keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Expertise21/09/2019 Documentcode: a166008
Geneeskundig deskundigenonderzoek - Aanwezigheid van de advocaat tijdens het klinisch onderzoek

De nationale raad van de Orde der artsen brengt het volgende advies uit betreffende het verzoek van een persoon om bij een medische evaluatie in het kader van een Medex expertise door zijn advocaat vergezeld te worden.

De evaluatie van de gezondheidstoestand van een persoon door de arts voor een expertise vereist dat deze laatste een neutrale en empathische houding aanneemt. In een context waarin de persoon onderworpen wordt aan een medisch onderzoek door een gezondheidsberoepsbeoefenaar die hij niet vrij gekozen heeft, zijn welwillendheid en respect fundamenteel (artikel 43 van de Code van medische deontologie 2018 en koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek).

Het verloop van de evaluatie dient te worden uitgelegd en de persoon moet ermee instemmen.

De persoon die onderzocht wordt in het kader van een medische evaluatie heeft het recht zich te laten bijstaan door zijn advocaat. Dit principe is onder meer van toepassing op de medische expertises uitgevoerd door de artsen verbonden aan Medex.

De arts eerbiedigt dit recht van de patiënt om zich te laten vergezellen door zijn advocaat en ziet toe op het welzijn en de intimiteit van de onderzochte persoon, wat inhoudt dat men over aangepaste lokalen beschikt.

Indien de arts die een eenzijdige evaluatie verricht het zelf wenselijk acht dat het onderzoek gebeurt in aanwezigheid van een derde, gezondheidsberoepsbeoefenaar, legt hij dit uit aan de onderzochte persoon.

Rekening houdend met de eerbiediging van de waardigheid van de persoon, dient, bij een tegensprekelijk deskundigenonderzoek, de weigering van de persoon dat het klinisch onderzoek gebeurt in aanwezigheid van een advocaat te worden gerespecteerd. In het licht daarvan gebiedt het beginsel van wapengelijkheid en het juridische tegenspraakprincipe dat alle juridische adviseurs zich in dat geval dienen terug te trekken. De onpartijdigheid van de expert en de aanwezigheid van de adviserende artsen van de partijen bieden immers de nodige waarborgen.

Onafhankelijkheid van het beroep20/09/2014 Documentcode: a147008
Aanwijzing van artsen als deskundigen in een rechtsprocedure

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren onderzocht het advies van de Commissie verzekeringen en aansprakelijkheidsrecht van de Balie van Brussel betreffende de aanwijzing van artsen als deskundigen in het kader van een rechtsprocedure.

Advies van de Nationale Raad :

ADVIES BETREFFENDE DE AANWIJZING VAN ARTSEN ALS DESKUNDIGEN IN HET KADER VAN EEN RECHTSPROCEDURE

In zijn vergadering van 20 september 2014 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het advies van de Commissie verzekeringen en aansprakelijkheidsrecht van de Balie van Brussel betreffende de aanwijzing van artsen als deskundigen in het kader van een rechtsprocedure.

Probleem van de aanwijzing van artsen als deskundigen in een rechtsprocedure.

Context

De geneeskundig-gerechtelijke expertise als onderzoeksmaatregel vormt een van de instrumenten die de rechter heeft om de gegevens te verzamelen die hij nodig heeft voor de oplossing van het bij hem aanhangig gemaakte geschil. Het nut van deze onderzoeksmaatregel is afhankelijk van de kwaliteit van de expertisewerkzaamheden.

"Bij gebrek aan een officiële lijst van deskundigen wordt de keuze ervan volledig overgelaten aan de rechtbank. De rechter kan een arts kiezen om zijn faam of een beroep doen op een oordeelkundig aangelegde lijst binnen zijn rechtbank." (Hoge Raad voor de Justitie, ambtshalve advies over het statuut en de kwaliteit van gerechtsdeskundigen, goedgekeurd op 30 maart 2011, p. 3).

De keuze van de deskundige is essentieel voor de oplossing van het geschil. . "Indien de deskundige zijn opdracht uitvoert op een naarstige, bekwame, strikte, onpartijdige en menselijke wijze bewerkstelligt hij dat het slachtoffer volledig en correct zal worden vergoed. De voortreffelijkheid van zijn tussenkomst hangt niet alleen af van de menselijke en wetenschappelijke kwaliteiten die hem inherent zijn, maar ook van een multidisciplinaire basisopleiding die verankerd zit in een beroepspraktijk die zijn ervaring voedt." ( vrije vertaling : TH. PAPART, "La formation, le statut et le rôle de l'expert" in "Préjudices extra-patrimoniaux vers une évaluation plus précise et une plus juste indemnisation », Actes du colloque du 16 septembre 2004, Liège, éd. Jeune barreau, 2004, p. 122).

«De partijen in het geschil en de rechter hebben het recht een objectief, met redenen omkleed en onpartijdig advies te verwachten » (vrije vertaling, G. CLOSSET-MARCHAL, "les garanties du procès équitable en droit judiciaire privé", JT, 2011, p. 1316). Dergelijke eisen inzake objectiviteit en onafhankelijkheid dragen bij tot een goede rechtsbedeling.


Onpartijdigheid en gewettigde verdenking

Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat "de onpartijdigheid van een deskundige niet kan worden gelijkgesteld met het (...) vereiste van een onpartijdig en onafhankelijk rechter, nu deze na het debat over de zaak beslist, terwijl gene vóór het debat alleen maar een advies verstrekt, dat voor de rechter kan worden aangevochten" (Cass., 15 maart 1985, A.C., 1985, nr. 428, Pas., 1985, p. 873).

Zowel de rechtsleer als de rechtspraak zijn het eens over een dergelijke taakverdeling tussen de rechter en de deskundige: de deskundige verstrekt slechts een niet-dwingend advies dat de rechter niet moet volgen indien het strijdig is met zijn overtuiging (Gerechtelijk wetboek, art. 962, tweede lid). De rechter van zijn kant kan zijn rechtsmacht niet overdragen (Gerechtelijk wetboek, art. 11, eerste lid) zodat "de aan een deskundige toegewezen opdracht beperkt moet blijven tot het verzamelen van de feitelijke gegevens die noodzakelijk zijn om de rechter in staat te stellen de pertinente rechtsregels toe te passen" (Cass. 10 juni 2010, Pas. 2010, p. 1794, A.C., 2010, nr. 408; Cass. 19 februari 2010, Pas., 2010, p. 499, A.C., 2010, nr. 112, R.W., 2011-2012, nr. 16, p. 742, noot; Cass. 7 juni 2007, A.C., 2007, nr. 312, Pas., 2007, p. 1167; H. VAN BOSSUYT & J-F VAN DROOGHENBROECK, L'expertise, RPRJ, 2013, p. 65-70).

Men moet zich echter niet alleen afvragen of de situatie waarin de deskundige zich bevindt, meer bepaald op economisch vlak, van dien aard is dat ze hem belet zijn opdracht onpartijdig, sereen en belangeloos te vervullen, maar ook of deze situatie van dien aard is dat ze een gewettigde verdenking teweegbrengt met betrekking tot de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de deskundige (J.VELU en R. ERGEC, "Convention européenne des droits de l'homme", R.P.D.B., complément VII, 1990, nr. 543 en volgende, D. MAYERUS en P. STAQUET, "L'expertise en droit médical" in L'expertise, Commentaires pratiques, Kluwer, 2007, Titre IV, chapitre 1er, p. 56-57).

De gewettigde verdenking alleen al, dit wil zeggen de vrees van een van de partijen dat de deskundige geen technisch advies kan verstrekken op objectieve en onpartijdige wijze, brengt de werkzaamheden van deze laatste in diskrediet. De afwezigheid van gewettigde verdenking houdt, subjectief gezien, in dat een deskundige niet partijdig of afhankelijk mag zijn, maar ook, objectief gezien, dat er voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn om elke gewettigde twijfel omtrent zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit te sluiten (RvS, voltallige verg., nr. 169.314, 22 maart 2007, JLMB, 2007, p. 677; Rb. Antwerpen, 12 december 2006, Bull.ass;, 2007, p. 475).

Cumulatie van de functies van deskundige en technisch adviseur

Mag een arts die technisch adviseur van een van de partijen was, een opdracht als deskundige aanvaarden?

In een advies van 12 april 2003, heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het volgende verklaard: "Zo kan alleen uit het feit dat een gerechtelijk deskundige als technisch adviseur van een arts of van een verzekeringsmaatschappij optreedt in een of meerdere geschillen die gelijkaardig zijn aan dat waarover de expertise handelt waarmee hij belast is, niet noodzakelijkerwijs worden afgeleid dat deze deskundige niet over de vereiste onafhankelijkheid of onpartijdigheid beschikt om zijn opdracht te vervullen." (Tijdschrift van de Nationale Raad, nr. 101, p. 3).

De rechtspraak blijft verdeeld. Sommige beslissingen zijn in overeenstemming met dit advies (Rb. Luik, 20 mei 2008, Bull.ass.., p.179; Rb. Veurne, 13 november 2009, TGR-TWVR, 2010, p. 3555; Arbh. Antwerpen, 25 januari 2006, LRL, 2006, p. 134). Andere stellen daarentegen dat "de omstandigheid dat de gerechtsdeskundige een van de partijen in een andere zaak bijstaat als technisch adviseur op een objectieve wijze de gewettigde verdenking van de andere partij rechtvaardigt en bijgevolg de wraking van de deskundige" (Rb. Brussel (6de kamer), 5 oktober 2010, J.T., 2011, nr. 6440, p.453; Luik, 3 februari 2009, JLMB, 2010, p. 1316).

Deze tegenstelling is een vertolking van de malaise die voortvloeit uit de situatie waarin eenzelfde arts zowel gerechtsdeskundige als technisch adviseur van een van de partijen is. Niet alleen de onpartijdigheid maar tevens de schijn van dergelijke onpartijdigheid moet worden nagegaan. Deze dubbele vereiste vindt men terug in de regel van artikel 121, §3, van de Code van geneeskundige plichtenleer : "De arts die als raadgever van een partij is opgetreden, mag de taak van deskundige ten opzichte van die partij niet aanvaarden. "

De rechtsleer maakt een onderscheid tussen de functionele onpartijdigheid en de persoonlijke onpartijdigheid.

De functionele (objectieve) onpartijdigheid kan in twijfel worden getrokken wanneer de deskundige reeds in een andere hoedanigheid kennis heeft genomen van de zaak. De deskundige kan niet onpartijdig zijn indien hij zich in andere omstandigheden reeds een oordeel heeft kunnen vormen over het geschil waarvan hij kennis moet nemen.

"De persoonlijke (subjectieve) onpartijdigheid kan in twijfel worden getrokken wanneer de deskundige een band heeft met een van de partijen of met de zaak in het geschil. Men kan dus stellen dat de deskundige zijn opdracht moet weigeren of zich moet terugtrekken wanneer hij een van de partijen in het geding kent of heeft gekend in een andere hoedanigheid" (vrije vertaling, J.L. FAGNART, Ethique et médecine d'expertise, Con M, 2011/4, p. 149). Artikel 121, § 1, van de Code van geneeskundige plichtenleer heeft eveneens voor deze oplossing gekozen door te stellen dat "de arts die belast is met één van de opdrachten vermeld in artikel 119 moet weigeren personen te onderzoeken met wie hij betrekkingen onderhoudt of onderhield die zijn vrijheid van oordeel zouden kunnen beïnvloeden.".

Advies

De commissie kan aannemen dat een deskundige, ondanks zijn beroepsrelaties met een van de partijen of zijn verzekeraar, naar gelang van de concrete omstandigheden van het geval, zijn opdracht kan vervullen in volledige objectiviteit. Zij merkt echter op dat de kwesties die onder de geneeskunde vallen technische en zeer specifieke kwesties zijn. De door de deskundige verstrekte antwoorden zijn dikwijls verwoord in een technische, soms hermetische taal voor leken die niet vertrouwd zijn met de geneeskunde. Deze techniciteit en specificiteit verklaren waarom juristen zich doorgaans baseren op de conclusies van de deskundige zonder noodzakelijkerwijze de relevantie ervan te kunnen beoordelen. Gelet op deze realiteit is het dan ook niet alleen belangrijk dat de arts-deskundige zijn opdracht op een gewetensvolle, objectieve en onpartijdige wijze uitvoert, maar ook dat geen enkele gewettigde verdenking rijst over zijn objectiviteit en onpartijdigheid.

De commissie is van oordeel dat dergelijke verdenking onvermijdelijk rijst wanneer de deskundige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een situatie van economische afhankelijkheid bevindt omdat hij diensten ook aanbiedt aan een van de partijen - of het nu een verzekeringsmaatschappij is of zijn werkgever (bijv. een ziekenhuis) of om het even welke andere rechtspersoon of natuurlijke persoon met wie hij zakenrelaties onderhoudt.

Ook een hiërarchische afhankelijkheid kan dergelijke verdenking doen ontstaan. Dit is het geval wanneer de adviserende arts van een van de partijen in het ziekenhuis waarin hij zijn beroep uitoefent, het diensthoofd is van de deskundige of wanneer de deskundige en de persoonlijk in het geding betrokken arts in hetzelfde ziekenhuis werken (J.L. FAGNART, Ethique et médecine d'expertise, Con M, 2011/4, p. 150).

Tot besluit kunnen stelt de commissie dat de vereiste van onpartijdigheid en van afwezigheid van gewettigde verdenking bijdragen tot de sereniteit van de expertisewerkzaamheden en dus tot een goede rechtsbedeling. De commissie meent dat, ook al verstrekt de deskundige slechts een niet-dwingend advies, de doorslaggevende invloed die dit advies in de praktijk heeft, vergt dat de deskundige blijk geeft van onpartijdigheid en objectiviteit en geen gewettigde verdenking ten aanzien van zijn persoon op grond van zijn professionele en persoonlijke situatie mag wekken. In dergelijke context van verdenking zou een als deskundige aangewezen arts met reden oordelen dat hij de expertiseopdracht beter weigert.

Het geringe aantal artsen-deskundigen is geen reden om deze vereiste van onpartijdigheid en van de afwezigheid van gewettigde verdenking te nuanceren of zelfs af te zwakken. Het toont integendeel aan hoe belangrijk het is dat de verschillende faculteiten geneeskunde bijzondere aandacht schenken aan de opleiding van dit medisch specialisme (bedoeld bij ministerieel besluit van 22 januari 2007 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten in de verzekeringsgeneeskunde en de medische expertise).

Met het oog op een betere informatie van de partijen over de beroepssituatie van de deskundige, stelt de commissie voor dat iedere deskundige bij de aanvaarding van zijn opdracht een curriculum vitae voorlegt met een overzicht van zijn beroepsactiviteiten (opleidingen, publicaties, werkzaamheden inzake technisch advies als bijstandsarts of als adviserend arts van een verzekeringsmaatschappij, klinische werkzaamheden, werkzaamheden als arts-ambtenaar, onderzoekswerkzaamheden, enz. ), evenals een verklaring op eer aangaande het al dan niet bestaan van een belangenconflict.

De commissie meent dat de arts dergelijke informatie eveneens zou moeten verstrekken als hij wordt aangewezen als enige deskundige of als derde-scheidsrechter in minnelijke medische expertises.

De Nationale Raad is het eens met het advies van deze commissie en heeft, in samenspraak met de Balie van Brussel, beslist dit advies te publiceren op zijn website.

Hij formuleert de volgende opmerkingen in verband met de opleiding van de artsen die zich specialiseren in het vlak van de expertise.

1° De geneesheren-specialisten in de gerechtelijke geneeskunde, (ministerieel besluit van 27 februari 2002 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteit van gerechtelijke geneeskunde) krijgen een opleiding in de expertisegeneeskunde die rechtvaardigt dat zij regelmatig door de rechtbank worden aangewezen als deskundige om adviezen te formuleren inzake lichamelijke schade.

2° Het specialisme in verzekeringsgeneeskunde en medische expertise (ministerieel besluit van 22 januari 2007 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten in de verzekeringsgeneeskunde en de medische expertise) omvat een specifieke opleiding op universitair niveau die met name betrekking heeft op de deontologie en ethiek van de verzekeringsgeneeskunde en medische expertise.

De meeste houders van deze beroepstitel hebben deze verkregen op basis van verworven rechten.

De Nationale Raad dringt erop aan dat de opleiding van de artsen die voor dit specialisme kiezen, effectief voorziet in een sensibilisering aangaande de specifieke deontologie en ethiek van de expertisegeneeskunde, zoals bepaald door de wetgever.

3° Op langere termijn zou een evolutie van het beroep van gerechtelijk deskundige naar specialisaties binnen het beroep zelf toelaten om de artsen te identificeren die de gerechtelijke expertise, de bijstandsgeneeskunde of de verzekeringsgeneeskunde beoefenen, waardoor belangenconflicten zouden worden vermeden.

Geneeskunde (Gerechtelijke-)24/03/2012 Documentcode: a137026
Inzage in het medisch dossier door wetsdokter
Een provinciale raad vraagt bijkomende uitleg betreffende het advies van de Nationale Raad van 28 mei 2011 met de titel ‘Inzage in het medisch dossier door wetsdokter'.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 24 maart 2012 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 19 oktober 2011 bestudeerd waarin u bijkomende uitleg vraagt aangaande het advies van de Nationale Raad van 28 mei 2011 met als titel "Inzage in het medisch dossier door wetsdokter" TNR nr. 134.

Meer in het bijzonder ondervraagt u hem over de eventuele wijziging van artikel 62b van de Code van geneeskundige plichtenleer in die zin dat dit de toestemming van de patiënt vereist terwijl dit niet altijd het geval is in strafzaken.

1. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek kunnen het parket of de onderzoeksrechter, volgens de uitvoeringsbepalingen gedefinieerd door de wet, gebruik maken van het dwangbevel om beslag te leggen op een medisch dossier. In dat geval is de toestemming van de patiënt niet nodig.

De onderzoeksrechter heeft de macht beslag te laten leggen op een medisch dossier of een arts-deskundige op te vorderen om het te raadplegen, zonder het akkoord van de patiënt.

De procureur des Konings beschikt slechts over deze macht in geval van heterdaad. Buiten dit geval kan hij geen arts-deskundige opvorderen om een medisch dossier te raadplegen zonder vooraf de toestemming van de betrokken patiënt, van zijn vertegenwoordiger of van zijn mandataris verkregen te hebben.

Hieruit volgt dat het de gerechtelijke overheid is die beslist beslag te leggen of de medische gegevens te raadplegen, en niet de aangewezen deskundige.

2. In het kader van een burgerlijke procedure kan de feitenrechter beslissen dat een arts-deskundige kennis neemt van het medisch dossier van de patiënt.

Er kunnen zich verschillende situaties voordoen :
○ de patiënt heeft een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt om schadevergoeding te verkrijgen. De wet verplicht hem het bewijs van de fout, van de schade en van het oorzakelijk verband tussen de twee te leveren. Indien hij aan de wetsdokter de toegang tot zijn medisch dossier weigert, zou hem kunnen verweten worden dit bewijs niet aan te brengen en zou zijn vraag tot schadevergoeding verworpen kunnen worden.
○ de patiënt heeft een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt om vergoeding te verkrijgen voor schade die hij toeschrijft aan een fout van zijn arts, wiens aansprakelijkheid hij in het geding brengt. In dat geval kan de feitenrechter de overlegging van het dossier of de raadpleging ervan door de arts-deskundige bevelen (art. 877 van het Gerechtelijk wetboek).

Er zijn twee situaties denkbaar :
▪ indien de patiënt, eisende partij, zich ertegen verzet zal de rechtbank vaststellen dat de expertise niet kan plaatshebben, wat gevolgen zal hebben voor het bewijs van de fout ;

▪ indien de patiënt, verwerende partij, zich ertegen verzet is het de taak van de rechtbank na te gaan of redenen voor het verzet al dan niet geldig zijn, of de arts nu het medisch geheim of om het even welke ander reden inroept.

3. In zijn huidige vorm bedoelt artikel 62b niet de mededeling van medische gegevens onder de vorm van een gerechtelijke dwang.

Deze bepaling zou trouwens in elk geval de toepassing van de wettelijke regels van openbare orde (Wetboek van strafvordering) niet kunnen tegenhouden.

Met deze verduidelijking is de Nationale Raad de mening toegedaan dat een wijziging van artikel 62b van de Code van geneeskundige plichtenleer niet noodzakelijk is.

Beroepsgeheim10/12/2011 Documentcode: a136011
Disaster Victim Identification Team (DVI) – Beroepsgeheim

In naam van de geneesheren-directeurs van de verzekeringsinstellingen wordt aan de Orde van geneesheren een bijkomende vraag gesteld omtrent het advies van de Nationale Raad van 30 april 2011, Victim Identification Team (DVI) - Beroepsgeheim, over het doorgeven van medische informatie bij vermiste personen.
De verzekeringsinstellingen worden soms geconfronteerd met de vraag om een aantal gegevens van medische aard en namen van zorgverstrekkers waar de persoon in behandeling was door te geven.
Betekent het advies van de Nationale Raad van 30 april 2011 dat de adviserend geneesheer kan ingaan op een gewone vraag van de procureur des Konings of van het DVI-team zelf?

Advies van de Nationale Raad :

In zijn zitting van 10 december 2011 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mail van 16 juni 2011 besproken aangaande een bijkomende vraag omtrent het advies van de Nationale Raad van 30 april 2011 "Victim Identification Team (DVI) - Beroepsgeheim", over het doorgeven van medische informatie naar aanleiding van de verdwijning van personen.

De ziekenfondsen dienen bij een vraag van de politiediensten naar medische informatie in verband met of ter vervollediging van verzamelde gegevens met het oog op het identificeren van een lijk te verwijzen naar de behandelende arts.

Wat de vermissing betreft mag de adviserende arts van het ziekenfonds de namen van de zorgverstrekker(s) bij wie de persoon in behandeling was meedelen, doch medische gegevens kunnen enkel opgevraagd worden bij de behandelende arts. Deze kan de gevraagde medische gegevens meedelen wanneer hij zich kan beroepen op de noodtoestand waarover hij naar eer en geweten oordeelt.

Geneeskunde (Gerechtelijke-)28/05/2011 Documentcode: a134004
Inzage in het medisch dossier door wetsdokter

De Nationale Raad wordt om advies verzocht betreffende het recht van inzage in het medisch dossier van een slachtoffer door een wetsdokter die optreedt als gerechtelijk deskundige.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 28 mei 2011 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw vraag betreffende het recht van inzage in het medisch dossier van een slachtoffer door een wetsdokter die optreedt als gerechtelijk deskundige.

De basis van deze materie berust op de artikels 43 tot 44bis van het Wetboek van Strafvordering.

Een gerechtelijk deskundigenonderzoek, dat vereist dat de deskundige de eed aflegt, kan gevorderd worden door een rechter, met name door de onderzoeksrechter.

Wordt de dader van de misdaad of van het wanbedrijf op heterdaad betrapt, dan kan de procureur des Konings eveneens een deskundige opvorderen aangezien hij in die omstandigheden over ruimere bevoegdheden beschikt, meer bepaald deze om onderzoekshandelingen voorbehouden aan de onderzoeksrechter te stellen (artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering).

De omvang van de opdracht van de deskundige en de wijze van uitvoering ervan worden bepaald door de verzoekende overheid.

Indien de toegang tot het medisch dossier van het slachtoffer deel uitmaakt van de opdracht van de deskundige, dan moet de behandelende arts hem inzage toestaan.

In geval van twijfel over de omvang van de opdracht van de deskundige moet de behandelende arts de toegang tot het dossier weigeren in afwachting van een toelichting, door de verzoekende overheid, van de opdracht van de deskundige over dit punt.

Indien er beslag gelegd wordt op het medisch dossier op requisitoir van de onderzoeksrechter of van de procureur des Konings (bij op heterdaad ontdekte misdaden of wanbedrijven), kan de verzoekende overheid, indien ze het nuttig acht, de wetsdokter toelaten het te raadplegen.

De situatie verschilt wanneer de wetsdokter optreedt als technisch raadgever en niet als gerechtelijk deskundige.

Behalve bij op heterdaad ontdekte misdaden of wanbedrijven, kan de procureur des Konings geen deskundigenonderzoek in de strikte zin van het woord bevelen, maar niets weerhoudt hem ervan het advies te vragen van een gespecialiseerde persoon, gewoonlijk "technisch raadgever" genoemd. In dat opzicht kiest hij vaak een persoon die als gerechtelijk deskundige optreedt voor de rechtbanken.

Behalve uitzonderingen bepaald door de wet (waaronder op heterdaad ontdekte misdaden of wanbedrijven), kan de procureur des Konings de beslaglegging op een medisch dossier niet bevelen.

De technische raadgever kan dan ook enkel kennis nemen van een medisch dossier wanneer de patiënt, zijn vertegenwoordiger of zijn mandataris met deze inzage instemt.

Indien deze toestemming ontbreekt of indien de patiënt overleden is, kan de procureur des Konings aan de onderzoeksrechter de uitvoering van een onderzoekshandeling vragen, in casu de beslaglegging op het medisch dossier.

Beroepsgeheim30/04/2011 Documentcode: a133022
Disaster Victim Identification Team (DVI) - Beroepsgeheim

Het Disaster Victim Identification (DVI) is werkzaam op twee gebieden, namelijk in zaken waar lijken niet kunnen worden geïdentificeerd door middel van lichaam, haar, kleren enz., en in zaken van vermissingen. In het eerste geval worden gegevens gebruikt die nuttig zijn voor de identificatie (bv uiterlijke beschrijving van de persoon, littekens, operaties). In het tweede geval heeft men nood aan gegevens van de vermiste.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn zitting van 30 april 2011 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de politionele aspecten bij rampenplannen.

Een arts mag medische informatie in verband met of ter vervolledig van door de politiediensten verzamelde gegevens voor het identificeren van een lijk in een gesloten omslag via die diensten aan de daartoe door de gerechtelijke overheid gevorderde forensische arts geven.

Wat de vermissing betreft mag een arts de gevraagde gegevens meedelen wanneer hij zich kan beroepen op de noodtoestand waarover hij naar eer en geweten oordeelt.

De noodtoestand wordt gedefinieerd als een uitzonderlijke situatie waarin de schending van strafbepalingen (in casu artikel 458 van het Strafwetboek) en van strafrechtelijk beschermde juridische waarden en belangen het enige middel is om andere hogere juridische waarden en belangen te behoeden. De bekendmaking van het medisch geheim dient beperkend geïnterpreteerd te worden. De arts is nooit verplicht te spreken.

De gegevens van een overleden persoon en van een vermiste persoon moeten vernietigd worden wanneer deze gegevens niet meer nuttig zijn.

Onafhankelijkheid van het beroep12/04/2003 Documentcode: a101001
Onafhankelijkheid van de gerechtelijk deskundige

Een advocaat die optreedt als raadsman van patiënten in dossiers van medische aansprakelijkheid wordt regelmatig geconfronteerd met artsen die enerzijds opdrachten aanvaarden als onafhankelijk gerechtsdeskundigen en anderzijds als technisch adviseurs van een arts of van een verzekeringsmaatschappij in gelijkaardige geschillen. Hij vraagt of een gerechtsdeskundige nog een onafhankelijk standpunt kan innemen wanneer hij voor rekening van een verzekeringsmaatschappij in andere dossiers het omgekeerde moet verdedigen.

Advies van de Nationale Raad :

In de eerste plaats dient beklemtoond te worden dat iedere arts die belast is met een deskundigenonderzoek, ongeacht of het gaat over een gerechtelijk of minnelijk, een tegensprekelijk of eenzijdig onderzoek, onpartijdig en onafhankelijk moet zijn bij de vervulling van zijn opdracht. Deze eigenschappen zijn immers inherent aan om het even welk deskundigenonderzoek (1).

Wat dient verstaan te worden onder onafhankelijkheid en onpartijdigheid ?

Deze begrippen betekenen in de eerste plaats dat de deskundige volledig onafhankelijk moet zijn van de partijen in het geding en geen enkele band mag hebben met het geschil waarin het deskundigenonderzoek bevolen is.

In een ruimere zin betekenen onafhankelijkheid en onpartijdigheid bovendien dat de deskundige zijn opdracht moet vervullen in volledige objectiviteit, zonder beïnvloed te worden door enige druk, zoals druk door een overheid, een corporatie of de publieke opinie, noch door het nastreven van een persoonlijk belang, bijvoorbeeld de wil om een rechter, een advocaat of één van de partijen te behagen in de hoop andere opdrachten te krijgen, noch door filosofische, godsdienstige, politieke, culturele, taalkundige of andere opvattingen (2).

Zowel het Gerechtelijk Wetboek als de Code van geneeskundige plichtenleer bevatten voldoende precieze regels om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid te verzekeren van de gerechtelijk deskundige of van de met een deskundigenonderzoek belaste arts ten opzichte van de partijen en van het geschil waarin hij dient op te treden (3).

Met betrekking tot de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid in ruime zin bevatten het voornoemde wetboek en de voornoemde Code regels van veel algemenere aard. Voor de toepassing van deze regels dienen de aangevoerde feiten beoordeeld te worden in het licht van de concrete gegevens van elk geval.

Artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 10 juni 2001 betreffende de onttrekking en wraking, bepaalt, in combinatie met artikel 966, dat “Iedere rechter [of deskundige] kan worden gewraakt […] : 1° wegens wettelijke verdenking”.

De wettelijke verdenking is een omstandigheid die in de geest van een partij de gewettigde vrees doet ontstaan dat een rechter geen uitspraak kan doen of een deskundige geen technisch advies kan verstrekken op objectieve en onpartijdige wijze.

Artikel 119 van de Code van geneeskundige plichtenleer van zijn kant bepaalt zeer algemeen dat de arts belast met een deskundigenonderzoek “de bepalingen van deze Code moet naleven” en “geen opdracht mag aanvaarden die tegen de medische ethiek indruist”.

Uit het voorgaande vloeit voort dat wanneer de deskundige geen persoonlijke of rechtstreekse band met een partij in het geding of met het geding zelf heeft, geval per geval dient te worden onderzocht of hij over voldoende onafhankelijkheid beschikt om de opdracht te vervullen.

Zo kan alleen uit het feit dat een gerechtelijk deskundige als technisch adviseur van een arts of van een verzekeringsmaatschappij optreedt in een of meerdere geschillen die gelijkaardig zijn aan dat waarover de expertise handelt waarmee hij belast is, niet noodzakelijkerwijs worden afgeleid dat deze deskundige niet over de vereiste onafhankelijkheid of onpartijdigheid beschikt om zijn opdracht te vervullen.

Er anders over beslissen zou er in de praktijk toe leiden niet langer artsen die bijzonder gespecialiseerd zijn in een precies domein van de geneeskunde te kunnen aanwijzen als gerechtelijke of minnelijk aangestelde deskundigen, hetgeen ongetwijfeld spijtig zou zijn. Het Hof van Cassatie heeft trouwens expliciet aangenomen dat de vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid voor de deskundige niet te ver moet worden gedreven overwegende dat “evenwel het vereiste van de onpartijdigheid van een deskundige niet kan worden gelijkgesteld met het vereiste van een onpartijdig en onafhankelijk rechter […], nu deze na het debat over de zaak beslist, terwijl gene vóór het debat alleen maar een advies verstrekt, dat voor de rechter kan worden aangevochten”. (4)

Sommige bijzondere omstandigheden daarentegen kunnen aanleiding geven tot een gewettigde verdenking ten opzichte van de expert. Wij citeren als voorbeeld een situatie waarin de expert in een geschrift een geëngageerd of zelfs militant standpunt zou hebben ingenomen over een vraag die ernstig wordt betwist in wetenschappelijke kringen, terwijl precies deze vraag wordt gesteld in het kader van zijn expertiseopdracht of een bepaalde invloed kan uitoefenen op de conclusies ervan.

De vraag over de economische band die kan bestaan tussen een deskundige (of een expertisebureau) en een partij, grote aanbrenger van deskundigenonderzoeken, is delicaat. Bepaalde verzekeringsmaatschappijen vragen regelmatig de aanwijzing van dezelfde deskundige (of van verscheidene leden van een zelfde expertisebureau) zodat het geheel van expertises door deze maatschappij “aangebracht” aan de deskundige (of aan het expertisebureau) een niet verwaarloosbaar percentage uitmaakt van de inkomsten van deze deskundige (of van dat bureau).
Deze laatste zou aldus voor een belangenconflict kunnen komen te staan.

In dat opzicht dient opgemerkt te worden dat de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de deskundige, zoals deze van de rechter, beoordeeld moeten worden door zich niet alleen af te vragen of de situatie waarin de deskundige zich bevindt, meer bepaald op economisch vlak, van dien aard is dat ze hem belet zijn opdracht onpartijdig, sereen en belangeloos te vervullen, maar ook of deze situatie van dien aard is dat ze in hoofde van de partijen en van de derden een wettige verdenking teweegbrengt met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. (5)

(1) Voor een recente studie over de onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsplicht van de deskundige in het kader van de verschillende categorieën van deskundigenonderzoeken, zie Paul Henri Delvaux, La responsabilité des experts, in “L’expertise”, colloque UCL, Bruylant 2002, p. 229 en volgende.

(2) Marcel Storme : Het ongemak van de gerechtelijke expert, in “Liber amicorum Lucien Simont, Bruylant 2002, p. 214 en 215.

(3) Zie artikel 828, 2° tot 12° van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij de wet van 10 juni 2002 betreffende de onttrekking en wraking, waarnaar artikel 966 van hetzelfde wetboek en artikel 121 van de Code van geneeskundige plichtenleer verwijzen.

(4) Arr. Cass. 15 maart 1985, nr. 428, p. 969

(5) J. Velu en R. Ergec, Convention européenne des droits de l’homme, Répertoire pratique de droit belge, Complément VII, 1990, nr. 543 en volgende. C. Matray, Le chagrin des juges, Ed. Complexe, 1997, p. 54.

Beroepsgeheim06/03/2003 Documentcode: a100007
Tegensprekelijk geneeskundig deskundigenonderzoek - Aanwezigheid van andere personen dan de partijen

Tegensprekelijk geneeskundig deskundigenonderzoek Aanwezigheid van andere personen dan de partijen

Ondervraagd door een advocaat betreffende de aanwezigheid van andere personen dan de partijen zelve tijdens het verloop van een tegensprekelijk geneeskundig deskundigenonderzoek heeft het Bureau van de Nationale Raad het volgende geantwoord :

De vooropgestelde problematiek dient te worden onderzocht door een duidelijk onderscheid te maken tussen de deelneming aan het deskundigenonderzoek van technische raadslieden en advocaten, enerzijds, en van andere personen zoals familieleden of vertrouwenspersonen, anderzijds.

1. Deelneming van technische raadslieden en advocaten

Wanneer een minnelijk of gerechtelijk deskundigenonderzoek op tegenspraak dient te worden verricht, moet elke partij in de uitoefening van haar recht van verdediging niet alleen in de mogelijk gesteld worden zelf deel te nemen aan dit onderzoek maar ook zich te laten bijstaan door een technisch raadsman en/of door een advocaat.

In de regel moeten deze raadslieden worden toegelaten deel te nemen aan al de vergaderingen en verrichtingen die door de deskundige worden uitgevoerd tijdens het verloop van het deskundigenonderzoek. Een recent arrest van het Hof van Cassatie beslist echter dat zelfs wanneer het deskundigenonderzoek op tegenspraak moet worden uitgevoerd, de deskundige "oordeelt in welke mate een onderzoeksverrichting, vanuit een technisch standpunt, al dan niet kan geschieden in aanwezigheid van een derde, zoals de technisch raadsman van een partij" (Cass. 12 april 2000, nummer 249, arresten van het Hof van Cassatie p. 781, Pasicrisie p. 775). Zo kan een psychiater-deskundige vanuit een technisch standpunt oordelen dat het voor hem noodzakelijk is zich met de te onderzoeken persoon te onderhouden buiten de aanwezigheid van elk andere persoon, zelfs van een psychiater optredend als technisch raadsman van de betrokkene of van een andere partij.

Ook dienen de deskundigen de waardigheid en het schaamtegevoel van de te onderzoeken persoon zoveel mogelijk te eerbiedigen. Daarom zullen de medische onderzoeken steeds worden uitgevoerd door de deskundigen enkel in aanwezigheid van geneesheren en desgevallend van andere beroepsbeoefenaars van de gezondheidszorg. Advocaten mogen hierbij dus niet aanwezig zijn.

Tenslotte is elk deskundige gehouden tot het beroepsgeheim van de deskundige dat deze verbiedt kennis te geven van inlichtingen die hij ter gelegenheid van het deskundigenonderzoek over de onderzochte persoon heeft ingewonnen en die niet dienend zijn voor de uitvoering van zijn opdracht (Lurquin : Traité de l'expertise en toutes matières, I, n° 268). Dit is een reden te meer om de aanwezigheid van derden zoveel mogelijk te beperken tijdens de uitvoering van een medisch onderzoek van de betrokkene.

Vanuit het standpunt van de medische deontologie dient te worden onderlijnd dat zowel de eerbiediging van de waardigheid en van de integriteit van de onderzochte persoon als de strikte in achtneming van het beroepsgeheim van de deskundige door een geneesheer-deskundige, van groot belang zijn.

2. Deelneming van andere personen zoals familieleden of vertrouwenspersonen

Behoudens instemming van alle partijen aan het deskundigenonderzoek, mag een derde persoon die niet optreedt als advocaat of technisch raadsman van een partij, in de regel niet door de deskundigen worden toegelaten deel te nemen en zelfs niet aanwezig te zijn op vergaderingen en verrichtingen van het deskundigenonderzoek.

Om humanitaire redenen geven de partijen in de praktijk zeer dikwijls hun instemming om de aanwezigheid van een familielid of vertrouwensman toe te laten wanneer de te onderzoeken persoon een kind, een bejaarde of een geestelijk gehandicapte of afgezwakte persoon is.

Wanneer in dergelijke situaties een onwillige partij zich zonder behoorlijke reden tegen de aanwezigheid van een familielid of vertrouwensman zou verzetten, kan dit als een rechtsmisbruik worden beschouwd.

Vanuit het standpunt van de medische deontologie die, zoals reeds gezegd, de eerbiediging van de waardigheid en van de integriteit van de persoon vooropstelt, zullen geneesheren-deskundigen en geneesheren-technische raadslieden er goed aan doen alles in het werk te stellen om de aangehaalde instemming van de partijen te bekomen.

Er moet echter worden opgemerkt dat in bepaalde gevallen een partij wel gerechtvaardigd kan zijn zich te verzetten tegen de aanwezigheid van een familielid of vertrouwensman, namelijk wanneer de aanwezigheid van bijvoorbeeld een familielid de oprechtheid van de onderzochte persoon zou beletten en hierdoor de degelijke uitvoering van de opdracht van de deskundige in het gedrang brengen. Dit dient geval per geval te worden onderzocht.

Onafhankelijkheid van het beroep26/09/2002 Documentcode: a098006
Onafhankelijkheid van de expert belast met een minnelijke expertise

Onafhankelijkheid van de expert belast met een minnelijke expertiseopdracht

Een provinciale raad stuurt een brief door van een arts die vraagt welke houding een bijstandsgeneesheer dient aan te nemen in een minnelijke medische expertise : "Moet hij onafhankelijk van de mening van het slachtoffer dat hij verdedigt (en door wie hij gekozen werd als bijstandsgeneesheer) tewerk gaan of mag hij slechts tekenen met diens akkoord ?"

Advies van het Bureau van de Nationale Raad :

Op 8 februari 2001 stelde de Provinciale Raad X aan het Bureau van de Nationale Raad de vraag of een arts belast deel te nemen aan een “minnelijke expertise” zijn opdracht moet uitvoeren in volledige onafhankelijkheid ten opzichte van de partij die hem aanwees als expert.

Op 6 augustus 2002 wordt deze vraag opnieuw gesteld aan de Nationale Raad door een advocaat.

Enkele studies onlangs verschenen in de rechtsleer analyseerden dit probleem grondig en laten toe met kracht te verklaren dat de onafhankelijkheid van de expert inherent is aan elke vorm van expertise.

In de eerste plaats dient men de hoedanigheid van technisch raadgever te onderscheiden van deze van expert alvorens vervolgens de verschillende “extragerechtelijke” expertiseopdrachten te onderzoeken.

1. De opdracht van technisch raadgever

Een partij kan, tijdens een onderhandeling, tijdens het zoeken naar een oplossing voor een geschil of tijdens een expertise aan een man van het vak vragen haar bij te staan om haar belangen te verdedigen en ondertussen ook technische uitleg te geven. Een vakman die op die manier in dienst genomen werd door een partij wordt “technisch raadgever” genoemd. Aangezien hij in dienst is van een partij moet hij niet onafhankelijk zijn ten opzichte van deze laatste.
Elke vakman, zoals zeer in het bijzonder een arts, is echter in alle omstandigheden gehouden zijn beroepsdeontologie te eerbiedigen. Zelfs wanneer hij belast is de belangen van een cliënt te verdedigen, moet hij blijk geven van de bekwaamheid en wetenschappelijke ernst die zijn kwalificatie inhoudt. Bovendien mag hij zich in geen geval medeplichtig maken aan frauduleus gedrag met de bedoeling derden te bedriegen.

2. De opdracht van unilaterale expertise

Een partij kan ook beroep doen op een vakman om een expertise uit te voeren. Dan gaat het er voor de vakman niet langer om bijstand of technische raad te verstrekken maar wel degelijk als expert een technisch advies te geven in een verslag dat in zekere mate als bewijs kan dienen juist omdat het uitgaat van een persoon die zich beroept op de hoedanigheid van expert.
Dergelijk advies moet objectief, deskundig en onpartijdig zijn. Elke expertise bestaat er inderdaad in gebruik te maken van een technische bekwaamheid die enkel waarde heeft indien ze uitgeoefend wordt met eerbiediging van de vereisten qua onafhankelijkheid en objectiviteit die onafscheidelijk verbonden zijn met elke wetenschappelijke daad
(1).

Op die manier werd de buitencontractuele aansprakelijkheid van een expert in onroerende goederen die unilateraal belast werd door een kredietnemer gebouwen te schatten in een verslag bestemd voor de bankier uitlener, geïmpliceerd ten opzichte van de bankier om “bij gebrek aan onafhankelijkheid of zorg in de uitvoering van zijn opdracht waarden gegeven te hebben die objectief geen enkel verband hebben en buiten elke verhouding staan met de handelswaarde die hij had moeten opmaken …” (2)

3. De opdracht van eenvoudige minnelijke expertise

Twee of meer partijen belasten in onderlinge overeenstemming één of meer experts een technisch advies te geven in een gemeenschappelijk verslag dat noch de partijen, noch de rechter zal binden. Het gaat om een expertise die dezelfde bewijswaarde heeft als een gerechtelijke expertise.

Wanneer er meerdere experts zijn, moet elk van hen ten opzichte van alle partijen blijk geven van dezelfde onafhankelijkheid, dezelfde objectiviteit en dezelfde onpartijdigheid, zelfs indien elk van de partijen één van hen moest kiezen. Elke minnelijke expertise houdt inderdaad in alle omstandigheden onafhankelijkheid, onpartijdigheid, rechtschapenheid en bekwaamheid in vanwege alle aangewezen experts (3).

De opdracht van een beslissende of onherroepelijke minnelijke expertise

Het betreft een minnelijke expertise waarbij de partijen zich onherroepelijk verbinden de conclusies van de expert of experts te aanvaarden. Volgens de recente rechtsleer zou het niet langer om een werkelijke expertise gaan maar wel om een “bindende derdenbeslissing” (4).

Zelfs al zijn we, vanuit juridisch standpunt, niet langer in aanwezigheid van een expertise, toch lijdt het geen enkele twijfel dat de experts die optreden in het kader van dergelijke beslissende opdrachten dezelfde kwaliteiten moeten bezitten als deze hierboven beschreven voor de zogenaamde eenvoudige minnelijke expertises, en dit te meer daar hun aansprakelijkheid ten opzichte van de partijen potentieel zwaarder is dan in de andere gevallen aangezien hun conclusies, in de regel, later niet meer betwist kunnen worden door de partijen (5).

Tot besluit, elke arts die een expertiseopdracht vervult moet onafhankelijk en onpartijdig zijn zowel ten opzichte van de persoon die hem als expert koos als ten opzichte van de andere personen betrokken bij de expertise. Dit principe wordt trouwens uitdrukkelijk bekrachtigd door artikel 122 van de Code van geneeskundige plichtenleer, terwijl artikel 121 preciseringen geeft over de voorwaarden en modaliteiten van deze onafhankelijkheid.

Deze principes worden in de praktijk helemaal niet altijd geëerbiedigd, precies omdat de rol van de expert in een minnelijke expertise niet goed begrepen is en vaak verward wordt met deze van technisch raadgever. Deze verwarring wordt in de hand gewerkt door de gewoonte die sommige verzekeringsmaatschappijen hebben om de persoon die eerst als technisch raadgever belast werd het schadegeval vast te stellen voor rekening van de verzekeraar automatisch als minnelijk expert aan te stellen (6). Deze praktijk is echter in strijd met de hierboven uiteengezette principes die zowel de materie van de expertise als de geneeskundige plichtenleer regelen.

Sedert enige tijd gingen er gezaghebbende stemmen op om de ongezonde situaties aan te klagen waarin vele experts zich bevinden en die ernstige vrees doen rijzen in de geest van de partijen en van de derden in verband met hun onafhankelijkheid en hun onpartijdigheid (7). Deze situaties, blijkbaar steeds frequenter, die ook het rechtvaardige karakter van het proces, zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden, in gevaar kunnen brengen, zouden meer moeten aangeklaagd en bestreden worden, vooral in het medische domein.

(1) P.H. DELVAUX, La responsabilité des experts, in “L’expertise”, colloquium georganiseerd door de UCL in maart 2001 onder leiding van J. Van Compernolle en B. Dubuisson, Bruylant, 2002, p. 229 en vlgde. nr. 5, 11 en 12.
(2) Hof van beroep van Bergen, 5 december 1995, RGAR, 1998, nr. 13015.
(3) P. LURQUIN, Le traité de l’expertise en toutes matières, vol I, Bruylant, 1985, p. 22 tot 24 nr. 13 en 15; K. VANDERPER, Minnelijke medische expertise, in : lus, 8, Expertise, Kluwer, 1987, p. 61 nr. 70; J. TINANT, L’expertise médicale amiable : principes et modalités, in : “Questions de droit des assurances” Ed. Jeune barreau de Liège 1996, I, p. 487; M. BEERENS & L. CORNELIS, De aansprakelijkheid van de deskundige in privaatrechtelijke geschillen, in : Deskundigenonderzoek in privaatrechtelijke geschillen, Intersentia Rechtswetenschappen, 2000, p. 154, nr. 12; P.H. DELVAUX, loc. cit., p. 236 en vlgde. nr. 17 tot 20.
(4) M. STORME, De bindende derdenbeslissing of het bindend advies als middel tot voorkoming van gedingen, TPR, 1984, p. 1243 en vlgde.; J. VAN COMPERNOLLE : Expertise et arbitrage, in “L’expertise” Bruylant 2002, p. 51 en vlgde. nr. 23 tot 30.
(5) P.H. DELVAUX, loc. cit. p. 242 nr. 27.
(6) P.H. DELVAUX, loc. cit. p. 238 nr. 20.
(7) HANNEQUART, L’expertise et le procès en responsabilité, in : Mélanges R.O. Dalcq, Larcier 1994, p. 44 en vlgde. nr.10-17.

Expertise22/08/1998 Documentcode: a082008
Deskundigenonderzoek in burgerlijke en strafzaken

Het advies van de Nationale Raad van 25 april 1998 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 81, p. 7) roept bij een provinciale raad moeilijkheden op wat de interpretatie betreft van de begrippen wetsgeneesheer, gerechtelijk deskundige en technisch raadsman.

De Nationale Raad verduidelijkt zijn advies als volgt:

De titel van "wetsgeneesheer" is tot op heden geen wettelijk erkende titel en is alleen aanwendbaar door een arts in het raam van de uitvoering van een gerechtelijke opdracht.

Naar vast gebruik wordt in gerechtelijke aangelegenheden alleen "deskundige" benaamd de arts die met een gerechtelijke opdracht wordt belast - waardoor in de huidige stand de hoedanigheid van "wetsgeneesheer" en van "(gerechtelijk) deskundige" zich vermengen - en wordt een arts die door een partij wordt ingeschakeld "technisch raadsman" genoemd.

De minister van Justitie bereidt een ontwerp van koninklijk besluit voor betreffende de brede "problematiek deskundigenonderzoek" (kwalificatie en aanstelling van deskundigen, kostprijs van de expertise, beoordeling van de ervaring van de deskundige, duur van de expertise, controle op de tenuitvoerlegging van de expertise).

Desomtrent door de minister van Justitie geraadpleegd, heeft de Nationale Raad met brief van 29 april 1998, waarvan hierbij kopie, de wenselijkheid van de erkenning van de titel van "wetsgeneesheer" (en - in geval van eventueel onderscheid deze van "arts-deskundige") onderstreept en de hieraan zijns inziens te verbinden erkenningscriteria en statuut toegelicht en zich aangemeld voor deelneming aan de verdere besprekingen van de problematiek.