keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

COVID-1926/11/2020 Documentcode: a167038
Steun aan de artsen van de eerste lijn

Persbericht

Het COVID-19 virus weegt zwaar op alle zorgverstrekkers, niet in het minst op de huisarts.

De tweede golf van de pandemie hakt zwaar in op het artsenkorps. Er was nauwelijks tijd om te herstellen van de eerste golf en het verwerken van de werkoverlast veroorzaakt door de uitgestelde zorg.

Vele collega's zijn erg ziek geworden. Enkele hebben de strijd tegen het verschrikkelijke virus verloren en hun leven geofferd voor de zieke medemens.

De bijdrage van huisartsen in de bestrijding van de COVID-19 pandemie is niet te onderschatten. Dit gegeven wordt onvoldoende belicht in de media omdat het gewone werk in de huisartsgeneeskunde weinig spectactulaire taferelen oplevert.

Nu de winterkwalen de werkbelasting van de eerstelijnsartsen nog zal opdrijven wordt van hen verwacht dat ze onvermoeibaar hun plicht blijven vervullen tegenover hun patiënten. Zij zullen dit ongetwijfeld doen!

Zij verdienen alle aandacht, steun en bescherming omdat hun taak primordiaal is om de gezondheidscrisis het hoofd te kunnen bieden en onze bevolking te kunnen blijven verzorgen.

Huisartsen kennen de noden van het terrein als geen ander en deze kennis is absoluut belangrijk bij de besluitvorming. De Interministeriële Conferentie Volksgezondheid houdt terdege rekening met de bezorgdheden van de huisartsen en zal dit gedurende de gehele crisis moeten blijven doen.

Er dienen doeltreffende maatregelen te worden genomen om de uitoefening van hun beroep te vergemakkelijken. De administratieve takenlast moet drastisch verminderen om tijd te maken voor een kwalitatieve zorg, hetgeen de eerste en fundamentele opdracht is van artsen.

Als er onvoldoende aandacht geschonken wordt aan het welzijn van artsen zullen op korte termijn meerdere collega's in een burn-out terechtkomen.

De huisartsen moeten ontlast worden van het opstellen van "nutteloze" getuigschriften. De overheid dient de omstandigheden waarin een medisch getuigschrift geëist kan worden van de behandelende arts te verduidelijken en in te perken.

De rol van de schoolarts en van de arbeidsarts bij het afleveren van quarantaine-attesten moet verder uitgebreid worden, zeker wanneer het contact met een COVID-19-geval in school- of beroepsverband gebeurde.

De strategieën voor het testen en opvolgen van patiënten zonder symptomen moeten geherdefinieerd en verfijnd worden. Hierbij moet het impact op de praktijkvoering van de huisartsen in rekening genomen worden.

Gezondheidswerkers maken er op basis van hun beroepsethiek een erezaak van zich te blijven inzetten in het belang van de volksgezondheid ondanks de risico's voor hun gezondheid en die van hun naasten. De vele problemen op persoonlijk en familiaal vlak die deze inzet met zich meebrengt worden als vanzelfsprekend beschouwd. De maatschappij is hen alle repect verschuldigd en is verplicht ook hun familie in sociaal opzicht alle steun te betuigen. Een vriendelijk woord van dank, een gemeende aanmoediging en een gebaar van respect zou wat kleur kunnen brengen in deze sombere tijden.

Huisarts19/10/2019 Documentcode: a166017
Organisatie van de medische praktijk van de arts-specialist

In zijn vergadering van 19 oktober 2019 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen of het deontologisch gerechtvaardigd is dat een arts-specialist enkel nieuwe patiënten aanvaardt mits doorverwijsbrief van de huisarts, dit naar aanleiding van de bezorgdheid die sommige artsen-specialisten formuleerden in het artikel "Eerst bloedtest voor je naar specialist mag" in Het Nieuwsblad van 25 oktober 2018.

Artsen worden regelmatig geconfronteerd met patiënten die op basis van eigen onderzoek (via internet, ...) voor zichzelf een diagnose stellen en rechtstreeks een arts-specialist raadplegen. Hierdoor worden sommige artsen-specialisten overbevraagd en hebben ze onvoldoende tijd voor patiënten van wie de gezondheidstoestand hun hulp vereist.

Een overbevraagde en overbelaste arts riskeert bovendien gezondheidsproblemen, waardoor hij terechtkomt in een situatie die niet bevorderlijk is voor de kwaliteit van de zorg.

Om tegemoet te komen aan deze problematiek, zijn sommige artsen-specialisten vragende partij om bepaalde voorwaarden tot raadpleging in te voeren. Een van deze voorwaarden kan erin bestaan dat de arts-specialist een patiënt slechts aanvaardt voor een eerste consultatie mits deze een doorverwijsbrief van de huisarts kan voorleggen.

Mits eerbiediging van de regels van de medische deontologie, bepaalt de arts-specialist zelf hoe hij zijn praktijk organiseert.

Dergelijke werkwijze via doorverwijsbrief kan, in bepaalde gevallen, de kwaliteit van de zorg, de redelijke termijn en de zorgcontinuïteit ten goede komen(1). De arts-specialist kan meer tijd besteden aan patiënten die hulp nodig hebben binnen zijn specialisme en patiënten hoeven zich niet nodeloos te verplaatsen.

De wetgever geeft incentives om in eerste instantie de GMD-houdende huisarts te consulteren alvorens een afspraak te maken bij een arts binnen bepaalde specialismen. Zo geniet de patiënt van een vermindering van het remgeld indien hij door de GMD-houdende huisarts verwezen wordt naar sommige specialismen(2)-(3).

***

De voorwaarde om een patiënt slechts te aanvaarden voor een eerste consultatie mits doorverwijsbrief van de huisarts kan ten goede komen aan de kwaliteit van de zorg, de redelijke termijn en de zorgcontinuïteit en kan de werkdruk van een arts-specialist verminderen. Er is geen deontologisch bezwaar tegen de beslissing van een arts-specialist om zijn praktijk op dergelijke wijze te organiseren in het belang van een kwaliteitsvolle zorg voor de patiënt.

Dit advies brengt de vrije artsenkeuze van de patiënt niet in het gedrang.


(1) Artikelen 8 en 13 van de Code van medische deontologie; artikelen 27 en 28 van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen; artikelen 17 tot 26 van de wet van 22 april 2019 betreffende de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

(2) Koninklijk besluit van 26 november 2006 betreffende het persoonlijk aandeel van de rechthebbende die een geneesheer-specialist raadplegen nadat ze verwezen zijn door een algemeen geneeskundige; https://www.riziv.fgov.be/nl/themas/kost-terugbetaling/financiele-toegankelijkheid/Paginas/goedkoper-raadplegen-bepaalde-specialisten-huisarts-u-doorverwijst.aspx

(3) Enkel de patiënt die beschikt over een globaal medisch dossier geniet van een vermindering. Deze geldt slechts één keer per jaar en niet voor alle medische specialismen.

Huisarts25/05/2019 Documentcode: a165010
Inzetten van een huisarts in opleiding (HAIO) in de reguliere wachtdienst

Op 25 mei 2019 heeft de nationale raad een vraag betreffende het inzetten van een huisarts in opleiding (HAIO) in de reguliere wachtdienst voor huisartsen onderzocht.

De wachtdienst van de kandidaat-huisarts in opleiding (HAIO) moet altijd gebeuren onder supervisie en begeleiding van de stagemeester erkend in de huisartsgeneeskunde (huisarts praktijkopleider). .

Tussen de stagemeester en de HAIO wordt bij aanvang van de samenwerking een overeenkomst opgesteld waarin wordt bepaald hoeveel uren wachtdienst de HAIO zal doen (met een minimum van 120 uur om erkend te kunnen worden). In de overeenkomst kan er eveneens een plaatsvervangende stagemeester worden aangeduid, die kan optreden als begeleider wanneer de stagemeester afwezig is.

De wachtkringen passen toe wat bepaald is in deze overeenkomst.

Het is de opdracht van de stagemeester om zowel zijn eigen wachtdiensten te doen, als de wachtdiensten van de HAIO te begeleiden. Hiertoe dient hij tijdens de wachtdienst van de HAIO continu bereikbaar en beschikbaar te zijn om zich desnoods binnen een redelijke termijn te begeven naar de plaats van raadpleging.

Sommige wachtkringen houden er rekening mee dat de huisarts ook stagemeester is, en beslissen dat deze artsen minder wachtdiensten hoeven te doen. Andere wachtkringen houden hiermee geen rekening. Nog andere (grotere) wachtkringen geven de stagemeester en de HAIO tegelijkertijd een wachtdienst zodat de stagemeester uiteindelijk niet meer aan wachtdiensten moet deelnemen dan de andere huisartsen.

De problematiek dient binnen de wachtkringen zelf besproken te worden.

Het is aan de provinciale raden om mogelijke deontologische inbreuken te beoordelen.

Deze materie wordt voor het overige geregeld door het Ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen.


Huisarts20/10/2018 Documentcode: a163003
Voorwaarden voor een patiëntenstop in de huisartsgeneeskunde.

De nationale raad van de Orde der artsen heeft het probleem van een ‘patiëntenstop' door huisartsen onderzocht.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 20 oktober 2018 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de omstandigheden onderzocht waarin een huisarts of een groepering van artsen tijdelijk of definitief nieuwe patiënten kan weigeren.

I. De arts, in het bijzonder wanneer hij de houder van het GMD is, dient de praktijkpermanentie zo te organiseren dat hijzelf of zijn vervanger de patiënten kan voorthelpen binnen een redelijke termijn. De continuïteit van de zorg dient gewaarborgd te worden tijdens de gewone praktijkuren, die wettelijk bepaald zijn en lopen van maandag tot vrijdag, van acht uur tot achttien uur, behalve op wettelijke feestdagen (artt. 26, 27 en 28 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen en art. 8 van de code van medische deontologie (CMD 2018)).

Buiten deze uren kan de arts zijn patiënten verwijzen naar de wachtdienst, waarvan de organisatie wettelijk toegekend is aan de huisartsenkringen (art. 4 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen).

II. De huisarts kan geprangd zitten tussen het aantal hulpvragen van patiënten en de vrijwaring van zijn eigen gezondheid.

Zoals bepaald is in art. 10 CMD 2018 heeft de arts de deontologische plicht te streven naar een evenwicht tussen zijn beroepsactiviteiten en zijn privéleven.

Een overbevraagde en overbelaste arts riskeert gezondheidsproblemen en komt terecht in een situatie die niet bevorderlijk is voor de kwaliteit van de zorg.

Wanneer de werkdruk groter wordt dan de draagkracht bestaat het gevaar van overbelasting. Persoonlijke redenen, praktijkgebonden redenen (uitval van personeel, stopzetten van activiteiten door collega's bv.), lokale of regionale oorzaken (tekort aan huisartsen) kunnen aan de basis liggen van een werkoverbelasting.

Het uitvallen van overbelaste artsen verhoogt bovendien de werkdruk op collega's.

III. De nationale raad is van mening dat alle betrokken actoren dienen in te grijpen.

Iedere arts dient zijn praktijk zo te organiseren dat de zorgcontinuïteit en de praktijkpermanentie verzekerd zijn en dat de vooraf getrieerde dringende aanvragen beantwoord kunnen worden.

Indien beslist wordt de praktijk in te perken of nieuwe patiënten te weigeren, dienen deze laatste doorverwezen te worden volgens een vooraf vastgesteld plan.

Voor groepspraktijken kan deze doorverwijzing het best "intern" geregeld worden. Volgens art. 13 CMD 2018 dient elke arts, in de mate van het mogelijke, een verhinderde collega te vervangen.

De patiënten dienen op passende wijze geïnformeerd te worden, zowel over de inperking van de praktijk en de weigering van nieuwe patiënten als over de mogelijkheden tot doorverwijzing (art. 32 CMD 2018).

De nationale raad stelt vast dat heel wat huisartsenkringen de problematiek actief behartigen. Sommige kringen houden een lijst bij met praktijken die nieuwe patiënten verwelkomen, andere organiseren het toewijzen van een bepaalde buurt of van een aantal straten aan een bepaalde praktijk waar patiënten ‘zonder huisarts' terecht kunnen.

De nationale raad wil de huisartsenkringen in probleemregio's aanmoedigen deze voorbeelden te volgen.

De nationale raad stelt vast dat de betrokken actoren(1) met de overheden verscheidene strategieën uitwerken om startende huisartsen ertoe aan te sporen zich te vestigen in huisartsarme regio's.

Verscheidene initiatieven die bijdragen tot een grotere doeltreffendheid van de huisartsgeneeskunde zorgen ervoor dat de artsen meer tijd kunnen vrijmaken en aldus nieuwe patiënten kunnen verwelkomen. Voorbeelden hiervan zijn administratieve hulpkrachten, verlichting van de administratie, deelname van de patiënten aan hun eigen behandeling (empowerment, zelfcontrole, enz.) en telegeneeskunde. Deze evolutie dient aangemoedigd te worden zodat de werkkracht in de huisartsgeneeskunde optimaal ingezet kan worden.

De nationale raad zal met de patiëntenorganisaties overleg plegen om met hen te zoeken naar oplossingen die ‘patient empowerment' programma's een duw in de rug geven.

Tot slot dringt de nationale raad erop aan dat alle actoren en overheden aandacht blijven hebben voor deze problematiek.



(1) ICHO (Interuniversitair Centrum voor Huisarts Opleiding), Domus medica, SSMG (Société scientifique des médecins généralistes), FAGG (Federale Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten), FAMGB (Fédération des Associations de Médecins Généralistes de Bruxelles), Vereniging van Steden en Gemeenten, artsensyndicaten, enz.

Contracten08/04/2017 Documentcode: a157004
Standaard opleidingsovereenkomst tussen de huisarts in opleiding en de praktijkopleider

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de standaard opleidingsovereenkomst tussen de huisarts in opleiding en de praktijkopleider, onderzocht.

Advies van de nationale raad :

De heer Guy Gielis
Kapucijnenvoer 33

3000 Leuven

In het antwoord verwijzen naar
Ons kenmerk : 108246/EF/EDB/fd/CNR 124 08
Geachte heer Gielis,
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in de vergadering van 8 april 2017 uw e-mail van 1 februari 2017, met als bijlage de standaard opleidingsovereenkomst tussen de huisarts in opleiding en de praktijkopleider, besproken.
De nationale raad van de Orde der artsen adviseert om in de standaard opleidingsovereenkomst de niet-concurrentieclausule te schrappen, en dit met het oog op de bescherming van de huisarts in opleiding. De nationale raad verwijst hiervoor naar het advies "Standaardopleidingsovereenkomsten voor de huisartsen in opleiding" van 19 maart 2016.
De nationale raad erkent dat specifieke omstandigheden zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een groot aantal huisartsen in een bepaald geografisch gebied, een niet-concurrentieclausule in een opleidingsovereenkomst kunnen verantwoorden. Deze clausule dient beperkt te zijn in tijd, ruimte en aard van de activiteiten. In geval van een conflict komt het aan de rechter toe om deze aspecten te beoordelen en de clausule nietig te verklaren, indien hij deze te ruim acht. Het is de rechter eveneens toegestaan een dergelijk niet-concurrentiebeding te matigen indien uitdrukkelijk een matigingsbeding in de overeenkomst is opgenomen (1).

Hoogachtend,
voor de Nationale Raad,
E. FORRIER
Plaatsvervangend voorzitter.

1. Cass. 23 januari 2015, AR C.13.0579.N.

Geneesmiddelen18/06/2016 Documentcode: a153009
Behandeling met methadon en andere substitutiemedicatie door huisartsen

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende de voorwaarden om als huisarts opiaatgebruikers te behandelen met substitutiemedicatie en de hieruit volgende samenwerking met professionele drughulpverleningscentra/-netwerken.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 18 juni 2016 bestudeerde de nationale raad de voorwaarden om als huisarts opiaatgebruikers te behandelen met substitutiemedicatie en de hieruit volgende samenwerking met professionele drughulpverleningscentra/-netwerken.

Het koninklijk besluit van 19 maart 2004, gewijzigd door het koninklijk besluit van 6 oktober 2006 tot reglementering van de behandeling met vervangingsmiddelen (B.S.21-11-2006 ) bepaalt onder andere de deelnemingsvoorwaarden en de registratieplicht van de artsen die op regelmatige basis (gelijktijdig meer dan twee patiënten) druggebruikers behandelen met vervangingsmiddelen.

Deze voorwaarden impliceren dat er een continue en nauwe samenwerking bestaat tussen deze geregistreerde artsen en de professionele drughulpverleningscentra/-netwerken, door uitwisseling van kennis en informatie. De registratie van een arts is bijgevolg niet vrijblijvend.

Deze patiëntengroep vereist een multidisciplinaire omkadering. Naast het voorschrijven van vervangingsmiddelen is er nood aan een psychosociale begeleiding. Voor deze patiëntenpopulatie zal de geregistreerde arts dan ook beroep doen op de erkende multidisciplinaire teams van de professionele drughulpverleningscentra/-netwerken.

Het is op deontologisch vlak niet verantwoord dat een arts of een groep artsen parallelle circuits uitbouwen voor de behandeling van dit patiënteel, los van de erkende gespecialiseerde multidisciplinaire hulpverlening. De geregistreerde arts kan zich niet beroepen op de "therapeutische vrijheid" om het uitgebalanceerde en (volgens de internationale guidelines) wetenschappelijk onderbouwde aanbod van professionele drughulpverlening op het gebied van substitutieprogramma's te omzeilen.

Ook artsen die slechts één of twee patiënten behandelen met vervangingsmiddelen, dienen zich op regelmatige tijdstippen bij te scholen en overleg te plegen met een arts die wel geregistreerd is en aan de wettelijke voorwaarden voldoet.