keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Continuïteit van de zorg23/04/2022 Documentcode: a169009
Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Deontologische knelpunten en bekommernissen

De nationale raad bestudeerde uitvoerig de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (Kwaliteitswet).

Op 11 december 2021 deelde hij aan de minister van Volksgezondheid enkele belangrijke deontologische bekommernissen mee betreffende de artikelen van de Kwaliteitswet die op 1 januari 2022 vervroegd in werking zouden treden.

De integrale analyse van de Kwaliteitswet werd afgerond. De nationale raad stelt deze studie ter beschikking als toelichtend werkdocument voor alle betrokkenen in de gezondheidszorg (cf. document als bijlage).

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen vernam de goedkeuring door de ministerraad van het ontwerp van koninklijk besluit houdende vaststelling van een datum van inwerkingtreding voor een aantal artikelen van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.

Binnen de nationale raad is een commissie opgericht die een grondige studie uitvoert van de kwaliteitswet vanuit deontologisch, juridisch[1] en medisch oogpunt. Deze analysetekst zal in de komende weken worden afgerond en verspreid als informatiedocument voor de artsen. Daarnaast is de nationale raad ervan overtuigd dat deze uitgebreide studie ook een bijdrage kan leveren als werkdocument bij het opstellen van de vele koninklijke besluiten ter uitvoering van de Kwaliteitswet en als werkdocument voor overleg tussen verschillende gezondheidszorgberoepen.

De Kwaliteitswet vertrouwt de Orde der artsen enkele nieuwe bevoegdheden toe en biedt ook voor de Orde der artsen een bijkomend instrument ter beoordeling van het handelen van de artsen.

De nationale raad betreurt dat de Kwaliteitswet wordt beschouwd als een lex specialis. Rekening houdend met de algemene formulering van de kwaliteitsvereisten, van toepassing op alle gezondheidszorgbeoefenaars, is het volgens de nationale raad meer aangewezen de wet te beschouwen als een lex generalis, die in latere wetgeving en voor specifieke aspecten kan worden gedetailleerd in bijzondere regelgeving.

In afwachting van de gehele inwerkingtreding en uitvoering van de Kwaliteitswet wenst de nationale raad u reeds in kennis te stellen van enkele belangrijke deontologische bekommernissen betreffende de artikelen van de Kwaliteitswet die mogelijk op 1 januari 2022 vervroegd in werking treden.

U vindt hieronder de knelpunten met toelichting wat betreft het hoofdstuk 2 Definities en toepassingsgebied (artt. 2-3) en wat betreft het hoofdstuk 3 Vereisten inzake kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, afdeling 1 - Diagnostische en therapeutische vrijheid (artt. 4-7), afdeling 2 - Bekwaamheid en visum (artt. 8-11), afdeling 3 - Karakterisatie (artt. 12-13), afdeling 4 - Omkadering (art. 14), afdeling 5 - Anxiolyse en anesthesie (artt. 15-16), afdeling 6 - Continuïteit (artt. 17-20), afdeling 8 - Voorschrift (artt. 27-30) en afdeling 11 - Patiëntendossier (artt. 33-35).

De nationale raad is bereid tot verder overleg met het oog op de inwerkingtreding en uitvoering van de Kwaliteitswet en stelt zijn expertise ter beschikking, in het belang van de kwaliteitsvolle zorg voor de patiënt.

Knelpunten en deontologische bekommernissen van de Orde der artsen

Betreft : wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (Kwaliteitswet), artikelen die mogelijk vervroegd in werking treden op 1 januari 2022.

Hoofdstuk 2 Definities en toepassingsgebied (artt. 2-3)

De nationale raad van de Orde der artsen is algemeen van oordeel dat de begripsomschrijving en de definities in de Kwaliteitswet voor verwarring kunnen zorgen bij het artsenkorps.

De definiëring van het begrip “risicovolle verstrekking” wordt onvoldoende uitgewerkt en is te beperkend. Er bestaan tal van andere verstrekkingen die vanuit medisch oogpunt als “risicovol” worden beschouwd, maar evenwel niet zullen worden gekwalificeerd als een “risicovolle verstrekking” overeenkomstig de definiëring van de Kwaliteitswet.

Een duidelijke definiëring van de verschillende vormen van anesthesie, in overleg met de bevoegde beroepsinstanties van artsen-specialisten in de anesthesie en reanimatie, is sterk aangewezen.

Ten slotte kan worden opgemerkt dat de Kwaliteitswet in grote mate aandacht heeft voor gezondheidszorgbeoefenaars die verstrekkingen uitvoeren onder anesthesie. Deze bijzondere aandacht mag evenwel niet leiden tot de stigmatisering van deze groep. Het is vreemd dat een Kwaliteitswet met een heel ruim toepassingsgebied en vele algemene kwaliteitsvereisten, een volledig hoofdstuk wijdt aan gezondheidszorgbeoefenaars die verstrekkingen uitvoeren onder anesthesie. De nationale raad is daarom van oordeel dat afdeling – Anesthesie en anxiolyse veeleer thuishoort in een nader uit te werken koninklijk besluit, in overleg met de bevoegde beroepsinstanties van artsen-specialisten in de anesthesie en de reanimatie.

Hoofdstuk 3 Vereisten inzake kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, afdeling 1 - Diagnostische en therapeutische vrijheid (artt. 4-7)

Het is positief dat bepaalde deontologische grenzen aan de diagnostische en therapeutische vrijheid via de Kwaliteitswet wettelijk worden verankerd. Zoals blijkt uit de reeds bestaande wetgeving en artikel 7 van de Code van medische deontologie, is de diagnostische en therapeutische vrijheid een gebonden, geconditioneerde vrijheid.

Voor de nationale raad zijn echter de in artikel 4 van de Kwaliteitswet genoemde criteria waardoor de gezondheidszorgbeoefenaar zich moet laten leiden, nl. relevante wetenschappelijke gegevens, zijn expertise en de voorkeuren van de patiënt niet geheel duidelijk.

De Code van medische deontologie bepaalt in de commentaar van artikel 7 dat niet de voorkeuren van de patiënt maar eerder het belang van de patiënt primeert. Vanuit deontologisch oogpunt houdt de arts rekening met de autonomie van de patiënt en wordt niet enkel de gezondheidstoestand van de patiënt in acht genomen, maar ook diens persoonlijke situatie, behoeften en voorkeuren. De Code van medische deontologie is in dit opzicht ruimer dan de Kwaliteitswet.

Hoofdstuk 3, afdeling 2 - Bekwaamheid en visum (artt. 8-11)

De nationale raad merkt in de eerste plaats op dat een duidelijk afgelijnde definitie van het begrip ‘bekwaamheid’ ontbreekt. Deze lacune kan een enorme weerslag hebben op de beroepsuitoefening van de gezondheidszorgbeoefenaars en tevens zware gevolgen teweegbrengen, bijvoorbeeld het intrekken of schorsen van hun visum.

De nationale raad vreest dat deze maatstaf aanleiding dreigt te geven tot arbitraire beoordelingen wat betreft de zorgkwaliteit. De nationale raad pleit voor een beoordeling door ‘peers’. Deze is slechts beperkt voorzien in artikel 41 van de Kwaliteitswet wat betreft de risicovolle verstrekkingen. Het is daarenboven nog geheel onduidelijk hoe deze bepaling in de praktijk zal worden ingevuld.

De memorie van toelichting bij de Kwaliteitswet koppelt dit begrip aan het criterium van de ‘goede huisvader’ maar de nationale raad merkt op dat dit gegeven reeds vroeger bestond en geen wettelijke verankering in de Kwaliteitswet behoefde.

Het begrip ‘bekwaamheid’ mag niet worden verward met het begrip ‘bevoegdheid’. De bevoegdheid is de wettelijk afgebakende machtiging om bepaalde handelingen te mogen stellen. De arts kan wettelijk bevoegd zijn om een bepaalde medische handeling te stellen, zonder hiervoor bekwaam te zijn. Ook omgekeerd kan het zijn dat een gezondheidszorgbeoefenaar de bekwaamheid bezit om een handeling uit te voeren zonder hiervoor bevoegd te zijn.

In het bijzonder dient ook aandacht te worden besteed aan het onderscheid tussen “bekwaamheid’ en ‘bevoegdheid’ in de Franstalige teksten, waar ‘compétence’ voor beide begrippen wordt gebruikt.

Verder is de nationale raad van mening dat het begrip ‘bekwaamheid’ nauw samenhangt met de continue professionele ontwikkeling en de permanente bijscholing waartoe de arts verplicht is (fitness to practise). In de artikelen 3 en 4 van de Code van medische deontologie en de commentaar op deze artikelen hamert de nationale raad op deze verplichting die essentieel is voor de zorgkwaliteit en de patiëntveiligheid. De nationale raad dringt erop aan deze kwaliteitsvereiste expliciet voor alle gezondheidszorgbeoefenaars op te nemen bij de uitvoering van de Kwaliteitswet.

Ten slotte blijkt uit de memorie van toelichting dat het portfolio een bijkomende verplichting is voor de gezondheidszorgbeoefenaar, naast het reeds bestaande systeem van accreditering. De nationale raad vraagt de concrete inhoud van deze bijkomende verplichting uit te klaren.

Met het oog op de rechtszekerheid van de gezondheidszorgbeoefenaar is het van belang dat algemene, vage begrippen worden vermeden of duidelijker worden uitgelegd. De Orde der artsen is bereid mee te werken aan duidelijke begripsomschrijvingen.

Hoofdstuk 3, afdeling 3 - Karakterisatie (artt. 12-13)

De nationale raad onderstreept dat een grondige anamnese van de patiënt voor de arts de hoeksteen uitmaakt van de deontologische houding voor een kwaliteitsvolle geneeskunde.

De nationale raad van de Orde der artsen is van mening dat de karakterisatie op zich altijd pertinent zal zijn, zelfs indien de arts gezondheidszorg verstrekt waaraan weinig risico’s zijn verbonden. Een weinig risicovolle gezondheidszorgverstrekking kan in bepaalde gevallen toch risicovol worden, omwille van de gezondheidstoestand van de patiënt. Weinig of veel risico’s kan niet het criterium zijn. Daarnaast is het niet evident voor artsen om vooraf altijd de risico’s precies te kunnen inschatten.

De nationale raad is dan ook van oordeel dat het begrip ‘pertinente’ karakterisatie beter dient te worden omschreven, ook met het oog op een beoordeling van deze verplichting die niet arbitrair kan worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 3, afdeling 4 - Omkadering (art. 14)

De nationale is verheugd dat dit deontologische principe, bepaald in artikel 8 van de Code van medische deontologie, nu ook wettelijk is verankerd. Toch blijven er onduidelijkheden en juridische onzekerheden. Zo interfereert de omkadering waartoe de gezondheidszorgbeoefenaar, bijvoorbeeld een ziekenhuisarts, gehouden is en waarvoor hij verantwoordelijk is met deze die door de instellingen wordt georganiseerd. In hoeverre geldt deze verregaande verplichting voor een ziekenhuisarts? De nationale raad pleit voor een interpretatie die strookt met de algemene zorgvuldigheidsnorm. Dit zou betekenen dat hij niet alle voorschriften zoals vastgelegd door de erkenningsnormen dient te controleren, maar enkel dient te handelen als een zorgvuldig arts die nagaat of de zorg veilig en kwalitatief kan worden verstrekt. De arts met een privépraktijk draagt echter wel alle verantwoordelijkheden inzake omkadering zoals toegelicht door de memorie van toelichting.

Verder merkt de nationale raad opnieuw op dat ook hier een heel ruim en vaag begrip wordt gehanteerd. Uit de memorie van toelichting zou kunnen worden afgeleid dat administratief personeel niet onder het toepassingsgebied valt van het begrip ‘omkadering’. De commentaar bij artikel 8 van de Code van medische deontologie stelt evenwel dat ‘de arts zich omringt met bekwame medewerkers die aandacht besteden aan hun continue opleiding en op de hoogte zijn van hun beroepsverplichtingen, onder meer op het vlak van de eerbiediging van het beroepsgeheim’. In die zin is de medische deontologie ruimer, omdat zij betrekking heeft op zowel administratief als medisch personeel.

Hoofdstuk 3, afdeling 5 - Anxiolyse en anesthesie (artt. 15-16)

De nationale raad verwijst naar zijn hoger bij de artikelen 2 en 3 van de Kwaliteitswet aangehaalde aanbevelingen. Naast de stigmatisering die kan ontstaan door de gedetailleerde kwaliteitsvereisten specifiek voor gezondheidszorgbeoefenaars die verstrekkingen uitvoeren onder anesthesie, zorgt dit hoofdstuk voor verwarring bij het artsenkorps.

De commissie ‘Kwaliteitswet’ van de nationale raad raadpleegde specialisten in de materie en kwam tot de bevinding dat ook in deze afdeling van de Kwaliteitswet nog begrippen ontbreken of dienen te worden gedefinieerd, bijvoorbeeld ‘diepe sedatie’.

Algemeen is de nationale raad de mening toegedaan dat de inwerkingtreding van deze bepalingen betreffende anxiolyse en anesthesie voorafgaand grondig dient te worden overlegd met de betrokken organisaties, onder meer de Belgische beroepsvereniging van artsen specialisten in de anesthesie en de reanimatie, de Society for anesthesia and resuscitation of Belgium en de Belgian Society of Intensive Care Medicine. Deze verenigingen hebben reeds een aanzienlijk aantal richtlijnen opgesteld, waaronder de Belgian standards for patient safety in anesthesia om de veiligheid en de kwaliteit bij de toepassing van anesthesie te optimaliseren en te garanderen.

Hoofdstuk 3, afdeling 6 - Continuïteit (artt. 17-20)

De nationale raad wijst erop dat het vage begrip ‘bekwaamheid’ ook binnen de verplichting tot het garanderen van de zorgcontinuïteit een essentiële rol speelt.

De Kwaliteitswet, in tegenstelling tot de WUG, vermeldt niet dat de zorgcontinuïteit moet worden gegarandeerd door ‘een beoefenaar met dezelfde bijzondere beroepstitel’, maar door ‘een beoefenaar die behoort tot hetzelfde gezondheidszorgberoep en beschikt over dezelfde bekwaamheid’. De opstellers bevestigen in de memorie van toelichting dat ‘de gezondheidszorgbeoefenaar niet noodzakelijk over dezelfde beroepstitel moet beschikken maar wel over dezelfde bekwaamheid’. Enerzijds maakt deze verruiming of versoepeling het eenvoudiger voor de arts om te voorzien in de continuïteit van de zorg, voornamelijk binnen de weinig voorkomende specialismen. Anderzijds brengt dit een grotere verantwoordelijkheid met zich mee voor de arts. De arts moet zich ervan vergewissen dat de arts die hij aanduidt om de zorgcontinuïteit te verzekeren ‘bekwaam’ is.

Hoewel het artikel 20 van de Kwaliteitswet niet behoort tot deze artikelen die mogelijk vervroegd in werking treden op 1 januari 2022, licht de nationale raad u erover in dat hij de nieuwe bevoegdheid met betrekking tot het bewaren van de patiëntendossiers van de artsen die niet meer bij machte zijn de continuïteit van de zorg te verzekeren, voorbereidt.

De nationale raad denkt na over een haalbaar cascadesysteem voor het doorgeven van de patiëntendossiers, met de focus op een regeling voor een dossieroverdracht naar een arts met dezelfde beroepstitel en zoniet zal de nationale raad instaan voor de bewaring.

Recent ontwikkelde de Orde der artsen, op verzoek van vele artsen, een beveiligde en AVG-conforme wachtwoordkluis waardoor de toegang tot de patiëntendossiers gegarandeerd blijft zelfs wanneer een arts daar niet meer toe in staat is.

Hoofdstuk 3, afdeling 8 - Voorschrift (artt. 27-30)

De nationale raad staat achter het nieuwe concept van het groepsvoorschrift, dat de kwaliteit van de zorg ten goede kan komen.

De praktische toepassing van dit begrip dient echter nog te worden geconcretiseerd in het kader van de samenwerkingsverbanden. En ook de verantwoordelijkheden van de erin betrokken beroepsbeoefenaars dienen te worden afgelijnd.

Ten slotte mag het groepsvoorschrift geen afbreuk doen aan de vrije keuze van de patiënt.

Hoofdstuk 3, afdeling 11 - Patiëntendossier (artt. 33-35)

De nationale raad betreurt dat de Kwaliteitswet niet de verdienste heeft om de gefragmenteerde regelgeving met betrekking tot het patiëntendossier te uniformiseren. Ook dient te worden nagegaan of mogelijke lacunes, zoals bijvoorbeeld de vaccinatiestatus van de patiënt, in de opsomming in artikel 33 nog kunnen worden opgevuld.

Verder is de nationale raad van mening dat het artikel 33, 15°, van de Kwaliteitswet dat enkel geneesmiddelen met betrekking tot een operatie vermeldt, onvolledig is. Wat met andere medicatie, in het bijzonder met verslavingsgevoelige medicatie? De nationale raad onderstreept het belang en de aandacht voor de problematiek van de toxicomanie.

Verder is het volgens de nationale raad raadzaam alle ‘verwikkelingen’ (artikel 33, 16°, Kwaliteitswet) in het patiëntendossier op te nemen, ook deze die geen aanleiding hebben gegeven tot een bijkomende behandeling. De nationale raad pleit voor een transparante communicatie betreffende alle relevante incidenten die de patiënt overkomen en verwijst in dit verband naar zijn recent advies ‘Ondersteuning van het “raamwerk open disclosure” van het Vlaams Patiëntenplatform’ (a168023) van 20 november 2021.

De nationale raad onderstreept het belang van de beveiligde bewaring van elektronisch verwerkte gegevens die door het beroepsgeheim worden gedekt. Het risico op lekken of oneigenlijke toegang tot de gegevens dient te worden vermeden. Bij de vernietiging van het dossier dient de vertrouwelijkheid van de dossierinhoud te worden gewaarborgd.

Ten slotte, moedigt de nationale raad alle betrokkenen aan om na te denken over het ideaalbeeld bestaande uit één elektronisch dossier in de cloud, goed beveiligd en opgesteld in één uniforme software voor alle lijnen.


[1] De nationale raad onderschrijft in grote mate de studie gepubliceerd in Vansweevelt, T., et al., De Kwaliteitswet, Reeks Gezondheidsrecht 23, Brussel, Intersentia, 2020.

Huisarts25/05/2019 Documentcode: a165010
Inzetten van een huisarts in opleiding (HAIO) in de reguliere wachtdienst

Op 25 mei 2019 heeft de nationale raad een vraag betreffende het inzetten van een huisarts in opleiding (HAIO) in de reguliere wachtdienst voor huisartsen onderzocht.

De wachtdienst van de kandidaat-huisarts in opleiding (HAIO) moet altijd gebeuren onder supervisie en begeleiding van de stagemeester erkend in de huisartsgeneeskunde (huisarts praktijkopleider). .

Tussen de stagemeester en de HAIO wordt bij aanvang van de samenwerking een overeenkomst opgesteld waarin wordt bepaald hoeveel uren wachtdienst de HAIO zal doen (met een minimum van 120 uur om erkend te kunnen worden). In de overeenkomst kan er eveneens een plaatsvervangende stagemeester worden aangeduid, die kan optreden als begeleider wanneer de stagemeester afwezig is.

De wachtkringen passen toe wat bepaald is in deze overeenkomst.

Het is de opdracht van de stagemeester om zowel zijn eigen wachtdiensten te doen, als de wachtdiensten van de HAIO te begeleiden. Hiertoe dient hij tijdens de wachtdienst van de HAIO continu bereikbaar en beschikbaar te zijn om zich desnoods binnen een redelijke termijn te begeven naar de plaats van raadpleging.

Sommige wachtkringen houden er rekening mee dat de huisarts ook stagemeester is, en beslissen dat deze artsen minder wachtdiensten hoeven te doen. Andere wachtkringen houden hiermee geen rekening. Nog andere (grotere) wachtkringen geven de stagemeester en de HAIO tegelijkertijd een wachtdienst zodat de stagemeester uiteindelijk niet meer aan wachtdiensten moet deelnemen dan de andere huisartsen.

De problematiek dient binnen de wachtkringen zelf besproken te worden.

Het is aan de provinciale raden om mogelijke deontologische inbreuken te beoordelen.

Deze materie wordt voor het overige geregeld door het Ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen.


Wachtdiensten27/04/2019 Documentcode: a165007
Regelgeving omtrent een maximale arbeidsduur - Maximale duur

De nationale raad heeft op 27 april 2019 de regelgeving omtrent de maximale arbeidsduur onderzocht.

1°/ de wet van 12 december 2010 legt de arbeidsduur vast van de artsen, de kandidaat-artsen in opleiding en de studenten-stagiairs.

Deze wet is van toepassing op de artsen die werken in het kader van een arbeidsovereenkomst of in een statutair verband, behoudens enkele uitzonderingen(1).

Ze geldt ook voor de kandidaten die houder zijn van het diploma van Master in de geneeskunde, die in opleiding zijn met het oog op het zich zien toekennen van de erkenning voor een van de titels bedoeld in de artikelen 1, 2 en 2bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde, en die gezondheidszorgprestaties verrichten in het kader van hun opleiding.

Ze bepaalt dat de duur van elke werkperiode nooit 24 uren mag overschrijden, behoudens in geval van arbeid die door een onvoorziene noodzakelijkheid wordt vereist of om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval (artikel 5, §2, en 7, §1, van voornoemde wet van 12 december 2010).

Elke arbeidsprestatie waarvan de duur tussen 12 uren en 24 uren bedraagt moet worden gevolgd door een periode van minimum rust van 12 opeenvolgende uren (artikel 5, §2, en 7, §1, van voornoemde wet van 12 december 2010).

Voor de kandidaten in opleiding worden de uren wetenschappelijk werk die verplicht zijn in het kader van de academische vorming meegeteld als arbeidstijd ten belope van maximum 4 uren per week waarvan 2 uren op de werkplek (artikel 5, §4 van voornoemde wet van 12 december 2010).

De bijkomende arbeidstijd bovenop de wekelijkse maximale arbeidsduur, onder meer om de wachtdienst te verzekeren, mag geen overschrijding van de maximale duur van een arbeidsprestatie (24 uur) teweegbrengen (artikel 7, §1, van voornoemde wet van 12 december 2010).

Op deontologisch gebied hebben de artsen die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de diensten en van de wachtdiensten alsook de stagemeesters de plicht ervoor te zorgen dat deze wetgeving, die de Richtlijn 2003/88/EG van 4 november 2003 omzet(2) en de wet Colla van 1999(3) vervangt, toegepast wordt naar de geest en de letter.

2°/ De meerderheid van de artsen oefenen hun beroep uit als zelfstandige.

De nationale raad heeft geen eenduidige regels bepaald betreffende de arbeidstijd of de maximale duur van een prestatie omdat hij van mening is dat deze kwestie onder de individuele verantwoordelijkheid valt.

De organisatie van de arbeidstijd moet voldoen aan de vereisten inzake de zorgkwaliteit, de patiëntveiligheid en het welzijn van de arts zelf, die beschreven in de code van medische deontologie 2018 in hoofdstuk 1 Professionaliteit.



(1) Met uitzondering van :

- de personen tewerkgesteld door het Rijk, de provinciën, de gemeenten, de openbare instellingen die er onder ressorteren en de instellingen van openbaar nut, behoudens indien zij tewerkgesteld zijn door instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen;

- het militair personeel;

- de personen die een leidinggevende functie uitoefenen.

(2) Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, wat betreft de artsen, de tandartsen, de dierenartsen, kandidaat-artsen in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen

(3) Ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten,


Huisarts17/01/2015 Documentcode: a148001
Bewaartermijnen van wachtverslagen binnen de huisartsenwachtposten

De Nationale Raad wordt om advies gevraagd betreffende de bewaartermijnen van wachtverslagen binnen de huisartsenwachtposten.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 januari 2015 onderzocht de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de vraag van de Federale Raad voor de Huisartsenkringen (FRHAK) betreffende de bewaartermijnen van wachtverslagen binnen de huisartsenwachtposten.

1- Het wachtverslag

In het kader van de bevolkingswachtdienst is het contact tussen de patiënt en de arts eenmalig. Het wachtverslag bevat de redenen voor de consultatie en beschrijft gedetailleerd de behandeling van de patiënt.

Dit verslag heeft verscheidene doeleinden.

1- Het waarborgt met name de continuïteit van de zorg. Het vormt een bewijsstuk van een bijzonder voorval (acute medische episode, ongeval,...) dat kan worden gebruikt in de procedures bij een arbeidsongeval, bij een ongeval waarbij derden betrokken zijn of bij een medisch ongeval.

2- Het kan gegevens verzamelen die noodzakelijk zijn voor de redactie van de wettelijk verplichte jaarlijkse rapportering door de organiserende huisartsenkring aan de FOD Volksgezondheid (artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen).

Gezien deze doeleinden is het volgens de Nationale Raad gewettigd dat het wachtverslag na afloop van de wacht wordt meegedeeld aan de vertrouwde huisarts, tenzij de patiënt zich ertegen verzet, en aan de wachtdoende huisarts die de consultatie heeft verricht.

De patiënt heeft recht op een afschrift van dit verslag overeenkomstig de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

2- Continuïteit en kwaliteit van de zorg

De Nationale Raad wordt om advies verzocht betreffende de bewaring van dit verslag binnen de huisartsenwachtpost teneinde de continuïteit en de kwaliteit van de zorg te waarborgen mocht de patiënt zich opnieuw aanmelden bij dezelfde wachtpost.

De medische wachtpost heeft tot doel de continuïteit van de zorg te verzekeren bij afwezigheid van de vertrouwde huisarts in het kader van de organisatie van de bevolkingswachtdienst. Vooral in grote steden blijkt dat heel wat patiënten geen vertrouwde huisarts hebben en zich regelmatig aanmelden bij de medische wachtpost.

Bovendien bevindt het persoonlijk artsenkabinet van de wachtdoende artsen zich niet noodzakelijk binnen dezelfde geografische zone en wijden sommige artsen zich uitsluitend aan de wachtgeneeskunde.

Ofschoon de wachtdoende arts de patiënt dient aan te sporen om een vertrouwde huisarts te kiezen die hem op lange termijn kan behandelen in optimale omstandigheden, dienen bovendien alle maatregelen te worden genomen voor het verstrekken van kwaliteitsvolle zorg in de medische wachtpost.

Het is in het belang van de patiënt dat de wachtdoende arts de verslagen kan inkijken die voor de patiënt eerder werden opgesteld, ook al bieden de verzamelde wachtverslagen slechts beperkte informatie, bijvoorbeeld om allergische reacties op geneesmiddelen te vermijden of bij een terugkerend gezondheidsprobleem.

Het zou ideaal zijn indien de wachtdoende arts via een netwerk toegang zou kunnen krijgen tot het SUMEHR (summarized electronic record) van de patiënt.

3- Bewaring

De bewaring waarborgt door de medische wachtpost het voortbestaan en de toegang van het document en het document kan een bewijsstuk vormen wanneer de verantwoordelijke voor de organisatie van de wachtdienst aansprakelijk wordt gesteld.

De Nationale Raad is bijgevolg van oordeel dat de bewaring van het wachtverslag door de medische wachtpost volgens de voorwaarden bepaald in artikel 46 van de Code van geneeskundige plichtenleer en de toegang ertoe door de wachtdoende artsen die een therapeutische relatie hebben met de patiënt, noodzakelijk zijn vanuit deontologische gezichtshoek.

De bewaring van het verslag door de wachtpost ontslaat de vertrouwde huisarts niet van zijn verplichting dit verslag te bewaren volgens de voorwaarden vastgelegd in het voornoemde artikel 46.

De verwerking van de persoonsgegevens betreffende de gezondheid door de medische wachtpost dient in overeenstemming te zijn met de wetgeving betreffende de persoonlijke levenssfeer.

Voorts dienen voor materieel en personeel alle noodzakelijke voorzorgen te worden genomen voor de bescherming van de verzamelde gegevens en de verwerking ervan binnen het kader van de opdracht van de bevolkingswachtdienst overeenkomstig de regels inzake medisch geheim, bescherming van de persoonlijke levenssfeer, rechten van de patiënt en geneeskundige plichtenleer.

De toegang tot de gegevens dient te verlopen overeenkomstig de wetgeving betreffende de persoonlijke levenssfeer en dient te worden getraceerd om controle mogelijk te maken.

De verwerking van deze persoonsgegevens dient te gebeuren onder de verantwoordelijkheid van een arts.

Dit advies vervangt het punt 2 van het advies van 28 mei 2011, "Bewaartermijnen van wachtverslagen binnen de huisartsenwachtposten", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 134.

Huisarts15/11/2014 Documentcode: a147013
Verantwoordelijkheid van de wachtdienstverantwoordelijke in de huisartsgeneeskunde

De taak van de wachtdienstverantwoordelijke bestaat in het opstellen van de beurtrol, deze kenbaar te maken aan de betrokken huisartsen en de provinciale geneeskundige commissie, evenals de eventuele wijzigingen die zich nadien kunnen voordoen.
Eens deze opdracht ten einde, stopt dan de verantwoordelijkheid van de wachtdienstverantwoordelijke?
Ligt de verantwoordelijkheid bij de betrokken huisarts van wacht, eens de wachtlijst is opgesteld en medegedeeld aan de PGC?
Meerdere problemen kunnen zich voordoen zodat de huisarts van wacht niet bereikbaar en/of beschikbaar is.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 15 november 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw adviesaanvraag betreffende de verantwoordelijkheid van de wachtdienstverantwoordelijke onderzocht.

Overeenkomstig het artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, samen gelezen met het artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan de huisartsenkringen, zijn de huisartsenkringen verantwoordelijk voor de organisatie van de bevolkingswachtdiensten van huisartsen. Deze verplichting werd op grond van artikel 15, §1 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren, eveneens ingeschreven in de Code van geneeskundige plichtenleer, meer bepaald in de artikelen 113 t.e.m. 118.

1/ Huishoudelijk reglement van de wachtdienst

De praktische, organisatorische afspraken en engagementen tussen de verstrekkers worden neergelegd in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst (hierna: HRW) waartoe een huisartsenkring overeenkomstig het artikel 5, 3°, van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 verplicht is. Overeenkomstig artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 komt het de territoriaal bevoegde provinciale geneeskundige commissie toe het huishoudelijk reglement goed te keuren.
Overeenkomstig het artikel 167 van de Code van geneeskundige plichtenleer dient het HRW bovendien vooraf aan de bevoegde provinciale raad van de Orde van geneesheren te worden voorgelegd.

Hoewel een wachtdienst van een huisartsenkring kan worden opgesplitst in wachtdienstonderdelen, dient er slechts één HRW per huisartsenkring te worden opgesteld, teneinde een zekere uniformiteit te krijgen omtrent de wachtdienstregeling binnen de ganse huisartsenzone van een kring.

Het HRW geldt als een overeenkomst tussen de organiserende huisartsenkring en de uitvoerende huisarts waarin de rechten en plichten gedetailleerd worden bepaald, ongeacht of men als huisarts effectief lid is van de huisartsenkring of niet. Het "aanvaarden" van het huishoudelijk reglement zoals gesteld in het artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 heeft immers niet de betekenis van "lid worden van", maar eerder van het "onderschrijven" van de organisatie van de wachtdienst. De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft evenwel in enkele recente adviezen met betrekking tot de organisatie van de wachtdienst gewezen op de noodzaak om rond een aantal cruciale punten (o.a. uitbreiding naar een weekwachtdienst) zeker tot een breed gedragen consensus te komen en heeft daarom modaliteiten voor besluitvorming binnen de huisartsenkring besproken 1. Het weze opgemerkt dat, aangezien een huisartsenkring overeenkomstig artikel 4, § 2 van het ministerieel besluit van 28 juni 2002 tot vaststelling van de voorwaarden tot het verkrijgen van de erkenning van huisartsenkringen, een vereniging zonder winstoogmerk dient te zijn, dit er in principe toe leidt dat slechts de echte leden van de algemene vergadering van de huisartsenkring exclusief stemgerechtigd zijn om zich uit te spreken over het huishoudelijk reglement. Ondanks deze vaststelling, is de Nationale Raad van oordeel dat er ernstig rekening moet gehouden worden met een voorafgaand "verzwaard advies" van bijeenkomsten met alle betrokken huisartsen bij de feitelijke goedkeuring en/of wijziging van het HRW.

Wat betreft het aanvaarden van het HRW dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de leden en de niet-leden huisartsen die deelnemen aan de wachtdienst. Voor leden kan normaliter reeds verondersteld worden dat het HRW stilzwijgend aanvaard werd door elk lid, bij wijze van het lidmaatschap van de huisartsenkring. Voor de niet-leden hangt het "aanvaarden" af van de graad van betrokkenheid en inspraak die deze huisartsen bij de uitwerking van het HRW via de huisartsenkring hebben gekregen of zelf individueel hebben genomen. Het is aan de huisartsenkring om individueel te beoordelen of een formele ondertekening van het HRW opportuun of noodzakelijk is. In elk geval wordt van elke huisarts die deelneemt aan de wachtdienst verondersteld dat hij volledig en onvoorwaardelijk "instemt" met dat HRW vanaf het ogenblik dat hij opgenomen wordt op de beurtrol, op risico, in het geval van weigering of niet-naleving ervan, daarvan te worden verwijderd of uitgesloten - de jure en de facto - met aansluitend alle wettelijke en deontologische gevolgen/sancties via de bevoegde instanties.

2/ Beurtrol

In het HRW moet de procedure worden beschreven voor de opstelling van de beurtrol volgens de lijst van deelnemende huisartsen. Daarbij horen de modaliteiten voor de legitieme vrijstelling, met de omschrijving van de aanvaardbare én aanvaarde criteria die jaarlijks worden bepaald door de algemene vergadering van de huisartsenkring en rekening houdend met de invulling van de wachtdienst en het quorum noodzakelijk om die opdracht te kunnen uitvoeren. Vrijstellingen moeten door de betrokken huisarts gemotiveerd aangevraagd worden bij de huisartsenkring en gericht worden aan de raad van bestuur van die kring.
De meest aanvaardbare beurtrol wordt opgesteld op een (jaarlijkse) algemene vergadering van de huisartsenkring waarop alle huisartsen (leden én niet-leden van de kring) van elk wachtdienstonderdeel worden uitgenodigd en waarbij rekening gehouden wordt met hun desiderata.

Een beurtrol is echter geen statisch gegeven. In de loop van de tijdsperiode kunnen steeds onder toezicht en controle van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator aanpassingen aangebracht worden overeenkomstig de modaliteiten van wijzigingen aan de beurtrol opgenomen in het HRW.

Bij een gewone omwisseling van wachtdiensten onder lokale huisartsen geeft dit normaliter geen problemen omdat de huisarts van wacht zelf binnen de kring voor een vervangende huisarts zorgt.

Bij het tijdelijk of definitief opschorten van een geplande deelname aan de wachtdienst door veranderingen aan de professionele omstandigheden (o.a. verhuis naar een praktijklocatie buiten de kring, stoppen van de praktijk als huisarts of bij pensionering, schorsing door de Orde of PGC) waardoor o.a. niet meer wordt voldaan aan de voorziene inclusiecriteria voor deelname en kan een situatie ontstaan waardoor die huisarts (mogelijks) onvoldoende of niet meer in de mogelijkheid verkeert om zelf nog een vervanger te zoeken. Dit is ook het geval bij gezondheidsredenen (overlijden, zwangerschap, acute en/of chronische ziekten) en dat tot betwistingen of geschillen kan leiden.

In het HRW dienen daartoe back-up mogelijkheden te worden voorzien voor het geval van het uitvallen van de huisarts van wacht (om welke redenen ook). Dit uitwerken is echter een solidaire en collegiale verantwoordelijkheid van de huisartsenkring, de wachtdienstverantwoordelijke en alle lokale huisartsen. Een aantal opties zijn daarbij o.a. minstens één reserve huisarts (als stand-by) op te nemen in die beurtrol of te voorzien in een ‘pool' van huisartsen die bij problemen ad hoc kunnen/willen invallen voor plotse hiaten in de beurtrol.

De wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator moet de goedgekeurde beurtrol bezorgen aan alle deelnemende huisartsen, aan de raad van bestuur van de huisartsenkring (als organisator), de provinciale geneeskundige commissie en het Riziv (het beschikbaarheidshonorarium).

De beurtrol wordt tevens ter informatie overgemaakt aan de provinciale raad van de Orde van geneesheren.

Indien er zich (belangrijke) wijzigingen aan de beurtrol voordoen of opdringen, dan moet de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator de maatregelen nemen voorgeschreven door het HRW opdat die "aanpassingen" onmiddellijk geactualiseerd worden.

Ingeval van omwisseling of opschorting van de wachtdienst, waarvoor de modaliteiten moeten opgenomen worden in het HRW, dient de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator bovendien tijdig te worden verwittigd zodat de nodige "aanpassingen" aan de beurtrol kunnen worden aangebracht en de goede werking van de wachtdienst niet in het gedrang komt.

3/ Registratie

Overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 dient elke huisartsenkring een registratie te organiseren omtrent epidemiologie, veiligheidsproblemen, patiëntenklachten en klachten omtrent dienstverlening in relatie tot de organisatie van de wachtdienst. Indien er zich incidenten voordoen tijdens de wachtdienst wordt dit door de huisarts van wacht onmiddellijk gerapporteerd aan de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator. Een huisarts van wacht vult daartoe een registratieformulier in dat wordt overgemaakt aan de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator.

4/ Problemen

Indien er zich problemen voordoen (o.a. het niet bereikbaar of beschikbaar zijn van de huisarts van wacht) dient de wachtdienstverantwoordelijke/coördinator het nodige te doen om "controle te houden" op de goede werking van de wachtdienst.

Aangezien er steeds een functionele bevolkingswachtdienst moet kunnen gegarandeerd worden, moeten enerzijds problemen maximaal preventief aangepakt worden en moeten anderzijds alle praktische maatregelen (kunnen) genomen worden rond de operationaliteit van de wachtdienst, teneinde mogelijke aansprakelijkheden zowel voor de huisartsenkring, de wachtdienstverantwoordelijke als de huisarts van wacht te vermijden.

Ook in geval van overmachtsituaties, zoals technische problemen met o.a. telecommunicatie, met het centrale oproepnummer van de bevolkingswachtdienst of de doorschakeling naar de huisarts van wacht, dienen duidelijke afspraken gemaakt te worden met de betrokken providers of andere ‘dispatching' systemen om dergelijke problemen onmiddellijk en prioritair op te lossen, of minstens voor een alternatieve communicatie te zorgen.

Bij tekortkoming of ontoereikendheid, doet de provinciale geneeskundige commissie, op eigen initiatief of op verzoek van de gouverneur van de provincie, een beroep op de medewerking van de huisartsenkringen en de huisartsen met het oog op het inrichten of het aanvullen van de lokale organisatie van de bevolkingswachtdienst.
Indien, na het verstrijken van een door de provinciale geneeskundige commissie vastgelegde termijn de lokale organisatie van de bevolkingswachtdienst niet op voldoende wijze werkt, neemt de gezondheidsinspecteur zelf alle maatregelen met het oog op het inrichten of het aanvullen van de lokale organisatie van de bevolkingswachtdienst op grond van de behoeften die eventueel zullen zijn bepaald door de geneeskundige commissie, welke bij deze gelegenheid wordt voorgezeten door de gouverneur van de provincie. In dat kader kan de gezondheidsinspecteur de deelname vorderen van de huisartsenkringen en huisartsen, die hij aanwijst, met het oog op het organiseren of aanvullen van de lokale organisatie van de medische permanentie.

5/ Sanctionering

De Nationale Raad is zich ervan bewust dat huisartsen van wacht in/door bepaalde concrete omstandigheden - al dan niet opzettelijk of gewild - zich niet of onvoldoende houden aan bepalingen van het HRW en hun correcte invulling van de toegewezen wachtdiensten zoals bepaald op de goedgekeurde beurtrol.

Aangezien de huisartsenkring wettelijk enkel een organiserende, doch geen enkele sanctionerende bevoegdheid naar de deelnemende huisartsen heeft, dient in het HRW een transparante en sluitende geschillenprocedure te worden voorzien voor geschillen tussen de huisartsenkring, de wachtdienstverantwoordelijke en de betrokken huisarts(en).

De bemiddeling van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator en het collegiaal overleg met de betrokken huisarts(en) kan veel problemen uitklaren en oplossen. De verzoeningscommissie van de huisartsenkring zal trachten te bemiddelen, wanneer de initiatieven van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator geen bevredigend resultaat opleverden.

Anderzijds dient er in het HRW melding gemaakt te worden van de instanties, zoals de provinciale raden van de Orde der geneesheren en de provinciale geneeskundige commissies die wél bevoegd zijn om desgevallend sanctionerend op te treden.

In afwachting van een uitspraak van de bevoegde instanties kan een huisarts slechts tijdelijk ontheven worden van deelname aan de wachtdienst op een gemotiveerde beslissing van de raad van bestuur van de huisartsenkring die de bevoegde instanties hierover brieft.

6/ Conclusie

Gelet op het belang voor de organisatie van de bevolkingswachtdienst, is het noodzakelijk dat de taak van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator zo nauwkeurig mogelijk wordt omschreven in het HRW, naast alle andere modaliteiten voor de werking.

Niet alleen het "opstellen" maar ook het permanent "beheren" en "controleren" van de beurtrol (wijzigingen e.d.) blijft een essentieel onderdeel omdat dit de basis is voor een goede werking van de bevolkingswachtdienst. Daarom moet elke wijziging aan de beurtrol steeds verlopen onder toezicht van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator en kan dit niet worden overgelaten aan de willekeurige invulling door individuele huisartsen.

Als het mandaat binnen het hierboven geschetste kader met de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid wordt ingevuld, kan de aansprakelijkheid van de wachtdienstverantwoordelijke/-coördinator normaal niet in het gedrang komen.


1.Advies 2 oktober 2010, "Deelname aan de week(nacht)wachtdienst - Beslissing van de huisartsenkring"; advies 22 januari 2011, "Deelname aan de week(dag)wachtdienst - Beslissing van de huisartsenkring"; advies 30 april 2011, "Deelname aan de week(dag)wachtdienst - Beslissing van de huisartsenkring".

Wachtdiensten17/05/2014 Documentcode: a145019
report_problem De formulieren voor de aangifte van het overlijden, modellen III C en III D, gedefinieerd door het ministerieel besluit van 11 augustus 2000 tot wijziging van de bijlagen van het koninklijk besluit van 17 juni 1999 waarbij het opmaken van een jaarlijkse statistiek van de overlijdensoorzaken wordt voorgeschreven (zoals deze vandaag zijn opgesteld) kunnen besteld worden bij de FOD Economie via volgende de link :
http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/gegevensinzameling/aangifteformulieren/
Verplichting voor de wachtarts om zich te verplaatsen bij overlijden van de patiënt

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende de verplichting voor de arts met wachtdienst om zich te verplaatsen om een overlijden vast te stellen en een overlijdensattest op te maken.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 mei 2014 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw adviesaanvraag betreffende de verplichting voor de arts met wachtdienst om zich te verplaatsen om een overlijden vast te stellen en een overlijdensattest op te maken.

De Nationale Raad is van oordeel dat, in geval van overlijden, de eerste arts die dient te worden opgeroepen de behandelende arts van de patiënt is. Indien mogelijk gaat deze ter plaatse, ook al heeft hij geen wachtdienst.

Indien de behandelende arts niet ter plaatse kan gaan, de arts met wachtdienst zich ter plaatse dient te begeven.

De wet belast de arts met het vaststellen van het overlijden en het afleveren van het overlijdensattest. Dit attest vormt een voorwaarde voor het opmaken van de akte van overlijden door de ambtenaar van de burgerlijke stand 1 en de teraardebestelling 2.

Het belang van deze opdracht mag noch worden onderschat noch gebanaliseerd. Artikel 24 van de wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie heeft hierop de nadruk gelegd door de ambtenaar van de burgerlijke stand niet langer te verplichten het overlijden zelf vast te stellen en hem toe te laten zich ervan te vergewissen aan de hand van een overlijdensattest.

De arts moet onder andere attesteren of er een geneeskundige of gerechtelijk-geneeskundige belemmering voor de teraardebestelling of crematie is; dit houdt in dat het lichaam zo spoedig mogelijk moet worden onderzocht om te vermijden dat bepaalde sporen verdwijnen en dat het lichaam niet mag worden verplaatst of dat de persoon niet mag worden afgelegd vóór dit onderzoek.

Naast de juridische en administratieve aspecten van deze opdracht zijn de tussenkomst en de aanwezigheid van de arts eveneens belangrijk voor de naasten of het verzorgend personeel, bijv. van een rust- en verzorgingstehuis. Geconfronteerd met de dood bevinden zij zich immers in een situatie van emotionele kwetsbaarheid. In deze omstandigheden zijn de steun, de begeleiding en de solidariteit van de arts van wezenlijk belang.

Eén van de plichten van de arts in de Code van geneeskundige plichtenleer is het eerbiedigen van de menselijke persoon.

De uitoefening van de geneeskunde is een bij uitstek menslievende opdracht 3 , wat betekent dat zij is gebaseerd op de fundamentele menselijke waarden, namelijk welwillendheid, eerbied voor de andere en empathie.

Indien men zich buiten de normale praktijkuren niet wil verplaatsen om een overlijden vast te stellen met als reden dat het niet dringend is, vergeet men dat de geneeskunde niet beperkt is tot verzorgen, maar tevens impliceert dat men, met eerbiediging van de bovenstaande waarden, zorg draagt voor de omgeving van de overleden persoon en voor het stoffelijk overschot.

Het is bijgevolg niet noodzakelijk om de continuïteit van de zorg, die de grondslag vormt voor de organisatie van de medische permanentie, in te roepen om de verplaatsing van de arts met wachtdienst te rechtvaardigen.

Sedert de wet van 23 mei 2006 tot wijziging van de artikelen 78 en 79 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de aangifte en de akten van overlijden, is het overigens de taak van de arts die het overlijden vaststelt om het overlijdensattest op te maken.

Het advies van de Nationale Raad van 17 oktober 1992 volgens hetwelk de arts met wachtdienst zich mocht beperken tot het vaststellen van het overlijden en het opmaken van het overlijdensattest mocht overlaten aan de behandelende arts, is dan ook niet meer van toepassing.

Ingeval er een probleem rijst, tracht de arts met wachtdienst de gewenste inlichtingen te verkrijgen bij de behandelende arts.

1. Artikel 78 van het Burgerlijk Wetboek : De akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de persoon is overleden, zodra hem een overlijdensattest werd voorgelegd door een verwant van de overledene of door een derde persoon die de inlichtingen kan meedelen welke vereist zijn voor het opmaken van de voornoemde akte.
Het overlijdensattest wordt opgesteld door een geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld.

2. Artikel 77 van het Burgerlijk Wetboek : Geen teraardebestelling geschiedt zonder een (...) kosteloos afgegeven verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, die dit echter niet mag afgeven dan nadat hij zich van het overlijden heeft vergewist aan de hand van een overlijdensattest , en eerst vierentwintig uren na het overlijden, behalve in de gevallen door politieverordeningen bepaald.

3. Artikel 3 van de Code van geneeskundige plichtenleer : De uitoefening van de geneeskunde is een bij uitstek menslievende opdracht; de arts waakt in alle omstandigheden over de gezondheid van de enkeling en van de gemeenschap.
Teneinde deze opdracht te vervullen moet de arts, welke discipline van de geneeskunde hij ook uitoefent, ten volle bevoegd zijn en de menselijke persoon steeds eerbiedigen.

Geneesmiddelen01/02/2014 Documentcode: a144008
Voorschrijven van benzodiazepines of morfinederivaten tijdens de huisartsenwacht

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld in verband met het voorschrijven van benzodiazepines of morfinederivaten tijdens de huisartsenwacht.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 1 februari 2014 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren de vraag onderzocht die u gesteld werd door een huisartsen wachtpost aangaande het voorschrijven van benzodiazepines of morfinederivaten tijdens de wachtdienst.

U wordt met name ondervraagd over de mogelijkheid aan te kondigen dat dit soort voorschrift door de huisartsenwachtpost geweigerd wordt.

"Het doel van een huisartsen wachtpost algemene geneeskunde bestaat erin de continuïteit van de zorg te verzekeren in afwezigheid van de vaste huisarts, in het kader van de organisatie van de bevolkingswachtdienst 1".

In deze context moet de arts, bij een gerichte tussenkomst die verder zal opgevolgd worden door de behandelende arts, een antwoord bieden wat betreft een bepaald probleem bij een patiënt die hij doorgaans niet kent.

Een vertrouwensrelatie tot stand brengen tussen de arts en de patiënt, noodzakelijk voor het uitoefenen van een goede geneeskunde, kan in deze omstandigheden ingewikkeld zijn, in het bijzonder wanneer de arts zich vragen stelt over het eventuele bestaan van een verslaving.

In het algemeen en speciaal ten opzichte van alle substanties die een afhankelijkheid kunnen creëren, heeft de arts de morele en sociale plicht bij het voorschrijven een preventieve en waakzame houding aan te nemen door de patiënten gezondheidsinformatie en -vorming te bieden.

De arts moet zich terdege bewust zijn van zijn verantwoordelijkheid bij het voorschrijven van geneesmiddelen die een voor de gezondheid en het welzijn van de patiënt ondermijnende afhankelijkheid kunnen teweegbrengen 2.

De arts moet eveneens vermijden behandelingen of geneesmiddelen voor te schrijven op eenvoudig verzoek van de patiënt, zonder dat diens toestand dit medisch rechtvaardigt. Hij waakt erover geneesmiddelen voor te schrijven in gepaste vorm en hoeveelheid teneinde overconsumptie en overdosering tegen te gaan. De arts zet zich in om elke vorm van afhankelijkheid te voorkomen. Hij wijst de patiënt onder meer op het verkeerd gebruik en het misbruik van substanties die tot afhankelijkheid kunnen leiden evenals op de risico's bij langdurig gebruik ervan 3.

Ook al moet het voorschrijven van benzodiazepines of morfinederivaten uiterst voorzichtig gebeuren, toch kan een arts daarom niet van bij het begin en systematisch dergelijk voorschrift uitsluiten zonder de patiënt eerst onderzocht te hebben.

Er zijn omstandigheden waarin zo'n voorschrift gerechtvaardigd kan zijn, zelfs tijdens de wachtdienst.

In die gevallen dient de arts met wachtdienst aandacht te hebben voor de beperkingen van zijn verzorging tijdens de wachtdienst, voor de mogelijkheid de kleinste verpakking van de kleinste dosering van het geneesmiddel voor te schrijven en voor de noodzaak de behandelende arts te informeren over zijn tussenkomst.

Bovendien mag de arts met wachtdienst zich niet, a priori en automatisch, onttrekken aan een dialoog met de verslaafde patiënt betreffende de vraag naar een voorschrift. Zelfs gedurende de wachtdienst heeft hij de plicht de patiënt in te lichten en te sensibiliseren en hem aan te moedigen met zijn behandelende arts een therapeutisch project op lange termijn uit te werken of, indien hij geen behandelende arts heeft, hem een confrater of aangepaste zorgstructuren aan te wijzen.

Bijgevolg is de vooraf aangekondigde en systematische weigering om benzodiazepines of morfinederivaten voor te schrijven binnen een medische wachtpost deontologisch niet verantwoord.

1 Advies van 28/05/2011 van de NR, TNR nr. 134
2 Advies van 16/01/1988 van de NR, TNR nr. 40, p. 13
3 Artikel 36 en 37 van de Code van geneeskundige plichtenleer