Resultaten
Resultaten
Wachtdienst voor huisartsgeneeskunde – Begeleiden van een patiënt met een ambulance
Inzake de huishoudelijke reglementen van de wachtdiensten in de huisartsgeneeskunde die ter goedkeuring aan de provinciale raad dienen te worden voorgelegd, rijst o.m. het probleem van het begeleiden van een patiënt met een ambulance door de huisarts van wacht buiten het wachtdienstgebied.
Op deze door een senator voorgelegde vraag antwoordde mevrouw L. Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, dat er wettelijk geen enkel bezwaar bestaat tegen het feit dat de arts zijn wachtgebied verlaat. De patiënt die dringend hulp nodig heeft, kan zich desgevallend wenden tot de Dienst 100. Op deontologisch gebied meent de minister dat “in alle gevallen de vastgestelde urgentie primeert op de mogelijke urgentie”.
Volgens een provinciale raad heeft een huisarts echter niet de nodige opleiding en routine om de patiënt samen met het Paramedisch Interventie Team (PIT) te stabiliseren en dient de tussenkomst van de wachtdoende arts in dit geval enkel om de aansprakelijkheid van het verpleegkundig personeel van de PIT te dekken. Wat het deontologisch argument van de minister betreft meent deze provinciale raad dat de arts zelf dient te oordelen of zijn aanwezigheid in de ambulance noodzakelijk is.
De provinciale raad legt het probleem aan de Nationale Raad voor.
Advies van de Nationale Raad :
De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 6 december 2008 uw vragen besproken.
Het is een algemene wettelijke en deontologische plicht dat elke geneesheer medische hulp biedt – indien gevraagd door een patiënt of nabestaanden en/of opgevorderd door de overheid – aan elke patiënt die dringende medische zorg nodig heeft.
Specifiek binnen het kader van de dringende geneeskundige hulpverlening via het eenvormig oproepstelsel (“100”) bestaat een duidelijk wettelijk kader(1) met de reële mogelijkheid om elke geneesheer op te vorderen, en in het bijzonder ook de huisarts van wacht(2).
In een aantal regio’s beschikt men immers niet over een Mobiele urgentiegroep (MUG(3)) met een arts gespecialiseerd in de urgentiegeneeskunde doch enkel met een verpleegkundige gespecialiseerd in de urgentiegeneeskunde aan boord, het Paramedisch Interventie Team (PIT).
In de voorliggende casuïstiek wordt de huisarts van wacht niet enkel opgevorderd – via 100-dispatcher en het PIT – voor toediening van de (eerste) medische zorg, doch wordt blijkbaar ook vereist dat die geneesheer de patiënt eveneens begeleidt met de ambulance tot een ziekenhuis met een gespecialiseerde spoedgevallendienst(4) (DGS); daarbij dient de huisarts van wacht soms het eigen wachtdienstgebied over een grote afstand te verlaten, en is hij/zij ook de facto totaal niet meer beschikbaar voor die wachtdienst.
Het inschakelen van de huisarts van wacht in de dringende geneeskundige hulpverlening behoort – voorwaardelijk – tot de wettelijke, deontologische en praktische mogelijkheden.
Niet in het minst dienen dergelijke specifieke modaliteiten opgenomen te worden in het Huishoudelijk Reglement van de Wachtdienst (HRW) van de huisartsenkring, reglement dat ter nazicht en goedkeuring wordt voorgelegd aan de Provinciale Raad Orde (PRO) en de Provinciaal Geneeskundige Commissie (PGC).
Dat houdt in dat – wettelijk bepaald – de organiserende huisartsenkring(5) over die praktische modaliteiten duidelijk voorafgaande afspraken heeft gemaakt (of kan maken), voorzien in een protocol(6), met alle andere betrokken partijen:
de ziekenhuizen met gespecialiseerde spoedgevallendienst (DGS) en MUG/PIT;
de dienst “100”;
de Commissie DGH (Dringende Geneeskundige Hulpverlening - provinciaal).
Bijzondere aandacht moet daarbij besteed worden aan de volgende wrijvingspunten :
de territorialiteit van enerzijds de “interventiezone” van de DGH via de MUG/PIT en anderzijds van de “huisartsenzone” van de wachtdienst van huisartsen, is verschillend en niet steeds overlappend; nochtans bepaalt dit de exclusieve actieradius van beide.
de beschikbaarheid 24/24 uur en 7/7 dagen is voor de wachtdienst van huisartsen nog niet gegarandeerd, noch is dit algemeen ingevoerd; dit schept reële beperkingen in de praktische haalbaarheid van de inschakeling van de huisarts van wacht in een systeem van dringende geneeskundige hulpverlening (o.a. het PIT).
de huisarts van wacht moet “permanent beschikbaar” zijn voor zijn specifieke taak, “binnen de huisartsenzone van de wachtdienst” en “gedurende de ganse periode” dat de wachtdienst functioneert; de meeste HRW’s bepalen dan ook expliciet dat de huisarts van wacht dit gebied niet mag verlaten, juist wegens het risico van onbeschikbaarheid binnen de eigen huisartsenzone van de wachtdienst bij een nieuwe oproep, waarvan de ernst/dringendheid a priori niet kan vermoed noch genegeerd worden.
de normale werking van een dergelijke “ingeschakelde” wachtdienst wordt dermate gecompromitteerd binnen de geschetste context, dat de PGC ernstig de “behoeften” daarvan zal moeten nazien op “tekortkomingen” en “ontoereikendheid” (KB nr. 78, art. 9, § 2), en dit in overleg met en de medewerking van die organiserende huisartsenkring.
de huisarts van wacht heeft een specifieke opdracht : de “normale en regelmatige zorgverlening, ten huize”; dringende oproepen behoren ook tot die dienstverlening, doch zijn eerder uitzonderlijk; de systematische inschakeling binnen een systeem van dringende hulpverlening is derhalve niet zo evident, gezien er qua tijdsbesteding en workload een conflictsituatie kan/zal ontstaan met de feitelijke wettelijke opdracht. Dit heeft een bepalende invloed op de kwantitatieve samenstelling van de beurtrol van de wachtdienst, en dus het effectief aantal huisartsen dat moet deelnemen om die zorg kwalitatief te kunnen blijven verzekeren.
de wetenschappelijke/medische competentie van de huisarts op het gebied van de dringende geneeskundige hulp is beperkt, en is zeker niet vergelijkbaar met die van de geneesheer-specialist in de urgentiegeneeskunde(7); de huisarts kan dus geen surrogaat zijn (in het PIT-project) voor de geneesheer-specialist (in de MUG(8)) in die materie.
de dringende medische hulpverlening via de MUG (maar ook de PIT) heeft toch als voornaamste doel de dringende eerste medische zorgen in loco toe te dienen en zo de patiënt te stabiliseren; pas als dit voldoende gelukt is kan het transport per ambulance naar het ziekenhuis overwogen worden; in het andere geval is de pathologie in die mate ernstig dat meer gespecialiseerde hulp in loco zich opdringt, zodat alsnog een geneesheer-specialist in de urgentiegeneeskunde ter plaatse komt; dit moet kunnen op vraag van de huisarts van wacht die de medische situatie niet onder controle krijgt en dus die gespecialiseerde hulp vraagt (zoals dit in de courante dagelijkse praktijk ook gebeurt bij de vraag naar de MUG).
het begeleiden van een patiënt per ambulance door de erkende huisarts is mogelijk (en voorzien in de RIZIV-nomenclatuur) doch hier geldt het normaliter “vrijwillig”, louter voor de eigen patiënten en buiten de wachtdienst; enkel de huisarts kan oordelen of een medische begeleiding van de patiënt noodzakelijk is. Derhalve kan dit niet zo maar opgelegd worden: noch door de dienst “100”, noch door de (gespecialiseerde) verpleegkundige of de ambulancier die geen enkele medische/hiërarchische autoriteit op de huisarts hebben, aangezien die huisarts juist voor de eigen medische competentie – autonoom als geneesheer – ter hulp wordt geroepen.
de bevolking moet op een correcte manier ingelicht worden over de mogelijkheden en de beperkingen van dringende geneeskundige hulpverlening; het is een opdracht van de organiserende huisartsenkring wat betreft de wachtdienstwerking.
De Nationale Raad is derhalve van oordeel dat de huisarts het wachtdienstgebied van de huisartsenzone in de regel niet mag verlaten en dus de patiënt niet kan begeleiden met de ziekenwagen, tenzij aan de geschetste voorwaarden wordt voldaan.
(1) 8 juli 1964. - Wet betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, art. 4.
(2) 2 april 1965. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de modaliteiten tot inrichting van de dringende geneeskundige hulpverlening en houdende aanwijzing van gemeenten als centra van het eenvormig oproepstelsel, art. 6quinquies.
(3) 10 augustus 1998. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend.
(4) 27 april 1998. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet voldoen om erkend te worden.
(5) 8 juli 2002. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen.
(6) 10 augustus 1998 - Koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot oprichting van de Commissies voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening, art. 4.
(7) 27 april 1998. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet voldoen om erkend te worden.
(8) 10 augustus 1998. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend.
Wachtdienst in huisartsgeneeskunde
Een provinciale raad besprak een aantal problemen die zich in de dagelijkse praktijk van een huisartsenwachtdienst voordoen, o.m. de wachtdoende arts opgelegde verplichting om een wachtdienstoproep persoonlijk te beantwoorden.
De conclusies van de betrokken werkgroep (zie. hieronder) worden aan de Nationale Raad voorgelegd.
Informatiecommissie : de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.
Besproken punten :
- definitie van de continuïteit van de zorg en van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.
- notie van bevoegdheid in huisartsgeneeskunde (artikel 117 van de Code).
- gebruik van de communicatietechnieken.
- beheer van de wachtdienstoproep.
Er dient opgemerkt dat vele antwoordelementen gevonden werden in de artikels van de Code van geneeskundige plichtenleer en in de adviezen van de Nationale Raad van 10/05/2003, van 15/07/2006 en van 21/04/2007 (als bijlage).
Discussie :
1) Continuïteit van de zorg en deelname aan de wachtdienst :
In zijn advies van 10/05/2003 stipuleert de Nationale Raad dat er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen het verzekeren van de continuïteit van de zorg en het deelnemen aan de wachtdiensten.
In artikel 8, §1 van het koninklijk besluit 78 van 10/11/1967 vinden we de definitie van de continuïteit van de zorg : de artsen “mogen, wetens en zonder wettige reden in hunnen hoofde, een in uitvoering zijnde behandeling niet onderbreken zonder vooraf alle maatregelen te hebben getroffen om de continuïteit van de zorgen te verzekeren door een ander beoefenaar die dezelfde wettelijke kwalificatie heeft.”
Uit de discussie met de commissieleden volgt dat men de deelname van de huisarts aan de wachtdienst als volgt zou kunnen beschrijven :
De deelname van de huisarts aan de wachtdienst houdt in dat de arts op elk moment bereikbaar is, rechtstreeks of via een derde persoon die deze taak gewoon is en het medisch geheim deelt.
De arts beantwoordt de oproep om, al dan niet gerechtvaardigde, medische reden van elke persoon op het grondgebied gedefinieerd door de huisartsenkring.
Hetzij per telefoon door de raad te geven aangepast aan de situatie en na alle nodige anamnestische elementen ingewonnen te hebben.
Hetzij door de patiënt op consult of bij hem thuis te onderzoeken.
De arts met wachtdienst is de enige die oordeelt over de graad van spoed, over de noodzaak zich te verplaatsen en over de voor te schrijven behandeling met eerbiediging van artikel 118 van de Code van geneeskundige plichtenleer : “…mag de geneesheer zich slechts aan een dringende oproep onttrekken na zich ervan overtuigd te hebben dat er geen echt gevaar bestaat …”.
Bij een beoordelingsfout is de arts met wachtdienst de enige verantwoordelijke en draagt hij de gevolgen van zijn beslissingen op deontologisch en/of burgerlijk en/of strafrechtelijk vlak.
Wanneer hij een oproep krijgt buiten het grondgebied van de wachtdienst, geeft de arts met wachtdienst die rechtstreeks of via de derde vertrouwenspersoon door aan de betrokken confrater.
De arts beantwoordt de oproep binnen een redelijke termijn in functie van 1° de spoedgraad met eerbiediging van artikel 118 van de Code van geneeskundige plichtenleer, 2° de verkeersomstandigheden.
2) notie van bevoegdheid in huisartsgeneeskunde
Artikel 117 van de Code van geneeskundige plichtenleer zegt dat het de plicht is van elke arts ingeschreven op de Lijst van de Orde deel te nemen aan de wachtdienst, overeenkomstig zijn competentie.
Het is voor de verschillende betrokken partijen duidelijk dat het soms moeilijk wordt de wachtroosters in te vullen en dat sommige artsen die de huisartsgeneeskunde slechts deeltijds uitoefenen zich hierachter verschuilen om zich te onttrekken aan hun deontologische en wetttelijke verplichtingen.
De bevoegde huisarts kan als volgt gedefinieerd worden :
- hij is houder van een Riziv-nummer eindigend op 001 tot 009
- hij is de eerstelijnarts die de patiënt op consult of thuis onderzoekt voor de preventie en het verzorgen van elke chronische of acute pathologie
- na anamnese en onderzoek neemt hij een beslissing over de aanpak van deze pathologie in functie van zijn bevoegdheden of over het doorverwijzen van de patiënt naar een confrater specialist waarbij hij het dossier dat hij centraliseert blijft beheren en opvolgen
- hij stelt een diagnose, schrijft de technische onderzoeken en de behandelingen voor en maakt de getuigschriften voor werkonderbreking op en elk medisch attest die de patiënt nodig heeft.
3) gebruik van de communicatietechnieken.
Het Bureau van de Raad had, in illo tempore, verklaard dat de oproep aan de wachtdienst enkel door de arts met wachtdienst persoonlijk beheerd moest worden.
Omwille van de technologische vooruitgang en de evolutie van de telesecretariaten lijkt het voor de betrokken partijen duidelijk dat dit concept zou kunnen evolueren.
De arts met wachtdienst moet bereikbaar zijn hetzij :
- rechtstreeks via een vaste telefoonlijn of elk systeem dat momenteel betrouwbaar is (afleider, GSM,…)
- onrechtstreeks via een derde persoon (verwant niet-arts, telesecretaris/esse of elke vertrouwenspersoon die de oproepen neemt onder de verantwoordelijkheid van de arts en die zich verbindt tot het medisch geheim).
4) beheer van de oproep.
Als aanvulling van punt 3 lijkt het ons belangrijk dat, indien er een antwoord aan de patiënt moet gegeven worden (medisch advies, therapeutische raad, gebeurlijkheden van het uurrooster, weigering zich te verplaatsten), dit uitsluitend gebeurt door de arts zelf.
Op dezelfde wijze moet de arts, indien hij zich niet tot bij de patiënt kan begeven, zelf zo vlug mogelijk opnieuw contact opnemen met de patiënt.
In geval de GSM’s geen ontvangst hebben of bezet zijn moet het bericht van de voice mail duidelijk zijn : herinneren dat de arts wachtdienst heeft, wijzen op de korte tijdelijke onbeschikbaarheid en de gegevens vragen om de patiënt zo vlug mogelijk terug te bellen.
Besluit
De verschillende behandelde punten werden gekozen omwille van de problemen tegengekomen tijdens de wachtdiensten in huisartsgeneeskunde.
De verschillende betrokken partijen wensten deontologische fouten te voorkomen door een antwoord te geven aan de gestelde problemen met eerbiediging van de Code van geneeskundige plichtenleer en van de adviezen van de Nationale Raad.
Zou het niet nodig zijn de preciseringen nuttig voor het goede verloop van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde op te nemen in het huishoudelijk reglement ?
Advies van de Nationale Raad :
In zijn vergadering van 4 oktober 2008 heeft de Nationale Raad van de Orde vangeneesheren uw brief van 23 november 2007 besproken betreffende de werkconclusies van een informatiecommissie in verband met de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.
De Nationale Raad geeft het volgende commentaar :
1. Definitie van de continuïteit van de zorg en van de wachtdienst in huisartsgeneeskunde.
Er is blijkbaar een interpretatieverwarring tussen de effectieve “deelname” aan de wachtdienst en de “communicatie”middelen (punt 3).
De huisarts met wachtdienst moet niet alleen op elk moment “bereikbaar” zijn (om het even wat het communicatiemiddel is), hij moet vooral een gepast gevolg geven aan de zorgvraag gedurende de wachtdienst : er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het geciteerde “telefonische consult” en “de concrete uitvoering van de wachtdienstopdracht” bij elke zorgvraag.
We kunnen alleen maar ernstig - wettelijk en deontologisch - voorbehoud uiten tegenover het “telefonische consult” zoals voorgesteld, als volwaardig alternatief voor een effectief bezoek, vooral in het kader van de wachtdienst waarbij de huisarts met wachtdienst de “patiënt” (in het algemeen) niet kent.
2. Notie van bekwaamheid in huisartsgeneeskunde.
De kwalificaties van de “algemeen geneeskundigen” en van de “erkende huisartsen” worden geregeld door de voorschriften van het Riziv ter zake (nieuwe beschikkingen 01/07/2006) voor de nummers (000>009) :
http://www.inami.fgov.be/care/nl/infos/infobox/pdf/part2.pdf .
De “algemeen geneeskundigen” die ingeschreven zijn bij de Orde na 31 december 1994 en vóór 1 januari 2005 hebben een Rizivnummer eindigend op 009 : ze mogen slechts “raadplegingen” aanrekenen.
De deelname aan de wachtdienst vormt een erkenningscriterium voor de huisartsen (Ministerieel Besluit van 21 februari 2006 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen). De deelname aan de wachtdienst in huisartsgeneeskunde vereist dat de huisarts erkend is.
3. Gebruik van de communicatietechnieken.
De voorgestelde communicatietechnieken zijn adequaat. Er moet echter voorbehoud gemaakt worden wat betreft het “telefonische consult” via een derde persoon niet-huisarts.
4. Beheer van de oproep.
De persoonlijke behandeling van de zorgvraag door de huisarts met wachtdienst heeft ongetwijfeld de voorkeur. Het is fundamenteel duidelijke akkoorden te sluiten met de patiënt aangaande de praktische uitvoering van de zorgvraag : komt de patiënt naar de praktijk of is het de arts die op bezoek gaat ?
Besluit :
De praktische werkingsregels moeten vermeld zijn in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst samen met de nodige deontologische premissen.