keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Chirurgie20/09/2014 Documentcode: a147006
Problematiek van inrichtingen die patiënten laten overnachten na een heelkundige esthetische ingreep

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft de problematiek van de inrichtingen die niet onder de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen vallen en die patiënten er laten overnachten na een heelkundige esthetische ingreep, onderzocht.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 september 2014 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de problematiek van de inrichtingen die niet onder de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen vallen en die patiënten er laten overnachten na een heelkundige esthetische ingreep.

1° Het is jammer dat er nog steeds geen juridisch kader is waarin de architecturale, organisatorische en functionele erkenningsnormen zijn vastgelegd voor deze extramurale inrichtingen waarin allerhande, min of meer invasieve, heelkundige ingrepen worden verricht.

De artsen die werkzaam zijn in deze inrichtingen zijn verantwoordelijk voor het vervullen van de medische veiligheidsvoorwaarden die inherent zijn aan het soort handelingen dat zij verrichten (cardiovasculaire monitoring, reanimatieapparatuur, toegankelijkheid van de lokalen, noodoproepbeantwoording, sterilisatie,...) en die de kwaliteit van de zorg en de veiligheid van de patiënten waarborgen.

2° De wetgever heeft verplicht gesteld dat de functie "chirurgische daghospitalisatie" waarvan sprake in de wet op de ziekenhuizen zich op dezelfde vestigingsplaats bevindt of dat er een functionele binding is met een algemeen ziekenhuis1.

De Nationale Raad meent dat het vanuit deontologisch oogpunt raadzaam is dat de arts die een esthetische chirurgische ingreep verricht of eraan meewerkt in een inrichting die niet onder de wet op de ziekenhuizen valt, zich er tevens van vergewist dat deze inrichting een overeenkomst heeft met een ziekenhuis om eventuele ongelukken of complicaties zo optimaal mogelijk op te vangen. Dit ziekenhuis dient gevestigd te zijn in de nabijheid en over een MUG-eenheid2 te beschikken.

3° Indien een patiënt medisch toezicht vereist na een heelkundige ingreep dient hij te worden opgenomen in een inrichting die onder de voornoemde wet van 10 juli 2008 valt zodat hij een postoperatief toezicht geniet dat voldoet aan de kwaliteitscriteria en dat de mogelijkheid waarborgt om in te grijpen in spoedsituaties.

Indien de toestand van de patiënt geen hospitalisatie vergt, is de arts die de ingreep heeft verricht verantwoordelijk voor de continuïteit van de zorg; hij mag zich niet ontdoen van deze verantwoordelijkheid door de patiënt die hij heeft geopereerd toe te vertrouwen aan een niet-aangepaste inrichting die de patiënt een vals veiligheidsgevoel geeft.

Zoals bij het ontslag uit een functie "chirurgische daghospitalisatie"3, dient steeds een schriftelijk verslag te worden bezorgd aan de behandelend arts of aan de patiënt, waarin de toegediende zorg en de nodige nazorg worden beschreven.

4° De geneeskunde mag in geen geval en op geen enkele wijze als een handelszaak worden opgevat4.

Elke overeenkomst tussen artsen of artsenvennootschappen en niet-artsen is verboden wanneer ze aanleiding kan geven tot misbruik of beperking van de diagnostische of therapeutische vrijheid of wanneer ze de kwaliteit van de zorg in het gedrang kan brengen5.

Het uitbaten door een arts van een verblijfshotel dat gekoppeld is aan een extramurale inrichting waarin hij heelkundige esthetische ingrepen verricht, kan leiden tot belangenvermenging met mogelijke impact op de objectiviteit van de therapeutische keuzes en kan een commercieel karakter vertonen.

Bijlage : 1

Kopie aan alle provinciale raden

1.Artikel 1, §§ 3 en 4, van het koninklijk besluit van 25 november 1997 houdende vaststelling van de normen waaraan de functie "chirurgische daghospitalisatie" moet voldoen om te worden erkend
2.Koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend.
3.Artikel 7, 3°, van het koninklijk besluit van 25 november 1997 houdende vaststelling van de normen waaraan de functie "chirurgische daghospitalisatie" moet voldoen om te worden erkend
4.Artikel 10 van de Code van geneeskundige plichtenleer
5.Artikel 173 van de Code van geneeskundige plichtenleer

Chirurgie20/11/2010 Documentcode: a132004
Advies aangaande drie wetsvoorstellen betreffende cosmetische ingrepen

Er werden drie wetsvoorstellen betreffende cosmetische ingrepen voor advies aan de Nationale Raad voorgelegd. Deze voorstellen hebben tot doel de reclame voor deze cosmetische ingrepen, de medische beroepskwalificaties vereist om deze ingrepen uit te voeren en de instellingen buiten het ziekenhuis waar ze uitgevoerd worden te reglementeren.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 november 2010 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de drie wetsvoorstellen betreffende cosmetische ingrepen die u hem ter advies voorgelegd had.

De Nationale Raad is het eens met de beginselen die erin vervat zijn en die tegemoetkomen aan de bekommernissen die hij naar voren bracht in zijn brief van 25 september 2008.

Deze voorstellen zijn in overeenstemming met de geneeskundige plichtenleer en hebben tot doel het belang van de patiënt te beschermen en de kwaliteit van de hem toegediende zorg te bevorderen.

Ze vullen elkaar aan en zijn gerechtvaardigd door de noodzaak ter zake wetten op te stellen op drie gebieden : reclame, kwalificatievereisten van de arts en de vereiste normen voor de instellingen buiten het ziekenhuis.

De Nationale Raad maakt de volgende opmerkingen :

1. Hij acht het onontbeerlijk dat een door de Nationale Raad van de Orde van geneesheren aangewezen arts deel uitmaakt van het College bedoeld bij artikel 10 van het wetsvoorstel tot regeling van de instellingen buiten het ziekenhuis waar invasieve esthetische ingrepen worden uitgevoerd.

2. Artikel 4 van het wetsvoorstel tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van invasieve medische cosmetiek uit te voeren handelt over ingrepen van invasieve medische cosmetiek bij minderjarigen.

De Nationale Raad meent dat een zo belangrijke bepaling veeleer opgenomen dient te zijn in de wet betreffende de rechten van de patiënt dan in deze betreffende de vereiste kwalificaties om ingrepen van invasieve medische cosmetiek uit te voeren. Ze vormt immers een uitzondering op artikel 12 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt dat bepaalt dat de minderjarige patiënt die tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, zijn rechten zelfstandig kan uitoefenen.

Hij meent dat de schriftelijke toestemming van alle wettelijke vertegenwoordigers gevraagd dient te worden en niet van één enkele.

Deze bepaling zou moeten stellen dat de minderjarige patiënt bij de beslissing betrokken dient te worden rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De weigering tot instemming van de minderjarige met een invasieve esthetische ingreep, die per definitie (artikel 2, 1°, van het voorstel) geen therapeutisch noch reconstructief doel heeft en waarvoor geen terugbetaling door de verplichte ziekteverzekeringsregeling is bepaald, moet een definitief obstakel voor de uitvoering van dergelijke ingreep vormen.

Het overleg dat voorafgaat aan de uitvoering van een dergelijke ingreep zou het werk moeten zijn van een multidisciplinair team dat ten minste samengesteld is uit de huisarts van de minderjarige, een kinderarts en een (kinder)psychiater of (kinder)psycholoog.

Er zou nader bepaald moeten worden waarover het overleg dient te gaan en er zou minstens gesteld moeten worden dat het tot doel heeft te beoordelen of de geplande esthetische ingreep geen schade berokkent aan de geestelijke en fysieke gezondheid van de minderjarige.

Er zou een minimumtermijn vastgelegd moeten worden tussen het uitbrengen van de toestemming en de uitvoering van de ingreep aangezien deze van nature niet-dringend is wegens niet-therapeutisch.

Artikel 6 voorziet in de invoering van een opleiding in de "niet-chirurgische medische cosmetiek" die leidt tot een bijzondere beroepstitel waarvan het niveau niet nader wordt bepaald.

De Nationale Raad meent dat het niet kan gaan over een titel die is opgenomen in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde. Deze titel moet zijn opgenomen in artikel 2 van dit koninklijk zodat hij toegankelijk is voor de artsen die reeds een beroepstitel bezitten.

Voorts merkt de Nationale Raad op dat de invoering van een beroepstitel de taak is van de minister onder wiens bevoegdheid de gezondheid valt, op advies van de Hoge Raad voor geneesheren-specialisten en huisartsen.

Artikel 10 van dit voorstel blijkt overbodig bij de lezing van de artikelen 6 en 7 gezien de definitie die in artikel 2, 2° gegeven wordt van de invasieve medische cosmetiek.

De artikelen 13, 14 en 15 waarvan de inhoud essentieel is, zouden eveneens aan relevantie winnen indien ze zouden opgenomen worden in de wet betreffende de rechten van de patiënt in plaats van in de wet betreffende de vereiste beroepskwalificaties van de arts.

3. Artikel 4, 5de lid, van het wetsvoorstel tot regeling van de reclame voor cosmetische ingrepen bepaalt dat "persoonlijke informatie steeds moet vermelden met welke titel de beoefenaar bij de Orde der Geneesheren is ingeschreven".

Aangezien de artsen bij de Orde niet ingeschreven zijn onder een bijzondere titel, zou het gepaster zijn dat de beoefenaar melding dient te maken van de beroepstitel(s), zoals voorzien in het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991 die hij bezit.

Het zou zinvol zijn in dit artikel te bepalen dat getuigenissen of afbeeldingen van patiënten niet mogen worden gebruikt.

Artikel 4, 6de lid, gaat over de informatie die betrekking heeft op één of meer welbepaalde cosmetische ingrepen. De Nationale Raad stelt zich vragen over de toelaatbaarheid van dergelijke reclame aangezien het eerste lid van ditzelfde artikel stelt dat reclame voor ingrepen van medische cosmetiek verboden is.

Bovendien schrijft de wet betreffende de rechten van de patiënt voor dat de in dit lid opgesomde informatie aan de patiënt verschaft moet worden.

4. Er bestaat een discrepantie tussen de titels van de teksten in hun Franstalige versie : er wordt ofwel verwezen naar "interventions à visée esthétique" ofwel naar "actes d'esthétique".
Deze discrepantie bestaat eveneens binnen de tekst zelf.

In het Nederlands zou de term "cosmetisch" vervangen moeten worden door "esthetisch".

De definities van de medische esthetische ingreep en van de invasieve medische esthetische ingreep in de verschillende voorstellen overlappen elkaar niet, hetgeen leidt tot verwarring.

Bovendien zou de overeenstemming tussen de Franstalige en Nederlandstalige versies van deze definities herzien moeten worden (zie bv. artikel 5 van het wetsvoorstel tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van invasieve medische cosmetiek uit te voeren).

De Nationale Raad blijft te uwer beschikking voor elk onderhoud of elke informatie die u nuttig zou achten.

Geneeskunde (Arbeids-)16/10/2004 Documentcode: a107003
Verplichtingen arts met hepatitis C

De Nationale Raad bracht op 15 februari 2003 (Tijdschrift nr. 100, juni 2003, p. 5) en op 21 september 2002 (Tijdschrift nr. 98, december 2002, p.6) advies uit over de maatregelen die een ziekenhuis kan of moet nemen ten overstaan van een chirurg die werkzaam is in de instelling en lijdt aan hepatitis C.
De geneesheer-directeur van een vzw voor preventie en bescherming op het werk drukt zijn bezorgdheid uit over de door de Nationale Raad aan de arbeidsgeneesheren toegekende opdrachten.
Wanneer de arbeidsgeneesheer bijzondere preventiemaatregelen dient te nemen die de niet-besmettelijkheid van de potentieel besmette zorgverlener waarborgen zal hij zijn beroepsgeheim schenden. Verder druist het feit dat de arbeidsgeneesheer zich dient uit te spreken over de arbeidsgeschiktheid van een werknemer die lijdt aan hepatitis C, hepatitis B of Hiv-seropositief is in tegen zijn hoofdopdracht die erin bestaat in een vertrouwensrelatie met het verzorgend personeel hen te sensibiliseren inzake preventie.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft nota genomen van de opmerkingen over de beperkingen van de opdracht van de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren en past derhalve zijn adviezen van 21 september 2002 en 15 februari 2003 aan.

De arts die aangetast is door een besmettelijke aandoening heeft deontologisch de plicht alle nodige maatregelen te treffen om besmetting van patiënten te voorkomen.

Daarom is het aangewezen dat de artsen, in het bijzonder diegenen die tot de risicocategorieën behoren, regelmatig hun HCV-serologie (1)(2)(3) controleren en bij positiviteit alles in het werk stellen om het pathogene agens uit te roeien door een aangepaste behandeling.

Teneinde de besmettelijkheid in te perken bij de uitvoering van potentieel besmettelijke handelingen, zal hij voorts steeds afdoende preventiemaatregelen treffen overeenkomstig de wereldwijd aanvaarde voorschriften. Indien hij dat wenst, zal hem de kans geboden worden zijn beroepspraktijk aan te passen.

Zijn houding ten opzichte van het ziekenhuis moet zijn ingegeven door de deontologie en dient rekening te houden met de wettelijke bepalingen die de ziekenhuishygiëne reglementeren, met de bevoegdheden en verplichtingen van de hoofdgeneesheer, alsook met de functie van arts ziekenhuishygiënist.

Uit deontologisch standpunt is de arts die aangetast is door een besmettelijke aandoening verplicht zelf, spontaan, aan de hoofdgeneesheer kenbaar te maken dat hij besmet is. Hij dient dan met de personen verantwoordelijk voor de ziekenhuishygiëne afspraken te maken om de schikkingen te treffen die de niet-besmettelijkheid waarborgen. De hoofdgeneesheer zal er heel in het bijzonder over waken de regels m.b.t. het beroepsgeheim waaraan hij is onderworpen te eerbiedigen. Hij is niet de arts die de patiënt behandelt en is bijgevolg niet gerechtigd te eisen dat deze laatste zijn medisch dossier voorlegt.

Bij betwisting over de te treffen maatregelen, lijkt het absoluut noodzakelijk dat een college van erkende deskundigen zich uitspreekt over de graad van besmettelijkheid en de gepaste houding bepaalt. Het komt desgevallend aan de provinciale geneeskundige commissies toe zich uit te spreken over de fysieke of psychische geschiktheid van een arts (zie artikel 11 van het K.B. van 7 oktober 1976 m.b.t. de organisatie en werking van de geneeskundige commissies, Belgisch Staatsblad van 4 februari 1977). Daartoe vraagt de provinciale geneeskundige commissie de Nationale Raad van de Orde van geneesheren een college van deskundigen aan te wijzen dat de arts dient te onderzoeken en verslag dient uit te brengen aan de commissie.

Voorts stelt de Nationale Raad vast dat in de ziekenhuispraktijk de met hepatitis besmette arts zijn besmetting soms spontaan aan de arbeidsgeneesheer meldt. Ofschoon de Nationale Raad deze praktijk niet aanbeveelt, beschouwt hij ze niet strijdig met de plichtenleer. De arbeidsgeneesheer dient de vertrouwelijkheid van de hem toevertrouwde informatie in acht te nemen en de besmette arts op de hoogte te brengen van zijn plichten i.v.m. preventie.

Dit advies vervangt de adviezen van 15 februari 2003 (Tijdschrift nr. 100, juni 2003, p. 5) en 21 september 2002 (Tijdschrift nr. 98, december 2002, p.6).

(1) R.N. GUNSON et al., Hepatitis B virus (HBV) and hepatitis C virus (HCV) infections in health care workers (HCWs) : guidelines for prevention of transmission of HBV and HCV from HCW to patients, Journal of Clinical Virology 27 (2003), 213-230.
(2) Advies van 27 04 2004 van het Collège des médecins du Québec. (Artsencollege van Québec)
Dit advies kan geraadpleegd worden op internet op het volgende adres : http://www.cmq.org/UploadedFiles/Position_infections_transmissibles_sang.pdf
(3) Advies van 26 09 2003 van de Conseil supérieur d’hygiène publique de France ( section des maladies transmissibles - Hoge Raad voor Volkshygiëne van Frankrijk - afdeling overdraagbare aandoeningen )
Dit advies kan geraadpleegd worden op internet op het volgende adres : http://www.sante.gouv.fr/htm/dossiers/cshpf/a_mt_260903_hepc.pdf

Geneeskunde (Arbeids-)15/02/2003 Documentcode: a100005
Arts besmet met hepatitis C - Advies van de Nationale Raad van 21 september 2002

Arts besmet met hepatitis C – Advies van de Nationale Raad van 21 september 2002

Een advocaat, die wordt geraadpleegd door een met hepatitis C besmette arts in een geschil met de directie van het ziekenhuis waarin deze arts werkzaam is, stelt vier bijkomende vragen bij het advies dat de Nationale Raad op 21 september 2003 over deze materie uitbracht (Tijdschrift Nationale Raad nr. 98, december 2002, p. 7) :

  1. Beslist een arts besmet met hepatitis C niet vrij of hij aan de arbeidsgeneesheer dan wel aan de hoofdgeneesheer zijn verklaring zal afleggen ?
  2. De bescherming van de medische gegevens van de betrokken arts is krachtens artikel 59, §2, van de Code van geneeskundige plichtenleer gewaarborgd wanneer deze zich richt tot de arbeidsgeneesheer, maar is deze niet totaal onbestaande wanneer hij de verklaring aflegt aan de hoofdgeneesheer ?
  3. Mag de over de besmetting ingelichte hoofdgeneesheer van de betrokken arts eisen dat deze zijn volledig medisch dossier voorlegt ?
  4. Behoort het, in geval van betwisting, niet tot de provinciale geneeskundige commissie uitspraak te doen over de geschiktheid van een beoefenaar van de geneeskunde ?

Advies van de Nationale Raad :

  1. De beoefenaar die besmet is met het hepatitis C-virus dient zijn spontane verklaring af te leggen aan de arbeidsgeneesheer. Gesteld dat de arts die lijdt aan een besmettelijke aandoening, door zijn statuut, niet onderworpen is aan de controle van een arbeidsgeneesheer, dan moet hij de verklaring afleggen aan de hoofdgeneesheer die belast is met de bevordering van de ziekenhuishygiëne.
  2. In dat laatste geval is het niet exact te stellen dat de bescherming van de besmette geneesheer helemaal onbestaande is. De hoofdgeneesheer blijft onderworpen aan de regels betreffende het beroepsgeheim van de arts.
  3. De hoofdgeneesheer is niet de arts die de patiënt behandelt en is bijgevolg niet gerechtigd te eisen dat deze laatste zijn medisch dossier voorlegt.
  4. In voorkomend geval (zie artikel 11 van het koninklijk besluit van 17 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werking van de geneeskundige commissies) behoort het tot de bevoegdheid van de provinciale geneeskundige commissies zich uit te spreken over de fysieke of psychische geschiktheid van een beoefenaar. Hiertoe vraagt de provinciale geneeskundige commissie aan de Nationale Raad van de Orde van geneesheren een college van deskundigen aan te stellen om de arts te onderzoeken en verslag uit te brengen aan de commissie.
Geneeskunde (Arbeids-)21/09/2002 Documentcode: a098005
Overdracht van hepatitis C door een chirurg

De medisch directeur van een ziekenhuis legt volgende vragen voor aan de Nationale Raad :

  1. Moet een chirurg, drager van een overdraagbare ziekte (hepatitis C), de ziekenhuisbeheerder hiervan op de hoogte brengen ?
  2. Mag een chirurg, drager van hepatitis C met positieve viremie, een chirurgische of elke andere invasieve activiteit blijven uitoefenen ?
  3. Zelfde vraag voor een chirurg, drager van hepatitis C met negatieve viremie : hier ligt het risico op besmetting van de patiënt een stuk lager maar het is nooit onbestaande ?
  4. Kan een ziekenhuisbeheerder van een chirurg werkzaam in zijn instelling de nodige medische inlichtingen eisen die hem toelaten zich ervan te vergewissen dat er geen risico bestaat op overdracht van een besmettelijke ziekte (bv. hepatitis C) ?

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergaderingen van 20 april, 25 mei, 24 augustus en 21 september 2002 de kwestie bestudeerd van de maatregelen die een ziekenhuis kan of moet nemen ten overstaan van een chirurg die werkzaam is in de instelling en lijdt aan hepatitis C.

De arts aangetast door een besmettelijke aandoening, heeft deontologisch de plicht alle nodige maatregelen te treffen om besmetting van patiënten te voorkomen.

Daarom zal de arts ernaar streven de pathogene kiemen uit te roeien, binnen de mate van de beschikbare middelen en van zijn tolerantie t.o.v. de behandeling. Teneinde de besmettelijkheid te verminderen bij het uitvoeren van potentieel infecterende handelingen, zal hij bovendien stelselmatig afdoende preventieve maatregelen treffen, in overeenstemming met de wereldwijd erkende voorschriften. Indien hij het wenst, zal hij de mogelijkheid krijgen zijn beroepspraktijk te wijzigen.

Zijn houding ten opzichte van het ziekenhuis moet zijn ingegeven door de deontologie en dient rekening te houden met de wettelijke bepalingen die de ziekenhuishygiëne reglementeren, met de bevoegdheden en verplichtingen van de hoofdgeneesheer, alsook met de functie van arts ziekenhuishygiënist.

Uit deontologisch standpunt is hij verplicht zelf, spontaan, aan de arbeidsgeneesheer of aan de hoofdgeneesheer kenbaar te maken dat hij besmet is. Hij dient dan met de personen verantwoordelijk voor de ziekenhuishygiëne afspraken te maken om de schikkingen te treffen die de niet-besmettelijkheid waarborgen.

Indien de te treffen maatregelen worden betwist, lijkt het noodzakelijk dat een college van erkende deskundigen zich uitspreekt over de graad van besmettelijkheid en de geschikte handelwijze bepaalt.

Voorts herinnert de Nationale Raad eraan dat wanneer het de arbeidsgeneesheer is die de diagnose van de aandoening stelt, de door hem genomen beslissingen, onder meer m.b.t. de arbeidsgeschiktheid, aan de werkgever dienen te worden medegedeeld zonder de redenen ervan te onthullen, ook al is laatstgenoemde zelf arts (zie artikel 59, § 2, van de Code van geneeskundige plichtenleer).

Dit advies wordt ook overgemaakt aan dokter J.-P. DERCQ, Adviseur-generaal, Directie Geneeskundepraktijk bij het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.

Chirurgie21/04/2001 Documentcode: a093007
Spreiding van neurochirurgische activiteiten

Een provinciale raad komt tot de vaststelling dat er een sterke spreiding bestaat van de activiteiten van de op zijn Lijst ingeschreven neurochirurgen. De meeste collega's worden niet meer in staat gesteld behoorlijk ervaring op te doen en maken gewag van een gebrek aan centrale regelgeving omtrent de organisatie van de neurochirurgische diensten.
De betrokken raad vraagt of niet moet worden overwogen dergelijke situatie aan de bevoegde ministers voor te leggen.

Antwoord van de Nationale Raad aan de betrokken provinciale raad betreffende de toestand in die provincie :

Uit een geactualiseerd overzicht blijkt dat er in minstens 13 ziekenhuizen neurochirurgische ingrepen plaatsvinden die worden verricht door minstens 21 neurochirurgen. De overgrote meerderheid van de neurochirurgen werkt in twee ziekenhuizen (campussen).

De provinciale raad is bevoegd na te gaan of de neurochirurgische activiteit binnen uw provincie strookt met een kwalitatief hoogstaande zorg en of in het vlak van de continuïteit van de zorg sluitende waarborgen aanwezig zijn. De bevoegdheid van de provinciale raden inzake onder meer spreiding van de medische activiteiten ter preventie van medische fouten werd bij arresten van het Hof van Cassatie herhaaldelijk erkend.

Wanneer de provinciale raad mocht vaststellen dat patiënten het slachtoffer zijn van een gebrekkige kwaliteit of continuïteit van de zorg die het gevolg is van een overdreven spreiding van de neurochirurgische activiteit zou de Nationale Raad dit graag vernemen. Aandringen op een preventief optreden van de overheid lijkt momenteel niet opportuun daar de fusies van de ziekenhuizen nog in volle realisatie zijn. Daarnaast plant de overheid op dit ogenblik een wetgevend initiatief om tot een kadaster te komen waaruit de exacte spreiding van de medische activiteit (ook over de provinciegrenzen heen) zou moeten blijken.

Beroepsgeheim24/04/1999 Documentcode: a085008
Aanwezigheid van een vriendin-verpleegster van de patiënt tijdens het medisch onderzoek door een geneesheer-specialist

Een patiënte wenst zich voor een belangrijk medisch onderzoek door een geneesheer-specialist te laten bijstaan door haar vriendin-verpleegster teneinde de medische termen die gebruikt worden door de arts exact te begrijpen.
De arts duldt echter geen enkele andere aanwezigheid dan deze van de echtgenoot van de patiënte.
Gevraagd wordt of de arts de aanwezigheid van de verpleegster, vriendin van de patiënte, mag weigeren.

Advies van de Nationale Raad:

De gestelde vraag heeft betrekking op de aanwezigheid van andere personen dan de patiënt(e) bij het gesprek tussen de arts en de patiënt en de eventuele onderzoeken die bij die gelegenheid uitgevoerd worden.

Bij deze personen dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de familieleden in de ruime zin, met inbegrip van de levensgezel(lin), en de personen met een medische of paramedische hoedanigheid (assistenten, stagiaires, verpleegkundi¬gen, psychologen, paramedische technici).

Ongeacht de hoedanigheid van de personen, is de toestemming van de patiënt steeds verkregen of impliciet bij onderzoeken die door gekwalificeerde technici uitgevoerd worden onder het gezag en de verantwoordelijkheid van een arts (bijv. bloedafname, röntgenonderzoek).

Indien de patiënt het wenst, moet de arts de aanwezigheid van familieleden aanvaarden, behalve bij medische ingrepen die uitgevoerd moeten worden in een bijzondere omgeving (chirurgische ingrepen, endoscopie, enz. ) of die het gevaar inhouden de begeleider te traumatiseren of aan te grijpen.

Behoudens een ernstige reden, die ons niet meegedeeld werd en die ter beoordeling voorgelegd moet worden aan de provinciale raad, is het wenselijk dat de arts deze aanwezigheid aanvaardt, vooral omdat ze gewenst is door de patiënte.

Associaties en contracten tussen artsen19/09/1998 Documentcode: a082017
Associatiecontract

Associatiecontract "vasculaire en thoracale heelkunde"

Een provinciale raad legt de Nationale Raad een ontwerp van een associatiecontract "vasculaire en thoracale heelkunde" voor en formuleert er een aantal opmerkingen bij.
De provinciale raad vraagt of de Nationale Raad diens standpunt kan bijtreden.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad besprak in zijn vergaderingen van 22 augustus 1998 en 19 september 1998 uw brief van 18 mei 1998 betreffende een associatiecontract vasculaire en thoracale heelkunde.

Voorafgaandelijk moet gezegd dat het niet tot de bevoegdheid van de Nationale Raad behoort concrete voorstellen van overeenkomsten onder artsen goed te keuren. De wetgeving bepaalt dat de Nationale Raad in de Code de bedin-gen kan aanwijzen die wegens hun onverenigbaarheid met de beginselen van de medische Plichtenleer verboden zijn in de overeenkomsten die artsen sluiten betreffende de uitoefening van hun beroep. Daarnaast dient de Nationale Raad goedkeuring te verlenen aan de adviezen die een Provinciale Raad aan de leden van de Orde wenst te verstrekken betreffende vragen van geneeskundige Plichtenleer die geen oplossing krijgen in de Code. Het is duidelijk dat vragen waarover de Nationale Raad reeds advies verstrekte niet telkens ter goedkeuring dienen te worden voorgelegd. Hieruit volgt dat de provinciale raad de voorgelegde overeenkomsten onder artsen dient te beoordelen aan de hand van de Code en de uitgebrachte adviezen van de Nationale Raad. Enkel adviesontwerpen betreffende nieuwe vragen van de medische Plichtenleer dienen ter goedkeuring aan de Nationale Raad voorgelegd te worden alvorens zij aan de betrokken artsen worden verstrekt.

In het voorgelegde ontwerp van antwoord betreffende het associatiecontract vasculaire en thoracale heelkunde wordt een "feitelijk monopolie" als probleem aan de Nationale Raad voorgelegd. Noch in de Code van geneeskundige Plichtenleer noch in eerder uitgebrachte adviezen van de Nationale Raad is sprake van dit beperkend criterium bij het tot stand komen van groeperingen van artsen. De artikels 27 en 48 stellen wel dat de vrije keuze van een arts (chirurg) door de zieke een basisbeginsel is in de arts-patiëntverhouding, maar de Nationale Raad is van oordeel dat dit principe in deze niet wordt bedreigd. Aansluitend op het voorgelegde probleem vestigt de Nationale Raad er de aandacht op dat uit de aan de betrokken geneesheren verleende toelating door de ziekenhuizen om elders te mogen werken niet blijkt dat hen verboden wordt dit in associatief verband te doen.

Om de provinciale raad toe te laten met kennis van zaken te oordelen over de deontologische aspecten van een ontwerp van associatiecontract is het noodzakelijk dat de provinciale raad kennis krijgt van alle bestaande overeenkomsten van alle artsen met derden en dat zowel de huidige als geplande medische activiteit, de beoogde werkverdeling als de spreiding van de medische activiteit van alle leden van de groep aan de provinciale raad wordt kenbaar gemaakt.

Bij de beoordeling van een ontwerp van samenwerking onder artsen dient de provinciale raad na te gaan of de ontwerpteksten enerzijds stroken met de deontologische regels die voor alle artsen gelden en anderzijds de specifieke regelgeving betreffende geneesherenassociaties en -vennootschappen respecteren.

Zo dient de provinciale raad, wat het voorliggende ontwerp van associatiecontract betreft, o.m. na te gaan of de bepalingen van de Code van geneeskundige Plichtenleer betreffende geneesherenassociaties - zijnde de artikels 159, 160, 161, 162, 163 en 165 - worden nageleefd.

  • De Provinciale Raad dient uit te maken of de medische activiteit volledig (klinisch, poliklinisch en privé) of slechts gedeeltelijk in gemeenschap wordt gebracht (artikel 159, §1) en of deze keuze consequent wordt toegepast naar pooling van de honoraria en wijze van afrekening van de onkosten (artikel 163, §1).

  • Wanneer geopteerd wordt voor een associatie zonder rechtspersoonlijkheid moet nagegaan worden of duidelijk is bepaald op welke wijze de feitelijke vereniging contracten zal sluiten met derden.

  • Verder dient nagegaan te worden of de benaming van de associatie strookt met algemene principes van discretie en waardigheid van het beroep (artikel 159, §2), met het recent advies van de Nationale Raad betreffende de vermeldingen op naamborden en briefhoofden en in telefoongidsen en met artikel 13, §5 dat verbiedt gewag te maken van een bevoegdheid die men niet bezit. Dit kan zich voordoen door het gebruik van een algemene benaming die niet toepasselijk is op elke arts van de vereniging.

  • Overigens moet erop gelet worden dat niet alleen het contract maar ook het huishoudelijk reglement van de vereniging wordt voorgelegd zodat de provinciale raad kan nagaan of de werkverdeling en de verdeelsleutel van de honorariapool (artikel 163, §1) stroken met het algemene beginsel van de collegialiteit (artikel 136) en geen aanleiding geven tot uitbuiting van de activiteiten van sommige leden (artikel 84).

  • Tevens dient elke wijziging aan de overeenkomst, de statuten en het huishoudelijk reglement, voorafgaandelijk te worden voorgelegd aan de provinciale raad (artikel 161, §1).

Verder is het belangrijk dat de provinciale raad nagaat of de op te richten associatie voldoet aan de bepalingen in de Code betreffende de spreiding van de medische activiteit (artikel 22, §1 en §2).
Tevens moet nagekeken worden of het werkschema en de werkorganisatie van de verschillende leden van de groep voldoende waarborgen biedt in het vlak van de continuïteit van de zorg (artikel 113).
De provinciale raad moet oordelen over de waarde van de geplande wachtdienst (artikel 115) waarbij de aandacht vooral moet gaan naar de kwaliteit van de zorg (artikel 34 en 35).

Het weze duidelijk dat deze opsomming van aandachtspunten niet limitatief is. De Nationale Raad wenst enkel het belang van bepaalde elementen in het vlak van associaties te benadrukken. Het hoeft geen betoog dat in het licht van de snelle evolutie van de geneeskunde, samenwerkingsverbanden onder artsen meer en meer noodzakelijk worden. Vandaar dat het bij de totstandkoming van associaties belangrijk is de nodige aandacht te besteden aan de deontologische aspecten, die voor de patiënt een waarborg zijn voor de kwaliteit van de zorg.

Chirurgie21/10/1989 Documentcode: a047011
Operatieve hulp

Het ontwerp‑advies van de Provinciale Raad van Luik met betrekking tot het attesteren van operatieve hulp wordt door de Nationale Raad tijdens de vergadering van 21 oktober 1989 goedgekeurd.

Advies van de Provinciale raad van Luik:

Niet zelden wordt de problematiek omtrent het attesteren van de aanwezigheid bij een heelkundige bewerking en de operatieve hulp en de desbetreffende honorering door de geneesheren te berde gebracht.

Het is nuttig gebleken de navolgende door het R.I.Z.I.V. geformuleerde definities in herinnering te brengen:

  • "aanwezigheid bij een heelkundige bewerking": effectieve aanwezigheid van de behandelende geneesheer op de dag van de ingreep, tussen het ogenblik waarop de anesthesie wordt geprepareerd en de ingreep voltooid is;
  • "operatieve hulp": effectieve medewerking van begin tot einde bij het verrichten van een bloedige ingreep.

In de R.I.Z.I.V.‑reglementering wordt nauwkeurig bepaald dat voor het attesteren van de aanwezigheid bij een heelkundige bewerking en van de operatieve hulp de effectieve uitvoering van de ene en/of de andere handeling vereist is.

In deontologisch vlak gelden de hiernavolgende artikelen van de Code van geneeskundige Plichtenleer:

Art. 19 §1 Het is verboden, onder welke vorm ook, patiënten te ronselen.

Art. 35 Behalve in geval van overmacht, mag de geneesheer zijn beroep enkel uitoefenen onder voorwaarden die de kwaliteit van de zorgen en van de medische behandeling niet in het gedrang brengen.
Hij moet vermijden zijn bevoegdheid te overschrijden.

Art. 48 Elke geneesheer moet ervoor waken dat de zieke in alle omstandigheden vrij een chirurg kan kiezen. De behandelende geneesheer zal de zieke in geweten bij deze keuze helpen.

Art. 50 Om de patiënt met de beste zorgen te omringen, moet de chirurg bevoegde assistenten kiezen. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor die keuze.

Art. 52 In het belang van de zieke moet de chirurg in vertrouwen met de behandelende geneesheer samenwerken.

Art. 80 Ereloonverdeling tussen geneesheren is toegestaan wanneer zij betrekking heeft op een aan de zieke rechtstreekse of onrechtstreekse bewezen dienst in het kader van de groepsgeneeskunde.
Behoudens deze gevallen, is het aanvaarden, het aanbieden of het vragen van een ereloonverdeling, zelfs zonder gevolg, een ernstige fout.

Art. 81 Elke ereloonverdeling tussen geneesheren en niet‑geneesheren is verboden.

Art. 140 Het belang van de zieken evenals de collegialiteit vereisen een goede verstandhouding tussen behandelende geneesheer en consulent.

Art. 141 Elke geneesheer moet zich bewust zijn van de grenzen van zijn kennis en mogelijkheden; hij mag slechts overeenkomstig hiermede handelen.

Art. 151§1 Wanneer de zieke in een verzorgingsinstelling wordt opgenomen, moet de behandelende geneesheer hiervan in kennis worden gesteld.
§2 Elke belangrijke wijziging in de toestand van de zieke tijdens zijn verblijf in die instelling moet, in de mate van het mogelijke, zonder uitstel aan de behandelende geneesheer worden medegedeeld.
Elke overbrenging naar een andere dienst moet zoveel mogelijk gebeuren na overleg met de behandelende geneesheer en dit zonder afbreuk te doen aan de vrije keuze van de zieke.
§3 Op het einde van de ziekenhuisverpleging moet de behandelende geneesheer ingelicht worden over het vertrek van zijn patiënt en een verslag ontvangen waarin onder meer, de diagnose, de toegepaste therapie, de bereikte resultaten en de eventuele verdere zorgen staan opgetekend.

Art. 152 Het is wenselijk dat de behandelende geneesheer aanwezig is tijdens een heelkundige ingreep.
Behoudens bij spoedgevallen en zo mogelijk, zal de chirurg met de behandelende geneesheer dag en uur van ingreep vaststellen.

Rekening houdend met bovenvermelde wettelijke en deontologische bepalingen, stelde de Provinciale Raad van Luik de navolgende richtlijnen op:

1.

De chirurg brengt de behandelende geneesheer op de hoogte van de geplande ingreep en stelt, voor zover mogelijk, samen met de behandelende geneesheer, datum en uur van de ingreep vast. Ingeval in het operatieuurrooster op het laatste ogenblik wijzigingen worden aangebracht of vertragingen worden opgelopen, wordt de chirurg geacht de behandelende geneesheer hiervan te verwittigen.

2. Aanwezigheid bij een heelkundige bewerking

Het is wenselijk dat de behandelende geneesheer tijdens de belangrijkste fase van de heelkundige bewerking aanwezig is.

Ingeval de behandelende geneesheer verhinderd is of met vertraging zal aankomen, brengt hij de chirurg hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

Het getuigschrift voor verstrekte hulp mag alleen door de behandelende geneesheer worden ondertekend, uitsluitend op voorwaarde evenwel dat tussen het ogenblik waarop de anesthesie wordt geprepareerd en de ingreep voltooid is, een effectieve aanwezigheid werd gewaarborgd.

3. Operatieve hulp

In die gevallen waar voor een chirurgische ingreep geen specifieke bekwaamheid voor de operatieve hulp vereist is, stelt de chirurg aan de behandelende geneesheer voor in te staan voor de operatieve hulp. Bedoelde operatieve hulp moet effectief en tot na de voltooiing van de ingreep worden geboden.

Bedoelde medische handeling mag uitsluitend worden geattesteerd door de persoon die de ingreep heeft verricht.

Operatieve hulp door een niet‑geneesheer kan door niemand worden geattesteerd en geen enkele geneesheer kan ervoor worden gehonoreerd.

De Raad wijst er bijgevolg op dat elke niet persoonlijk en effectief verrichte handeling die wordt geattesteerd en ondertekend, neerkomt op valsheid in geschrifte en derhalve op een ernstige juridische en deontologische inbreuk.

De chirurg die dergelijke praktijken in de hand werkt, pleegt niet alleen inbreuk op artikel 19 § 1 van de Code van geneeskundige plichtenleer, maar maakt zich tevens schuldig aan dichotomie en is bovendien aansprakelijk.