keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Huisarts25/05/2019 Documentcode: a165010
Inzetten van een huisarts in opleiding (HAIO) in de reguliere wachtdienst

Op 25 mei 2019 heeft de nationale raad een vraag betreffende het inzetten van een huisarts in opleiding (HAIO) in de reguliere wachtdienst voor huisartsen onderzocht.

De wachtdienst van de kandidaat-huisarts in opleiding (HAIO) moet altijd gebeuren onder supervisie en begeleiding van de stagemeester erkend in de huisartsgeneeskunde (huisarts praktijkopleider). .

Tussen de stagemeester en de HAIO wordt bij aanvang van de samenwerking een overeenkomst opgesteld waarin wordt bepaald hoeveel uren wachtdienst de HAIO zal doen (met een minimum van 120 uur om erkend te kunnen worden). In de overeenkomst kan er eveneens een plaatsvervangende stagemeester worden aangeduid, die kan optreden als begeleider wanneer de stagemeester afwezig is.

De wachtkringen passen toe wat bepaald is in deze overeenkomst.

Het is de opdracht van de stagemeester om zowel zijn eigen wachtdiensten te doen, als de wachtdiensten van de HAIO te begeleiden. Hiertoe dient hij tijdens de wachtdienst van de HAIO continu bereikbaar en beschikbaar te zijn om zich desnoods binnen een redelijke termijn te begeven naar de plaats van raadpleging.

Sommige wachtkringen houden er rekening mee dat de huisarts ook stagemeester is, en beslissen dat deze artsen minder wachtdiensten hoeven te doen. Andere wachtkringen houden hiermee geen rekening. Nog andere (grotere) wachtkringen geven de stagemeester en de HAIO tegelijkertijd een wachtdienst zodat de stagemeester uiteindelijk niet meer aan wachtdiensten moet deelnemen dan de andere huisartsen.

De problematiek dient binnen de wachtkringen zelf besproken te worden.

Het is aan de provinciale raden om mogelijke deontologische inbreuken te beoordelen.

Deze materie wordt voor het overige geregeld door het Ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen.


Wachtdiensten27/04/2019 Documentcode: a165007
Regelgeving omtrent een maximale arbeidsduur - Maximale duur

De nationale raad heeft op 27 april 2019 de regelgeving omtrent de maximale arbeidsduur onderzocht.

1°/ de wet van 12 december 2010 legt de arbeidsduur vast van de artsen, de kandidaat-artsen in opleiding en de studenten-stagiairs.

Deze wet is van toepassing op de artsen die werken in het kader van een arbeidsovereenkomst of in een statutair verband, behoudens enkele uitzonderingen(1).

Ze geldt ook voor de kandidaten die houder zijn van het diploma van Master in de geneeskunde, die in opleiding zijn met het oog op het zich zien toekennen van de erkenning voor een van de titels bedoeld in de artikelen 1, 2 en 2bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde, en die gezondheidszorgprestaties verrichten in het kader van hun opleiding.

Ze bepaalt dat de duur van elke werkperiode nooit 24 uren mag overschrijden, behoudens in geval van arbeid die door een onvoorziene noodzakelijkheid wordt vereist of om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval (artikel 5, §2, en 7, §1, van voornoemde wet van 12 december 2010).

Elke arbeidsprestatie waarvan de duur tussen 12 uren en 24 uren bedraagt moet worden gevolgd door een periode van minimum rust van 12 opeenvolgende uren (artikel 5, §2, en 7, §1, van voornoemde wet van 12 december 2010).

Voor de kandidaten in opleiding worden de uren wetenschappelijk werk die verplicht zijn in het kader van de academische vorming meegeteld als arbeidstijd ten belope van maximum 4 uren per week waarvan 2 uren op de werkplek (artikel 5, §4 van voornoemde wet van 12 december 2010).

De bijkomende arbeidstijd bovenop de wekelijkse maximale arbeidsduur, onder meer om de wachtdienst te verzekeren, mag geen overschrijding van de maximale duur van een arbeidsprestatie (24 uur) teweegbrengen (artikel 7, §1, van voornoemde wet van 12 december 2010).

Op deontologisch gebied hebben de artsen die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de diensten en van de wachtdiensten alsook de stagemeesters de plicht ervoor te zorgen dat deze wetgeving, die de Richtlijn 2003/88/EG van 4 november 2003 omzet(2) en de wet Colla van 1999(3) vervangt, toegepast wordt naar de geest en de letter.

2°/ De meerderheid van de artsen oefenen hun beroep uit als zelfstandige.

De nationale raad heeft geen eenduidige regels bepaald betreffende de arbeidstijd of de maximale duur van een prestatie omdat hij van mening is dat deze kwestie onder de individuele verantwoordelijkheid valt.

De organisatie van de arbeidstijd moet voldoen aan de vereisten inzake de zorgkwaliteit, de patiëntveiligheid en het welzijn van de arts zelf, die beschreven in de code van medische deontologie 2018 in hoofdstuk 1 Professionaliteit.



(1) Met uitzondering van :

- de personen tewerkgesteld door het Rijk, de provinciën, de gemeenten, de openbare instellingen die er onder ressorteren en de instellingen van openbaar nut, behoudens indien zij tewerkgesteld zijn door instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen;

- het militair personeel;

- de personen die een leidinggevende functie uitoefenen.

(2) Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, wat betreft de artsen, de tandartsen, de dierenartsen, kandidaat-artsen in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen

(3) Ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten,


Huisarts17/01/2015 Documentcode: a148001
Bewaartermijnen van wachtverslagen binnen de huisartsenwachtposten

De Nationale Raad wordt om advies gevraagd betreffende de bewaartermijnen van wachtverslagen binnen de huisartsenwachtposten.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 januari 2015 onderzocht de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de vraag van de Federale Raad voor de Huisartsenkringen (FRHAK) betreffende de bewaartermijnen van wachtverslagen binnen de huisartsenwachtposten.

1- Het wachtverslag

In het kader van de bevolkingswachtdienst is het contact tussen de patiënt en de arts eenmalig. Het wachtverslag bevat de redenen voor de consultatie en beschrijft gedetailleerd de behandeling van de patiënt.

Dit verslag heeft verscheidene doeleinden.

1- Het waarborgt met name de continuïteit van de zorg. Het vormt een bewijsstuk van een bijzonder voorval (acute medische episode, ongeval,...) dat kan worden gebruikt in de procedures bij een arbeidsongeval, bij een ongeval waarbij derden betrokken zijn of bij een medisch ongeval.

2- Het kan gegevens verzamelen die noodzakelijk zijn voor de redactie van de wettelijk verplichte jaarlijkse rapportering door de organiserende huisartsenkring aan de FOD Volksgezondheid (artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen).

Gezien deze doeleinden is het volgens de Nationale Raad gewettigd dat het wachtverslag na afloop van de wacht wordt meegedeeld aan de vertrouwde huisarts, tenzij de patiënt zich ertegen verzet, en aan de wachtdoende huisarts die de consultatie heeft verricht.

De patiënt heeft recht op een afschrift van dit verslag overeenkomstig de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

2- Continuïteit en kwaliteit van de zorg

De Nationale Raad wordt om advies verzocht betreffende de bewaring van dit verslag binnen de huisartsenwachtpost teneinde de continuïteit en de kwaliteit van de zorg te waarborgen mocht de patiënt zich opnieuw aanmelden bij dezelfde wachtpost.

De medische wachtpost heeft tot doel de continuïteit van de zorg te verzekeren bij afwezigheid van de vertrouwde huisarts in het kader van de organisatie van de bevolkingswachtdienst. Vooral in grote steden blijkt dat heel wat patiënten geen vertrouwde huisarts hebben en zich regelmatig aanmelden bij de medische wachtpost.

Bovendien bevindt het persoonlijk artsenkabinet van de wachtdoende artsen zich niet noodzakelijk binnen dezelfde geografische zone en wijden sommige artsen zich uitsluitend aan de wachtgeneeskunde.

Ofschoon de wachtdoende arts de patiënt dient aan te sporen om een vertrouwde huisarts te kiezen die hem op lange termijn kan behandelen in optimale omstandigheden, dienen bovendien alle maatregelen te worden genomen voor het verstrekken van kwaliteitsvolle zorg in de medische wachtpost.

Het is in het belang van de patiënt dat de wachtdoende arts de verslagen kan inkijken die voor de patiënt eerder werden opgesteld, ook al bieden de verzamelde wachtverslagen slechts beperkte informatie, bijvoorbeeld om allergische reacties op geneesmiddelen te vermijden of bij een terugkerend gezondheidsprobleem.

Het zou ideaal zijn indien de wachtdoende arts via een netwerk toegang zou kunnen krijgen tot het SUMEHR (summarized electronic record) van de patiënt.

3- Bewaring

De bewaring waarborgt door de medische wachtpost het voortbestaan en de toegang van het document en het document kan een bewijsstuk vormen wanneer de verantwoordelijke voor de organisatie van de wachtdienst aansprakelijk wordt gesteld.

De Nationale Raad is bijgevolg van oordeel dat de bewaring van het wachtverslag door de medische wachtpost volgens de voorwaarden bepaald in artikel 46 van de Code van geneeskundige plichtenleer en de toegang ertoe door de wachtdoende artsen die een therapeutische relatie hebben met de patiënt, noodzakelijk zijn vanuit deontologische gezichtshoek.

De bewaring van het verslag door de wachtpost ontslaat de vertrouwde huisarts niet van zijn verplichting dit verslag te bewaren volgens de voorwaarden vastgelegd in het voornoemde artikel 46.

De verwerking van de persoonsgegevens betreffende de gezondheid door de medische wachtpost dient in overeenstemming te zijn met de wetgeving betreffende de persoonlijke levenssfeer.

Voorts dienen voor materieel en personeel alle noodzakelijke voorzorgen te worden genomen voor de bescherming van de verzamelde gegevens en de verwerking ervan binnen het kader van de opdracht van de bevolkingswachtdienst overeenkomstig de regels inzake medisch geheim, bescherming van de persoonlijke levenssfeer, rechten van de patiënt en geneeskundige plichtenleer.

De toegang tot de gegevens dient te verlopen overeenkomstig de wetgeving betreffende de persoonlijke levenssfeer en dient te worden getraceerd om controle mogelijk te maken.

De verwerking van deze persoonsgegevens dient te gebeuren onder de verantwoordelijkheid van een arts.

Dit advies vervangt het punt 2 van het advies van 28 mei 2011, "Bewaartermijnen van wachtverslagen binnen de huisartsenwachtposten", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 134.

Huisarts15/11/2014 Documentcode: a147013
Verantwoordelijkheid van de wachtdienstverantwoordelijke in de huisartsgeneeskunde

De taak van de wachtdienstverantwoordelijke bestaat in het opstellen van de beurtrol, deze kenbaar te maken aan de betrokken huisartsen en de provinciale geneeskundige commissie, evenals de eventuele wijzigingen die zich nadien kunnen voordoen.
Eens deze opdracht ten einde, stopt dan de verantwoordelijkheid van de wachtdienstverantwoordelijke?
Ligt de verantwoordelijkheid bij de betrokken huisarts van wacht, eens de wachtlijst is opgesteld en medegedeeld aan de PGC?
Meerdere problemen kunnen zich voordoen zodat de huisarts van wacht niet bereikbaar en/of beschikbaar is.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 15 november 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw adviesaanvraag betreffende de verantwoordelijkheid van de wachtdienstverantwoordelijke onderzocht.

Overeenkomstig het artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, samen gelezen met het artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan de huisartsenkringen, zijn de huisartsenkringen verantwoordelijk voor de organisatie van de bevolkingswachtdiensten van huisartsen. Deze verplichting werd op grond van artikel 15, §1 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren, eveneens ingeschreven in de Code van geneeskundige plichtenleer, meer bepaald in de artikelen 113 t.e.m. 118.

1/ Huishoudelijk reglement van de wachtdienst

De praktische, organisatorische afspraken en engagementen tussen de verstrekkers worden neergelegd in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst (hierna: HRW) waartoe een huisartsenkring overeenkomstig het artikel 5, 3°, van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 verplicht is. Overeenkomstig artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 komt het de territoriaal bevoegde provinciale geneeskundige commissie toe het huishoudelijk reglement goed te keuren.
Overeenkomstig het artikel 167 van de Code van geneeskundige plichtenleer dient het HRW bovendien vooraf aan de bevoegde provinciale raad van de Orde van geneesheren te worden voorgelegd.

Hoewel een wachtdienst van een huisartsenkring kan worden opgesplitst in wachtdienstonderdelen, dient er slechts één HRW per huisartsenkring te worden opgesteld, teneinde een zekere uniformiteit te krijgen omtrent de wachtdienstregeling binnen de ganse huisartsenzone van een kring.

Het HRW geldt als een overeenkomst tussen de organiserende huisartsenkring en de uitvoerende huisarts waarin de rechten en plichten gedetailleerd worden bepaald, ongeacht of men als huisarts effectief lid is van de huisartsenkring of niet. Het "aanvaarden" van het huishoudelijk reglement zoals gesteld in het artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 heeft immers niet de betekenis van "lid worden van", maar eerder van het "onderschrijven" van de organisatie van de wachtdienst. De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft evenwel in enkele recente adviezen met betrekking tot de organisatie van de wachtdienst gewezen op de noodzaak om rond een aantal cruciale punten (o.a. uitbreiding naar een weekwachtdienst) zeker tot een breed gedragen consensus te komen en heeft daarom modaliteiten voor besluitvorming binnen de huisartsenkring besproken 1. Het weze opgemerkt dat, aangezien een huisartsenkring overeenkomstig artikel 4, § 2 van het ministerieel besluit van 28 juni 2002 tot vaststelling van de voorwaarden tot het verkrijgen van de erkenning van huisartsenkringen, een vereniging zonder winstoogmerk dient te zijn, dit er in principe toe leidt dat slechts de echte leden van de algemene vergadering van de huisartsenkring exclusief stemgerechtigd zijn om zich uit te spreken over het huishoudelijk reglement. Ondanks deze vaststelling, is de Nationale Raad van oordeel dat er ernstig rekening moet gehouden worden met een voorafgaand "verzwaard advies" van bijeenkomsten met alle betrokken huisartsen bij de feitelijke goedkeuring en/of wijziging van het HRW.

Wat betreft het aanvaarden van het HRW dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de leden en de niet-leden huisartsen die deelnemen aan de wachtdienst. Voor leden kan normaliter reeds verondersteld worden dat het HRW stilzwijgend aanvaard werd door elk lid, bij wijze van het lidmaatschap van de huisartsenkring. Voor de niet-leden hangt het "aanvaarden" af van de graad van betrokkenheid en inspraak die deze huisartsen bij de uitwerking van het HRW via de huisartsenkring hebben gekregen of zelf individueel hebben genomen. Het is aan de huisartsenkring om individueel te beoordelen of een formele ondertekening van het HRW opportuun of noodzakelijk is. In elk geval wordt van elke huisarts die deelneemt aan de wachtdienst verondersteld dat hij volledig en onvoorwaardelijk "instemt" met dat HRW vanaf het ogenblik dat hij opgenomen wordt op de beurtrol, op risico, in het geval van weigering of niet-naleving ervan, daarvan te worden verwijderd of uitgesloten - de jure en de facto - met aansluitend alle wettelijke en deontologische gevolgen/sancties via de bevoegde instanties.

2/ Beurtrol

In het HRW moet de procedure worden beschreven voor de opstelling van de beurtrol volgens de lijst van deelnemende huisartsen. Daarbij horen de modaliteiten voor de legitieme vrijstelling, met de omschrijving van de aanvaardbare én aanvaarde criteria die jaarlijks worden bepaald door de algemene vergadering van de huisartsenkring en rekening houdend met de invulling van de wachtdienst en het quorum noodzakelijk om die opdracht te kunnen uitvoeren. Vrijstellingen moeten door de betrokken huisarts gemotiveerd aangevraagd worden bij de huisartsenkring en gericht worden aan de raad van bestuur van die kring.
De meest aanvaardbare beurtrol wordt opgesteld op een (jaarlijkse) algemene vergadering van de huisartsenkring waarop alle huisartsen (leden én niet-leden van de kring) van elk wachtdienstonderdeel worden uitgenodigd en waarbij rekening gehouden wordt met hun desiderata.

Een beurtrol is echter geen statisch gegeven. In de loop van de tijdsperiode kunnen steeds onder toezicht en controle van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator aanpassingen aangebracht worden overeenkomstig de modaliteiten van wijzigingen aan de beurtrol opgenomen in het HRW.

Bij een gewone omwisseling van wachtdiensten onder lokale huisartsen geeft dit normaliter geen problemen omdat de huisarts van wacht zelf binnen de kring voor een vervangende huisarts zorgt.

Bij het tijdelijk of definitief opschorten van een geplande deelname aan de wachtdienst door veranderingen aan de professionele omstandigheden (o.a. verhuis naar een praktijklocatie buiten de kring, stoppen van de praktijk als huisarts of bij pensionering, schorsing door de Orde of PGC) waardoor o.a. niet meer wordt voldaan aan de voorziene inclusiecriteria voor deelname en kan een situatie ontstaan waardoor die huisarts (mogelijks) onvoldoende of niet meer in de mogelijkheid verkeert om zelf nog een vervanger te zoeken. Dit is ook het geval bij gezondheidsredenen (overlijden, zwangerschap, acute en/of chronische ziekten) en dat tot betwistingen of geschillen kan leiden.

In het HRW dienen daartoe back-up mogelijkheden te worden voorzien voor het geval van het uitvallen van de huisarts van wacht (om welke redenen ook). Dit uitwerken is echter een solidaire en collegiale verantwoordelijkheid van de huisartsenkring, de wachtdienstverantwoordelijke en alle lokale huisartsen. Een aantal opties zijn daarbij o.a. minstens één reserve huisarts (als stand-by) op te nemen in die beurtrol of te voorzien in een ‘pool' van huisartsen die bij problemen ad hoc kunnen/willen invallen voor plotse hiaten in de beurtrol.

De wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator moet de goedgekeurde beurtrol bezorgen aan alle deelnemende huisartsen, aan de raad van bestuur van de huisartsenkring (als organisator), de provinciale geneeskundige commissie en het Riziv (het beschikbaarheidshonorarium).

De beurtrol wordt tevens ter informatie overgemaakt aan de provinciale raad van de Orde van geneesheren.

Indien er zich (belangrijke) wijzigingen aan de beurtrol voordoen of opdringen, dan moet de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator de maatregelen nemen voorgeschreven door het HRW opdat die "aanpassingen" onmiddellijk geactualiseerd worden.

Ingeval van omwisseling of opschorting van de wachtdienst, waarvoor de modaliteiten moeten opgenomen worden in het HRW, dient de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator bovendien tijdig te worden verwittigd zodat de nodige "aanpassingen" aan de beurtrol kunnen worden aangebracht en de goede werking van de wachtdienst niet in het gedrang komt.

3/ Registratie

Overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 dient elke huisartsenkring een registratie te organiseren omtrent epidemiologie, veiligheidsproblemen, patiëntenklachten en klachten omtrent dienstverlening in relatie tot de organisatie van de wachtdienst. Indien er zich incidenten voordoen tijdens de wachtdienst wordt dit door de huisarts van wacht onmiddellijk gerapporteerd aan de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator. Een huisarts van wacht vult daartoe een registratieformulier in dat wordt overgemaakt aan de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator.

4/ Problemen

Indien er zich problemen voordoen (o.a. het niet bereikbaar of beschikbaar zijn van de huisarts van wacht) dient de wachtdienstverantwoordelijke/coördinator het nodige te doen om "controle te houden" op de goede werking van de wachtdienst.

Aangezien er steeds een functionele bevolkingswachtdienst moet kunnen gegarandeerd worden, moeten enerzijds problemen maximaal preventief aangepakt worden en moeten anderzijds alle praktische maatregelen (kunnen) genomen worden rond de operationaliteit van de wachtdienst, teneinde mogelijke aansprakelijkheden zowel voor de huisartsenkring, de wachtdienstverantwoordelijke als de huisarts van wacht te vermijden.

Ook in geval van overmachtsituaties, zoals technische problemen met o.a. telecommunicatie, met het centrale oproepnummer van de bevolkingswachtdienst of de doorschakeling naar de huisarts van wacht, dienen duidelijke afspraken gemaakt te worden met de betrokken providers of andere ‘dispatching' systemen om dergelijke problemen onmiddellijk en prioritair op te lossen, of minstens voor een alternatieve communicatie te zorgen.

Bij tekortkoming of ontoereikendheid, doet de provinciale geneeskundige commissie, op eigen initiatief of op verzoek van de gouverneur van de provincie, een beroep op de medewerking van de huisartsenkringen en de huisartsen met het oog op het inrichten of het aanvullen van de lokale organisatie van de bevolkingswachtdienst.
Indien, na het verstrijken van een door de provinciale geneeskundige commissie vastgelegde termijn de lokale organisatie van de bevolkingswachtdienst niet op voldoende wijze werkt, neemt de gezondheidsinspecteur zelf alle maatregelen met het oog op het inrichten of het aanvullen van de lokale organisatie van de bevolkingswachtdienst op grond van de behoeften die eventueel zullen zijn bepaald door de geneeskundige commissie, welke bij deze gelegenheid wordt voorgezeten door de gouverneur van de provincie. In dat kader kan de gezondheidsinspecteur de deelname vorderen van de huisartsenkringen en huisartsen, die hij aanwijst, met het oog op het organiseren of aanvullen van de lokale organisatie van de medische permanentie.

5/ Sanctionering

De Nationale Raad is zich ervan bewust dat huisartsen van wacht in/door bepaalde concrete omstandigheden - al dan niet opzettelijk of gewild - zich niet of onvoldoende houden aan bepalingen van het HRW en hun correcte invulling van de toegewezen wachtdiensten zoals bepaald op de goedgekeurde beurtrol.

Aangezien de huisartsenkring wettelijk enkel een organiserende, doch geen enkele sanctionerende bevoegdheid naar de deelnemende huisartsen heeft, dient in het HRW een transparante en sluitende geschillenprocedure te worden voorzien voor geschillen tussen de huisartsenkring, de wachtdienstverantwoordelijke en de betrokken huisarts(en).

De bemiddeling van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator en het collegiaal overleg met de betrokken huisarts(en) kan veel problemen uitklaren en oplossen. De verzoeningscommissie van de huisartsenkring zal trachten te bemiddelen, wanneer de initiatieven van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator geen bevredigend resultaat opleverden.

Anderzijds dient er in het HRW melding gemaakt te worden van de instanties, zoals de provinciale raden van de Orde der geneesheren en de provinciale geneeskundige commissies die wél bevoegd zijn om desgevallend sanctionerend op te treden.

In afwachting van een uitspraak van de bevoegde instanties kan een huisarts slechts tijdelijk ontheven worden van deelname aan de wachtdienst op een gemotiveerde beslissing van de raad van bestuur van de huisartsenkring die de bevoegde instanties hierover brieft.

6/ Conclusie

Gelet op het belang voor de organisatie van de bevolkingswachtdienst, is het noodzakelijk dat de taak van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator zo nauwkeurig mogelijk wordt omschreven in het HRW, naast alle andere modaliteiten voor de werking.

Niet alleen het "opstellen" maar ook het permanent "beheren" en "controleren" van de beurtrol (wijzigingen e.d.) blijft een essentieel onderdeel omdat dit de basis is voor een goede werking van de bevolkingswachtdienst. Daarom moet elke wijziging aan de beurtrol steeds verlopen onder toezicht van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator en kan dit niet worden overgelaten aan de willekeurige invulling door individuele huisartsen.

Als het mandaat binnen het hierboven geschetste kader met de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid wordt ingevuld, kan de aansprakelijkheid van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator normaal niet in het gedrang komen.


1.Advies 2 oktober 2010, "Deelname aan de week(nacht)wachtdienst - Beslissing van de huisartsenkring"; advies 22 januari 2011, "Deelname aan de week(dag)wachtdienst - Beslissing van de huisartsenkring"; advies 30 april 2011, "Deelname aan de week(dag)wachtdienst - Beslissing van de huisartsenkring".

Wachtdiensten17/05/2014 Documentcode: a145019
Verplichting voor de wachtarts om zich te verplaatsen bij overlijden van de patiënt

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende de verplichting voor de arts met wachtdienst om zich te verplaatsen om een overlijden vast te stellen en een overlijdensattest op te maken.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 mei 2014 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw adviesaanvraag betreffende de verplichting voor de arts met wachtdienst om zich te verplaatsen om een overlijden vast te stellen en een overlijdensattest op te maken.

De Nationale Raad is van oordeel dat, in geval van overlijden, de eerste arts die dient te worden opgeroepen de behandelende arts van de patiënt is. Indien mogelijk gaat deze ter plaatse, ook al heeft hij geen wachtdienst.

Indien de behandelende arts niet ter plaatse kan gaan, de arts met wachtdienst zich ter plaatse dient te begeven.

De wet belast de arts met het vaststellen van het overlijden en het afleveren van het overlijdensattest. Dit attest vormt een voorwaarde voor het opmaken van de akte van overlijden door de ambtenaar van de burgerlijke stand 1 en de teraardebestelling 2.

Het belang van deze opdracht mag noch worden onderschat noch gebanaliseerd. Artikel 24 van de wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie heeft hierop de nadruk gelegd door de ambtenaar van de burgerlijke stand niet langer te verplichten het overlijden zelf vast te stellen en hem toe te laten zich ervan te vergewissen aan de hand van een overlijdensattest.

De arts moet onder andere attesteren of er een geneeskundige of gerechtelijk-geneeskundige belemmering voor de teraardebestelling of crematie is; dit houdt in dat het lichaam zo spoedig mogelijk moet worden onderzocht om te vermijden dat bepaalde sporen verdwijnen en dat het lichaam niet mag worden verplaatst of dat de persoon niet mag worden afgelegd vóór dit onderzoek.

Naast de juridische en administratieve aspecten van deze opdracht zijn de tussenkomst en de aanwezigheid van de arts eveneens belangrijk voor de naasten of het verzorgend personeel, bijv. van een rust- en verzorgingstehuis. Geconfronteerd met de dood bevinden zij zich immers in een situatie van emotionele kwetsbaarheid. In deze omstandigheden zijn de steun, de begeleiding en de solidariteit van de arts van wezenlijk belang.

Eén van de plichten van de arts in de Code van geneeskundige plichtenleer is het eerbiedigen van de menselijke persoon.

De uitoefening van de geneeskunde is een bij uitstek menslievende opdracht 3 , wat betekent dat zij is gebaseerd op de fundamentele menselijke waarden, namelijk welwillendheid, eerbied voor de andere en empathie.

Indien men zich buiten de normale praktijkuren niet wil verplaatsen om een overlijden vast te stellen met als reden dat het niet dringend is, vergeet men dat de geneeskunde niet beperkt is tot verzorgen, maar tevens impliceert dat men, met eerbiediging van de bovenstaande waarden, zorg draagt voor de omgeving van de overleden persoon en voor het stoffelijk overschot.

Het is bijgevolg niet noodzakelijk om de continuïteit van de zorg, die de grondslag vormt voor de organisatie van de medische permanentie, in te roepen om de verplaatsing van de arts met wachtdienst te rechtvaardigen.

Sedert de wet van 23 mei 2006 tot wijziging van de artikelen 78 en 79 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de aangifte en de akten van overlijden, is het overigens de taak van de arts die het overlijden vaststelt om het overlijdensattest op te maken.

Het advies van de Nationale Raad van 17 oktober 1992 volgens hetwelk de arts met wachtdienst zich mocht beperken tot het vaststellen van het overlijden en het opmaken van het overlijdensattest mocht overlaten aan de behandelende arts, is dan ook niet meer van toepassing.

Ingeval er een probleem rijst, tracht de arts met wachtdienst de gewenste inlichtingen te verkrijgen bij de behandelende arts.

1. Artikel 78 van het Burgerlijk Wetboek : De akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de persoon is overleden, zodra hem een overlijdensattest werd voorgelegd door een verwant van de overledene of door een derde persoon die de inlichtingen kan meedelen welke vereist zijn voor het opmaken van de voornoemde akte.
Het overlijdensattest wordt opgesteld door een geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld.

2. Artikel 77 van het Burgerlijk Wetboek : Geen teraardebestelling geschiedt zonder een (...) kosteloos afgegeven verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, die dit echter niet mag afgeven dan nadat hij zich van het overlijden heeft vergewist aan de hand van een overlijdensattest , en eerst vierentwintig uren na het overlijden, behalve in de gevallen door politieverordeningen bepaald.

3. Artikel 3 van de Code van geneeskundige plichtenleer : De uitoefening van de geneeskunde is een bij uitstek menslievende opdracht; de arts waakt in alle omstandigheden over de gezondheid van de enkeling en van de gemeenschap.
Teneinde deze opdracht te vervullen moet de arts, welke discipline van de geneeskunde hij ook uitoefent, ten volle bevoegd zijn en de menselijke persoon steeds eerbiedigen.

Geneesmiddelen01/02/2014 Documentcode: a144008
Voorschrijven van benzodiazepines of morfinederivaten tijdens de huisartsenwacht

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld in verband met het voorschrijven van benzodiazepines of morfinederivaten tijdens de huisartsenwacht.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 1 februari 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de vraag onderzocht die u gesteld werd door een huisartsen wachtpost aangaande het voorschrijven van benzodiazepines of morfinederivaten tijdens de wachtdienst.

U wordt met name ondervraagd over de mogelijkheid aan te kondigen dat dit soort voorschrift door de huisartsenwachtpost geweigerd wordt.

"Het doel van een huisartsen wachtpost algemene geneeskunde bestaat erin de continuïteit van de zorg te verzekeren in afwezigheid van de vaste huisarts, in het kader van de organisatie van de bevolkingswachtdienst 1".

In deze context moet de arts, bij een gerichte tussenkomst die verder zal opgevolgd worden door de behandelende arts, een antwoord bieden wat betreft een bepaald probleem bij een patiënt die hij doorgaans niet kent.

Een vertrouwensrelatie tot stand brengen tussen de arts en de patiënt, noodzakelijk voor het uitoefenen van een goede geneeskunde, kan in deze omstandigheden ingewikkeld zijn, in het bijzonder wanneer de arts zich vragen stelt over het eventuele bestaan van een verslaving.

In het algemeen en speciaal ten opzichte van alle substanties die een afhankelijkheid kunnen creëren, heeft de arts de morele en sociale plicht bij het voorschrijven een preventieve en waakzame houding aan te nemen door de patiënten gezondheidsinformatie en -vorming te bieden.

De arts moet zich terdege bewust zijn van zijn verantwoordelijkheid bij het voorschrijven van geneesmiddelen die een voor de gezondheid en het welzijn van de patiënt ondermijnende afhankelijkheid kunnen teweegbrengen 2.

De arts moet eveneens vermijden behandelingen of geneesmiddelen voor te schrijven op eenvoudig verzoek van de patiënt, zonder dat diens toestand dit medisch rechtvaardigt. Hij waakt erover geneesmiddelen voor te schrijven in gepaste vorm en hoeveelheid teneinde overconsumptie en overdosering tegen te gaan. De arts zet zich in om elke vorm van afhankelijkheid te voorkomen. Hij wijst de patiënt onder meer op het verkeerd gebruik en het misbruik van substanties die tot afhankelijkheid kunnen leiden evenals op de risico's bij langdurig gebruik ervan 3.

Ook al moet het voorschrijven van benzodiazepines of morfinederivaten uiterst voorzichtig gebeuren, toch kan een arts daarom niet van bij het begin en systematisch dergelijk voorschrift uitsluiten zonder de patiënt eerst onderzocht te hebben.

Er zijn omstandigheden waarin zo'n voorschrift gerechtvaardigd kan zijn, zelfs tijdens de wachtdienst.

In die gevallen dient de arts met wachtdienst aandacht te hebben voor de beperkingen van zijn verzorging tijdens de wachtdienst, voor de mogelijkheid de kleinste verpakking van de kleinste dosering van het geneesmiddel voor te schrijven en voor de noodzaak de behandelende arts te informeren over zijn tussenkomst.

Bovendien mag de arts met wachtdienst zich niet, a priori en automatisch, onttrekken aan een dialoog met de verslaafde patiënt betreffende de vraag naar een voorschrift. Zelfs gedurende de wachtdienst heeft hij de plicht de patiënt in te lichten en te sensibiliseren en hem aan te moedigen met zijn behandelende arts een therapeutisch project op lange termijn uit te werken of, indien hij geen behandelende arts heeft, hem een confrater of aangepaste zorgstructuren aan te wijzen.

Bijgevolg is de vooraf aangekondigde en systematische weigering om benzodiazepines of morfinederivaten voor te schrijven binnen een medische wachtpost deontologisch niet verantwoord.

1 Advies van 28/05/2011 van de NR, TNR nr. 134
2 Advies van 16/01/1988 van de NR, TNR nr. 40, p. 13
3 Artikel 36 en 37 van de Code van geneeskundige plichtenleer

Continuïteit van de zorg14/12/2013 Documentcode: a144001
PERSBERICHT : Nieuwe regeling voor de wachtdiensten
De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft kennis genomen van het voorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, m.b.t. een nieuwe regeling voor de wachtdiensten


PERSBERICHT

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft kennis genomen van het voorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen m.b.t. een nieuwe regeling voor de wachtdiensten.

1/ De Nationale Raad verwerpt het voorstel tot wetswijziging wat betreft het tenietdoen van de bevoegdheid van de Orde van geneesheren erop toe te zien dat de artsen de continuïteit van de verzorging garanderen, zoals omschreven in het huidige artikel 8, § 1, lid 3, van het koninklijk besluit nr. 78.

Hoewel de Orde van geneesheren actief deelnam aan de besprekingen rond de wijzigingen m.b.t.de organisatie van de wachtdiensten, werd er tijdens deze besprekingen nooit melding gemaakt van het tenietdoen van deze bevoegdheid.. Het optreden van de provinciale raden in deze materie werd bovendien nooit in vraag gesteld.

2/ Het artikel 38, § 3, a), van het koninklijk besluit nr. 78 geeft specifiek de mogelijkheid aan de provinciale raden van de Orde van geneesheren tuchtmaatregelen op te leggen teneinde de continuïteit van de verzorging te garanderen. Het is bovendien de taak van de provinciale raden erover te waken dat alle artsen een sluitende regeling voor de verzekering van de continuïteit van de verzorging kunnen aantonen en deze ook naleven.

De Nationale Raad vraagt zich af welke middelen de provinciale geneeskundige commissies zouden krijgen om uitvoering te geven aan de in het voorstel van het nieuwe artikel 8bis toegekende bevoegdheid.

3/ Het principe van de continuïteit van de verzorging is één van de belangrijkste deontologische principes dat door iedere arts in alle omstandigheden dient gerespecteerd te worden. Het artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren legt aan de Orde daartoe de verplichting op in de Code van geneeskundige plichtenleer regels op te nemen betreffende de continuïteit van de verzorging.

De artikelen 113 en 114 van de Code van geneeskundige plichtenleer verwoorden daartoe uitdrukkelijk dit principe als een deontologische plicht voor de arts en stellen: "Elke arts moet, naargelang van het geval, de nodige maatregelen nemen om de continuïteit van de verzorging van zijn zieken te waarborgen."

De Nationale Raad acht het hoogstnoodzakelijk dat de Orde van geneesheren in een nieuwe wettelijke regeling betreffende de continuïteit van de verzorging bevoegd blijft te waken over de continuïteit van de verzorging door de artsen teneinde in alle omstandigheden een kwaliteitsvolle zorg voor de patiënt te kunnen garanderen.