keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Wachtdiensten25/08/1990 Documentcode: a050003
Wachtdienst voor oftalmologie

Tijdens zijn vergaderingen van 24 maart 1990 (Tijdschrift nr. 48 pag. 32) en van 9 juni 1990 (Tijdschrift nr. 49, pag. 31), heeft de Nationale Raad het geval onderzocht van een oftalmoloog die zich afvraagt of hij verplicht is deel te nemen aan een wachtdienst voor oftalmologie in een provincie waar hij werkzaam is in een polikliniek.

Teneinde zich niet verplicht te voelen om deel te nemen aan deze wachtdienst, verwijst hij naar een advies van de Nationale Raad dat in 1989 gepubliceerd werd in Tijdschrift nr. 44.

Na een gedachtenwisseling heeft de Raad de Studiedienst gelast een ontwerpantwoord op te stellen, dat aan het Bureau en vervolgens aan de Raad voorgelegd moet worden.

De Raad neemt kennis van het ontwerpantwoord en stemt ermee in.

Advies van de Nationale Raad:

Wanneer een advies van de Nationale Raad een bindende interpretatie van de Code‑regels betreft voor de leden van de Orde der geneesheren, heeft dit advies ‑ rekening houdend met de omstandigheid dat tot op heden door de Koning aan de Code van geneeskundige Plichtenleer geen bindende kracht werd verleend ‑ geen algemeen‑wettelijke waarde in de door U bedoelde zin en kan het aldus geen afbreuk doen aan een materieel‑wettelijke bepaling (onder meer van een koninklijk besluit).

Daarnaast dient erop gewezen te worden dat het advies van de Nationale Raad van 11 maart 1989 betrekking heeft op de "op vrijwillige basis opgerichte" regionale wachtdiensten (zie artikel 9 §1 van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies) en al dus vreemd is aan de door U opgeworpen aangelegenheid.
Deze aangelegenheid betreft immers de wachtdienst die wordt ingesteld in het toepassingskader van de artikelen 8 §1 en 9, meer bepaald §2, van het hierboven vermelde koninklijk besluit, met betrekking tot de verplichte - opgelegde ‑ wachtdienstorganisatie.

De Nationale Raad heeft geen beslissende inspraak in die organisatie van opgelegde wachtdienst, noch in de samenstelling daarvan wat de betrokken geneesheren betreft.

U kunt in voorkomend geval enkel van uw desbetreffende verplichtingen worden vrijgesteld middels regeling met één of meerdere van uw tot dezelfde verplichtingen gehouden collega's‑oftalmologen.

Wachtdiensten15/10/1988 Documentcode: a043003
Ziekenhuiswacht

Een arts gespecialiseerd in de psychiatrie wordt verplicht deel te nemen aan de inslapende permanentie in het ziekenhuis waar hij als psychiater werkt. Vanuit zijn ervaring, meent hij niet langer over de kunde te beschikken om de taak van wachtdokter op een verantwoorde wijze te volbrengen.

Overeenkomstig artikel 16, §5, van het koninklijk besluit van 22 juli 1988 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1982 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden of van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in het honorarium voor bepaalde verstrekkingen, werden voor de medische wachtdienst in het ziekenhuis, drie categorieën ingevoerd:

  1. honoraria voor de medische wachtdienst in het ziekenhuis;
  2. forfaitair beschikbaarheidshonorarium voor de continuïteit van de verzorging in de diensten voor spoedgevallen (dienst 100);
  3. forfaitair beschikbaarheidshonorarium voor de continuïteit van de verzorging in de diensten voor intensieve verzorging.(1)

Om als ziekenhuis te worden erkend, moet de verzorgingsinstelling over een wachtdienst beschikken. Dank zij de bovenvermelde nomenclatuuraanpassing is het probleem van de wachtdienst grotendeels opgelost. Niettemin acht de Raad het wenselijk dat, conform de eerder door de Nationale Raad in deze materie uitgebrachte adviezen, eens te meer de aandacht wordt gevestigd op het principe van de onderlinge solidariteit van de ziekenhuisartsen op het stuk van de financiering van de wachtdienst.

De vraag die nu ter tafel ligt is niet zozeer van financiële aard maar betreft de bevoegdheid. Moeten alle ziekenhuisgeneesheren zonder onderscheid betrokken worden bij de nu verplicht geworden algemene ziekenhuiswacht ? Sommigen onder hen hebben zich op dusdanige manier op hun specialisme toegelegd, dat zij niet langer op verantwoorde manier een algemene wachtdienst kunnen waarnemen. Is de medische raad van de instelling niet het best geplaatst om over de bevoegdheid van de ziekenhuisgeneesheer te oordelen en desgevallend sommigen onder hen van deze taak te ontslaan ?

Het Bureau zal voor de volgende vergadering een ontwerp‑antwoord voorbereiden.

(1) Koninklijk besluit van 22 juli 1988 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1982 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden of van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in het honorarium voor bepaalde verstrekkingen (BS 30 juli 1988),artikel 16, §5:
Een als volgt gestelde §3 wordt toegevoegd:
"§3. Honorarium voor de medische wachtdienst in het ziekenhuis
590100
Honorarium voor de medische wachtdienst in het ziekenhuis, per opneming in een acute dienst A, C, D, E, G, H, I, K, L, M, N of S van een algemeen ziekenhuis
...................................................................................................................................A 14 Forfaitair beschikbaarheidshonorarium voor de continuïteit van de verzorging in de diensten voor spoedgevallen en intensieve verzorging.
590122
Per opneming in een acute dienst A, C, D, E, G, H, I, K, L, M, of S van een algemeen ziekenhuis die bovenop de wettelijke wachtdienst verbonden is met een dienst 100, met intramurale wachtdienst door ten minste één geneesheer‑specialist of geneesheer‑stagiair met ten minste twee jaar opleiding
...................................................................................................................................A 14
590411
Per opneming in een acute dienst A, C, D, E, G, H, I, K, L, M, N of S van een algemeen ziekenhuis die bovenop de wettelijke wachtdienst, verbonden is met een dienst 100, met intramurale wachtdienst door ten minste één geneesheer‑specialist of geneesheer‑stagiair met ten minste twee jaar opleiding die een bijkomende wachtdienst verzekert in de dienst voor intensieve verzorging door ten minste één geneesheer‑specialist of geneesheer‑stagiair ............................................... A 21
De verstrekkingen 590122 en 590144 mogen onderling niet worden gecumuleerd.
De verstrekkingen 590100 en 590144 dienen om de verschillende geneesheren te vergoeden die de dagelijkse wachtdienst verzekeren volgens de regels die eigen zijn aan ieder inrichting, onder de verantwoordelijkheid van de hoofdgeneesheer die verantwoordelijk is voor de continuïteit van de verzorging en die de verstrekkingen attesteren.
Als de wachtdienst 100 volgens een beurtrol verdeeld is over verscheidene ziekenhuizen, moeten de honoraria prorata temporis worden betaald.

Wachtdiensten12/12/1987 Documentcode: a039013
Algemene wachtdienst in ziekenhuisverband

Aan een provinciale raad wordt door de algemeen‑directeur van een ziekenhuis om uitleg verzocht m.b.t. de rol van respectievelijk de ziekenhuisbeheerder en de medische raad bij de organisatie en de financiering van de wachtdienst.

Tijdens de discussie wordt verwezen naar de vroegere adviezen van de Nationale Raad. Alle geneesheren die in een ziekenhuis werkzaam zijn moeten aan de wachtdienst deelnemen. Het bedrag van de bijdrage wordt door de medische raad bepaald. Naast deze deontologische verplichting werd sindsdien door de wetgever een wettelijke verplichting ingevoerd en met name bepaald dat ieder ziekenhuis over de permanente aanwezigheid van een geneesheer moet beschikken.

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat sinds bedoeld besluit, de ziekenhuisbeheerder en de medische raad de organisatie van de wachtdienst in overleg moeten regelen.

Advies van de Nationale Raad:

In zijn adviezen van 19 oktober 1985 en 14 december 1985 heeft de Nationale Raad de nadruk gelegd op de deontologische verplichting voor alle geneesheren die in een ziekenhuis werkzaam zijn, een wachtdienst te organiseren.

Het koninklijk besluit van 8 december 1986 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen, bepaalt in zijn artikel 2, §1, 4, dat ieder ziekenhuis moet beschikken over de permanente aanwezigheid van een geneesheer.

Deze nieuwe wettelijke bepaling veronderstelt een overleg tussen de beheerder en de medische raad. De Nationale Paritaire Commissie Geneesheren‑Ziekenhuizen zal een advies moeten uitbrengen omtrent de modaliteiten van de toepassing van deze wetsbepaling.

Wachtdiensten20/06/1987 Documentcode: a037014
Wachtdienst in ziekenhuisverband
  1. Kan een specialist, werkzaam in een ziekenhuis, die deel neemt aan de permanente wachtdienst, juridisch aansprakelijk worden gesteld voor medische daden die zouden moeten worden verricht en die volledig buiten het kader van zijn eigen specialisme vallen ?

  2. Is een «diensthoofd» zoals aangesteld volgens de nieuwe erkenningsnormen, instaande voor de medisch‑organisatorische goede gang van zaken in de desbetreffende dienst, ook juridisch aansprakelijk voor de medische handelingen van zijn collega's binnen de eigen dienst ?

  3. Ziekenhuisgeneesheren (OCMW‑ziekenhuis) dienen een attest van medische reden van ziekenhuisopname in te vullen dat van het ene OCMW naar het andere OCMW (sociale dienst) wordt verstuurd. Schenden ze daardoor niet het beroepsgeheim ?

  4. Kan een ziekenhuisinstelling aan een dokter‑specialist contractueel de uitoefening van alternatieve geneeskunde, hetzij in de instelling, hetzij privé, verbieden ?

Een provinciale raad legt aan de Nationale Raad zijn ontwerp‑antwoorden voor op bovenstaande vier vragen die hem door een arts worden gesteld. Het ontwerp ziet eruit als volgt:

Vraag 1

I.v.m. de wachtdienst in ziekenhuisverband brengen wij vooreerst de adviezen van 19 oktober en 14 december 1985 van de Nationale Raad in herinnering:

a) Het Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van geneesheren‑specialisten vraagt de Nationale Raad om advies aangaande de plichten van de ziekenhuisartsen en de rol van de medische raad inzake de organisatie en financiering van de algemene medische permanentie in ziekenhuisverband.

In zijn vergadering van 19 oktober 1985, bracht de Nationale Raad hierover volgend advies uit:

De Nationale Raad stelt met genoegen vast dat de termen van artikel 117 van de Code van geneeskundige Plichtenleer (Hoofdstuk 3, art. 113 tot 118) volgens dewelke elke geneesheer ingeschreven op de lijst van de Orde, overeenkomstig zijn bevoegdheid, aan de wachtdienst moet deelnemen of aan de werkingskosten ervan bijdragen, in uw brief niet in vraag worden gesteld.

Art. 113: De continuïteit van de verzorging verzekeren is een deontologische plicht.
Art. 114: Elke geneesheer moet, naargelang van het geval, de nodige maatregelen nemen om de continuïteit van de verzorging van zijn zieken te waarborgen.
Art. 115: Wachtdiensten worden eensdeels opgericht om de geneesheer in staat te stellen de continuïteit van de verzorging te waarborgen en anderdeels om aan dringende oproepen een gevolg te kunnen geven.
Art. 116: De organisatie van deze wachtdiensten berust bij de beroepsverenigingen of de met dat doel opgerichte plaatselijke organisaties. De werkingsmodaliteiten van deze diensten en de wachtrol dienen aan de provinciale raad te worden medegedeeld.
Art. 117: Elke geneesheer ingeschreven op de lijst van de Orde moet, overeenkomstig zijn bevoegdheid, aan deze wachtdiensten deelnemen.
Uitzonderingen worden om gezondheidsredenen, omwille van hoge leeftijd of om andere geldige redenen, toegestaan.
Geschillen worden aan de provinciale raad voorgelegd.
De provinciale raden nemen maatregelen tegen de geneesheren die weigeren aan de wachtdienst deel te nemen of tot de werkingskosten ervan bij te dragen.
Art. 118: Onverminderd de bepalingen van de wet van 6 januari 1961 die enkel gevallen van schuldig verzuim bestraft of van de wet van 8 juli 1964 inzake de dringende geneeskundige hulpverlening, mag de geneesheer zich slechts aan een dringende oproep onttrekken na zich ervan overtuigd te hebben dat er geen echt gevaar bestaat of wanneer hij door een even belangrijk spoedgeval wordt weerhouden.
Op deze regel bestaan geen algemene uitzonderingen; afwijkingen moeten worden voorgelegd aan de beoordeling van de provinciale raad.

De Nationale Raad is van oordeel dat de financiering van de medische wachtdienst in een ziekenhuisinstelling door de artsen moet worden gewaarborgd. Dit is namelijk een deontologische verplichting.
Het bedrag van de financiële bijdrage van degenen die niet persoonlijk aan de wachtdienst deelnemen, wordt vastgelegd door de medische raad. In geval van deontologische geschillen tussen de medische raad en één of meer artsen van de instelling, moet het probleem ter beoordeling aan de provinciale raad worden overgelegd.

b) De Nationale Raad wordt om toelichtingen gevraagd bij het advies van 19 oktober 1985 betreffende de algemene wachtdienst in ziekenhuisverband en meer bepaald betreffende de exacte draagwijdte van de regel dat elke geneesheer ingeschreven op de lijst van de Orde aan de wachtdienst moet deelnemen «overeenkomstig zijn bevoegdheid».

Een aantal geneesheren‑specialisten zijn namelijk de mening toegedaan dat zij niet de vereiste bevoegdheid hebben om een algemene wachtdienst te waarborgen.

In zijn vergadering van 14 december 1985, heeft de Nationale Raad zijn antwoord van 19 oktober 1985 verduidelijkt:

De Nationale Raad wenst te bevestigen dat het de taak is van alle geneesheren die in een ziekenhuis werkzaam zijn, aldaar een wachtdienst te organiseren. Een geneesheer die zich onbevoegd acht om aan de wachtdienst deel te nemen, wordt wel geacht in de werkingskosten bij te dragen.

De bijdrage wordt door de medische raden bepaald. Mocht daaromtrent onenigheid ontstaan, dan kan elke geneesheer zich tot zijn provinciale raad richten.

Op Uw vraag met betrekking tot de juridische aansprakelijkheid van een arts voor medische daden uitgevoerd tijdens de wachtdienst, wordt er op gewezen dat een arts slechts aansprakelijk kan gesteld worden voor zover hij een fout heeft begaan.
Wanneer een arts aanvaardt aan een wachtdienst deel te nemen, wijst zulks er op dat hij zich ter zake bevoegd acht en kan hij mogelijk juridisch aansprakelijk gesteld worden voor begane medische fouten.

Vraag 2

De juridische aansprakelijkheid van een diensthoofd voor de medische handelingen van zijn collega's binnen de eigen dienst, is een aangelegenheid waarover in elk specifiek geval door de bevoegde rechtbanken dient te worden beslist.

Vraag 3

Voor zover de vigerende wettelijke bepalingen de verplichting zouden opleggen om binnen het kader van de opname in een OCMW‑ziekenhuis een attest van medische reden van ziekenhuisopname in te vullen dat van het ene OCMW naar het andere OCMW wordt verstuurd, is er geen schending van het medisch beroepsgeheim.
Zo niet kan artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing zijn dat luidt als volgt:

«Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd tot vijfhonderd frank».

Overigens willen wij er op wijzen dat de door U geschetste werkwijze geen door de Code van geneeskundige Plichtenleer bepaalde uitzondering vormt op de plicht tot geheimhouding zoals vervat in artikel 55 van deze Code, dat luidt als volgt:

«Het beroepsgeheim dat de geneesheer moet bewaren is van openbare orde. De door patiënten geraadpleegde of om zorgen of raad verzochte practici zijn in alle omstandigheden door het beroepsgeheim gebonden».

Vraag 4

I.v.m. het verbieden door een ziekenhuisinstelling aan een specialist van het beoefenen van alternatieve geneeskunde, verwijzen wij naar art. 11 van het K.B. nr 78 van 10 november 1967 dat bepaalt wat volgt: «Aan de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3 en 4 mogen geen reglementaire beperkingen worden opgelegd bij de keuze van de middelen die aangewend moeten worden, hetzij voor het stellen van de diagnose, hetzij voor het instellen en uitvoeren van de behandeling, hetzij voor het uitvoeren van magistrale bereidingen.
De misbruiken van de vrijheid waarvan zij in dit drievoudig opzicht genieten worden beteugeld door de Raden van de Orde waarvan zij afhangen».

Tijdens de bespreking op de Nationale Raad wordt opgemerkt dat achter vraag 3 naar alle waarschijnlijkheid een concreet geval schuil gaat, zodat het wenselijk zou zijn de betrokken arts om uitleg te verzoeken alvorens een antwoord te formuleren.

Voor wat de aansprakelijkheid van het medisch diensthoofd betreft, zou het eveneens nuttig zijn de jurisprudentie ter zake nader te onderzoeken.

Bij vraag 4 dient rekening te worden gehouden met artikel 12 van het koninklijk besluit nr 78 waarin wordt bepaald dat «als niet geschreven zijnde worden beschouwd in de overeenkomsten gesloten door de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3 en 4, de bepalingen die hun keuzevrijheid bedoeld bij artikel 11 schenden», artikel waaraan in het antwoord van de provinciale raad wordt gerefereerd. Maar het is tevens een feit dat elke instelling de kandidaten kiest volgens criteria die zij opstelt in akkoord met de medische raad van de instelling.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft geen opmerkingen te formuleren m.b.t. het ontwerp‑antwoord op de twee eerste vragen.

Wat de derde vraag betreft, stelt de Nationale Raad voor dat Uw Provinciale raad, alvorens een antwoord te geven, aan Dr X uitleg zou vragen over de concrete situatie.

Betreffende de vierde vraag, wenst de Nationale Raad eraan te herinneren dat alhoewel geen enkel contract in strijd mag zijn met artikel 11 van het koninklijk besluit nr 78, elke instelling toch meester blijft van de verbintenissen die ze aangaat. Kandidaten moeten worden gezocht conform de criteria die met akkoord van de medische raad van de instelling, werden opgesteld.