keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Geneeskunde (Verzekerings-)21/02/2025 Documentcode: a172002
Onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid van een verzekerde – rol van de arts gemandateerd door de verzekeringsonderneming in het kader van de wet private opsporing.

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de rol onderzocht van de controlearts die door een verzekeringsonderneming wordt aangesteld bij vermoeden dat de gezondheidstoestand beweerd door de verzekerde niet overeenstemt met de werkelijkheid.

1. De wet van 18 mei 2024 tot regeling van de private opsporing verbiedt de onderzoeker gegevens over de gezondheid van de betrokkene in te winnen of aan de opdrachtgever bekend te maken (art. 57, wet private opsporing).

Ze voorziet echter in een uitzondering op dit verbod wanneer de opdrachtgever van de onderzoeker een verzekeringsonderneming is die vermoedt dat de door de betrokkene beweerde gezondheidstoestand niet overeenstemt met de realiteit. Deze uitzondering dient strikt geïnterpreteerd te worden en is onderworpen aan dwingende voorwaarden (art. 60, wet private opsporing).

Een van deze voorwaarden is de vereiste van een schriftelijke vraag van een door de opdrachtgever aangestelde controlearts die de betrokkene heeft onderzocht of die deze driemaal heeft opgeroepen voor een onderzoek zonder dat de betrokkene hieraan gevolg heeft gegeven (art. 60, 3°, wet private opsporing).

2. De Code van medische deontologie stelt dat de arts met een deskundige, adviserende of controlerende opdracht deze uitvoert volgens de wettelijke regels, de deontologische principes, met respect voor de patiënt en met inachtneming van de beperkingen eigen aan zijn opdracht en functie (art. 43, Code van medische deontologie).

De rol van arts aangesteld door een verzekeringsonderneming is de fysieke geschiktheid van de verzekerde te onderzoeken en niet fraude te bestrijden.

Hij moet objectief en nauwkeurig te werk gaan en zich beperken tot de medische overwegingen.

Indien hij vermoedt dat de gezondheidstoestand beweerd door de betrokkene niet overeenstemt met de werkelijkheid, geeft hij zijn medische bevindingen objectief weer in zijn expertiseverslag dat voor alle partijen toegankelijk is en onderworpen aan tegenspraak.

De arts moet zich bewust zijn van de gevolgen van zijn verklaringen en dus voorzichtig en bedachtzaam handelen.

3. Het is aan de dossierbeheerder van de verzekeringsonderneming om, op basis van het verslag van de controlearts, te beslissen of het wenselijk is een privédetective in te schakelen.

Deze laatste kan enkel belast worden met het nagaan van de activiteiten en de gedragingen van de betrokkene die het vermoeden van simulatie kunnen staven. Het onderzoek mag geen directe (welke ziekte of welk letsel heeft betrokkene?) maar uitsluitend indirecte informatie (welke activiteiten verricht de betrokkene?) opleveren. (Parl. St. , Kamer, 55-3935/001, p. 49).

Opdat deze opdracht wettelijk zou zijn, moet de gezochte informatie noodzakelijk zijn hetzij voor het beheer van de rechtsgeschillen van de verzekeringsonderneming, hetzij om te voldoen aan een wettelijke verplichting.

4. De wet vereist bovendien dat de controlearts aangesteld door de verzekeringsonderneming, en die de betrokkene onderzocht heeft of hem driemaal heeft opgeroepen voor een onderzoek zonder dat deze hieraan gevolg heeft gegeven, de opdracht steunt onder de vorm van een schriftelijke vraag.

De controlearts is verantwoordelijk voor zijn beslissing en neemt deze in volledige onafhankelijk. Hij is vrij te weigeren indien hij vaststelt dat de voorwaarden zoals bepaald in artikel 60 van de wet private opsporing niet zijn vervuld. Dit is in het bijzonder het geval wanneer hij meent dat de gezondheidstoestand van de betrokkene overeenstemt met de realiteit (en er dus geen vermoeden van simulatie is), wanneer het voorwerp van de opdracht de wet overschrijdt of wanneer het onderzoek geen nuttige elementen kan aanbrengen voor de uitoefening van zijn opdracht.

Het vermoeden van simulatie moet gestaafd worden door een reeks elementen zoals het gebrek aan objectivering van de klachten, de inconsequentheid van de symptomen, de tegenstrijdigheden, enz.

De arts mag geen enkele inlichting gedekt door het medisch geheim aan de detective geven.

De resultaten van het privéonderzoek worden door de verzekeringsonderneming enkel meegedeeld aan de controlearts.

Dit advies annuleert en vervangt het advies van 18 november 2017, Onderzoek te voeren i.v.m. de fysieke geschiktheid van een verzekerde in het kader van een medische expertise – Privédetective, a159006.

Beroepsgeheim25/03/2023 Documentcode: a170008
Overleden patiënt - Informatie aan de verzekeringsmaatschappij

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht betreffende de medische inlichtingen die de arts van een overleden persoon mag meedelen in het kader van de uitvoering van een verzekeringsovereenkomst.

Artikel 61, 4de lid, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen stelt: “Mits de verzekeraar aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde te bezitten, geeft de arts van de verzekerde aan de adviserend arts van de verzekeraar een verklaring af over de doodsoorzaak.”

De interpretatie van de voorwaarden en beperkingen waaraan dit artikel de opheffing van het medisch geheim onderwerpt, zorgt voor discussie. Het gaat er immers om de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van een overledene te verzoenen met de goede uitvoering van de verzekeringsovereenkomst.

Wanneer afgeweken wordt van het medisch geheim dat beschermd wordt door artikel 458 van het Strafwetboek, meent de nationale raad dat het raadzaam is dat de arts zich houdt aan de bewoordingen van dit artikel.

1. Het is aan de verzekeraar om te bewijzen dat de verzekerde er tijdens zijn leven mee ingestemd heeft dat zijn arts een verklaring over de doodsoorzaak mag verstrekken aan de adviserend arts van de verzekering.

De wet bepaalt niet dat de begunstigde van de verzekering het gebrek aan instemming van de verzekerde kan ondervangen.

2. De informatie over de doodsoorzaak moet onder gesloten omslag meegedeeld worden aan de adviserend arts van de verzekeraar en niet rechtstreeks aan deze laatste.

3. De wet schrijft voor dat de informatie meegedeeld wordt door de arts van de overleden patiënt. Deze moet niet met naam aangeduid zijn door de patiënt tijdens zijn leven.

Onverminderd het recht van de nabestaanden om via een beroepsbeoefenaar inzage te hebben in het dossier van een overleden persoon (artikel 9, § 4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt) is het onaanvaardbaar dat ze de adviserend arts van de verzekeringsmaatschappij aanstellen om hun onrechtstreekse inzagerecht in het dossier uit te oefenen zodat hij de informatie kan verkrijgen die hij nuttig acht voor de uitvoering van het verzekeringscontract (cfr. advies van 25 november 2006 betreffende de inzage van het medisch dossier van een overledene door de raadgevende arts van een verzekeringsmaatschappij, TNR 115, maart 2007, p. 3; advies van 21 juni 2013 van de Federale commissie ‘Rechten van de patiënt’ over het onrechtstreekse inzagerecht in het dossier van een overleden patiënt).

Indien het overlijden onderzocht wordt in het kader van een gerechtelijke procedure bestaat er geen deontologisch bezwaar dat de arts-gerechtelijk deskundige, op verzoek van de nabestaanden, door de instantie die hem de opdracht gegeven heeft, gelast wordt de doodsoorzaak te preciseren aan de verzekeraar.

4. De opheffing van het geheim slaat op de doodsoorzaak

Verzekeringsmaatschappijen verdedigen met name een functionele interpretatie van artikel 61, 4de lid, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Volgens hen laat het artikel de verzekeraar toe na te gaan of de schade gedekt is door de aangegane verzekering en of de verzekerde zijn contractuele verplichtingen nagekomen is (waaronder de verplichting om, bij het sluiten van het contract, alle omstandigheden aan te geven die door hem gekend zijn en waarvan hij redelijkerwijze moet weten dat ze voor de verzekeraar elementen zijn om het risico te beoordelen).

Om deze reden gebeurt het dat de verzekeringsmaatschappijen inlichtingen inwinnen die niet beperkt zijn tot een verklaring over de doodsoorzaak.

Gelet op de voornoemde bepaling acht de nationale raad het raadzaam dat de arts alleen een verklaring over de doodsoorzaak meedeelt.

De oorzaak van het overlijden (bijvoorbeeld geneesmiddelenintoxicatie) mag niet verward worden met de aard van het overlijden (ongeval, zelfdoding, iatrogeen).

Bij twijfel dient gepreciseerd te worden dat de oorzaak van het overlijden niet bepaald kan worden.

Het is aan de hoven en rechtbanken te oordelen over de wettelijkheid van een clausule volgens welke een verzekerde ermee instemt dat zijn arts na zijn overlijden meer inlichtingen meedeelt dan alleen een verklaring over de oorzaak van zijn overlijden.

Bij geschillen is het aan de rechtbank waarbij de zaak aanhangig gemaakt werd te beslissen om eventueel de arts te horen als getuige of de voorlegging van documenten uit het medisch dossier te gelasten.

Keuze (Vrije artsen-)19/11/2022 Documentcode: a169025
SECOND OPINION – initiatief van een verzekeringsmaatschappij

De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde in zijn vergadering van 19 november 2022 het initiatief “Second Medical Opinion”, een dienst die een verzekeringsmaatschappij wenst aan te bieden in het kader van haar gezondheidsverzekering.

Om dit initiatief te concretiseren, is de verzekeringsmaatschappij zinnens artsen aan te stellen die in een eerste fase het medisch dossier van de patiënt voorbereiden en dit na fysiek of digitaal contact. In een tweede fase kiest de patiënt een specialist die voorkomt op een lijst aangeboden door de ziekenhuizen die bereid zijn mee te werken aan dit initiatief. Deze specialist brengt - doorgaans na fysiek contact met de patiënt - het tweede advies uit.

Op basis van de toestemming van de patiënt en de alzo ontstane therapeutische relatie claimt de verzekeringsmaatschappij in de voorbereidende stukken dat haar aangestelde artsen toegang verkrijgen tot al diens medische gegevens via het eHealth-platform.

De nationale raad onderschrijft het belang van een second opinion, zeker in het geval van complexe en ernstige ziektebeelden.

De nationale raad heeft evenwel enkele deontologische bezwaren bij het voorgestelde initiatief:

  1. De huisarts van de patiënt wordt in dit initiatief niet betrokken, hoewel deze het best geplaatst is om in de eerste fase de patiënt te informeren en de triage te maken van relevante en noodzakelijke medische gegevens die moeten worden aangeleverd. Ook na het uitbrengen van een second opinion is de huisarts de meest aangewezen persoon om de patiënt te begeleiden bij het nemen van een beslissing.
  2. De toegang via het eHealth-platform tot alle medische stukken door artsen aangesteld door de verzekeringsmaatschappij staat haaks op de nota van het Informatieveiligheidscomité die een therapeutische en een zorgrelatie beschrijft.[1] Deze nota stipuleert dat “voor zover een uitwisselingsnetwerk wordt geconcipieerd met als doeleinde de diagnostische, preventieve of zorgverlenende behandeling van de patiënt, dienen de verzekeringsgeneeskunde, de controlegeneeskunde en de gerechtelijke geneeskunde in principe te worden uitgesloten”. Bovendien strookt de toegang tot alle medische stukken via het eHealth-platform niet met de basisbeginselen van de privacyregelgeving, met name de finaliteit en de proportionaliteit. Ook het artikel 38 van de Kwaliteitswet[2] stelt uitdrukkelijk dat, zelfs mits het bestaan van een therapeutische relatie, de toegang zich beperkt tot de gegevens die dienstig en pertinent zijn in het kader van het verstrekken van gezondheidszorg.

Om hoger vernoemde redenen, verzoekt de nationale raad de verzekeringsmaatschappij hun toekomstig product in die zin bij te sturen alvorens het aan hun verzekerden aan te bieden.


[1] Nota betreffende de elektronische bewijsmiddelen van een therapeutische relatie en een zorgrelatie https://www.ehealth.fgov.be/ehealthplatform/file/view/AWdem6oKkOz9DrMX5-eO?filename=nota-therapeutische-relatie.pdf

[2] Wet inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg van 22 april 2019.