keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Dienst 10006/12/2008 Documentcode: a123011
Wachtdienst voor huisartsgeneeskunde – Begeleiden van een patiënt met een ambulance

Inzake de huishoudelijke reglementen van de wachtdiensten in de huisartsgeneeskunde die ter goedkeuring aan de provinciale raad dienen te worden voorgelegd, rijst o.m. het probleem van het begeleiden van een patiënt met een ambulance door de huisarts van wacht buiten het wachtdienstgebied.
Op deze door een senator voorgelegde vraag antwoordde mevrouw L. Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, dat er wettelijk geen enkel bezwaar bestaat tegen het feit dat de arts zijn wachtgebied verlaat. De patiënt die dringend hulp nodig heeft, kan zich desgevallend wenden tot de Dienst 100. Op deontologisch gebied meent de minister dat “in alle gevallen de vastgestelde urgentie primeert op de mogelijke urgentie”.
Volgens een provinciale raad heeft een huisarts echter niet de nodige opleiding en routine om de patiënt samen met het Paramedisch Interventie Team (PIT) te stabiliseren en dient de tussenkomst van de wachtdoende arts in dit geval enkel om de aansprakelijkheid van het verpleegkundig personeel van de PIT te dekken. Wat het deontologisch argument van de minister betreft meent deze provinciale raad dat de arts zelf dient te oordelen of zijn aanwezigheid in de ambulance noodzakelijk is.
De provinciale raad legt het probleem aan de Nationale Raad voor.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 6 december 2008 uw vragen besproken.

Het is een algemene wettelijke en deontologische plicht dat elke geneesheer medische hulp biedt – indien gevraagd door een patiënt of nabestaanden en/of opgevorderd door de overheid – aan elke patiënt die dringende medische zorg nodig heeft.

Specifiek binnen het kader van de dringende geneeskundige hulpverlening via het eenvormig oproepstelsel (“100”) bestaat een duidelijk wettelijk kader(1) met de reële mogelijkheid om elke geneesheer op te vorderen, en in het bijzonder ook de huisarts van wacht(2).

In een aantal regio’s beschikt men immers niet over een Mobiele urgentiegroep (MUG(3)) met een arts gespecialiseerd in de urgentiegeneeskunde doch enkel met een verpleegkundige gespecialiseerd in de urgentiegeneeskunde aan boord, het Paramedisch Interventie Team (PIT).

In de voorliggende casuïstiek wordt de huisarts van wacht niet enkel opgevorderd – via 100-dispatcher en het PIT – voor toediening van de (eerste) medische zorg, doch wordt blijkbaar ook vereist dat die geneesheer de patiënt eveneens begeleidt met de ambulance tot een ziekenhuis met een gespecialiseerde spoedgevallendienst(4) (DGS); daarbij dient de huisarts van wacht soms het eigen wachtdienstgebied over een grote afstand te verlaten, en is hij/zij ook de facto totaal niet meer beschikbaar voor die wachtdienst.

Het inschakelen van de huisarts van wacht in de dringende geneeskundige hulpverlening behoort – voorwaardelijk – tot de wettelijke, deontologische en praktische mogelijkheden.

Niet in het minst dienen dergelijke specifieke modaliteiten opgenomen te worden in het Huishoudelijk Reglement van de Wachtdienst (HRW) van de huisartsenkring, reglement dat ter nazicht en goedkeuring wordt voorgelegd aan de Provinciale Raad Orde (PRO) en de Provinciaal Geneeskundige Commissie (PGC).

Dat houdt in dat – wettelijk bepaald – de organiserende huisartsenkring(5) over die praktische modaliteiten duidelijk voorafgaande afspraken heeft gemaakt (of kan maken), voorzien in een protocol(6), met alle andere betrokken partijen:
de ziekenhuizen met gespecialiseerde spoedgevallendienst (DGS) en MUG/PIT;
de dienst “100”;
de Commissie DGH (Dringende Geneeskundige Hulpverlening - provinciaal).

Bijzondere aandacht moet daarbij besteed worden aan de volgende wrijvingspunten :

de territorialiteit van enerzijds de “interventiezone” van de DGH via de MUG/PIT en anderzijds van de “huisartsenzone” van de wachtdienst van huisartsen, is verschillend en niet steeds overlappend; nochtans bepaalt dit de exclusieve actieradius van beide.

de beschikbaarheid 24/24 uur en 7/7 dagen is voor de wachtdienst van huisartsen nog niet gegarandeerd, noch is dit algemeen ingevoerd; dit schept reële beperkingen in de praktische haalbaarheid van de inschakeling van de huisarts van wacht in een systeem van dringende geneeskundige hulpverlening (o.a. het PIT).

de huisarts van wacht moet “permanent beschikbaar” zijn voor zijn specifieke taak, “binnen de huisartsenzone van de wachtdienst” en “gedurende de ganse periode” dat de wachtdienst functioneert; de meeste HRW’s bepalen dan ook expliciet dat de huisarts van wacht dit gebied niet mag verlaten, juist wegens het risico van onbeschikbaarheid binnen de eigen huisartsenzone van de wachtdienst bij een nieuwe oproep, waarvan de ernst/dringendheid a priori niet kan vermoed noch genegeerd worden.

de normale werking van een dergelijke “ingeschakelde” wachtdienst wordt dermate gecompromitteerd binnen de geschetste context, dat de PGC ernstig de “behoeften” daarvan zal moeten nazien op “tekortkomingen” en “ontoereikendheid” (KB nr. 78, art. 9, § 2), en dit in overleg met en de medewerking van die organiserende huisartsenkring.

de huisarts van wacht heeft een specifieke opdracht : de “normale en regelmatige zorgverlening, ten huize”; dringende oproepen behoren ook tot die dienstverlening, doch zijn eerder uitzonderlijk; de systematische inschakeling binnen een systeem van dringende hulpverlening is derhalve niet zo evident, gezien er qua tijdsbesteding en workload een conflictsituatie kan/zal ontstaan met de feitelijke wettelijke opdracht. Dit heeft een bepalende invloed op de kwantitatieve samenstelling van de beurtrol van de wachtdienst, en dus het effectief aantal huisartsen dat moet deelnemen om die zorg kwalitatief te kunnen blijven verzekeren.

de wetenschappelijke/medische competentie van de huisarts op het gebied van de dringende geneeskundige hulp is beperkt, en is zeker niet vergelijkbaar met die van de geneesheer-specialist in de urgentiegeneeskunde(7); de huisarts kan dus geen surrogaat zijn (in het PIT-project) voor de geneesheer-specialist (in de MUG(8)) in die materie.

de dringende medische hulpverlening via de MUG (maar ook de PIT) heeft toch als voornaamste doel de dringende eerste medische zorgen in loco toe te dienen en zo de patiënt te stabiliseren; pas als dit voldoende gelukt is kan het transport per ambulance naar het ziekenhuis overwogen worden; in het andere geval is de pathologie in die mate ernstig dat meer gespecialiseerde hulp in loco zich opdringt, zodat alsnog een geneesheer-specialist in de urgentiegeneeskunde ter plaatse komt; dit moet kunnen op vraag van de huisarts van wacht die de medische situatie niet onder controle krijgt en dus die gespecialiseerde hulp vraagt (zoals dit in de courante dagelijkse praktijk ook gebeurt bij de vraag naar de MUG).

het begeleiden van een patiënt per ambulance door de erkende huisarts is mogelijk (en voorzien in de RIZIV-nomenclatuur) doch hier geldt het normaliter “vrijwillig”, louter voor de eigen patiënten en buiten de wachtdienst; enkel de huisarts kan oordelen of een medische begeleiding van de patiënt noodzakelijk is. Derhalve kan dit niet zo maar opgelegd worden: noch door de dienst “100”, noch door de (gespecialiseerde) verpleegkundige of de ambulancier die geen enkele medische/hiërarchische autoriteit op de huisarts hebben, aangezien die huisarts juist voor de eigen medische competentie – autonoom als geneesheer – ter hulp wordt geroepen.

de bevolking moet op een correcte manier ingelicht worden over de mogelijkheden en de beperkingen van dringende geneeskundige hulpverlening; het is een opdracht van de organiserende huisartsenkring wat betreft de wachtdienstwerking.

De Nationale Raad is derhalve van oordeel dat de huisarts het wachtdienstgebied van de huisartsenzone in de regel niet mag verlaten en dus de patiënt niet kan begeleiden met de ziekenwagen, tenzij aan de geschetste voorwaarden wordt voldaan.

(1) 8 juli 1964. - Wet betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, art. 4.

(2) 2 april 1965. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de modaliteiten tot inrichting van de dringende geneeskundige hulpverlening en houdende aanwijzing van gemeenten als centra van het eenvormig oproepstelsel, art. 6quinquies.

(3) 10 augustus 1998. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend.

(4) 27 april 1998. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet voldoen om erkend te worden.

(5) 8 juli 2002. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen.

(6) 10 augustus 1998 - Koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot oprichting van de Commissies voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening, art. 4.

(7) 27 april 1998. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet voldoen om erkend te worden.

(8) 10 augustus 1998. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend.

Continuïteit van de zorg04/10/2008 Documentcode: a122005
Werking van de medische dienst in een repatriëringcentrum - Continuïteit van de zorg

Werking van de medische dienst in een repatriëringcentrum – Continuïteit van de zorg

Naar aanleiding van een hem voorgelegde adviesaanvraag wenst een provinciale raad het standpunt van de Nationale raad te kennen betreffende de verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de zorg in het repatriëringcentrum 127bis te Steenokkerzeel.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren besprak op zijn vergadering van 4 oktober 2008 uw vraag over de verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de zorg in het repatriëringcentrum 127bis te Steenokkerzeel en in het bijzonder de werking van de medische dienst van het repatriëringcentrum en de mogelijkheid van het centrum om een beroep te doen op de wachtdienst van de Huisartsenkring Steenokkerzeel/Kampenhout/Melsbroek.

Wettelijk kader:

De werking en organisatie van het repatriëringcentrum 127bis Steenokkerzeel wordt geregeld door het Koninklijk Besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. (cf. bijlage)

Onze aandacht gaat uit naar Afdeling 4. - De medische en sociale verzorging in het centrum, het materieel welzijn en de hygiëne, 4.1- De medische verzorging :

Art. 52, § 1. Elk centrum beschikt over een medische dienst, die alle werkdagen toegankelijk is tijdens de uren bepaald in het huishoudelijk reglement en permanent beschikbaar is voor dringende gevallen.
§ 2. De centrumdirecteur waakt er over dat :
1° de aan het centrum verbonden geneesheer regelmatig beschikbaar is voor raadplegingen;
2° de aan het centrum verbonden geneesheer op andere tijden beschikbaar is, telkens wanneer dit in het belang van de gezondheid van de bewoners noodzakelijk is;

De werking van de medische dienst wordt geregeld via een “huishoudelijk reglement”: de toegankelijkheid en de beschikbaarheid is blijkbaar niet onbeperkt en is ook vatbaar voor interpretatie, aangezien er sprake is van ‘werkdagen’ en ‘tijdens bepaalde uren’ en het ‘permanent beschikbaar zijn’ eerder beperkt wordt tot ‘dringende gevallen’.

De verbonden geneesheer moet ‘regelmatig’ beschikbaar zijn voor ‘raadplegingen’, en ‘op andere tijden’ – als de gezondheid van de bewoners dat vereist.

Het is dus essentieel alle modaliteiten van de zorgverlening na te zien in het huishoudelijk reglement, ook de continuïteit van de zorg door de verbonden geneesheren.

Art. 53. De zieke bewoner ontvangt van de medische dienst en onder de bevoegdheid van de geneesheer verbonden aan het centrum, de verzorging die zijn toestand vereist.
De aan het centrum verbonden geneesheer behoudt zijn beroepsautonomie ten opzichte van de centrumdirecteur. Zijn evaluaties en beslissingen met betrekking tot de gezondheid van de bewoners worden enkel gefundeerd op medische criteria.
De bewoner mag, op eigen kosten een beroep doen op een door hem gekozen geneesheer. Hij dient de geneesheer verbonden aan het centrum daarvan op de hoogte te stellen.
De medicatie en de behandeling zijn in dat geval te zijnen laste.
De aard van de medicatie en behandeling die voorgeschreven worden door de niet tot het centrum behorende geneesheer, worden meegedeeld aan de geneesheer die aan het centrum verbonden is voor de opvolging van de behandeling.
Indien de niet tot het centrum behorende geneesheer en de geneesheer verbonden aan het centrum het niet eens zijn over de behandeling, wordt de betwisting voor beslissing voorgelegd aan een derde geneesheer, aangeduid door de Directeur-generaal.

Belangrijk is de vrije keuze van de patiënt : de medische zorg is dus niet exclusief toegewezen aan geneesheren verbonden aan het centrum.

Dat betekent dat er toegang voorzien is voor externe huisartsen, op vraag van de bewoners – als patiënt – en mits het verwittigen van de verbonden geneesheren en op eigen kosten.

Indien de bewoner als patiënt wenst een beroep te doen op een ‘vrij gekozen’ externe huisarts, geldt dat bij afwezigheid van die externe huisarts mutatis mutandis ook voor een huisarts via de bevolkingswachtdienst.

Dat betekent echter niet dat systematisch door het centrum, i.c. de directie of de medische dienst, een beroep kan gedaan worden op die bevolkingswachtdienst – in het kader van de continuïteit van de zorg binnen het centrum.
Integendeel, er moet steeds een ‘permanente beschikbaarheid’ voorzien worden door de aan de medische dienst van het centrum verbonden geneesheren, indien dit noodzakelijk is voor de gezondheid van de bewoners, d.w.z. op de eenvoudige zorgvraag van hen.

Deontologisch kader:

Het centrum en de medische dienst moeten beschikken over een “huishoudelijk reglement”.

Dit reglement – dat de organisatie en de werking van de medische dienst bepaalt – moet door de aan het centrum verbonden geneesheren worden voorgelegd ter nazicht en goedkeuring aan de Provinciale Raad van de Orde. In het bijzonder moet door de Provinciale Raad deontologische aandacht worden besteed aan de modaliteiten van ‘toegankelijkheid en beschikbaarheid’, en dus ook de continuïteit van de zorg (artikel 8., § 1, Koninklijk Besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen)

De medische dienst dient een eigen permanentie (24/24 u. en 7/7 dagen) te voorzien voor de continuïteit van de zorg van alle bewoners van het centrum. De overheid dient ervoor te zorgen dat de nodige werkingsmiddelen worden ter beschikking gesteld voor de uitbouw van die dienst.

In geen geval kan de directie autonoom beslissen om een beroep te doen op de bevolkingswachtdienst bij een of andere ‘onbeschikbaarheid’ van de eigen verbonden geneesheren, gezien haar duidelijke en ondubbelzinnige wettelijke verplichtingen ter zake.

Anderzijds behoudt de bewoner van het centrum als patiënt wel de vrije keuze van arts. Die kan dus wel autonoom een externe huisarts vragen, en bij ontstentenis daarvan (weekends-feestdagen) ook een huisarts via de bevolkingswachtdienst.

Huisarts04/10/2008 Documentcode: a122006
report_problem Dit advies werd gewijzigd door het advies (a123015n) d.d. 06/12/2008.
Wachtdienst in huisartsgeneeskunde

Een provinciale raad besprak een aantal problemen die zich in de dagelijkse praktijk van een huisartsenwachtdienst voordoen, o.m. de wachtdoende arts opgelegde verplichting om een wachtdienstoproep persoonlijk te beantwoorden.
De conclusies van de betrokken werkgroep (zie. hieronder) worden aan de Nationale Raad voorgelegd.

Informatiecommissie : de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.

Besproken punten :
  1. definitie van de continuïteit van de zorg en van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.
  2. notie van bevoegdheid in huisartsgeneeskunde (artikel 117 van de Code).
  3. gebruik van de communicatietechnieken.
  4. beheer van de wachtdienstoproep.

Er dient opgemerkt dat vele antwoordelementen gevonden werden in de artikels van de Code van geneeskundige plichtenleer en in de adviezen van de Nationale Raad van 10/05/2003, van 15/07/2006 en van 21/04/2007 (als bijlage).

Discussie :
1) Continuïteit van de zorg en deelname aan de wachtdienst :

In zijn advies van 10/05/2003 stipuleert de Nationale Raad dat er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen het verzekeren van de continuïteit van de zorg en het deelnemen aan de wachtdiensten.
In artikel 8, §1 van het koninklijk besluit 78 van 10/11/1967 vinden we de definitie van de continuïteit van de zorg : de artsen “mogen, wetens en zonder wettige reden in hunnen hoofde, een in uitvoering zijnde behandeling niet onderbreken zonder vooraf alle maatregelen te hebben getroffen om de continuïteit van de zorgen te verzekeren door een ander beoefenaar die dezelfde wettelijke kwalificatie heeft.”

Uit de discussie met de commissieleden volgt dat men de deelname van de huisarts aan de wachtdienst als volgt zou kunnen beschrijven :
De deelname van de huisarts aan de wachtdienst houdt in dat de arts op elk moment bereikbaar is, rechtstreeks of via een derde persoon die deze taak gewoon is en het medisch geheim deelt.
De arts beantwoordt de oproep om, al dan niet gerechtvaardigde, medische reden van elke persoon op het grondgebied gedefinieerd door de huisartsenkring.
Hetzij per telefoon door de raad te geven aangepast aan de situatie en na alle nodige anamnestische elementen ingewonnen te hebben.
Hetzij door de patiënt op consult of bij hem thuis te onderzoeken.
De arts met wachtdienst is de enige die oordeelt over de graad van spoed, over de noodzaak zich te verplaatsen en over de voor te schrijven behandeling met eerbiediging van artikel 118 van de Code van geneeskundige plichtenleer : “…mag de geneesheer zich slechts aan een dringende oproep onttrekken na zich ervan overtuigd te hebben dat er geen echt gevaar bestaat …”.
Bij een beoordelingsfout is de arts met wachtdienst de enige verantwoordelijke en draagt hij de gevolgen van zijn beslissingen op deontologisch en/of burgerlijk en/of strafrechtelijk vlak.

Wanneer hij een oproep krijgt buiten het grondgebied van de wachtdienst, geeft de arts met wachtdienst die rechtstreeks of via de derde vertrouwenspersoon door aan de betrokken confrater.
De arts beantwoordt de oproep binnen een redelijke termijn in functie van 1° de spoedgraad met eerbiediging van artikel 118 van de Code van geneeskundige plichtenleer, 2° de verkeersomstandigheden.

2) notie van bevoegdheid in huisartsgeneeskunde

Artikel 117 van de Code van geneeskundige plichtenleer zegt dat het de plicht is van elke arts ingeschreven op de Lijst van de Orde deel te nemen aan de wachtdienst, overeenkomstig zijn competentie.

Het is voor de verschillende betrokken partijen duidelijk dat het soms moeilijk wordt de wachtroosters in te vullen en dat sommige artsen die de huisartsgeneeskunde slechts deeltijds uitoefenen zich hierachter verschuilen om zich te onttrekken aan hun deontologische en wetttelijke verplichtingen.

De bevoegde huisarts kan als volgt gedefinieerd worden :

  1. hij is houder van een Riziv-nummer eindigend op 001 tot 009
  2. hij is de eerstelijnarts die de patiënt op consult of thuis onderzoekt voor de preventie en het verzorgen van elke chronische of acute pathologie
  3. na anamnese en onderzoek neemt hij een beslissing over de aanpak van deze pathologie in functie van zijn bevoegdheden of over het doorverwijzen van de patiënt naar een confrater specialist waarbij hij het dossier dat hij centraliseert blijft beheren en opvolgen
  4. hij stelt een diagnose, schrijft de technische onderzoeken en de behandelingen voor en maakt de getuigschriften voor werkonderbreking op en elk medisch attest die de patiënt nodig heeft.
3) gebruik van de communicatietechnieken.

Het Bureau van de Raad had, in illo tempore, verklaard dat de oproep aan de wachtdienst enkel door de arts met wachtdienst persoonlijk beheerd moest worden.

Omwille van de technologische vooruitgang en de evolutie van de telesecretariaten lijkt het voor de betrokken partijen duidelijk dat dit concept zou kunnen evolueren.
De arts met wachtdienst moet bereikbaar zijn hetzij :

  • rechtstreeks via een vaste telefoonlijn of elk systeem dat momenteel betrouwbaar is (afleider, GSM,…)
  • onrechtstreeks via een derde persoon (verwant niet-arts, telesecretaris/esse of elke vertrouwenspersoon die de oproepen neemt onder de verantwoordelijkheid van de arts en die zich verbindt tot het medisch geheim).
4) beheer van de oproep.

Als aanvulling van punt 3 lijkt het ons belangrijk dat, indien er een antwoord aan de patiënt moet gegeven worden (medisch advies, therapeutische raad, gebeurlijkheden van het uurrooster, weigering zich te verplaatsten), dit uitsluitend gebeurt door de arts zelf.
Op dezelfde wijze moet de arts, indien hij zich niet tot bij de patiënt kan begeven, zelf zo vlug mogelijk opnieuw contact opnemen met de patiënt.
In geval de GSM’s geen ontvangst hebben of bezet zijn moet het bericht van de voice mail duidelijk zijn : herinneren dat de arts wachtdienst heeft, wijzen op de korte tijdelijke onbeschikbaarheid en de gegevens vragen om de patiënt zo vlug mogelijk terug te bellen.

Besluit

De verschillende behandelde punten werden gekozen omwille van de problemen tegengekomen tijdens de wachtdiensten in huisartsgeneeskunde.
De verschillende betrokken partijen wensten deontologische fouten te voorkomen door een antwoord te geven aan de gestelde problemen met eerbiediging van de Code van geneeskundige plichtenleer en van de adviezen van de Nationale Raad.
Zou het niet nodig zijn de preciseringen nuttig voor het goede verloop van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde op te nemen in het huishoudelijk reglement ?

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 4 oktober 2008 heeft de Nationale Raad van de Orde vangeneesheren uw brief van 23 november 2007 besproken betreffende de werkconclusies van een informatiecommissie in verband met de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.

De Nationale Raad geeft het volgende commentaar :

1. Definitie van de continuïteit van de zorg en van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.

Er is blijkbaar een interpretatieverwarring tussen de effectieve “deelname” aan de wachtdienst en de “communicatie”middelen (punt 3).

De huisarts met wachtdienst moet niet alleen op elk moment “bereikbaar” zijn (om het even wat het communicatiemiddel is), hij moet vooral een gepast gevolg geven aan de zorgvraag gedurende de wachtdienst : er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het geciteerde “telefonische consult” en “de concrete uitvoering van de wachtdienstopdracht” bij elke zorgvraag.

We kunnen alleen maar ernstig - wettelijk en deontologisch - voorbehoud uiten tegenover het “telefonische consult” zoals voorgesteld, als volwaardig alternatief voor een effectief bezoek, vooral in het kader van de wachtdienst waarbij de huisarts met wachtdienst de “patiënt” (in het algemeen) niet kent.

2. Notie van bekwaamheid in huisartsgeneeskunde.

De kwalificaties van de “algemeen geneeskundigen” en van de “erkende huisartsen” worden geregeld door de voorschriften van het Riziv ter zake (nieuwe beschikkingen 01/07/2006) voor de nummers (000>009) :
http://www.inami.fgov.be/care/nl/infos/infobox/pdf/part2.pdf .

De “algemeen geneeskundigen” die ingeschreven zijn bij de Orde na 31 december 1994 en vóór 1 januari 2005 hebben een Rizivnummer eindigend op 009 : ze mogen slechts “raadplegingen” aanrekenen.

De deelname aan de wachtdienst vormt een erkenningscriterium voor de huisartsen (Ministerieel Besluit van 21 februari 2006 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen). De deelname aan de wachtdienst in huisartsgeneeskunde vereist dat de huisarts erkend is.

3. Gebruik van de communicatietechnieken.

De voorgestelde communicatietechnieken zijn adequaat. Er moet echter voorbehoud gemaakt worden wat betreft het “telefonische consult” via een derde persoon niet-huisarts.

4. Beheer van de oproep.

De persoonlijke behandeling van de zorgvraag door de huisarts met wachtdienst heeft ongetwijfeld de voorkeur. Het is fundamenteel duidelijke akkoorden te sluiten met de patiënt aangaande de praktische uitvoering van de zorgvraag : komt de patiënt naar de praktijk of is het de arts die op bezoek gaat ?

Besluit :

De praktische werkingsregels moeten vermeld zijn in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst samen met de nodige deontologische premissen.

Beroepsgeheim21/06/2008 Documentcode: a121007
Opvorderen van artsen voor het verrichten van een bloedproef tijdens de wachtdienst

Een provinciale raad legt aan de Nationale Raad een adviesaanvraag voor betreffende het opvorderen van een arts met het oog op het verrichten van een bloedproef om het alcoholgehalte te bepalen. In de praktijk blijkt de wijze van opvordering door de bevoegde overheid sterk te verschillen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 juni 2008 de volgende vragen besproken:

Vanaf welk ogenblik is er wettelijk sprake van opvordering? Welke personen zijn bevoegd om de geneesheren op te vorderen? Wat zijn de modaliteiten van opvorderen? Is de arts gerechtigd om een schriftelijk bewijs te vragen van de opvordering?

De Nationale Raad is van mening dat van opvordering alleen sprake is als de bevoegde overheid (met andere woorden de procureur des Konings, de substituten, de onderzoeksrechter, officieren van de gerechtelijke politie of hulpofficieren van de magistraten) de geneesheer, al dan niet telefonisch, contacteert om bepaalde vaststellingen te doen. De vordering start dus voor het moment dat de geneesheer in het bezit wordt gesteld van het bloedafnamesysteem.

De opgevorderde geneesheer wordt door het gerecht aangesteld om als deskundige een onderzoek te verrichten. De geneesheer is wettelijk verplicht hieraan gevolg te geven (Wetboek van Strafvordering, koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte).

Er zijn wel uitzonderingsgevallen waar de opdracht geweigerd mag worden, namelijk wanneer er een medische tegenindicatie is en/of een deontologisch bezwaar bestaat (zie artikel 131 van de Code van geneeskundige plichtenleer). De Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft in zijn advies van 19 februari 1994 (Bloedproef – Alcoholintoxicatie, TNR nr. 64, p. 29) gemeld dat er in zo’n geval immers sprake is van “een morele onmogelijkheid en van een mogelijke schending van het beroepsgeheim”.

Artikel 63, § 1, van de Wegverkeerswet bepaalt de voorwaarden waaronder een bloedproef moet worden opgelegd. Maar dit impliceert niet dat die voorwaarden moeten vervuld zijn op het ogenblik dat een beroep wordt gedaan op de geneesheer.

Wettelijk zijn er geen modaliteiten bepaald hoe de opvordering moet plaatsvinden.

Noch de wet noch het koninklijk besluit maken gewag van de overhandiging aan de geneesheer van de vordering, maar hij kan als "deskundige" een afschrift van de opvordering vragen. Het afschrift dient later door de politie afgeleverd te worden.

Huisarts30/06/2007 Documentcode: a117011
Organisatie van de huisartsenwachtdienst - Bevoegdheden

Een provinciale raad stuurt de briefwisseling door van een huisartsenkring die verwikkeld is in een bevoegdheidsgeschil met de provinciale geneeskundige commissie betreffende zijn plan tot reorganisatie van de huisartsenwachtdienst.
De provinciale geneeskundige commissie weigert dit plan goed te keuren en baseert zich hiervoor op de hem (volgens zijn interpretatie) door art. 9, §2, van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen opgedragen taken : “De geneeskundige commissie bepaalt de behoeften inzake wachtdiensten. Zij controleert de werking van deze wachtdiensten , met inbegrip van de bevoegdheid om de huishoudelijke reglementen bedoeld in §1 goed te keuren en geschillen inzake de wachtdiensten te beslechten.”.
De betrokken huisartsenkring meent nochtans dat zijn plan tot reorganisatie volledig strookt met het recente advies van Nationale Raad van 21 april 2007 betreffende de wachtdienst voor huisartsgeneeskunde (Tijdschrift Nationale Raad nr. 116, juni 2007, p. 9) en met het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen en legde het plan ter goedkeuring voor aan zijn provinciale raad.
Daar er onduidelijkheid bestaat omtrent de exacte draagwijdte van de bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies in deze richtte de heer R. Demotte, minister van Volksgezondheid, op 20 april 2007 een omzendbrief aan de provinciale geneeskundige commissies omdat het hem nuttig leek “te verduidelijken hoe artikel 9 van het voormelde KB nr. 78 dient te worden geïnterpreteerd”.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 30 juni 2007 de problematiek van een bevoegdheidsconflict tussen de huisartsenkring FMGCB en de Provinciale Geneeskundige Commissie van Henegouwen, in het kader van de reorganisatie van de huisartsenwachtdienst.

De huisartsenkringen hebben rechtspersoonlijkheid en duidelijke verantwoordelijkheden door het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen. Ze zijn de wettelijke aanspreekpunten voor de lokale vertegenwoordiging van de huisartsen en ook voor de organisatie van de huisartsenwachtdienst, zoals bepaald in het artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Dat betekent wettelijk dat de huisartsenkring bevoegd is voor de praktische organisatie van de huisartsenwachtdienst. De verantwoordelijkheid voor een eventuele opsplitsing daarvan in wachtdienstonderdelen behoort toe aan de organisator, die daarvoor alle betrokken huisartsen binnen zijn huisartsenzone vooraf zal raadplegen en de interne en collegiale besluitvorming zal respecteren. De werking van de huisartsenwachtdienst is immers gebaseerd op solidariteit en collegialiteit.

De modaliteiten worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst (HRW), en dit wordt vooraf nagezien en goedgekeurd op deontologisch vlak door de Provinciale Raad, op het werkingsvlak door de Provinciale Geneeskundige Commissie.

De Nationale Raad wenst het gentlemen’s agreement (cf. de adviezen van de Nationale Raad van 19.06.1999 en 01.02.2003) verder te respecteren, met bijzondere aandacht voor de voorgestelde procedure van goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de wachtdienst door beide instanties.

De Nationale Raad is van oordeel dat – in het belang van het goed functioneren van de wachtdiensten – de onderscheiden bevoegdheden van en tussen alle betrokken partijen op een logische, complementaire en coherente wijze dienen te worden toegepast.

Indien zou blijken dat er onduidelijkheden zijn omtrent onderlinge bevoegdheden, dan is collegiaal overleg en dialoog de aangepaste weg om die problemen op te lossen. Aanvullend wetgevend werk is noodzakelijk om aan de bestaande onduidelijkheden, in het bijzonder in het art. 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, te verhelpen.

Publiciteit en reclame02/06/2007 Documentcode: a117009
Publicatie van wachtdienst extramurale specialisten - Wijziging advies van 15 juli 2006

Publicatie van wachtdienst extramurale specialisten – Wijziging advies van 15 juli 2006

De Nationale Raad ontving enkele bemerkingen in verband met het advies van 15 juli 2006 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 113, september 2006, p. 8) betreffende de publicatie in de plaatselijke kranten van een wachtdienstregeling van extramurale kinderartsen.

De Nationale Raad heeft hieraan een nieuwe bespreking gewijd.

Om het onderscheid duidelijker te omschrijven tussen wachtdiensten en praktijkpermanentie houdt de Nationale Raad eraan volgende tekst toe te voegen :

“Een wachtdienst dient territoriaal begrensd te zijn en dient open te staan voor alle geneesheren van dezelfde specialiteit binnen dit welomschreven territorium”.

Tevens wenst de Nationale Raad er de nadruk op te leggen dat alle statuten van vennootschappen, samenwerkingscontracten en de praktische modaliteiten ter goedkeuring dienen voorgelegd te worden aan de provinciale raad. Met praktische modaliteiten wordt onder meer de telefonische bereikbaarheid bedoeld.

Het aangevulde advies vindt u als bijlage.

Gewijzigd advies van 15 juli 2006 :

Wachtdienst extramurale specialisten

De Nationale Raad ontving enkele bemerkingen in verband met het advies van 15 juli 2006 betreffende de publicatie in de plaatselijke kranten van een wachtdienstregeling van extramurale kinderartsen.

De Nationale Raad is van mening dat een dringende oproep in eerste instantie dient beantwoord te worden door de huisarts met wachtdienst. Indien deze oordeelt dat bijkomend specialistisch advies noodzakelijk is, kan in tweede instantie beroep gedaan worden op een kinderarts.

Een wachtdienstregeling van extramurale kinderartsen dient, zoals elke wachtdienstregeling, ter kennis gebracht van de provinciale raad van de Orde der geneesheren, de huisartsenkringen en de regionale ziekenhuizen.

Er moet in dit verband een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen een wettelijke bevolkingswachtdienst (koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, artikel 9) en een praktijkpermanentie van een bepaalde specialiteit.

Een wachtdienst dient territoriaal begrensd te zijn en open te staan voor alle geneesheren van dezelfde specialiteit binnen dit welomschreven territorium.

De Nationale Raad herinnert eraan dat alle statuten van de vennootschappen, samenwerkingscontracten en de praktische modaliteiten ter goedkeuring dienen voorgelegd aan de provinciale raad.

De Nationale Raad is van mening dat, in het belang van de volksgezondheid, misleiding in verband met de wettelijke bevolkingswachtdienst dient vermeden.

Daarom acht de Nationale Raad het ongepast dat praktijkpermanenties in de media worden gepubliceerd.

Huisarts21/04/2007 Documentcode: a116006
report_problem

Sinds 1 juli 2022 is de Orde der artsen bevoegd voor het toestaan van vrijstelling van deelname aan de permanentie (art. 26, Kwaliteitswet). De organisatie van de permanentie blijft de bevoegdheid van de huisartsenkringen (cf. commentaar art. 13 CMD). De provinciale geneeskundige commissies werden opgeheven en vervangen door de Toezichtcommissie (cf. commentaar art. 2 CMD).

Wachtdienst voor huisartsgeneeskunde

Op 11 september 2006 nodigt de heer R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de Nationale Raad uit voor een ontmoeting betreffende de problemen inzake de wachtdiensten huisartsgeneeskunde.

Op de agenda stonden volgende punten :
“Eerstelijnsgeneeskunde. Hoe de toekomst te verzekeren ?

  1. Stand van zaken en problemen in het veld.

    1. Tekort aan zorgverstrekkers
      • Welke rechtsmiddelen kunnen ingezet worden tegen een arts die geen prestaties verricht ?
      • Ongeschiktheidsattest
      • Tekort aan actieve artsen
    2. De medico-legale problemen
      • Verplichting zich te verplaatsen
      • Doorverwijzing naar MUG, zonder consult
      • Gelijktijdige oproepen
    3. Veiligheid
  2. Welke toekomst

    1. Andere organisatie van de wachtdienst/Wachtdienstplan per Kring/Verantwoordelijkheid van de Kringen
    2. Toepassing van de nieuwe erkenning
    3. Coördinatie tussen de provinciale geneeskundige commissies, de Ordes van geneesheren, de Federale Raad voor de Huisartsenkringen.”

    Op 18 januari 2007 heeft een onderhoud plaats van een delegatie van de Nationale Raad met de adviseur huisartsgeneeskunde van de Strategische Cel van R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Op basis van het verslag van deze vergadering bepaalt de Nationale Raad zijn standpunt inzake de wachtdienst voor huisartsgeneeskunde.

Advies van de Nationale Raad :

1. Noodzaak van een huishoudelijk reglement dat onder meer de wijze vastlegt waarop een huisarts uitgesloten kan worden alsook de maatregelen die genomen kunnen worden ten overstaan van een arts die weigert deel te nemen aan de wachtdienst. Het huishoudelijk reglement van de wachtdienst geldend voor de ganse huisartsenzone van de huisartsenkring wordt ter goedkeuring overgemaakt aan de provinciale raad van de Orde van geneesheren en ter kennisgeving aan de Provinciale Geneeskundige Commissie (en aan de FOD Volksgezondheid in het geval van erkende huisartskringen).

2. In alle regio’s met huisartsenkringen zijn deze verantwoordelijk voor de organisatie van de wachtdienst. Tevens zijn zij de enige gesprekspartners hieromtrent, zowel ten aanzien van de Orde der geneesheren als van de Provinciale Geneeskundige Commissie. De huisartsenkring kan deze verantwoordelijkheid delegeren aan één van zijn leden, die verantwoordelijk is voor een wachtdienstonderdeel of voor de gehele huisartsenkring.

3. De Provinciale Geneeskundige Commissies dienen erop toe te zien dat aan de behoefte van de wachtdienst voldaan is. De werkingwijze en de interne organisatie van deze wachtdienst vallen (volgens het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen) onder de uitsluitende bevoegdheid van de huisartsenkringen.

4.Zorgverstrekking.
De wachtdienst voor huisartsgeneeskunde is er om de gezondheidszorg van de huisartsgeneeskunde te waarborgen. De verplichting om deel te nemen aan de wachtdienst voor huisartsgeneeskunde slaat op ALLE huisartsen.

5.Uitsluiting op initiatief van de huisartsenkring of vrijstelling van een huisarts van de wachtdienst :

  1. De uitsluiting of vrijstelling kan gebeuren op grond van onder meer gezondheidsproblemen, leeftijd, familiale of sociale problemen, of geschiktheid. De huisartsenkring die verantwoordelijk is voor de goede organisatie van de wachtdienst dient toe te zien op de kwaliteit van de zorgverstrekking (zie advies van de Nationale Raad van 15 juli 2006 omtrent de vrijstelling die bepaald moet worden door de algemene vergadering).
  2. Procedure :
    1. Indien een huisarts om vrijstelling vraagt dient hij zijn gemotiveerde aanvraag in bij de huisartsenkring. Indien de huisartsenkring uitsluiting overweegt dienen de motieven hiervoor aan de huisarts medegedeeld te worden.
    2. De betrokken huisarts wordt gehoord. De gemotiveerde beslissing van de huisartsenkring wordt genomen op de in het huishoudelijk reglement vastgelegde wijze.
    3. De beslissing van de huisartsenkring wordt medegedeeld aan de betrokken huisarts, de Provinciale Raad van de Orde der geneesheren en de Provinciale Geneeskundige Commissie.

6.Weigering om deel te nemen aan de wacht.
In geval van weigering deel te nemen aan de voor iedere huisarts verplichte wachtdienst brengt de huisartsenkring de Provinciale Raad van de Orde van geneesheren op de hoogte, die de zaak deontologisch zal beoordelen en ook de Provinciale Geneeskundige Commissie die het geschil zal beslechten.

7.Hoe omgaan met een oproep tijdens de wachtdienst ?

  1. Wat de kwaliteit van zorgverstrekking betreft verdient het aanbeveling dat de patiënt die zich kan verplaatsen zich aanmeldt in het kabinet van de huisarts met wachtdienst.
  2. Indien de patiënt zich niet kan verplaatsen en mits dezes uitdrukkelijke vraag dient de huisarts zich ter plaatse te begeven.

8.Organisatie van de wachtdienst.
Moeilijkheden in verband met de organisatie van de wachtdiensten waaronder regio’s met een tekort aan huisartsen, dienen voor beslechting overgelegd te worden aan de Provinciale Geneeskundige Commissie.

Keuze (Vrije artsen-)15/07/2006 Documentcode: a113007
Keuze van de arts bij spoedgevallen en/of tijdens de wachtdienst

Een provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad betreffende de brief van het diensthoofd gynaecologie van een groot ziekenhuis met betrekking tot patiënten die om religieuze, ideologische of culturele redenen wensen verzorgd te worden door een arts van het vrouwelijke geslacht.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 15 juli 2006 de brief van 4 april 2006 van het diensthoofd gynaecologie van een groot ziekenhuis met betrekking tot zwangere patiënten die de islamtraditie volgen en weigeren onderzocht en behandeld te worden door mannelijke artsen of personeelsleden, ook tijdens de bevalling.

De beschreven situatie wordt eveneens in stijgende mate gerapporteerd in Frankrijk en Groot-Brittannië. De impact varieert echter van regio tot regio en binnen een zelfde regio van ziekenhuis tot ziekenhuis. Het probleem rijst het meest in ziekenhuizen waar veel allochtonen langskomen. Er bestaat heel wat literatuur over het onderwerp.

De wet betreffende de rechten van de patiënt van 22 augustus 2002 bepaalt in artikel 6 dat de patiënt recht heeft op vrije keuze van de beroepsbeoefenaar en recht op wijziging van deze keuze.

Ook de Code van geneeskundige plichtenleer legt in de artikelen 27 en 31 deze vrije artsenkeuze door de patiënt vast als een grondbeginsel voor de geneeskundige relatie.

In artikel 5 stelt de Code bovendien dat de geneesheer al zijn zieken even gewetensvol moet verzorgen, ongeacht hun sociale stand, hun nationaliteit, hun overtuiging, hun faam en zijn persoonlijke gevoelens jegens hen.

Artikel 31 bepaalt dat de geneesheer erop zal bedacht zijn geen filosofische, godsdienstige of politieke overtuiging te kwetsen.

In dit opzicht gaat de Nationale Raad akkoord met de door u genomen maatregelen om tegemoet te komen aan de wensen van de patiënten zonder de werking van de dienst en de zorg aan de andere patiënten in het gedrang te brengen, met name de patiënte, en eventueel haar familie van bij het eerste contact op de hoogte brengen :

  1. van de organisatie van de dienst, van de artsen die er werken en van de mogelijkheid een gepersonaliseerde behandeling te krijgen in het kader van de gebruikelijke prestatie-uren;
  2. van de organisatie van de spoedbehandeling en van de wachtdienst met de beperkingen die ze inhouden voor de integrale vrije keuze van een beoefenaar.

De Nationale Raad meent dat deze inlichtingen idealiter verstrekt worden in een begrijpelijke taal voor de patiënte, desgewenst in aanwezigheid van een familielid en zo nodig met de hulp van de interculturele bemiddelaar. De patiënt ontvangt een geschreven document met deze inlichtingen en tekent voor ontvangst.

Bij onoverkomelijke problemen waarin elke dialoog onmogelijk is, blijkt het vaak zinvol een beroep te doen op een bedienaar van de godsdienst.

Daarnaast is informatie van het medisch en paramedisch team betreffende de impact van de religieuze opvattingen en van de culturele tradities op de zorgpraktijk noodzakelijk om apriori’s of zelfs afwijsreacties die onaanvaardbaar zijn op deontologisch gebied, te vermijden.

Zowel de wet betreffende de rechten van de patiënt als de Code van geneeskundige plichtenleer bepalen dat de patiënt altijd het recht heeft zorg te weigeren. Volgens de wet dient deze weigering schriftelijk vastgelegd te worden en bij het dossier gevoegd te worden.

De weigering of de intrekking van de toestemming hebben niet tot gevolg dat het recht op een kwaliteitsverstrekking vervalt, in het bijzonder bij levensgevaar; dit natuurlijk binnen de perken van het mogelijke en zonder het recht te geven dwang uit te oefenen.