keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Beroepsgeheim24/08/2002 Documentcode: a098002
Adviezen van gespecialiseerde diensten in de begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten

De "Unité de psychopathologie légale" (UPPL) is een steuncentrum, gesubsidieerd door het ministerie van Justitie, dat werd opgericht in het kader van een samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Waalse Gewest inzake de begeleiding en de behandeling van daders van seksueel misbruik. Gelijkwaardige centra bestaan voor het Vlaamse Gewest en voor Brussel. Ten gevolge van recente wetgeving wordt aan deze centra nu ook gevraagd adviesopdrachten te vervullen en zelfs opdrachten van deskundige aard.
In dit verband vraagt de voorzitter van de UPPL het standpunt van de Nationale Raad over de deontologische toelaatbaarheid van dergelijke adviezen die worden gevraagd aan diensten die gespecialiseerd zijn in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 24 augustus 2002 besprak de Nationale Raad de aan te nemen deontologische houding bij het verstrekken van adviezen door diensten die gespecialiseerd zijn in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten, zoals bepaald in

  • de Wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen (B.S. 02-08-1998): artikelen 6 en 8 (1);

  • de Wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de Wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de Wet van 1 juli 1964 (B.S. 02-04-1998): artikel 3, §3, 4 (2);

  • de Wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen (B.S. 17-03-2001): artikel 42 (betreffende de probatiemaatregelen) (3);

    en in het bijzonder in

  • de Wet van 8 augustus 1997 betreffende het centraal strafregister (B.S. 24-08-2001), in verband met de aanvragen tot herstel in eer en rechten: artikelen 21 en 22. (4)

De Nationale Raad is van mening dat er deontologisch geen enkel bezwaar bestaat tegen het uitbrengen van een advies door een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten aan de gerechtelijke instantie zoals bepaald in de hoger vermelde wetten. Het is zelfs positief dat een beroep gedaan wordt op dergelijke diensten alvorens uitspraak te doen over een invrijheidstelling, probatiemaatregelen of het herstel in eer en rechten. Deze diensten hebben door de aard van hun werkzaamheden immers een grote kennis van en ervaring in de problematiek van seksuele delinquenten.
Hieraan dient echter onmiddellijk toegevoegd te worden dat de gespecialiseerde dienst die advies uitbrengt in geen geval de betrokken delinquent kan onder behandeling hebben of gehad hebben. De dienst die advies verstrekt vervult immers in dit geval een opdracht die veel gelijkenissen vertoont met de opdracht van een expert. De Nationale Raad wees er herhaaldelijk op dat een strikte scheiding aangewezen is tussen de taken van aangestelde deskundigen en behandelaars. (5)
Ook artikel 121 van de Code van geneeskundige plichtenleer herinnert aan de regels betreffende het verbod van deze twee ten opzichte van eenzelfde persoon uit te voeren opdrachten. (6)
Overigens moet nauwelijks gezegd dat de regels in verband met het beroepsgeheim fundamenteel verschillend zijn naargelang een gespecialiseerde dienst ten aanzien van de seksuele delinquent optreedt als behandelaar of als verstrekker van een advies dat vergelijkbaar is met dat van een deskundige.
De Nationale Raad preciseerde in het kader van de bestudering van de Wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen dat - behoudens het informeren van de instanties die de behandeling oplegden over “de stopzetting van de behandeling”, - de herhaling van de feiten of het risico op herhaling van de feiten, aan de gerechtelijke instanties niet mag meegedeeld worden door de therapeut, tenzij bij noodsituatie. (7)

Tenslotte wijst de Nationale Raad erop dat een gespecialiseerde dienst in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten bij het uitbrengen van een advies de nodige voorzichtigheid moet aan de dag leggen en er dient over te waken zijn bevoegdheid en wetenschappelijke kennis niet te overschrijden bij de beoordeling van de graad van gevaar en de kans op recidive van de delinquent. Het door de gespecialiseerde dienst uitgebrachte advies is slechts een van de elementen waarvan de gerechtelijke overheid kennis neemt alvorens te beslissen.

NOTEN

1) Art. 6 : In artikel 5 van de Wet van 31 mei 1888 tot invoering van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in het strafstelsel, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd : “Indien de veroordeelde een straf heeft ondergaan voor feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 386ter van het Strafwetboek en gepleegd op de persoon van minderjarigen of met hun deelneming, is bovendien het advies vereist van een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd.”
Art. 8 : In de Wet van 9 april 1930, gewijzigd bij de Wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers wordt een artikel 20bis ingevoegd, luidende : “Art. 20bis. Het advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is vereist voor de invrijheidstelling van ieder die geïnterneerd is wegens feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 386ter van het Strafwetboek, en gepleegd op de persoon van een minderjarige of met zijn deelneming. In dat geval kan de commissie bovendien, en zulks voor de duur van de proefperiode die zij bepaalt bij de invrijheidstelling op proef, betrokkene als voorwaarde het verbod opleggen om : a) in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt; b) deel uit te maken, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke instelling of vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is.”…

2) Hoofdstuk II (procedure betreffende de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling), artikel 3, §1 : Drie maanden voor de voorwaarde bedoeld in artikel 2, tweede lid, 1°, vervuld is, moet het personeelscollege, ingesteld door de Koning, en nadat de veroordeelde is gehoord, onderzoeken of de voorwaarden bedoeld in artikel 2 vervuld zijn wat hem betreft. Zij brengt hierover een gemotiveerd advies uit. …” Art. 3, §3 : Indien het personeelscollege van oordeel is dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling vervuld zijn, stelt de directeur van de strafinrichting een voorstel inzake voorwaardelijke invrijheidstelling op.” Dit voorstel omvat … 4° indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 386ter van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, het gemotiveerd advies van een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd.”…

3) Hoofdstuk VI : Bepaling tot wijziging van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie : “art. 9bis. Indien de inverdenkinggestelden of de veroordeelden inverdenkinggesteld of veroordeeld zijn wegens een van de feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 377 van het Strafwetboek, of wegens een van de feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd zijn op minderjarigen of met hun deelneming, winnen de bevoegde gerechten het met redenen omklede advies in van een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten, alvorens een probatiemaatregel op te leggen.”…

4) Art. 21 : “Artikel 628, eerste lid, van hetzelfde Wetboek (Wetboek van strafvordering), gewijzigd bij de wetten van 7 april 1964 en 9 januari 1991, wordt vervangen als volgt : “De verzoeker richt zijn aanvraag tot herstel in eer en rechten aan de procureur des Konings van het arrondissement waarin hij verblijft, waarbij hij de veroordelingen waarop de aanvraag betrekking heeft, de plaatsen waar hij gedurende de proeftijd heeft verbleven en, in voorkomend geval, de in artikel 627 bedoelde veroordelingen moet vermelden.”
Art. 22 : “Artikel 629, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 7 april 1964, wordt vervangen als volgt : “De procureur des Konings wint ambtshalve of op verzoek van de procureur-generaal alle nodig geachte inlichtingen in. Hij zendt het dossier met de stukken en zijn advies aan de procureur-generaal. Wanneer de veroordeelde een straf heeft ondergaan voor feiten bedoeld bij de artikelen 379 tot 386ter van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, moet het dossier het advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten bevatten.”

5) “… Tenslotte wenst de Nationale Raad te benadrukken dat een strikte scheiding tussen de taken van de aangestelde deskundigen en de behandelaars aangewezen is. Daarom heeft de Nationale Raad vragen bij de stelling in het rapport dat de relatie die noodgedwongen ontstaat tussen de deskundige en de onderzochte deze laatste bijv. kan helpen om “de crisis die hij doormaakte” te boven te komen, hem meer ontvankelijk te maken voor de gerechtelijke procedure waarvan hij het voorwerp is en hem te overtuigen van de noodzaak een behandeling aan te gaan om terugval te voorkomen. De Nationale Raad kan aannemen dat een deskundige in uitzonderlijke omstandigheden “hulpverlener” wordt maar is van oordeel dat een duidelijke scheiding van deze opdrachten de regel hoort te zijn…”, zie TNR nr. 87, maart 2000, blz. 17, bedenkingen bij het eindrapport dat door de multidisciplinaire Commissie Internering werd aangeboden aan de minister van Justitie.

6) Artikel 121 van de Code van geneeskundige plichtenleer : "§1. De geneesheer die belast is met één van de opdrachten vermeld in artikel 119 moet weigeren personen te onderzoeken met wie hij betrekkingen onderhoudt of onderhield die zijn vrijheid van oordeel zouden kunnen beïnvloeden. §2. De onder artikel 119 bedoelde taken of functies ten opzichte van één of meer personen zijn onverenigbaar met die van behandelende geneesheer van die personen. De onder artikel 119 bedoelde geneesheer mag behoudens gevallen van overmacht of opeising, niet optreden als behandelende geneesheer vóór het verstrijken van een termijn van 3 jaar te rekenen vanaf het einde van zijn opdracht of functie. §3. De geneesheer die als raadgever van een partij is opgetreden, mag de taak van deskundige ten opzichte van die partij niet aanvaarden. §4. Bij opeising moet de behandelende geneesheer zijn tussenkomst beperken tot louter monsterafname indien hij zich gebonden acht door het beroepsgeheim ten opzichte van de te onderzoeken persoon en indien geen andere geneesheer hem kan vervangen. §5. Een geneesheer mag niet optreden als gerechtelijk deskundige voor personen die hij reeds in een andere hoedanigheid heeft onderzocht."

7) TNR nr. 79, maart 1998, blz. 11.

Beroepsgeheim18/08/2001 Documentcode: a094002
Omstandig geneeskundig verslag met het oog op de bescherming van de persoon van de geesteszieke

Een psychiater legt aan de Nationale Raad de problemen voor die in zijn regio rijzen wanneer een patiënt gedwongen dient te worden opgenomen in een psychiatrische instelling. De betrokken vrederechter weigert om een omstandig geneeskundig verslag te aanvaarden van de behandelende arts, hetzij huisarts, hetzij psychiater, en zelfs van een collega psychiater van de dienst waar de behandelende arts werkt aangezien deze eventueel in het kader van stafvergaderingen of vervangingen zou kunnen vertrouwd geraakt zijn met de patiënt. Deze artsen - die hij beschouwt als "verwant" aan de patiënt - leveren volgens deze vrederechter op dat ogenblik een gelegenheidsattest af daar zij niet in volle professionele en intellectuele onafhankelijkheid kunnen oordelen.
Dit betekent dat voor elke gedwongen opneming een andere arts moet worden gevonden die bereid is de patiënt te onderzoeken en desgevallend de omstandige geneeskundige verklaring op te stellen.
De psychiater vraagt of de behandelende arts dan zo maar kan verzuimen aan de plicht om dringende hulp te verlenen aan een persoon in nood.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergaderingen van 16 juni 2001 en 18 augustus 2001 besprak de Nationale Raad de vraag of een behandelende geneesheer geneeskundige verslagen over zijn patiënten mag afleveren in uitvoering van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

Artikel 58 van de Code van geneeskundige plichtenleer vermeldt onder g) die verslagen bij de binnen uitdrukkelijk vastgelegde perken geldende wettelijke uitzonderingen op het beroepsgeheim. Hieruit kan worden afgeleid dat behandelaars dergelijke verklaringen mogen afleveren daar het om een uitzondering gaat. Van alle artsen zijn de behandelaars trouwens best geplaatst om het op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vordering (artikel 5, §2, alinea 2 van de wet) vereiste omstandig geneeskundig verslag op te stellen dat aan alle wettelijke voorwaarden voldoet (artikel 5, §2, alinea 1 van de wet).

Om "te vermijden dat er welkdanige druk wordt uitgeoefend om een persoon te laten opnemen" (Verslag Commissie voor de Justitie, p. 36) heeft de wetgever voorzien dat dit verslag niet mag opgesteld worden "door een geneesheer die een bloed- of aanverwant is van de zieke of van de verzoeker of op enigerlei wijze verbonden is aan de psychiatrische dienst waar de zieke zich bevindt (artikel 5, §2, alinea 2 van de wet). De behandelaars worden door de wetgever niet uitgesloten.

Daarnaast geldt de algemene deontologische regel dat elke arts bij het opstellen van een verklaring objectief dient te zijn d.w.z. professioneel en intellectueel onafhankelijk zonder emotionele betrokkenheid, vooringenomenheid of partijdigheid. Sommigen menen dat een dergelijke ingesteldheid in een relatie tussen behandelaar en psychiatrische patiënt niet kan en elke behandelaar de facto geen geneeskundige verklaring in het kader van de procedure tot gedwongen observatie zou kunnen afleveren.

Vanuit ethisch oogpunt kan worden gezegd dat het belang van de patiënt de eerste betrachting van elke arts hoort te zijn. Deze verplichting geldt des te meer wanneer de patiënt niet meer wordt geacht in staat te zijn tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in het vlak van zijn gezondheid.

Wanneer een behandelaar op grond van objectieve criteria tot het besluit komt dat zijn patiënt geestesziek is en zijn gezondheid en veiligheid ernstig in gevaar brengt en/of een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven en integriteit en dit bij gebreke van enige andere geschikte behandeling dient hij zijn verantwoordelijkheid te nemen. Hij zal, eventueel in overleg met een terzake deskundige en ervaren collega, nagaan of het treffen van beschermingsmaatregelen tot een oplossing van de problematiek kan leiden en zal, zo ja, uitzoeken welke procedure (gewone of spoedprocedure) aangewezen is en op welke wijze deze best gevoerd wordt om het beoogde resultaat te bereiken.

In deze is het onder meer belangrijk uit te maken of de behandelaar het omstandig geneeskundig verslag zal opstellen. Niettegenstaande behandelaars het best geplaatst zijn voor het uitschrijven van dit verslag kunnen zij goede redenen hebben om daarvan af te zien. Dit ontslaat hen echter niet van hun plicht ervoor te zorgen dat de vereiste geneeskundige verklaring afgeleverd wordt wanneer zij oordelen dat beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn om groter onheil te voorkomen. Zij kunnen immers niet om persoonlijke redenen het belang van hun patiënt en de eventuele belangen van de gemeenschap veronachtzamen. Zo kunnen zij een beroep doen op derden voor de beoordeling van de situatie en het eventueel opstellen van het omstandig geneeskundig verslag. In de ambulante praktijk is het echter niet altijd gemakkelijk een collega te vinden die de materiële mogelijkheid kan creëren de patiënt te onderzoeken daar deze patiënten geneigd zijn zich aan elk onderzoek door derden te onttrekken. In dergelijke omstandigheden zijn de behandelaars soms verplicht toch het omstandig verslag te schrijven ook al hadden zij in eerste instantie goede redenen om dat niet te doen.

Belangrijk in deze specifieke arts-patiëntrelatie is dat de behandelaar voor zover dit mogelijk en verantwoord is de eventualiteit van een gedwongen opneming met de patiënt bespreekt. Zo kan hij meedelen dat hij zich moreel verplicht voelt om een omstandig geneeskundig verslag op te stellen dat als bijlage van een verzoekschrift zal overgemaakt worden aan de vrederechter die, na de patiënt te hebben gehoord, zal beslissen over de voorgestelde gedwongen observatie. Eventueel kan de behandelaar, zo hij dit haalbaar acht, aan de patiënt voorstellen een second opinion van een andere arts in te winnen zodat aan een buitenstaander het al dan niet opstellen van een omstandig geneeskundig verslag overgelaten wordt.

Het is niet gunstig voor de verdere vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt wanneer een met de medewerking van de behandelaar ingediend verzoekschrift, afgewezen wordt. Bij de spoedprocedure wordt het verzoekschrift van een belanghebbende welk vergezeld moet zijn van een omstandig geneeskundig verslag beoordeeld door de procureur des Konings die o.m. aandacht zal schenken aan de motivering van de dringendheid. In dit verband moet worden vermeld dat de procureur des Konings ook ambtshalve kan optreden na het schriftelijk advies van een door hem aangewezen geneesheer. Dit gebeurt bij hoogdringendheid frequent. Het doet zich ook voor dat de behandelaar zich beroept op de noodtoestand om telefonisch informatie door te geven aan de procureur des Konings en geen omstandig geneeskundig verslag opstelt. Bij de gewone procedure wordt het verzoekschrift met het omstandig geneeskundig verslag beoordeeld door de vrederechter die bij gemotiveerd vonnis zijn beslissing kenbaar maakt. Bij afwijzing van het verzoekschrift verwijst de vrederechter soms naar de gebrekkige inhoud van het omstandig geneeskundig verslag en/of naar de kwalificaties van de steller.

Behandelaars dienen dan ook bij het opstellen van het omstandig geneeskundig verslag de nodige bedachtzaamheid, zorgvuldigheid en vooruitziendheid aan de dag te leggen. Vooreerst moet de indicatie voor gedwongen observatie vanuit medisch oogpunt op een onbetwistbare wijze vaststaan en op onweerlegbare vaststellingen berusten die in het omstandig verslag moeten weergegeven worden. Vervolgens dienen de wettelijke vereisten van een omstandig geneeskundig verslag strikt nageleefd te worden. In dit verband moet worden vermeld dat de steller van het verslag onder meer moet aantonen dat het om een geesteszieke gaat en dat bv. een diagnose als toxicomanie in dat vlak niet volstaat. Ten slotte dient de steller van het verslag rekening te houden met de rechtspraak. Zo zijn er wettelijke bepalingen die niet door alle vrederechters op dezelfde wijze geïnterpreteerd worden als bv. de draagwijdte van "op enigerlei wijze verbonden zijn aan de dienst waar de zieke zich bevindt" en zo zijn er vredegerechten waar men het ongepast vindt dat behandelaars het omstandig geneeskundig verslag opstellen.

Om te voorkomen dat verzoekschriften afgewezen worden is het aan te raden dat de behandelaars, alvorens over te gaan tot het opstellen van een omstandig geneeskundig verslag, de nodige informatie inwinnen over de interpretatie van de wet die tot de eigenheid van de rechtbank behoort. Van psychiaters mag worden verwacht dat zij door hun onderlinge contacten en ahun LOK-vergaderingen deze kennis kunnen verwerven. Artsen die slechts occasioneel voor deze opdracht worden geplaatst doen er goed aan met een collega, die ervaring heeft in dat vlak, ook betreffende dit aspect van het omstandig geneeskundig verslag te overleggen. Wanneer er geen sprake is van hoogdringendheid laat de tijd dit overleg meestal toe.

Het getuigt van weinig vooruitziendheid en het dient het belang van de patiënt zeker niet als behandelaars een omstandige geneeskundige verklaring opstellen wanneer van tevoren vaststaat dat het verzoek tot gedwongen observatie zal afgewezen worden op grond van de kwalificaties van de steller van het verslag. De behandelaar dient in dat geval een pragmatische oplossing te bedenken die de belangen van de patiënt en zijn omgeving maximaal dient. Zo zou het bv. niet verantwoord zijn bewust op een escalatie van de situatie te wachten tot de voorwaarden voor een spoedprocedure vervuld zijn waarbij niet langer de vrederechter maar de procureur des Konings bevoegd is. Zolang er geen hoogdringendheid is beschikt de behandelaar over enige tijd die hem mogelijks toelaat een opname op vrijwillige basis te realiseren of een second opinion in te winnen bij een arts die met de behandelaar geen bindingen heeft, al dient de patiënt met deze voorstellen wel akkoord te gaan.

Het is de vraag of een vrederechter de omstandige geneeskundige verklaring van de behandelaar als ongepast zal afwijzen wanneer deze aan alle hoger uiteengezette vereisten voldoet en aangetoond wordt dat de mening van een buitenstaander niet kon ingewonnen worden door een gebrek aan medewerking van de te beschermen persoon.

Op grond van artikel 30 van de wet heeft de indiener van het verzoekschrift de mogelijkheid om als betrokken partij hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de vrederechter. De wet voorziet echter dat de rechtbank van eerste aanleg drie maanden tijd heeft voor het wijzen van een definitief vonnis.

Continuïteit van de zorg19/05/2001 Documentcode: a093010
Coördinerend geneesheer in een initiatief van beschut wonen

Een psychiater vraagt of het advies dat de Nationale Raad op 16 september 2000 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 90, december 2000, p. 9) uitbracht betreffende de functie van de coördinerend arts in een RVT naar analogie ook geldt voor die van de coördinerend psychiater in een initiatief van beschut wonen.

Advies van de Nationale Raad :

De functie van coördinator verbonden aan een initiatief van beschut wonen wordt wettelijk bepaald in het KB van 10 juli 1990 dat hierbij is gevoegd. Hieruit kan worden afgeleid dat de coördinator niet steeds een psychiater moet zijn.

Volgens artikel 14 wordt de coördinator gekozen uit het begeleidende team dat bepaald wordt in artikel 13. De arts-specialist in de neuropsychiatrie of in de psychiatrie, die deel uitmaakt van het team, is verantwoordelijk voor het opnamebeleid, dient contacten te leggen met de behandelende artsen en met de andere betrokken diensten en is verantwoordelijk voor het interventiescenario in geval van crisis (artikel 15 van het KB). Deze functie kan gecumuleerd worden met deze van coördinator.

Hieruit blijkt dat de psychiater, verbonden aan het team, een eerder medisch-administratieve functie heeft.

De behandelende arts kan een psychiater van buiten het team, een huisarts of zelfs een specialist somatische geneeskunde zijn die de opname van de patiënt heeft aangevraagd.

De patiënt-bewoner van beschut wonen kan zijn arts vrij kiezen.

De neuropsychiater van het begeleidingsteam, al dan niet coördinator, kan tussenkomen in de verzorging als behandelend arts in specifieke spoedomstandigheden zoals crisissituaties. In voorkomend geval zal hij dat doen met eerbiediging van de deontologische principes, inzonderheid van de collegialiteit, de vrije artsenkeuze, het beroepsgeheim en de vrijheid van diagnose en therapie.

10 JULI 1990. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen voor de erkenning van initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten (Stbl. 26- 7-1990).

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hiema wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, inzonderheid op de artikelen 6, gewijzigd door de wet van 30 december 1988 en 68, eerste lid; Gelet op het koninklijk besluit van 10 juli 1990 waarbij sommige bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, toepasselijk worden verklaard op de initiatieven van beschut wonen en op de samenwerkingsverbanden van psychiatrische instellingen en diensten, inzonderheid op artikel 1, 1°; Gelet op het advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling programmatie en erkenning; Gelet op het advies van de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Art. 1. Dit besluit bepaalt de normen waaraan moet worden voldaan om te worden erkend als «initiatief van beschut wonen».

Art. 2. § 1. Onder initiatief van beschut wonen wordt verstaan het huisvesten en begeleiden van personen die geen voltijdse ziekenhuisbehandeling vereisen en die om psychiatrische redenen in hun leef- en woonmilieu geholpen moeten worden bij het verwerven van sociale vaardigheden en waarvoor aangepaste dagactiviteiten moeten worden georganiseerd.
§ 2. Het verblijf in een initiatief van beschut wonen is slechts verantwoord voor zover de betrokkene nog niet volledig in het maatschappelijk leven kan worden gereïntegreerd.
[…]

HOOFDSTUK IV

Organisatorische normen
[…]

Art. 13. Voor de begeleiding en ondersteuning dient de inrichtende macht van het beschut wonen een team te voorzien, waarvan deel uitmaken :
1° een geneesheer-specialist in de neuro-psychiatrie of in de psychiatrie;
2° de personeelsleden bedoeld in artikel 20.

Art. 14. De inrichtende macht zal iemand van dit team aanstellen als verantwoordelijke coördinator voor de werking van de beschutte woonvorm.

Art. 15. De geneesheer-specialist in de neuro-psychiatrie of in de psychiatrie :
1° is verantwoordelijk voor het opnamebeleid;
2° dient de kontakten te leggen met de behandelende geneesheren en met de betrokken dienst of het centrum voor geestelijke gezondheidszorg.
3° staat in voor de interventiescenario's in geval van krisis.

Art. 16. Op geregelde tijdstippen zal een teamoverleg worden georganiseerd.

Art. 17. De nazorg van de bewoners, voor zover een medische nazorg noodzakelijk is, kan gebeuren in het geheel van de psychiatrische voorzieningen, zoals bv. in een dienst voor geestelijke gezondheidszorg, een polikliniek, een consultatiedienst van de behandelende geneesheer, teneinde de continuïteit van de behandeling te waarborgen.
[…]

Consent (Fully Informed-)17/06/2000 Documentcode: a090014
Witboek betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van personen die door geestesziekten zijn aangetast

In naam van de drie kabinetten die de Belgische Regering in het "Comité Directeur pour la Bioéthique" (CDBI) van de Raad van Europa vertegenwoordigen, met name Justitie, Wetenschapsbeleid en Volksgezondheid, vraagt mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, het advies van de Nationale Raad over het (Franstalig) Witboek betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van personen die door geestesziekten zijn aangetast en in het bijzonder zij die als patiënten gedwongen in een psychiatrische instelling zijn geplaatst.

Bedenkingen van de Nationale Raad bij dit Witboek :

De in het ontwerp van Witboek gedane voorstellen vertonen opvallende gelijkenis met de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en met de uitvoeringsbesluiten van 18 juli 1991 van die wet. Dit hoeft niet te verwonderen daar uit het verslag namens de commissie voor de justitie uitgebracht door mevrouw Herman-Michielsens (733-2 (1988-1989)) blijkt dat bij de voorbereiding van de nieuwe wet sterk rekening werd gehouden met de aanbevelingen van de Raad van Europa. In het ontwerp van Witboek komen wel enkele bepalingen voor die nieuw zijn en desgevallend zowel een wijziging van de Belgische wetgeving als van de medische deontologie tot gevolg zullen hebben.

De meest ingrijpende wijziging van het voorstel van Witboek heeft betrekking op het toepassingsgebied van de voorstellen (punt 1). In tegenstelling tot een vroegere aanbeveling van de Raad van Europa waar aangedrongen werd op een duidelijke scheiding van de gedwongen opname van geesteszieken en de plaatsing via een penale procedure wordt nu gesteld dat "behoudens andersluidende bepaling, het nieuwe juridische instrument van toepassing is op de zowel in burgerlijke zaken als in strafzaken bevolen gedwongen plaatsing en behandeling", (officieuze vertaling). Dit heeft consequenties voor de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers. In dit verband verwijst de Nationale Raad naar het eindverslag van de werkzaamheden van de commissie Internering voor de herziening van de hoger geciteerde wet (verslag commissie Internering - ministerie van Justitie – april 1999). De Nationale Raad is zo vrij u als bijlage zijn opmerkingen betreffende dit verslag over te maken.

Tweede belangrijk gegeven betreffende het toepassingsgebied van de voorstellen is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen gedwongen opneming en gedwongen behandeling. De huidige Belgische wetgeving maakt dit onderscheid niet : de meeste artsen zijn van mening dat een gedwongen opneming zonder behandeling niet logisch is maar sommigen zijn van oordeel dat gedwongen opneming, urgente situaties daargelaten, niet toelaat een patiënt zonder zijn toestemming te behandelen. De Nationale Raad is van oordeel dat duidelijkheid in dit vlak enkel positief kan zijn voor de patiënt, zijn naasten en de behandelaars.

De Nationale Raad is wel van oordeel dat elke procedure die een gedwongen behandeling voorafgaat eenvoudig en van korte duur dient te zijn (punt 6). Er moet vermeden worden dat een patiënt lange tijd opgenomen is zonder behandeling daar zelfs eenvoudige behandelingen de duur van het gedwongen verblijf aanzienlijk kunnen verkorten. De huidige voorstellen beantwoorden niet aan dit criterium. Zo wordt voorgesteld bij weigering van de zieke zijn vertegenwoordiger te consulteren. Nergens is bepaald hoe deze vertegenwoordiger zal worden aangeduid wat laat vermoeden dat de zieke zelf dit zal doen zoals hij momenteel volgens de vermelde wet van 26 juni 1990 ook zijn vertrouwenspersoon aanduidt. Er mag worden verwacht dat de zieke een vertegenwoordiger zal aanwijzen die zijn standpunt deelt waardoor tijd zal verloren gaan.

Overigens is de Nationale Raad van mening dat het bij gedwongen behandeling vergezocht is aan de behandelaars op te leggen hun behandelingsprogramma voor beslissing voor te leggen aan een onafhankelijke instantie. Wel ligt het voor de hand dat het behandelingsprogramma schriftelijk moet worden vastgelegd en dat alle wijzigingen dienen genoteerd te worden en in het dossier moeten terug te vinden zijn. De deontologie van de arts, zijn wetenschappelijke kennis, het toezicht van het behandelteam, het indirecte toezicht van de directie en de inspectie zijn een reeks waarborgen voor de patiënt die desgevallend ook via zijn raadsman bij de behandelaar kan tussenkomen en de zaak bij kortgeding kan aanhangig maken voor de rechtbank.

Daarnaast is het niet onbelangrijk erop te wijzen dat wordt voorgesteld (punt 11.7) onomkeerbare sterilisaties afhankelijk te maken van een beslissing van een gerechtelijke instantie of van een daarmee gelijkgesteld orgaan. Dit gaat verder dan de huidige medische deontologie maar de Nationale Raad is van oordeel dat elke bijkomende garantie die onder meer aan mentaal gehandicapten kan gegeven worden alleen kan onderschreven worden.

Overigens wenst de Nationale Raad te onderstrepen dat het contact tussen de gedwongen opgenomene en zijn familie zeer belangrijk kan zijn (punt 11.11) en dat bijv. ook korte bezoeken van de familie gedurende het verblijf van de patiënt zelfs in een afzonderingskamer dienen aanbevolen te worden. Verder is de Nationale Raad van oordeel dat contacten van de beslissende gerechtelijke instantie met de familie kunnen bijdragen tot een betere informatie van de rechter en adequate beslissingen (punt 14.4).

Ten slotte is de Nationale Raad van mening dat de huidige wet op de bescherming van de persoon van de geesteszieke van 26 juni 1990 na tien jaar toepassing aan een evaluatie toe is. Vanuit psychiatrische middens wordt op een herziening aangedrongen daar de ervaring enkele onvolkomenheden heeft aan het licht gebracht.

c.c. : M. VERWILGHEN, minister van Justitie; C. PICQUE, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek.

Bijlage : Ministerie van Justitie – Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering, Tijdschrift Nationale Raad van de Orde der geneesheren nr. 87, maart 2000, p. 17-19 :

De Nationale Raad wordt verzocht zijn bedenkingen te doen kennen bij het eindrapport dat door de multidisciplinaire Commissie Internering werd aangeboden aan de minister van Justitie.

Brief van de Nationale Raad aan de heer M. VERWILGHEN, minister van Justitie :

Geachte minister,

In zijn vergadering van 30 oktober 1999 ging de Nationale Raad over tot een tweede lezing van het eindverslag van de Commissie Internering. Zoals wij u meedeelden in ons schrijven van 29 september 1999, werd vooral aandacht geschonken aan het psychiatrisch deskundigenonderzoek en de behandeling van de geestesgestoorde delinquent. Deze twee onderdelen van het eindrapport zijn vanuit deontologisch oogpunt immers zeer belangrijk.

Het is voor een betichte essentieel dat de rechter deskundig geïnformeerd wordt over de aard en de ernst van een eventuele geestesstoornis en de impact ervan op zijn gedragingen.

Evenals de Commissie is de Nationale Raad van mening dat een psychiatrisch deskundigenonderzoek verplicht dient plaats te vinden alvorens een rechter op grond van een geestesstoornis een beslissing neemt(1). Deze opmerking geldt niet enkel voor de toepassing van de wet tot bescherming van de maatschappij maar zou een verplichting moeten zijn in alle gevallen waarin een gerechtelijke beslissing op grond van een geestesstoornis wordt genomen. Na kennisneming van het deskundigenonderzoek beslist de rechter immers nog steeds autonoom.

Wat het psychiatrisch deskundigenonderzoek betreft is de Nationale Raad van mening dat dit in de regel multidisciplinair dient te zijn en dit zowel bij inobservatiestelling als daarbuiten(2). Het bio-psycho-sociaal model is in de psychiatrie algemeen aanvaard zodat elke expertise best vanuit deze drie invalshoeken gebeurt. Wel dient de psychiater de eindverantwoordelijke te zijn die vrij zijn medewerkers kan kiezen. Deze bijkomende waarborg voor de volledigheid en degelijkheid van het rapport mag de onderzochte niet onthouden worden.

Overigens is de Nationale Raad van mening dat de aanstelling van een college van deskundigen(3) moet mogelijk blijven daar dit in moeilijke gevallen kan bijdragen tot een grotere objectiviteit van het deskundigenverslag. Voor de informatie van de rechter kan het nuttig zijn de mogelijkheid van een afwijkende mening te voorzien.

Zeer belangrijk voor de onderzochte is dat sluitende formules worden voorzien om de mening van een door de onderzochte aangewezen geneesheer in het debat te brengen. De Nationale Raad is van mening dat het tot de deontologische plicht van de artsen behoort de nodige "psychiatrische bijstand" te verlenen zoals in het eindverslag beoogd wordt(4). Het kan niet dat hulpvragers bij gebrek aan financiële middelen dienen af te zien van een rechtmatige verdediging van hun belangen. De Nationale Raad onderschrijft dan ook het voorstel van de Commissie waarbij de Koning na advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren bepaalt onder welke voorwaarden deze vorm van "psychiatrische bijstand" kan worden verleend.

Daarnaast treedt de Nationale Raad volledig het standpunt van de Commissie bij betreffende het statuut en de vorming van de gerechtsdeskundigen(5). In een schrijven van 29 april 1998 drong de Nationale Raad bij de toenmalige minister van Justitie reeds aan op de uitvoering van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek. De Nationale Raad stelde dat het opstellen van lijsten van experts best zou toevertrouwd worden aan bij de Hoven van Beroep op te richten commissies waaraan afgevaardigden van de provinciale raden zouden participeren.

Ten slotte wenst de Nationale Raad te benadrukken dat een strikte scheiding tussen de taken van de aangestelde deskundigen en de behandelaars aangewezen is. Daarom heeft de Nationale Raad vragen bij de stelling in het rapport dat de relatie die noodgedwongen ontstaat tussen de deskundige en de onderzochte deze laatste bijv. kan helpen om "de crisis die hij doormaakte" te boven te komen, hem meer ontvankelijk te maken voor de gerechtelijke procedure waarvan hij het voorwerp is en hem te overtuigen van de noodzaak een behandeling aan te gaan om terugval te voorkomen(6). De Nationale Raad kan aannemen dat een deskundige in uitzonderlijke omstandigheden "hulpverlener" wordt maar is van oordeel dat een duidelijke scheiding van deze opdrachten de regel hoort te zijn.

Als uitgangspunt voor de behandeling onderschrijft de Nationale Raad de door de Commissie vooropgezette ethische beginselen(7) die enerzijds de kwaliteit van de zorgverlening aan de geestesgestoorde delinquent beogen en anderzijds de veiligheid van de geïnterneerde en de maatschappij nastreven.

Ook kan de Nationale Raad de voorkeur van de Commissie delen betreffende een samenwerkingsakkoord tussen de ministers van Justitie en Volksgezondheid waarbij Volksgezondheid bevoegd is voor "behandeling" en Justitie verantwoordelijk blijft voor het luik "controle" over de geïnterneerde en voor de gerechtelijke beslissingen die ten aanzien van hem worden getroffen(8). Het onderscheid tussen "behandeling" en "controle" lijkt theoretisch eenvoudig te zijn maar wordt doorkruist met begrippen als "begeleiding", "verplichte begeleiding" en "sociaal-geneeskundige voogdij".

De Commissie opteerde voor een pragmatische oplossing en vertrok van zes situaties om de grenzen van het beroepsgeheim af te bakenen(9). De Nationale Raad vindt in vijf van de zes door de Commissie voorgestelde antwoorden zijn advies inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik terug en gaat volledig akkoord met het naar analogie toepassen van dit advies op de geestesgestoorde delinquent. Wat de derde situatie betreft waarbij de geestesgestoorde delinquent niet investeert in de voorgestelde behandeling meent de Nationale Raad dat dit niet-investeren minstens op een onweerlegbare wijze moet aan te tonen zijn alvorens dit kan gelijkgesteld worden met het onregelmatig verschijnen op de afspraken.

De Nationale Raad realiseert zich dat het inroepen van de "noodtoestand" de burgerrechtelijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de aangever op het spel kan zetten zodat wetgevend werk in dit vlak geruststellend zou zijn voor de aangever. Nochtans is de Nationale Raad van mening dat een tekst als in artikel 7 van de wet van 5 maart 1998 ("... moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan gerezen zijn.") veel te vaag is en onvoldoende aangeeft dat een ernstige bedreiging voor andermans leven en integriteit moet aanwezig zijn alvorens men zich op een meldingsrecht kan beroepen(10).

Wat het door de Commissie voorgestelde meldingsrecht op verzoek van de geïnterneerde betreft(11), meent de Nationale Raad dat het creëren van deze mogelijkheid de behandelaar in een zeer moeilijk parket kan brengen en zelfs voor de geïnterneerden als groep niet gunstig is. Wanneer een geïnterneerde weet dat een behandelaar met zijn toestemming verslag mag uitbrengen zal hij deze onder druk zetten om een gunstig verslag te bekomen terwijl de behandelaar, om de moeizaam opgebouwde relatie niet te hypothekeren, "welwillend" zou kunnen zijn in zijn verslaggeving. Anderzijds zullen de geïnterneerden waarover geen (gunstige) verslagen werden uitgebracht terecht als negatief worden beoordeeld. De Nationale Raad is van oordeel dat behandelaars in delicate materies als deze zich zelfs best onthouden van een getuigenis in rechte daar dit het vertrouwen van de groep geestesgestoorde delinquenten in de behandelaars als groep eerder zal ondermijnen dan bevorderen.

Overigens heeft de Nationale Raad heel wat vragen bij de voorgestelde driehoeksovereenkomst aangaande de behandeling tussen de geïnterneerde, de CMB en de therapeut of dienst die de behandeling op zich neemt(12).

Vooreerst meent de Nationale Raad dat van een dergelijke overeenkomst in het kader van een gedwongen behandeling moeilijk kan worden gezegd dat zij vrij, d.w.z. "met het uitdrukkelijk akkoord van de geïnterneerde", wordt aangegaan. Positief is wel dat de geïnterneerde exact geïnformeerd wordt over wat hem te wachten staat wanneer bepaalde afspraken niet nageleefd worden.

Anderzijds is het de vraag of een gemis aan motivatie of inzet voor de behandeling op een voor de geïnterneerde onweerlegbare manier aan te tonen is terwijl afspraken rond stopzetting van de behandeling en het informeren van de CMB wanneer de geïnterneerde zichzelf of derden ernstig in gevaar brengt nauwelijks tot niet te verzoenen zijn met de noodzakelijke vertrouwensrelatie en de vrijmoedige dialoog tussen arts en patiënt, die de basis zijn van elke therapie. Bij afwezigheid van wettelijke regeling voor de "noodtoestand", zal elke behandelaar in eer en geweten moeten oordelen of hij de CMB informeert. Het is weinig waarschijnlijk dat het bestaan van een schriftelijke driehoeks-overeenkomst, waarvan het vrijwillig engagement gemakkelijk te betwisten is, de aangever zal vrijwaren van burgerlijke en/of strafrechtelijke procedures. De Nationale Raad kan zich niet van de indruk ontdoen dat de antwoorden op de zes geschetste situaties ter afbakening van het beroepsgeheim door de voorgestelde overeenkomst sterk afgezwakt worden.

1 p. 45, Eindverslag van de Commissie Internering voor de herziening van de Wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij. 2 p. 49 en p. 50, Eindverslag.
3 eveneens p. 49, Eindverslag.
4 p. 48 en ook p. 49, Eindverslag.
5 p. 46 en p. 47, Eindverslag.
6 p. 45, Eindverslag.
7 p. 74, Eindverslag.
8 p. 74, Eindverslag.
9 p. 92, p. 93, p. 94, Eindverslag.
10 p. 94 en p. 95, Eindverslag.
11 p. 96, Eindverslag.
12 p. 97 en p. 98, Eindverslag.

Expertise20/11/1999 Documentcode: a087021
Rijgeschiktheid van psychiatrische patiënten

Een LOK-groep doet de Nationale Raad een kopie geworden van de brief die hij richtte tot de minister van Volksgezondheid in verband met de problematiek van de rijgeschiktheid van psychiatrische patiënten, in het licht van het K.B. van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. Uit dit schrijven blijkt dat de LOK-groep vreest dat de psychiatrische praktijkvoering door de vermelde wetgeving ten zeerste bemoeilijkt zal worden.

Advies van de Nationale Raad:

In zijn vergadering van 20 november 1999 zette de Nationale Raad de bespreking voort van uw schrijven van 9 september 1999 betreffende het psychisch ziek zijn en rijbekwaamheid in het licht van het K.B. van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

Vooreerst wenst de Nationale Raad er de aandacht op te vestigen dat in het K.B. enkel sprake is van een door de kandidaat vrij gekozen geneesheer (artikel 41, §2) waarop de kandidaat een beroep hoort te doen wanneer hij meent geen verklaring op zijn woord van eer te kunnen ondertekenen waarbij hij bevestigt bij zijn weten niet te lijden aan één van de lichaamsgebreken of -aandoeningen genoemd in bijlage 6, voorgeschreven voor groep 1. In artikel 46, §1, wordt gezegd dat deze geneesheer, wanneer hij vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de in bijlage 6 vastgestelde geneeskundige normen, de belanghebbende op de hoogte moet stellen van de verplichting om zijn rijbewijs in te leveren bij de overheid bedoeld in artikel 7. Te noteren valt dat deze bepalingen enkel gelden voor rijbewijzen van de categorieën A3, A, B of B + E. Voor alle andere categorieën van rijbewijs dienen de kandidaten onderzocht te worden door een geneesheer van een medisch centrum van de Sociaal Medische Rijksdienst of door een geneesheer die in zijn plaats kan optreden.

In zijn advies van 16 april 1994 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 65, september 1994, p. 18) stelde de Nationale Raad dat de vrij gekozen geneesheer niet de behandelende geneesheer (huisarts) van de aanvrager van het rijbewijs kan zijn vermits het gevraagde onderzoek gelijk staat met een expertise-onderzoek. Het is evident dat dezelfde deontologische regel geldt voor een geneesheer-specialist die de behandelende geneesheer van de aanvrager van een rijbewijs is.

Uit wat voorafgaat kan echter niet worden besloten dat de behandelende geneesheren geen enkele informatieplicht hebben ten aanzien van hun patiënten die een rijbewijs wensen of over een rijbewijs beschikken. Een behandelende geneesheer is niet enkel verplicht zijn patiënt te informeren over de aard van de vastgestelde aandoening maar eveneens over de consequenties daarvan voor bepaalde gedragingen. Zo zal de arts er bijvoorbeeld zijn patiënt op wijzen dat de aandoening waaraan hij lijdt desgevallend niet compatibel is met de professionele arbeid die hij verricht of met het besturen van een wagen. Hij zal hem wijzen op de eventuele ernstige consequenties bij het verwaarlozen van deze informatie als bijvoorbeeld het veroorzaken van ongevallen , de weigering van de verzekeraar van de wagen tot tussenkomst, het intrekken van het rijbewijs enz. Wanneer de behandelende geneesheer vaststelt dat zijn patiënt, niettegenstaande alle waarschuwingen, een wagen blijft besturen en hij in geweten oordeelt dat deze persoon ongevallen kan veroorzaken met alle ernstige gevolgen vandien voor hemzelf en voor derden, kan deze "noodtoestand" verrechtvaardigen dat hij de procureur des Konings zijn twijfels meedeelt inzake de rijbekwaamheid van deze persoon (advies van de Nationale Raad van 15 december 1990 en 21 maart 1992, Tijdschrift Nationale Raad, nr. 56, juni 1992, p. 41).

Op de in uw schrijven aangehaalde redenen waardoor "deze wet een kwalitatief hoogstaande psychiatrische behandeling onmogelijk maakt", meent de Nationale Raad de volgende bemerkingen te moeten maken :

1. In zijn advies van 16 april 1994 stelde de Nationale Raad onder meer dat het buiten zijn bevoegdheid valt zich uit te spreken over de medische criteria betreffende het rijbewijs. De wetenschappelijke verenigingen van artsen en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde zouden in dit verband kunnen tussenkomen. Nochtans meent de Nationale Raad dat zelfs "bij een strikte toepassing van de wet" het weinig waarschijnlijk is dat "bijna alle psychiatrische patiënten als rijonbekwaam moeten worden beoordeeld".

2. Nergens staat geschreven dat het tot de exclusieve verantwoordelijkheid van de psychiater behoort de patiënt grondig te informeren over zijn rijgeschiktheid waarmee dit sterk interfereert met de bespreking van andere themata die op therapeutisch vlak een veel grotere betekenis hebben. De behandelende psychiater kan steeds overleggen met de mede¬behandelaars op welke wijze en door wie de patiënt zal geïnformeerd worden aangaande zijn rijongeschiktheid.

3. Uit de tot op heden gepubliceerde rechtspraak blijkt dat de informatie¬plicht ook slaat op de risico's verbonden aan een bepaald gedrag bij een bepaalde aandoening maar dat dit niet betekent dat de patiënt en zijn omgeving hun eigen aansprakelijkheid kunnen afwentelen op de behandelende geneesheer.

4. De vertrouwensrelatie arts-patiënt is essentieel in elke behandeling maar deze vertrouwensrelatie kan ook ondermijnd worden door het niet verstrekken van de nodige informatie betreffende de risico's verbonden aan het besturen van een wagen wanneer men zijn patiënt daartoe niet in staat acht.

De Nationale Raad is van oordeel dat het tot de deontologische plicht van elke arts behoort de patiënt te informeren over de repercussie van een vastgestelde aandoening op zijn mogelijkheden tot het besturen van een voertuig. Afhankelijk van de risicograad, het verwachte effect van de informatie op het gedrag van de patiënt en de vertrouwensrelatie zal de behandelende psychiater een keuze dienen te maken uit de hoger geschetste mogelijkheden tot informatie van zijn patiënt.

Een kopie van dit advies wordt overgemaakt aan:
- mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu;
- de heer C. DECOSTER, directeur-generaal Bestuur van de gezondheidszorgen - ministerie van Sociale zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu;
- dokter M. MOENS, Belgische Vereniging van Artsensyndicaten;
- professor dokter CREVITS, Vlaamse Zenuwartsen;
- dokter P. LIEVENS, Belgische Professionele Vereniging van neurologen en psychiaters.

Advies van de Nationale Raad van 16 april 1994 :

In aansluiting aan onze brief van 19 februari 1994 (ref.: 25339/RS/25057) heb ik de eer U mede te delen dat de Nationale Raad in zijn vergadering van 16 april 1994 uw brief van 10 februari 1994 met bijlagen (Uw kenmerken: D2/1.4.2/EEG/115/MS) betreffende de aanpassing van de Belgische Reglementering aan bijlage 3 van de Richtlijn 91/439/EEG van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs verder heeft onderzocht.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren legt er de nadruk op dat in elke stap i.v.m. de beoordeling van de fysieke en psychische geschiktheid, het medisch beroepsgeheim en de privésfeer van de kandidaat dienen geëerbiedigd te worden en dat bijgevolg alle briefwisseling zal dienen gericht aan, resp. dienen uit te gaan van, de arts van de Centraal Medische Dienst, die dan ook met naam aan de keurend arts moet worden bekend gemaakt.

De keurend arts kan niet de behandelend geneesheer (huisarts) van de aanvrager zijn, vermits het een expertise onderzoek betreft.

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren spreekt zich niet uit over de voorgestelde medische criteria zelf omdat zulks buiten zijn bevoegdheid valt.

De documenten waarop de keurend arts omnipracticus of specialist zijn vaststellingen dient neer te schrijven en waarnaar verwezen wordt in doc. 3 werden niet aan de Nationale Raad van de Orde der geneesheren voorgelegd zodat hij zich daarover niet kan uitspreken.

Advies van de Nationale Raad van 21 maart 1992

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 maart 1992 kennis genomen van uw brief van 4 februari 1992 met betrekking tot de "toestemming om het beroepsgeheim te schenden ten aanzien van de procureur des Konings wanneer een patiënt aan een aandoening lijdt die hem ongeschikt maakt om een voertuig te besturen".

Hij verwijst naar zijn advies van 15 december 1990, dat gepubliceerd werd in het Officieel Tijdschrift nr. 51 van maart 1991.

Ter herinnering: Advies van 15 december 1990:

De Nationale Raad hecht zijn goedkeuring aan Uw ontwerpantwoord mits de op een na laatste alinea als volgt gewijzigd wordt:

"Indien U dus gewetensvol besluit dat de betrokken persoon een ongeval kan veroorzaken met zware gevolgen voor haarzelf of voor derden, kan deze "noodsituatie" rechtvaardigen dat U de Procureur des Konings op de hoogte brengt van Uw twijfels in verband met de rijvaardigheid van deze persoon".

Beroepsgeheim30/10/1999 Documentcode: a087008
Ministerie van Justitie - Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering

Ministerie van Justitie – Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering

De Nationale Raad wordt verzocht zijn bedenkingen te doen kennen bij het eindrapport dat door de multidisciplinaire Commissie Internering werd aangeboden aan de minister van Justitie.

Brief van de Nationale Raad aan de heer M. VERWILGHEN, minister van Justitie :

Geachte minister,

In zijn vergadering van 30 oktober 1999 ging de Nationale Raad over tot een tweede lezing van het eindverslag van de Commissie Internering. Zoals wij u meedeelden in ons schrijven van 29 september 1999, werd vooral aandacht geschonken aan het psychiatrisch deskundigenonderzoek en de behandeling van de geestesgestoorde delinquent. Deze twee onderdelen van het eindrapport zijn vanuit deontologisch oogpunt immers zeer belangrijk.

Het is voor een betichte essentieel dat de rechter deskundig geïnformeerd wordt over de aard en de ernst van een eventuele geestesstoornis en de impact ervan op zijn gedragingen.

Evenals de Commissie is de Nationale Raad van mening dat een psychiatrisch deskundigenonderzoek verplicht dient plaats te vinden alvorens een rechter op grond van een geestesstoornis een beslissing neemt (1). Deze opmerking geldt niet enkel voor de toepassing van de wet tot bescherming van de maatschappij maar zou een verplichting moeten zijn in alle gevallen waarin een gerechtelijke beslissing op grond van een geestesstoornis wordt genomen. Na kennisneming van het deskundigenonderzoek beslist de rechter immers nog steeds autonoom.

Wat het psychiatrisch deskundigenonderzoek betreft is de Nationale Raad van mening dat dit in de regel multidisciplinair dient te zijn en dit zowel bij inobservatiestelling als daarbuiten(2) . Het bio-psycho-sociaal model is in de psychiatrie algemeen aanvaard zodat elke expertise best vanuit deze drie invalshoeken gebeurt. Wel dient de psychiater de eindverantwoordelijke te zijn die vrij zijn medewerkers kan kiezen. Deze bijkomende waarborg voor de volledigheid en degelijkheid van het rapport mag de onderzochte niet onthouden worden.

Overigens is de Nationale Raad van mening dat de aanstelling van een college van deskundigen (3) moet mogelijk blijven daar dit in moeilijke gevallen kan bijdragen tot een grotere objectiviteit van het deskundigenverslag. Voor de informatie van de rechter kan het nuttig zijn de mogelijkheid van een afwijkende mening te voorzien.

Zeer belangrijk voor de onderzochte is dat sluitende formules worden voorzien om de mening van een door de onderzochte aangewezen geneesheer in het debat te brengen. De Nationale Raad is van mening dat het tot de deontologische plicht van de artsen behoort de nodige "psychiatrische bijstand" te verlenen zoals in het eindverslag beoogd wordt (4). Het kan niet dat hulpvragers bij gebrek aan financiële middelen dienen af te zien van een rechtmatige verdediging van hun belangen. De Nationale Raad onderschrijft dan ook het voorstel van de Commissie waarbij de Koning na advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren bepaalt onder welke voorwaarden deze vorm van "psychiatrische bijstand" kan worden verleend.

Daarnaast treedt de Nationale Raad volledig het standpunt van de Commissie bij betreffende het statuut en de vorming van de gerechtsdeskundigen (5). In een schrijven van 29 april 1998 drong de Nationale Raad bij de toenmalige minister van Justitie reeds aan op de uitvoering van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek. De Nationale Raad stelde dat het opstellen van lijsten van experts best zou toevertrouwd worden aan bij de Hoven van Beroep op te richten commissies waaraan afgevaardigden van de provinciale raden zouden participeren.

Tenslotte wenst de Nationale Raad te benadrukken dat een strikte scheiding tussen de taken van de aangestelde deskundigen en de behandelaars aangewezen is. Daarom heeft de Nationale Raad vragen bij de stelling in het rapport dat de relatie die noodgedwongen ontstaat tussen de deskundige en de onderzochte deze laatste bijv. kan helpen om "de crisis die hij doormaakte" te boven te komen, hem meer ontvankelijk te maken voor de gerechtelijke procedure waarvan hij het voorwerp is en hem te overtuigen van de noodzaak een behandeling aan te gaan om terugval te voorkomen(6) . De Nationale Raad kan aannemen dat een deskundige in uitzonderlijke omstandigheden "hulpverlener" wordt maar is van oordeel dat een duidelijke scheiding van deze opdrachten de regel hoort te zijn.

Als uitgangspunt voor de behandeling onderschrijft de Nationale Raad de door de Commissie vooropgezette ethische beginselen (7) die enerzijds de kwaliteit van de zorgverlening aan de geestesgestoorde delinquent beogen en anderzijds de veiligheid van de geïnterneerde en de maatschappij nastreven.

Ook kan de Nationale Raad de voorkeur van de Commissie delen betreffende een samenwerkingsakkoord tussen de ministers van Justitie en Volksgezondheid waarbij Volksgezondheid bevoegd is voor "behandeling" en Justitie verantwoordelijk blijft voor het luik "controle" over de geïnterneerde en voor de gerechtelijke beslissingen die ten aanzien van hem worden getroffen (8). Het onderscheid tussen "behandeling" en "controle" lijkt theoretisch eenvoudig te zijn maar wordt doorkruist met begrippen als "begeleiding", "verplichte begeleiding" en "sociaal-geneeskundige voogdij".

De Commissie opteerde voor een pragmatische oplossing en vertrok van zes situaties om de grenzen van het beroepsgeheim af te bakenen (9). De Nationale Raad vindt in vijf van de zes door de Commissie voorgestelde antwoorden zijn advies inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik terug en gaat volledig akkoord met het naar analogie toepassen van dit advies op de geestesgestoorde delinquent. Wat de derde situatie betreft waarbij de geestesgestoorde delinquent niet investeert in de voorgestelde behandeling meent de Nationale Raad dat dit niet-investeren minstens op een onweerlegbare wijze moet aan te tonen zijn alvorens dit kan gelijkgesteld worden met het onregelmatig verschijnen op de afspraken.

De Nationale Raad realiseert zich dat het inroepen van de "noodtoestand" de burgerrechtelijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de aangever op het spel kan zetten zodat wetgevend werk in dit vlak geruststellend zou zijn voor de aangever. Nochtans is de Nationale Raad van mening dat een tekst als in artikel 7 van de wet van 5 maart 1998 ("... moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan gerezen zijn.") veel te vaag is en onvoldoende aangeeft dat een ernstige bedreiging voor andermans leven en integriteit moet aanwezig zijn alvorens men zich op een meldingsrecht kan beroepen (10).

Wat het door de Commissie voorgestelde meldingsrecht op verzoek van de geïnterneerde betreft (11), meent de Nationale Raad dat het creëren van deze mogelijkheid de behandelaar in een zeer moeilijk parket kan brengen en zelfs voor de geïnterneerden als groep niet gunstig is. Wanneer een geïnterneerde weet dat een behandelaar met zijn toestemming verslag mag uitbrengen zal hij deze onder druk zetten om een gunstig verslag te bekomen terwijl de behandelaar, om de moeizaam opgebouwde relatie niet te hypothekeren, "welwillend" zou kunnen zijn in zijn verslaggeving. Anderzijds zullen de geïnterneerden waarover geen (gunstige) verslagen werden uitgebracht terecht als negatief worden beoordeeld. De Nationale Raad is van oordeel dat behandelaars in delicate materies als deze zich zelfs best onthouden van een getuigenis in rechte daar dit het vertrouwen van de groep geestesgestoorde delinquenten in de behandelaars als groep eerder zal ondermijnen dan bevorderen.

Overigens heeft de Nationale Raad heel wat vragen bij de voorgestelde driehoeksovereenkomst aangaande de behandeling tussen de geïnterneerde, de CMB en de therapeut of dienst die de behandeling op zich neemt (12).

Vooreerst meent de Nationale Raad dat van een dergelijke overeenkomst in het kader van een gedwongen behandeling moeilijk kan worden gezegd dat zij vrij, d.w.z. "met het uitdrukkelijk akkoord van de geïnterneerde", wordt aangegaan. Positief is wel dat de geïnterneerde exact geïnformeerd wordt over wat hem te wachten staat wanneer bepaalde afspraken niet nageleefd worden.

Anderzijds is het de vraag of een gemis aan motivatie of inzet voor de behandeling op een voor de geïnterneerde onweerlegbare manier aan te tonen is terwijl afspraken rond stopzetting van de behandeling en het informeren van de CMB wanneer de geïnterneerde zichzelf of derden ernstig in gevaar brengt nauwelijks tot niet te verzoenen zijn met de noodzakelijke vertrouwensrelatie en de vrijmoedige dialoog tussen arts en patiënt, die de basis zijn van elke therapie. Bij afwezigheid van wettelijke regeling voor de "noodtoestand", zal elke behandelaar in eer en geweten moeten oordelen of hij de CMB informeert. Het is weinig waarschijnlijk dat het bestaan van een schriftelijke driehoeks-overeenkomst, waarvan het vrijwillig engagement gemakkelijk te betwisten is, de aangever zal vrijwaren van burgerlijke en/of strafrechtelijke procedures. De Nationale Raad kan zich niet van de indruk ontdoen dat de antwoorden op de zes geschetste situaties ter afbakening van het beroepsgeheim door de voorgestelde overeenkomst sterk afgezwakt worden.

(1) p. 45 Eindverslag van de Commissie Internering voor de herziening van de Wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij.
(2) p. 49 en p. 50 Eindverslag.
(3) eveneens p. 49 Eindverslag.
(4) p. 48 en ook p. 49 Eindverslag.
(5) p. 46 en p. 47 Eindverslag.
(6) p. 45 Eindverslag.
(7) p. 74 Eindverslag.
(8) p. 74 Eindverslag.
(9) p. 92, p. 93, p. 94 Eindverslag.
(10) p. 94 en p. 95 Eindverslag.
(11) p. 96 Eindverslag.
(12) p. 97 en p. 98 Eindverslag.

Beroepsgeheim24/04/1999 Documentcode: a085004
Opname in een psychiatrisch ziekenhuis - Mededeling aan politie of procureur des Konings

Een provinciale raad maakt de Nationale Raad volgende vragen over van de hoofdgeneesheer van een psychiatrisch ziekenhuis:

  1. mag een geneesheer aan de politie of de procureur des Konings antwoorden of iemand al dan niet opgenomen is in een psychiatrische kliniek?
    Maakt het dan een verschil of het gaat over een gedwongen opname, of het gaat om een minderjarige, of het volgens de politie gaat om een onrustwekkende verdwijning?

  2. is er bij het opstellen van de ministeriële richtlijn d.d. 22 juli 1997 met betrekking tot de opsporing van vermiste personen door het ministerie van Justitie advies gevraagd van de Orde der geneesheren?
    Indien dit niet het geval was, laat deze ministeriële richtlijn de overheid dan toe eventueel inlichtingen op te vragen en onder welke modaliteiten?

  3. indien het niet zo is dat de ministeriële richtlijn de overheid toelaat deze zaken op te vragen, is het vragen van de politie en de overheid dan niet te beschouwen als een aanzetten tot het schenden van het beroepsgeheim?

Antwoord van de Nationale Raad:

In zijn vergadering van 24 april onderzocht de Nationale raad van de Orde der geneesheren uw vraag om advies d.d. 11 maart 1999 betreffende de medewerking van ziekenhuisartsen aan de opsporing van vermiste personen wat formeel strijdig is met het beroepsgeheim en eerder uitgebrachte adviezen van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren. Als bijlage bij uw vraag om advies werd een afschrift ingesloten van een aan uw Provinciale Raad overgemaakte brief van een hoofdgeneesheer van een psychiatrisch ziekenhuis. Uit de voorgelegde situatieschetsen blijkt dat de gestelde vraag zich niet beperkt tot de artsen verbonden aan psychiatrische ziekenhuizen maar betrekking heeft op alle ziekenhuisartsen.

Aanleiding tot de vraag zijn de opdrachten voor de gerechtelijke overheid en de politie vervat in de ministeriële richtlijn van 22 juli 1997 met betrekking tot opsporing van vermiste personen. Hieruit blijkt dat onder de "initiële reacties" bij de aangifte van een verdwijning o.m. het uitvoeren van een algemene controle valt met contactname van andere politiediensten en verificatie van de stations, de ziekenhuizen en de gevangenissen.
Opvallend in de ministeriële richtlijn is dat de ziekenhuizen op één lijn worden geplaatst met de stations en de gevangenissen - daar waar bv. van hotels geen sprake is - en dat de verificatie dient te gebeuren vóór de bevoegde dienstdoende officier van de gerechtelijke politie of de dienstdoende parketmagistraat de verdwijning als onrustwekkend heeft getaxeerd. (Uit de overgemaakte stukken blijkt dat niet steeds een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het vermist zijn van een persoon en een onrustwekkende verdwijning).

Deze ministeriële richtlijn van 22 juli 1997 is bestemd voor magistraten en politiediensten. Zij kan in geen geval wat de artsen betreft worden gelijkgesteld met een van de negen wettelijke uitzonderingen op het beroepsgeheim zoals voorzien in artikel 58 van de Code van geneeskundige Plichtenleer. Daarnaast stelde de Nationale Raad herhaaldelijk dat "een opname in een ziekenhuis strikt genomen onder het beroepsgeheim valt" (adviezen van 13 juni 1981, 12 februari 1983 en 24 augustus 1991).

Dit principe verder handhaven kan overkomen als een zuiver theoretische stelling die in de praktijk dode letter geworden is. Dit neemt echter niet weg dat er patiënten zijn die erop staan dat hun opname geheim gehouden wordt en in uitzonderlijke gevallen slechts onder die voorwaarde akkoord gaan met een klinische observatie en/of behandeling. Om dezelfde reden zullen artsen bij voorkeur ontwenningskuren volgen buiten hun regio en zullen VIPS daarvoor naar het buitenland gaan. Bij opneming dient een patiënt de kans te krijgen zijn wil in dit vlak kenbaar te maken en het behoort desgevallend tot de taak van de arts de nodige maatregelen te treffen om de hospitalisatie voor de buitenwereld geheim te houden. Bijzondere voorzorgsmaatregelen, waar een minimum aan creativiteit voor volstaat, zullen meestal noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het ziekenhuispersoneel de wensen van de gehospitaliseerde niet respecteert.

Concrete problemen rijzen wanneer patiënten hun hospitalisatie voor hun omgeving willen geheim houden, de omgeving hen als vermist opgeeft, de politie de aanmelding ernstig neemt en in uitvoering van de ministeriële richtlijn de ziekenhuizen contacteert. De Nationale Raad is van oordeel dat het recht van de zieke op geheimhouding moet gerespecteerd worden maar dat de behandelende arts anderzijds dient te voorkomen dat de opsporing verder gaat. In overleg met de procureur des Konings moet het mogelijk zijn tot een formule te komen die beide doelstellingen realiseert. Wanneer dit overleg (nog) niet plaatsvond lijkt het aangewezen dat de behandelende arts een tussenpersoon contacteert bv. de voorzitter van de Provinciale Raad van de Orde der geneesheren die de bevoegde parketmagistraat kan meedelen dat er geen redenen voorhanden zijn om de verdwijning als verontrustend te beschouwen.

Beroepsgeheim24/04/1999 Documentcode: a085003
Bescherming van de persoonlijke levenssfeer - Onrustwekkende verdwijning van een patiënt uit een psychiatrisch ziekenhuis - Aangifte - Psychiatrische thuiszorg - Ontslagformulier

Bescherming van de persoonlijke levenssfeer Onrustwekkende verdwijning van een patiënt uit een psychiatrisch ziekenhuis - Aangifte Psychiatrische thuiszorg - Ontslagformulier

Een provinciale raad maakt de Nationale Raad een adviesaanvraag over van een psychiatrisch ziekenhuis dat bepaalde formulieren in gebruik wenst te nemen maar zich de vraag stelt of de privacy van de patiënten wel voldoende zal gewaarborgd zijn.
Het eerste ontwerpformulier betreft de onrustwekkende verdwijning van een patiënt en de verplichte aangifte hiervan overeenkomstig de ministeriële richtlijn d.d. 22 juli 1997 met betrekking tot de opsporing van vermiste personen. Het ziekenhuis is van oordeel dat in de checklist van verhoor van de aangever een aantal gegevens gevraagd worden die strijdig zijn met de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Daarom heeft het ziekenhuis zelf een formulier voor de aangifte van verdwijningen uitgewerkt.
Een tweede ontwerpformulier waarover advies gevraagd wordt is opgesteld ten behoeve van de familiehulp bij psychiatrische thuisverzorging.

Advies van de Nationale Raad:

Bij de aangifte van verdwijningen dient de geneesheer er rekening mee te houden dat de gerechtelijke overheid zal beslissen over het al dan niet zorgwekkend karakter van de verdwijning en de toepassing van de ministeriële richtlijn van 22 juli 1997 met betrekking tot de opsporing van vermiste personen.

Deze ministeriële richtlijn bestaat uit algemene richtlijnen met betrekking tot opsporing van vermiste personen, checklists ter ondersteuning van de onmiddellijke reacties en nuttige informatie betreffende de problematiek. Zij is bestemd voor magistraten en politiediensten. Een analyse van de richtlijn leert dat zij niet enkel slaat op gevallen "waarin de vermiste persoon het slachtoffer is geworden van een ontvoering" maar eveneens kan van toepassing zijn bij verdwijningen "om persoonlijke redenen". Zo kan een verdwijning door de dienstdoende officier van de gerechtelijke politie of de dienstdoende parketma¬gistraat als onrustwekkend worden beschouwd wanneer het vermoeden be¬staat dat de vermiste persoon in levensgevaar kan zijn (bv. aanwijzingen van zelfdoding) of een bedreiging kan betekenen voor de fysieke integriteit van derden.

Bij het aangeven van verdwijningen en het verstrekken van inlichtingen aan de gerechtelijke overheid moet de geneesheer er zich van bewust zijn dat hij omwille van een hoger belang (opsporen van een vermiste) gegevens prijsgeeft die hij op basis van het beroepsgeheim dient te verzwijgen. Een ministeriële richtlijn ontslaat hem niet van deze zwijgplicht.

Wat de aangifte van verdwijningen betreft dient een fundamenteel onderscheid te worden gemaakt tussen de verdwijning van gedwongen opgenomen patiënten en de verdwijning van een vrijwillig opgenomen patiënt. In het eerste geval dient de directeur van de instelling zich te gedragen als voorzien in artikel 10 van het K.B. van 18 juli 1991 ter uitvoering van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en moet hij o.m. de procureur des Konings verwittigen. Bij de verdwijning van een vrijwillig opgenomen patiënt is er geen wettelijke verplichting tot aangifte zodat de geneesheer in eer en geweten dient uit te maken of hij niettegenstaande zijn zwijgplicht aangifte zal doen. Doorslaggevend criterium bij deze keuze zal zijn of de behandelende geneesheer van oordeel is of de geestestoestand van zijn patiënt een ernstig gevaar inhoudt voor het leven en de gezondheid van de vermiste of/en een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven en integriteit.

Het ligt voor de hand dat de geneesheer bij het aangeven van een verdwijning de inlichtingen verstrekt die hij noodzakelijk acht om de opsporing te bevorde¬ren en incidenten of ongevallen te voorkomen bij het aantreffen van de vermis¬te patiënt. De geneesheer dient bij het verstrekken van informatie en bij het beantwoorden van vragen uit te maken of het meedelen van bepaalde gegevens, die onder het beroepsgeheim vallen, wel degelijk noodzakelijk is voor de opsporing van de vermiste. Zo dient hij zeer behoedzaam om te gaan met gegevens die acheraf nadelig kunnen zijn voor zijn patiënt (bv. druggebruiker, dealer, ...), zijn privacy schenden (bv. bepaalde relaties) , of nodeloos derden betrekken bij de opsporing.

Wanneer voor de aangifte van verdwijningen standaardformulieren ontworpen worden, mogen deze enkel die voorgedrukte items bevatten waarvan de invulling voor elke verdwijning noodzakelijk is (identificatiegegevens, tijdstip van de verdwijning, persoonsbeschrijving, meegenomen bezittingen, reden van aangifte, te verwachten gedrag bij het aantreffen van de vermiste). Eventueel kan op het aangifteformulier een ruimte worden voorzien voor het verstrekken van specifieke informatie die voor de opsporing in een concreet geval noodzakelijk is.

De Nationale Raad is van oordeel dat bij een zorgwekkende verdwijning van een psychiatrische patiënt overleg met de gerechtelijke overheid meer aangewezen is dan het verstrekken van gegevens via standaardformulieren.

Wat de voor advies overgemaakte ontslagformulieren voor psychiatrische patiënten betreft is de Nationale Raad van oordeel dat deze in eerste instantie het voorwerp van overleg dienen te zijn tussen de provinciale raad en het kwestieuze ziekenhuis. Indien zich in dat vlak problemen mochten stellen die geen antwoord vinden in de vigerende deontologische regels, kan deze vraag aan de Nationale Raad worden voorgelegd.

Beroepsgeheim22/08/1998 Documentcode: a082013
Electronische armbanden bij psychiatrische patiënten

Elektronische armbanden bij psychiatrische patiënten

De commissie voor medische ethiek die de Nationale Raad om advies gevraagd had over de tv-bewaking van geesteszieken schrijft dat zij met het advies van de Nationale Raad van 25 april 1998 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 81, p. 11-12) slechts een gedeeltelijk antwoord krijgt op haar vraag.
De commissie vraagt nu meer precies advies over de te nemen voorzorgsmaatregelen op juridisch en ethisch vlak bij gebruik van elektronische armbanden die de afwezigheid van een gehospitaliseerde patiënt in een specifieke afdeling signaleren of ervoor waarschuwen dat de patiënt zich buiten de muren van de instelling begeeft.

Advies van de Nationale Raad:

Tijdens zijn vergadering van 22 augustus 1998 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brieven van 25 april 1998 en 17 mei 1998, aan-gaande de tv-bewaking van gehospitaliseerde geesteszieken, verder besproken.

Het gebruik van elektronische armbanden bij gehospitaliseerde psychiatrische patiënten is een nieuw en delicaat probleem waarover op wereldvlak nauwelijks literatuur bestaat.

Het uitgangspunt bij de ethische reflectie over dit probleem dient te zijn dat een psychiatrisch ziekenhuis in eerste instantie een plaats is waar zieken opgenomen worden om behandeld te worden.

Het staat vast dat de cultuur en het milieu binnen een psychiatrisch ziekenhuis enerzijds belangrijke elementen zijn in het behandelproces en anderzijds belangrijke factoren zijn in de beeldvorming over het psychiatrisch ziekenhuis met o.m. een weerslag op de toegankelijkheid van het psychiatrisch ziekenhuis en op de graad van weerstand bij patiënten wanneer opneming wordt voorgesteld. Het is dan ook belangrijk voorafgaandelijk in te schatten wat het effect zal zijn van het gebruik van elektronische armbanden op het milieu en de cultuur binnen een psychiatrisch ziekenhuis en op de daarmee samenhangende invloed op de beeldvorming.

Daarnaast kan niet worden ontkend dat in een psychiatrisch ziekenhuis patiënten opgenomen worden die niet enkel een behandeling maar ook een verhoogd toezicht vereisen daar de toestand waarin zij zich bevinden hun gezondheid en veiligheid ernstig in gevaar brengt of een bedreiging vormt voor andermans leven en integriteit. Dergelijke patiënten kunnen zowel op vrijwillige basis opgenomen zijn als bij toepassing van de Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke van 26 juni 1990.

Men kan niet blind zijn voor de nieuwe mogelijkheden die het gebruik van elektronische armbanden biedt. Daardoor kan het toezicht vergroot en vergemakkelijkt worden, kunnen bewegingsvrijheidbeperkende maatregelen worden versoepeld en kan een betere controle op de naleving van gemaakte afspraken gebeuren.

Op basis van wat voorafgaat brengt de Nationale Raad het volgend advies uit :

Alvorens het gebruik van elektronische armbanden op te starten dienen Raad van Bestuur, directie en geneesheren zich akkoord te verklaren met het principe van het gebruik, de modaliteiten van uitvoering en de garanties ter preventie van misbruik. Een evaluatie van het effect op de cultuur, het milieu en het imago van het psychiatrisch ziekenhuis dient na verloop van een van te voren afgesproken periode te gebeuren. Bij deze evaluatie zal o.m. rekening gehouden worden met de mening van het behandelteam en de appreciatie van de toepassing van de techniek door patiënten, omgeving en verwijzers.

Onder de modaliteiten van uitvoering en de garanties ter preventie van misbruik dienen minstens de volgende punten te worden voorzien.

  • Alleen de behandelend geneesheer is bevoegd om te beslissen tot het dragen van een elektronische armband. Hij is verplicht de noodzaak van het dragen van een armband geregeld te evalueren en zal de indicaties en toestemming van de patiënt op een overzichtelijke wijze registreren.
  • Essentieel is dat de patiënt zich akkoord verklaart met het dragen van de armband. Wanneer de geestestoestand van de patiënt van dien aard is dat hij zijn mening niet kenbaar kan maken dient de toelating bekomen te worden van de wettelijke of feitelijke vertegenwoordigers van de patiënt.
  • Tegen de wil van de patiënt kan de geneesheer enkel tot het dragen van een elektronische armband beslissen wanneer de patiënt gedwongen opgenomen is en de geneesheer van oordeel is dat een reële kans op ontvluchting bestaat met levensbedreigende risico's voor patiënt of derden. In dat geval dient de geneesheer dagelijks na te gaan of het verder dragen van de armband noodzakelijk is.

De Nationale Raad is zich bewust van het experimenteel karakter van deze techniek die mits naleving van de hogervermelde voorwaarden uitgeprobeerd kan worden. Dit advies kan niet geïnterpreteerd worden als een promotie van de techniek en zeker niet als een deontologische verplichting voor een psychiatrisch ziekenhuis.
Ten slotte vermeldt de Nationale Raad dat hij niet bevoegd is tot enige juridische beoordeling van het gebruik van elektronische armbanden in de psychiatrische ziekenhuizen.

Honoraria in de verzorgingsinstellingen20/06/1998 Documentcode: a082005
Wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke - Statuut van de geneesheer-diensthoofd

Een provinciale raad die geconfronteerd wordt met een geschil tussen twee psychiaters van eenzelfde ziekenhuisdienst vraagt het advies van de Nationale Raad over volgende vragen :

  1. welke is de band van ondergeschiktheid tussen een psychiater die een geesteszieke behandelt en de geneesheer-hoofd van dienst aangewezen door de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke?
    Welk is het statuut van deze geneesheer-hoofd van dienst tegenover de andere artsen van de dienst?
  2. heeft de geneesheer-hoofd van dienst de juridische verantwoordelijkheid voor alle patiënten van de dienst en wordt hij zo de behandelend geneesheer van alle patiënten? Heeft de beschermde patiënt nog de vrije keuze van zijn behandelend arts?
  3. Behoren de forfaitaire bedragen toegekend aan de geneesheer-hoofd van dienst hem toe?

Antwoord van de Nationale Raad:

In zijn vergadering van 20 juni 1998 onderzocht de Nationale Raad uw vraag om advies van 27 april 1998 betreffende de verhouding van "de geneesheer-hoofd van dienst" in de zin van de wet betreffende de persoon van de geesteszieke van 26 juni 1990 met een "geneesheer van deze dienst" waarvan sprake in dezelfde wet.
Het antwoord op de gestelde vragen is af te leiden uit de bepalingen van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten. De bevoegdheden van beide geneesheren zijn door de wetgever vastgelegd en kunnen als volgt worden samengevat.

De geneesheer-hoofd van dienst - in uw schrijven 'le médecin-protecteur' genoemd - heeft bondig samengevat de volgende bevoegdheden : hij kan op elk ogenblik een gedwongen opneming beëindigen; hij stelt de omstandige geneeskundige verslagen op waarin hij de redenen aanhaalt voor een verlen-ging van het gedwongen verblijf. Hij kan gedurende het verder verblijf (d.w.z. na veertig dagen gedwongen observatie) in overleg met zijn collega-hoofd van dienst van een andere instelling tot transfer naar deze instelling beslissen; hij kan de patiënt nazorgvoorwaarden opleggen en bij niet naleving ervan tot heropname beslissen; hij houdt het register van de isolatiemaatregelen bij; hij brengt verslag uit over de toestand van een gedwongen opgenomen patiënt telkens wanneer de vrederechter hem daarom verzoekt en informeert de patiënt, een reeks instanties en personen over zijn beslissingen zoals door de wet is bepaald.

De geneesheer van de dienst is de behandelende geneesheer die o.m. instaat voor het toezicht, de graad van vrijheidsbeperking en het informeren van de advocaat en de door de zieke gekozen geneesheer en natuurlijk de behandeling zelf. Hij kan autonoom beslissen tot een verblijf buiten de instelling bv. gedurende het weekend en kan beslissen tot deeltijdse hospitalisatie (bv. enkel 's nachts). Dit alles valt onder zijn aansprakelijkheid en voor geen van deze beslissingen heeft hij de toelating nodig van de geneesheer-hoofd van dienst.

Uit wat voorafgaat volgt dat de respectievelijke taken van beide geneesheren door de wet duidelijk zijn bepaald. Een onverenigbaarheid van beide functies is door de wetgever niet voorzien. Uit de wet kan niet worden afgeleid dat er een ondergeschiktheid tussen beide functies bestaat daar nergens wordt voorzien dat de ene aan de andere enige verantwoording over zijn beslissingen verschuldigd is. Evident is wel dat samenwerking tussen beide functies noodzakelijk is wil het wettelijk bepaalde systeem functioneren. In het verslag van de Senaatscommissie staat bv. dat de geneesheer-hoofd van dienst recht heeft op informatie van het multidisciplinair team in functie van de door hem te nemen beslissingen.

De samenwerking onder deze geneesheren dient geregeld als onderdeel van het reglement inzake de organisatie en coördinatie van de medische activiteit, aangelegenheid waarover de medische raad advies dient te verstrekken aan de beheerder (artikel 125, 2° van de officieuze coördinatie van de ziekenhuiswet van 21 december 1994).

Daarnaast dient een overeenkomst afgesloten te worden tussen de beheerder en de geneesheer-hoofd van dienst en dit overeenkomstig de bepalingen van titel IV van de wet op de ziekenhuizen (artikel 8 van het K.B. van 18 juli 1991 ter uitvoering van artikel 36 van de wet van 26 juni 1990).
In dit verband dient te worden opgemerkt dat het niet vaststaat dat de vergoeding van de geneesheer-hoofd van dienst gelijk te stellen is met een medisch honorarium. Vaststaand is wel dat deze vergoeding door de beheerder integraal dient doorgestort te worden aan de geneesheer-hoofd van dienst, al kan deze laatste in zijn overeenkomst met de beheerder de uiteindelijke bestemming van deze vergoeding wijzigen

Na onderzoek van het voorgelegde dossier is de Nationale Raad van oordeel dat de gerezen problematiek in het kwestieuze ziekenhuis dient te worden opgelost door een aanvulling van het reglement inzake de organisatie en de coördinatie van de medische activiteit en door een overeenkomst tussen de beheerder en de geneesheer-hoofd van dienst, en dit overeenkomstig de ziekenhuiswet. Beide stukken en de contracten dienen ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de Provinciale Raad van de provincie waarin het ziekenhuis gelegen is.

Op basis van het geheel van de geviseerde documenten, kan de Provinciale Raad dan zijn bevoegdheid uitoefenen in het conflict dat deze artsen verdeelt