steeds afdoende preventiemaatregelen treffen overeenkomstig de wereldwijd aanvaarde voorschriften. Indien hij dat wenst, zal hem de kans geboden worden zijn beroepspraktijk aan te passen.
Zijn houding ten opzichte van het ziekenhuis moet zijn ingegeven door de deontologie en dient rekening te houden met de wettelijke bepalingen die de ziekenhuishygiëne reglementeren, met de bevoegdheden en verplichtingen van de hoofdgeneesheer, alsook met de functie van arts ziekenhuishygiënist.
Uit deontologisch standpunt is de arts die aangetast is door een besmettelijke aandoening verplicht zelf, spontaan, aan de hoofdgeneesheer kenbaar te maken dat hij besmet is. Hij dient dan met de personen verantwoordelijk voor de ziekenhuishygiëne afspraken te maken om de schikkingen te treffen die de niet-besmettelijkheid waarborgen. De hoofdgeneesheer zal er heel in het bijzonder over waken de regels m.b.t. het beroepsgeheim waaraan hij is onderworpen te eerbiedigen. Hij is niet de arts die de patiënt behandelt en is bijgevolg niet gerechtigd te eisen dat deze laatste zijn medisch dossier voorlegt.
Bij betwisting over de te treffen maatregelen, lijkt het absoluut noodzakelijk dat een college van erkende deskundigen zich uitspreekt over de graad van besmettelijkheid en de gepaste houding bepaalt. Het komt desgevallend aan de provinciale geneeskundige commissies toe zich uit te spreken over de fysieke of psychische geschiktheid van een arts (zie artikel 11 van het K.B. van 7 oktober 1976 m.b.t. de organisatie en werking van de geneeskundige commissies, Belgisch Staatsblad van 4 februari 1977). Daartoe vraagt de provinciale geneeskundige commissie de Nationale Raad van de Orde van geneesheren een college van deskundigen aan te wijzen dat de arts dient te onderzoeken en verslag dient uit te brengen aan de commissie.
Voorts stelt de Nationale Raad vast dat in de ziekenhuispraktijk de met hepatitis besmette arts zijn besmetting soms spontaan aan de arbeidsgeneesheer meldt. Ofschoon de Nationale Raad deze praktijk niet aanbeveelt, beschouwt hij ze niet strijdig met de plichtenleer. De arbeidsgeneesheer dient de vertrouwelijkheid van de hem toevertrouwde informatie in acht te nemen en de besmette arts op de hoogte te brengen van zijn plichten i.v.m. preventie.
Dit advies vervangt de adviezen van 15 februari 2003 (Tijdschrift nr. 100, juni 2003, p. 5) en 21 september 2002 (Tijdschrift nr. 98, december 2002, p.6).
(1) R.N. GUNSON et al., Hepatitis B virus (HBV) and hepatitis C virus (HCV) infections in health care workers (HCWs) : guidelines for prevention of transmission of HBV and HCV from HCW to patients, Journal of Clinical Virology 27 (2003), 213-230.
(2) Advies van 27 04 2004 van het Collège des médecins du Québec. (Artsencollege van Québec)
Dit advies kan geraadpleegd worden op internet op het volgende adres : http://www.cmq.org/UploadedFiles/Position_infections_transmissibles_sang.pdf
(3) Advies van 26 09 2003 van de Conseil supérieur d’hygiène publique de France ( section des maladies transmissibles - Hoge Raad voor Volkshygiëne van Frankrijk - afdeling overdraagbare aandoeningen )
Dit advies kan geraadpleegd worden op internet op het volgende adres : http://www.sante.gouv.fr/htm/dossiers/cshpf/a_mt_260903_hepc.pdf
Dit advies vervangt de adviezen a100005 en a098005.