keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Internet04/06/2021 Documentcode: a168011
Communicatie in tijden van een gezondheidscrisis

Artsen hebben actief deelgenomen aan het openbare debat gedurende de aanpak van de door Covid-19 veroorzaakte gezondheidscrisis.

Hierbij zijn enkele vragen gerezen omtrent de vrije meningsuiting van een arts over een gezondheidsonderwerp.

De Orde der artsen meent dat het in het algemeen belang is dat artsen tijdens een gezondheidscrisis bijdragen tot informatie die de gezondheid helpt behouden en verbeteren.

Wetenschappelijke standpunten kunnen zeker bij het optreden van een nieuw ziektebeeld uiteenlopen en aanleiding geven tot wetenschappelijke discussies welke met het tijdsverloop leiden tot een voortschrijdend inzicht en uiteindelijk een gedragen universele aanpak.

Wanneer een arts uitspraken doet buiten een wetenschappelijke kring houdt hij rekening met het kennisniveau en, bijgevolg, de kritische ingesteldheid van het publiek tot wie hij zich richt. Hoe ruimer en gevarieerder het publiek, hoe meer de arts zijn woorden dient te wikken en te wegen. De verstrekte medische informatie beïnvloedt de individuele en de collectieve keuzes door het vertrouwen dat men heeft in de artsen. De arts moet zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die hij draagt en hij mag de gezondheidsbelangen die op het spel staan nooit uit het oog verliezen.

De arts laat zich bij zijn communicatie leiden door de medische deontologie en ethiek en zal in geval van gevoelige thema’s een evenwichtig kader schetsen.

De arts mag geen onjuiste informatie verstrekken die manifest ingaat tegen de huidige inzichten van de wetenschap.

Wanneer de arts het woord neemt, maakt hij een duidelijk onderscheid tussen zijn persoonlijke opvattingen en zijn medische kennis.

Zijn analyses zijn nauwkeurig en zijn bewoordingen genuanceerd. De arts argumenteert zijn medische aanpak en vermeldt de bronnen waarop hij zich baseert bij zijn advies of raad. Hij wijst op mogelijke belangenconflicten die twijfel zouden kunnen zaaien over zijn onpartijdigheid.

Indien nodig herinnert hij eraan dat bij de toepassing van een individuele behandeling op maat van een patiënt altijd rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke gezondheidssituatie.

Expertise20/03/2021 Documentcode: a168005
Inschakeling van een videoconferentie tijdens de gerechtelijke medische expertise

In zijn vergadering van 20 maart 2021 besprak de nationale raad van de Orde der artsen de inschakeling van een videoconferentie tijdens de gerechtelijke medische expertise in het licht van de regels van de medische deontologie.

Het onderstaande advies neemt geen standpunt in over de regelmatigheid van de gerechtelijke procedure. Het bestudeert evenmin de hypothese waarin de rechter dit punt geregeld heeft.

1. De gerechtelijke medische expertise vormt op zich een ervaring die pijnlijk kan zijn voor de persoon op wie ze betrekking heeft. Deze moet immers gevoelige aspecten van zijn privéleven blootgeven in een conflictsituatie.

De medische gerechtsdeskundige moet toezien op het welzijn van de persoon en op de eerbiediging van zijn waardigheid tijdens de expertisezittingen.

2. Een videoconferentie laat niet toe dat men controle heeft op wie deelneemt aan de vergadering (aanwezige personen aan de andere kant van het scherm) noch op het feit dat ze opgenomen wordt door een van de partijen buiten het medeweten van de andere deelnemers.

3. Tijdens de medische handelingen staat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken persoon, en zelfs van derden, onder spanning door de plicht of de wil om mee te werken aan de expertise.

Gegevens die losstaan van het voorwerp van de expertise kunnen bekendgemaakt worden door de spontane verklaringen van de onderzochte persoon die oprecht en spontaan alles ten beste geeft zonder over de medische kennis te beschikken om te weten wat relevant is en zijn uitlatingen bijgevolg te beperken.

4. Wat betreft het fysiek of psychisch onderzoek is de nationale raad gekant tegen de inschakeling van een videoconferentie, ook al wordt de persoon onderzocht in aanwezigheid van de deskundige.

Wat betreft de medische, sociale en professionele anamnese (met inbegrip van de persoonlijke en familiale voorgeschiedenis) is het niet gunstig via videoconferentie te werken.

Indien bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen gebruik te maken van een videoconferentie, moet de toegang ertoe beperkt worden tot de raadslieden (juridische en technische) van de partijen die wettelijk onderworpen zijn aan deontologische beroepsregels en aan een tuchtoverheid. Deze verbinden zich ertoe alleen deel te nemen aan de expertisehandeling en er geen enkel audio- of filmspoor van te bewaren, tenzij zij hiervoor de toestemming gekregen hebben van alle deelnemers.

De persoon die onderworpen wordt aan de expertise moet altijd in aanwezigheid zijn van de deskundige wanneer deze overgaat tot de anamnese.

De medische gerechtsdeskundigen en technische raadslieden (raadgevend artsen en bijstandsartsen) komen overeen geen rekening te houden met de gegevens die niet noodzakelijk zijn voor de expertise en waarvan geen nota genomen wordt, gelet op het beginsel van de minimale gegevensverwerking (artikelen 5.1.c) en 9 van de AVG) en de deontologische regels waaraan ze onderworpen zijn[1].

Wat betreft de discussies over de richtinggevende feiten en over het rapport van de domeindeskundigen meent de nationale raad dat een videoconferentie aanvaardbaar is.

5. De deskundige moet ernstige redenen hebben om aan te nemen dat de videoconferentie hem toelaat de regels van goede (kwaliteits)praktijkvoering na te leven. Dit moet beoordeeld worden aan de hand van alle concrete gegevens, zowel menselijke als wetenschappelijke en technologische.

Hij vergewist zich ervan dat de partijen in de mogelijkheid verkeren zich voluit uit te drukken en een beroep te doen op de bijstand van hun raadslieden in de meest optimale omstandigheden. De raadslieden van de partijen hebben ook de deontologische plicht toe te zien op dit aspect.

Er moet rekening gehouden worden met de vaardigheden van de medische gerechtsdeskundige en van de deelnemers om gebruik te maken van de technische apparatuur en om te communiceren (verhoor, beheersing van de taal, begrip van de medische en anatomische terminologie, stress, enz.).

6. Het inschakelen van een videoconferentie moet gewettigd zijn door een situatie die ertoe leidt dat de partijen meer baat hebben bij een videoconferentie dan bij een zitting met fysieke aanwezigheid. De deskundige mag de toepassing ervan niet aanmoedigen voor persoonlijk gemak.

Werken via videoconferentie kan alleen met de toestemming van alle partijen die op voorhand ingelicht zijn over onder meer de mogelijkheid om de zitting met fysieke aanwezigheid te houden en de gebruikte technologie.

De toestemming van een partij belet niet dat zij, van haar kant, fysiek aanwezig is op de zitting.

7. De medische gerechtsdeskundige weigert een videconferentie indien hij vaststelt dat ze hem verhindert zijn opdracht goed uit te voeren, om welke reden ook.

8. De nationale raad wijst erop dat, gezien de gevoelige aard van de gezondheidsgegevens, de AVG de medische gerechtsdeskundige ertoe verplicht de passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen[2].


[1] Art. 5, 3de lid van het koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek; art. 27, § 1 en art. 44 van de CMD 2018

[2] Art. 5, § 1, f) en artikel 32 van de AVG

Persoonlijke levenssfeer20/03/2021 Documentcode: a168003
Recht van de ziekenhuisarts toegang te hebben tot de persoonsgegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier om zich te verdedigen in rechte.

Dit advies betreft het recht van de ziekenhuisarts toegang te hebben tot de persoonsgegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier van de instelling waar hij werkt betreffende een patiënt met wie de ziekenhuisarts een therapeutische relatie had, om zich in rechte te verdedigen. Het breidt zich niet uit tot andere verwerkingen van deze gegevens door het ziekenhuis of de ziekenhuisarts.

1. De AVG[1] is van toepassing op de verwerking van de gegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier.

De verwerkingsverantwoordelijke van het ziekenhuisdossier ziet erop toe dat de verwerking van de persoonsgegevens betreffende de gezondheid die het bevat in overeenstemming is met alle eisen opgelegd door de AVG[2].

Het ziekenhuis stelt een reglement voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op die ter kennis gebracht wordt van de patiënten van het ziekenhuis[3], houdt een lijst bij van de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens betreffende de gezondheid met een nauwkeurige beschrijving van hun functie ten opzichte van de verwerking van de gezondheidsgegevens[4], en een register van de verwerkingsactiviteiten[5].

Voordat hij de gegevens in het ziekenhuisdossier verwerkt met het oog op zijn verdediging in rechte, moet de ziekenhuisarts nagaan of hij dit doet zonder te handelen in strijd met zijn verplichtingen en met die van het ziekenhuis tegenover de patiënten inzake de verwerking van de patiëntengegevens, zoals deze ervan ingelicht werden[6].

Indien voornoemde documenten niet bepalen dat de ziekenhuisarts de gezondheidsgegevens in het ziekenhuisdossier mag verwerken om zich te verdedigen in rechte, moet deze overleg plegen met de functionaris voor gegevensbescherming van het ziekenhuis die hem zal helpen om zijn verplichtingen inzake de naleving van de regels betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer correct in te schatten.

De verwerking van persoonsgegevens om zich in rechte te verdedigen is een uitzondering op het verbod persoonsgegevens betreffende de gezondheid te verwerken[7]. Dergelijke verwerking dient te voldoen aan alle voorwaarden gesteld door de AVG, wat onder meer inhoudt dat de betrokken persoon ingelicht wordt over de verwerking van zijn gegevens voor de uitoefening van het recht op verdediging in rechte[8], dat de gebruikte persoonsgegevens betreffende de gezondheid afkomstig uit het ziekenhuisdossier toereikend en ter zake dienend zijn in deze context en dat er niet meer gegevens dan nodig verwerkt worden[9].

2. De regels inzake bescherming van de gegevens en van het medisch geheim[10] vullen elkaar aan. De ene doet geen afbreuk aan de andere.

De rechtspraak heeft aangenomen dat artikel 458 van het Strafwetboek geen absolute verplichting tot zwijgen inhoudt wanneer degene die tot het bewaren van een beroepsgeheim is gehouden, zich in rechte moet verdedigen.

Uit het advies van de nationale raad kan niet afgeleid worden dat de geheimplicht verdwijnt maar wel dat de arts goede redenen kan hebben om het geheim op te heffen binnen de perken nodig voor zijn verdediging, dit wil zeggen op evenredige en relevante wijze.

3. Het vertrouwen van de patiënt is fundamenteel voor de ontwikkeling van de technologische hulpmiddelen. Deze bieden, door de gegevensuitwisseling en -inzage die ze mogelijk maken, voordelen op het vlak van de kwaliteit en continuïteit van de zorg maar ook op het vlak van ondersteuning bij de uitoefening van het beroep.

Het is aan de artsen dit vertrouwen niet te ondermijnen, noch dat van de confraters die de gegevens die ze verzamelden delen, door rekening te houden met de principes betreffende het medisch geheim en de verwerking van persoonsgegevens.

Tot slot vestigt de nationale raad de aandacht van de artsen op de regels waaraan de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, die in werking treedt op 1 juli 2021, de toegang tot de gezondheidsgegevens onderwerpt[11].


[1] Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)

[2] Art. 4, 7), art. 5.2. en art. 24, AVG

[3] Bijlage N1, Bijlage A, III. Organisatorische normen, 9°quater, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd

[4] Art. 9, 1°, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van de natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens en art. 32. 4 AVG

[5] Art. 30, AVG

[6] Art. 13, AVG

[7] Art. 9.2, f), AVG

[8] Art. 13, AVG

[9] Art. 5.1, a), b) en c), AVG

[10] Art. 458, Strafwetboek

[11] Art. 36 tot 40 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

Telematica23/01/2021 Documentcode: a168001
Deontologische aspecten van het gebruik van big data en artificiële intelligentie voor biomedisch onderzoek

De nationale raad bestudeerde in zijn vergadering van 23 januari 2021 het gebruik van big data en artificiële intelligentie in een (bio)medische context. Dit advies formuleert een antwoord op de vele vragen die de materie oproept bij het artsenkorps en streeft naareen evenwicht tussen het verantwoord gebruik van een gigantische massa aan medische gegevens enerzijds en het faciliteren van wetenschappelijk onderzoek anderzijds. Verantwoord gebruik impliceert dat artsen een risicoanalyse op het vlak van gegevensbescherming[1] maken vooraleer ze onderzoeksplatformen opzetten bestaande uit grote datasets om er technieken van artificiële intelligentie op los te laten. Meer bepaald moeten zij zich bewust blijven tijdens het gehele proces dat de gegevensstromen afkomstig zijn uit medische dossiers die een neerslag zijn van informatie die patiënten aan artsen hebben toevertrouwd.

Inleiding.

De vooruitgang in de ICT (Information Communication Technology) maakt het mogelijk om enorme hoeveelheden aan gegevens te verzamelen, te bewaren en te analyseren. Krachtige processoren met grote rekenkracht in combinatie met grote hoeveelheden data vormen de basisvoorwaarden voor artificiële intelligentie op basis van algoritmen. Het concept waarbij innovatieve technologieën waarde putten uit deze beschikbare data noemt men “Big Data”. Technieken van artificiële intelligentie loslaten op grote gegevensbestanden leveren een schat van informatie en kennis op waardoor men betrouwbare voorspellingen kan maken en hierdoor snelle en accurate beslissingen kan nemen. In de zorg maakt artificiële intelligentie het voor artsen mogelijk om precisiegeneeskunde af te leveren op maat van de patiënt. Nu reeds, bij wijze van voorbeeld, levert het gebruik van artificiële intelligentie in de medische beeldvorming een enorme tijds- en kwaliteitswinst op.

Zoals elke vernieuwing in de geneeskunde, roept deze digitale revolutie vragen op over het gebruik van big data als basisingrediënt voor artificiële intelligentie in de zorg en het biomedisch onderzoek. Ongetwijfeld zal artificiële intelligentie en het gebruik van big data een impact hebben op de rechten en vrijheden van de burger, niet in het minst op de bescherming van de persoonlijk levenssfeer. Het (her)gebruik van medische gegevens onder de vorm van big data creëert een spanningsveld met privacy- en dataprotectiebeginselen[2]. In dit advies herinnert de nationale raad aan de deontologische beginselen van de verwerking van patiëntengegevens en benadrukt hij het belang van patiëntenparticipatie bij de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe technieken.

  1. Algemene beginselen

In het algemeen kan men stellen dat nieuwe technieken in de geneeskunde pas gebruikt kunnen worden als ze een maatschappelijke meerwaarde hebben, voldoende veilig, ontwikkeld zijn met respect voor het primaat van de mens en toegankelijk zijn voor iedereen. Transparantie en het betrekken van het publiek bij het uitwerken en implementeren van deze nieuwe technieken zijn essentieel voor het scheppen van een sfeer van vertrouwen en het bekomen van een duurzaam engagement.

Het gebruik van big data en artificiële intelligentie in het bijzonder moet in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en ethische principes. Bovendien moeten deze toepassingen aan essentiële vereisten voldoen om als betrouwbaar te kunnen worden beschouwd: invloed en toezicht door mensen; technische robuustheid en veiligheid; privacy en datagovernance; transparantie; diversiteit, non-discriminatie en billijkheid; maatschappelijk en ecologisch welzijn; verantwoordingsplicht[3].

  1. Spanningsveld wetenschappelijk onderzoek en privacyregels.

Het belang van wetenschappelijk onderzoek is onontbeerlijk voor de vooruitgang van de biomedische wetenschap. Evenwel moet dit gebeuren conform de wet inzake experimenten op de menselijke persoon, de wetgeving op medische hulpmiddelen en met bijzondere aandacht voor de persoonlijke levenssfeer onder het toezicht van het ethisch comité en de Data Protection Officer (DPO). De wetgever voorzag in de wetgeving die de ontwikkeling van AI-toepassingen in de zorg reguleert in een belangrijke rol voor de ethische commissies. Net zoals bij de start van een ander wetenschappelijk onderzoek, moeten zij bij een wetenschappelijk onderzoek met een AI-toepassing, wat een medisch hulpmiddel kan zijn, een grondige ethische en juridische toetsing doen, met inbegrip van de principes van gegevensbescherming[4].

De Algemene Verordening Gegevensbescherming laat het hergebruik van gezondheidsgegevens toe zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene onder strikte voorwaarden: het wetenschappelijk onderzoek moet een publiek belang hebben, de patiënten moeten voorafgaandelijk geïnformeerd worden, technische en organisatorische maatregelen moeten voorkomen dat identificeerbare patiëntengegevens ontbloot worden. Een minimale gegevenswerking door technieken van anonimisering of pseudonimisering moet voorzien worden. Hierbij wordt een trusted third party (ook derde vertrouwenspersoon genoemd) ingeschakeld om het proces nog meer betrouwbaar te maken. Onder hogergenoemde voorwaarden is het toegelaten om gegevens te hergebruiken zonder uitdrukkelijke toestemming van de patiënt. In bepaalde gevallen kan de patiënt bezwaar aantekenen tegen het gebruik van de gegevens voor onderzoek[5]. Bovendien zijn, bij overdracht van persoonsgegevens naar andere entiteiten bindende overeenkomsten noodzakelijk in de onderscheidenlijke stappen van gegevensoverdracht.

De hogergenoemde strikt juridische benadering spoort niet met het concept van patiëntenparticipatie dat heden ten dage de basis vormt van een adequate arts-patiëntrelatie. Ook voorzien deontologische principes in de betrokkenheid en de inspraak van de patiënt en dit zonder afbreuk te doen aan de ontwikkeling van artificiële intelligentie en het big data-gebeuren.

Een evenwichtige stapsgewijze benadering:

  1. De overdracht van gegevens uit patiëntendossiers naar een onderzoeksplatform:

Het is de taak van artsen om bij de gegevensoverdracht vanuit medische dossiers naar een onderzoekplatform patiënten voldoende en in een begrijpelijke taal te informeren alvorens zij hierin kunnen toestemmen of bezwaar aantekenen. Dit proces dient ondersteund te worden door algemene informatiecampagnes die enerzijds de patiënt informeren over het gebruik van big data en artificiële intelligentie in het belang van wetenschappelijk onderzoek en anderzijds de ingebouwde controlemechanismen belichten. Naast algemene informatieverstrekking versterken specifieke inlichtingen omtrent onderzoeksinitiatieven op lokaal vlak (bv. door affichering in de wachtzaal) het transparantiebeginsel en ondersteunen zij de betrokkenheid van de patiënt.

Het voorafgaandelijk informeren omtrent de finaliteit van het onderzoek is mogelijk bij klassiek hypothese-gedreven onderzoeksmethoden. In het geval van artificiële intelligentie daarentegen is een gedetailleerde informatieverschaffing niet altijd mogelijk omdat gebruik wordt gemaakt van data-gedreven methodes waarbij het systeem op auto-adaptieve wijze data gaat onderzoeken (datamining). Deze visie wordt gevolgd in Considerans 33 van de AVG[6] :“Het is vaak niet mogelijk op het ogenblik waarop de persoonsgegevens worden verzameld, het doel van de gegevensverwerking voor wetenschappelijke onderzoeksdoeleinden volledig te omschrijven (…)”. De toestemming op basis van het “broad consent”-principe dient onvermijdelijk gekoppeld te worden aan de oprichting van een “beheersstructuur” (cfr. infra onder punt b).

  1. Medische gegevens op een onderzoeksplatform ter beschikking stellen van wetenschappelijk onderzoek

Eens medische gegevens in geanonimiseerde of gepseudonimiseerde vorm op het onderzoeksplatform geplaatst zijn, moeten deze volgens de vigerende privacyregels beveiligd worden, die opgevolgd worden door de Data Protection Officer (DPO).

Specifiek bij het gebruik van artificiële intelligentie op basis van big data dient een beheersstructuur (“governance structure”) voorzien te worden om controle uit te oefenen op de nieuwe uitdagingen eigen aan de techniek.[7] De governance structuur moet ervoor zorgen dat de ethische principes van integriteit, solidariteit en verantwoording bij gegevensdeling in acht worden genomen en het onderzoek het karakter van een publiek belang behoudt. Aansturing en toezicht op het gebruik van de data vinden plaats in deze beheerstructuur, die naast stakeholders uit de gezondheidszorg ook een patiëntenvertegenwoordiging dient te bevatten. Gelet op de rol van de ethische commissies in de advisering bij de start van wetenschappelijk onderzoek is een nauwe samenwerking met deze instanties onontbeerlijk.

  1. Besluit

In dit advies belicht de nationale raad de rol van de arts bij het gebruik van big data en artificiële intelligentie. Hij herhaalt dat medische gegevens die de bron vormen van deze big data verkregen zijn binnen de arts-patiëntrelatie, die een vertrouwensrelatie bij uitstek is. Aan dit vertrouwen moet in de opeenvolgende stappen van verwerking voldoende aandacht geschonken worden door een heldere informatieverschaffing en het voorzien in een patiëntenparticipatie. De concepten “broad consent“ en “governance structure” onderstrepen niet alleen de deontologische beginselen van transparantie en betrokkenheid van patiënten, maar zorgen voor een duurzaam evenwicht tussen het respect voor de persoonlijke levenssfeer en de mogelijkheid om aan wetenschap onderzoek te kunnen doen.


[1]https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32016R0679&from=NL#d1e1369-1-1

[2] Raeymaekers, Peter; Balthazar, Tom & Denier, Yvonne (2020), Big data in de gezondheidszorg. Technische, juridische, ethische en privacy-gerelateerde randvoorwaarden voor (her)gebruik van gezondheidsgegevens voor onderzoek. Brussel: Zorgnet-Icuro

[3] Ethische richtsnoeren voor betrouwbare KI: https://op.europa.eu/nl/publication-detail/-/publication/d3988569-0434-11ea-8c1f-01aa75ed71a1

[4]https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32017R0745&from=EN#d1e32-167-1

[5] Het recht op bezwaar kan worden beperkt indien het hergebruik van de gegevens noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke werd opgedragen. Dit is de rechtmatigheid van de verwerking, het bepalen van deze gronden is vaak ene juridische kwestie waarvoor best advies ingewonnen wordt van een data protection officer.

[6]https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32016R0679

[7]https://www.wma.net/policies-post/wma-declaration-of-taipei-on-ethical-considerations-regarding-health-databases-and-biobanks/

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167028
Teleconsultatie en telefonische triage in de context van de COVID-19-pandemie

De nationale raad formuleerde in zijn vergadering van 17 oktober 2020 een advies betreffende teleconsultatie en telefonische triage in de context van de COVID-19-pandemie, op basis van de Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19.

Het Franstalige College voor huisartsgeneeskunde van België (CMG) en Domus Medica raden een telefonische triage aan van patiënten die symptomen vertonen van besmetting met COVID-19.

Wat betreft de deontologische beginselen bij de behandeling van een patiënt zonder rechtstreeks fysiek contact met hem en de grenzen en de mogelijkheden van teleconsultatie, verwijst de nationale raad naar zijn advies van 21 september 2019 over de teleconsultatie met het oog op het stellen van een diagnose en het voorstellen van een behandeling (a166007).

Het volgende werd daarbij in herinnering gebracht: "Een raadpleging op afstand heeft, ook al blijkt ze gebruiksvriendelijk voor de patiënt, niet dezelfde nauwkeurigheid als een raadpleging in aanwezigheid van de patiënt en de arts. Teleconsultatie biedt dan ook niet dezelfde veiligheid op het vlak van de diagnose en van het voorschrijven van geneesmiddelen. Teleconsultatie kan de klassieke face-to-face raadpleging slechts vervangen indien een bijzondere situatie dit rechtvaardigt."

In de huidige omstandigheden gaat het wel degelijk over een bijzondere situatie gezien de pandemiecontext vergt dat maatregelen genomen worden op het gebied van de volksgezondheid om de risico's op verspreiding in te perken. Verplaatsingen van besmette patiënten of van patiënten van wie vermoed wordt dat ze besmet zijn met het virus zo veel mogelijk beperken, is een prioritaire maatregel bij deze pandemie.

Om een telefonisch advies te verstrekken moet de arts een volledige anamnese uitvoeren rekening houdend met de risicofactoren die inherent zijn aan de pathologie ("red flags"), met de antecedenten van de patiënt en met zijn andere acute of chronische aandoeningen die hem kwetsbaarder kunnen maken. De eerstelijnsartsen verwachten van de wetenschappelijke en gezondheidsautoriteiten dat zij de alarmtekens ("red flags") die inherent zijn aan deze pathologie preciseren en actualiseren. De gevolgen van dergelijke besmetting zijn nog steeds onvoldoende gekend, kunnen een atypisch ziektebeeld geven en een bepaald percentage van patiënten ontwikkelt een ernstige longaandoening die levensbedreigend kan zijn.

De minimumvoorwaarden opdat de organisatie van teleconsultaties via videobeelden aanvaardbaar is, houden in dat de arts a) de patiënt en zijn antecedenten goed kent, b) inzage heeft in de medische informatie betreffende de patiënt (medisch dossier) en c) in staat is de continuïteit van de zorg te waarborgen (Persbericht van de nationale raad van 10 maart 2020 (a167005).

Ingeval er geen dossier bestaat of de toegang ertoe onmogelijk is, moet de arts de antecedenten en de medische situatie van de patiënt kunnen begrijpen door een zorgvuldige en volledige anamnese die voornamelijk betrekking heeft op de huidige medicamenteuze behandelingen.

De richtlijnen van het RIZIV zijn te vinden op https://www.inami.fgov.be/nl/nieuws/Paginas/zorgverlenen-afstand-covid19-globale-aanpak-meerdere-zorgberoepen.aspx.

De arts die telefonisch gecontacteerd wordt, moet de risico's voor de patiënt en voor de gemeenschap afwegen tussen een telefonisch advies, een face-to-face raadpleging, een huisbezoek en doorverwijzing naar een structuur (al dan niet ziekenhuisgebonden) die instaat voor de opsporing en de behandeling van patiënten die besmet zijn of van wie vermoed wordt dat ze besmet zijn met COVID-19.

Sciensano actualiseert regelmatig zijn aanbevelingen aan de artsen betreffende de procedure die dient te worden gevolgd bij patiënten van wie wordt vermoed dat ze besmet zijn met COVID-19 (https://covid-19.sciensano.be/nl/covid-19-procedures).

Wanneer een arts gebruikt maakt van teleconsultatie voor patiënten die vermoedelijk niet besmet zijn met COVID-19 is eveneens het genoemde advies van de nationale raad van 21 september 2019 (a166007) van toepassing. De coronaviruspandemie is een bijzondere situatie waarbij de patiënt en de arts er, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden in dit advies, voordeel bij hebben de face-to-face raadpleging te vervangen door teleconsultatie.

De nationale raad vestigt de aandacht op de noodzaak om verder de noodzakelijke zorg te blijven verstrekken. Het spreekt voor zich dat de arts de zorgcontinuïteit dient te verzekeren voor patiënten met een chronische ziekte, in het bijzonder indien de opvolging cruciaal is voor de patiënt: er kan o.m. worden gedacht aan zware diabetespatiënten, patiënten die bloedverdunners innemen, patiënten die een transplantatie ondergingen, patiënten met een nierinsufficiëntie en aan de opvolging van cerebrovasculaire accidenten en ernstige open wonden. De geriatrische en/of psychiatrische patiënten die thuis geïsoleerd zijn mogen niet uit het oog verloren worden. Indien de arts zelf de opvolging van zijn patiënten niet kan verzekeren, dient hij hen door te verwijzen naar een medische structuur die de zorg voor hen kan opnemen.

De nationale raad verwijst naar de aanbevelingen van het RIZIV betreffende de erelonen voor een raadpleging op afstand

https://www.inami.fgov.be/nl/nieuws/Paginas/specifiek-honorarium-medisch-advies-telefoon-covid19.aspx en https://www.inami.fgov.be/nl/nieuws/Paginas/zorgverlenen-afstand-covid19-globale-aanpak-meerdere-zorgberoepen.aspx).

Iedereen draagt de verantwoordelijkheid om verstandig en voorzichtig te werk te gaan in het belang van de gezondheid van de patiënt, die gewetens- en kwaliteitsvol verzorgd dient te worden, en van de gemeenschap. De arts die een beslissing neemt via de telefoon moet, alvorens een vermoeden van besmetting met COVID-19 uit te sluiten, aandachtig zijn voor een atypisch ziektebeeld van de ziekte COVID-19 (patiënt zonder symptomen of misleidende symptomen), in het bijzonder bij oudere patiënten.

Wat betreft het gebruik van telegeneeskunde binnen de arbeidsgeneeskunde, heeft de nationale raad er, op deontologisch vlak geen bezwaar tegen dat de preventieadviseur/arbeidsarts, wanneer de bijzondere omstandigheden het toelaten, in deze pandemiecontext zijn opdrachten uitvoert via telefonische raadplegingen, met gezond verstand en voorzichtig in het belang van de gezondheid van de werknemers.

Dat kan slechts gebeuren door middel van de beschreven waarborgen in verband met de toegang tot de gezondheidsgegevens, de kennis van de werkomstandigheden, de beroepsanamnese, de precisering op het evaluatieformulier dat deze per telefoon gebeurde en het informeren van de werknemer dat hij de mogelijkheid heeft een spontane raadpleging te vragen in het medisch kabinet na de crisisperiode te wijten aan de COVID-19-pandemie.

De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg heeft aanbevelingen uitgebracht betreffende het gezondheidstoezicht tijdens de coronacrisis

(https://www.ehealth.fgov.be/nl/egezondheid/task-force-data-technology-against-corona/nuttige-apps).


Kwaliteit van de zorg17/10/2020 Documentcode: a167036
Teleconsultatie met een arts via een verzekeringsinstelling

De nationale raad van de Orde der artsen nam kennis van het feit dat sommige verzekeringsinstellingen videoconsultaties met een arts aanbieden aan hun klanten.

Naast de algemene deontologische beginselen van teleconsultatie, dienen de artsen die teleconsultaties houden via een verzekeringsinstelling rekening te houden met bijkomende deontologische principes.

  1. Algemene deontologische principes

De nationale raad heeft in zijn advies van 21 september 2019, "Teleconsultatie met het oog op het stellen van een diagnose en het voorstellen van een behandeling", de deontologische principes betreffende teleconsultatie opgesomd.

In het licht van de kwaliteit en de veiligheid van de zorg, is het van belang dat de arts (1) de patiënt kent, (2) toegang heeft tot het medisch dossier en (3) de continuïteit van de zorg kan waarborgen.

Slechts wanneer een bijzondere situatie zich voordoet, zoals de COVID-19-pandemie, en het onmogelijk is te voldoen aan voornoemde principes, bijvoorbeeld omdat de patiënt geen huisarts heeft, noch een medisch dossier bestaat of ter beschikking is, kan de arts gebruik maken van de techniek van de teleconsultatie mits het afnemen van een volledige en zorgvuldige anamnese die toelaat de antecedenten en de medische situatie van de patiënt te begrijpen. Deze vorm van teleconsultatie vergt van de arts een bijzondere zorgvuldigheid en een extra waakzaamheid. De arts die in deze omstandigheden teleconsultaties aanbiedt, is desgevallend verantwoordelijk voor de continuïteit van de zorg.

  1. De bijzondere deontologische principes voor artsen die teleconsultaties houden via een verzekeringsinstelling

De arts die teleconsultaties houdt via een verzekeringsinstelling behoudt te allen tijde zijn professionele onafhankelijkheid en zijn therapeutische vrijheid.

De arts kan nooit een dubbele hoedanigheid aannemen en ten aanzien van dezelfde patiënt optreden als enerzijds behandelend arts ten dienste van de verzekeringsmaatschappij en anderzijds verzekeringsarts van diezelfde instelling.

De arts die optreedt als behandelend arts respecteert het beroepsgeheim en de Algemene Verordening Gegevensbescherming en zal de medische gegevens, verzameld in de context van de therapeutische relatie, niet doorgeven aan de verzekeringsinstelling zonder de uitdrukkelijke en geïnformeerde toestemming van de patiënt.

De arts dient te voorzien in een goede samenwerking met de eerstelijnszorg opdat de continuïteit van de zorg kan worden verzekerd.

Tenslotte waakt de arts erover dat de teleconsultatie beantwoordt aan de behoeften van de patiënt en niet louter een commercieel voordeel voor de verzekeringsinstelling beoogt.

  1. Besluit

Om de kwaliteit en de veiligheid van de zorg te waarborgen is het onontbeerlijk de techniek van de teleconsultatie te onderwerpen aan bepaalde deontologische criteria.

Artsen die teleconsultaties houden in opdracht van verzekeringsinstellingen dienen de principes opgesomd in het advies van de nationale raad van 21 september 2019, "Teleconsultatie met het oog op het stellen van een diagnose en het voorstellen van een behandeling", te respecteren.

Daarnaast dienen deze artsen zich te vergewissen van hun professionele onafhankelijkheid, de afwezigheid van belangenconflicten, respect voor het beroepsgeheim en de privacyregels en een goede samenwerking met de eerstelijnszorg.
Internet14/12/2019 Documentcode: a166020
e-Reputatie - Evaluatie van artsen op onlineplatforms

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht over de beoordeling van artsen op onlineplatforms.

1. De beoordeling van de kwaliteit van de zorg moet rekening houden met het oordeel van de patiënt: de methodes die gebruikt worden om te beoordelen en te analyseren hoe de patiënt de zorg beleefd heeft (PREM(1)) en hoe hij zijn gezondheidstoestand ervaart, (PROM(2)) moeten worden aangemoedigd(3).

Bovendien moet de patiënt de mogelijkheid krijgen klachten in verband met zijn behandeling te formuleren(4).

De patiënt het woord geven, verbetert de communicatie tussen hem en de verzorger en draagt bij tot de kwaliteit van de zorg. Tevens vormt het de basis van een zorgrelatie die gericht is op een partnerschap tussen verzorger en patiënt waarbij de patiënt centraal staat in de gezondheidszorg.

2. Naast beoordelingen die beogen de zorg te verbeteren, hebben onlineplatforms (websites, sociale media) de mogelijkheid een gezondheidsbeoefenaar in het openbaar te beoordelen.

De doelstellingen van deze platforms variëren. Sommige zijn verbonden aan een beroepengids, andere hebben publicitaire doeleinden, nog andere wensen louter informatief te zijn. Niet allemaal bieden ze waarborgen inzake transparantie, echtheid, bescherming van de persoonlijke levenssfeer, recht op antwoord, recht op actualisering, enz.

De nationale raad bracht reeds een advies uit over dit soort van platform(5).

De arts moedigt zijn patiënten niet aan om hem op dergelijke platforms te beoordelen.(6) Hij vermijdt actief te zijn op dergelijke platforms.

3. Soms gebeurt het dat kritiek weliswaar op een ongepaste manier is geformuleerd, maar toch pertinent is. In dit geval moet dit de arts aanzetten tot reflectie en eventueel tot verontschuldigingen.

Openbare kritiek, die vaak anoniem is, kan de persoon op wie ze gericht is, frustreren.

Indien de arts wenst te reageren op commentaar over hem en hij hiertoe de mogelijkheid krijgt, moet hij dit echter op een professionele wijze doen. Zijn antwoord dient respectvol te zijn en te getuigen van empathie tegenover datgene wat de patiënt verwoordt. De vertrouwelijkheid waarop de zorgrelatie stoelt, mag in geen geval geschonden worden. Een openbaar antwoord beperkt zich tot een vredelievend, algemeen en indien nodig uitleg verstrekkend antwoord. Voor het overige dient de arts een privégesprek voor te stellen.

Een ongepast antwoord schaadt soms meer iemands reputatie dan een anonieme commentaar. Bovendien leert de ervaring dat het ontkennen van een in de media verspreid gerucht vaak het tegenovergestelde effect heeft van wat men tracht te bereiken en soms is het dan ook beter te zwijgen.

4. Het publiceren van negatieve commentaar op een bij naam genoemde persoon is op zich niet onwettig. Het valt onder de vrijheid van meningsuiting, dat een fundamenteel recht is(7). Volgens het Europees Hof is de vrijheid van meningsuiting "een van de wezenlijke grondslagen van een democratische maatschappij en een van de fundamentele voorwaarden voor de vooruitgang ervan en voor de ontwikkeling van elkeen".

Wanneer een arts te maken krijgt met commentaar die hij ongepast acht, verzoekt hij de auteur ervan of de beheerder van de site deze commentaar te verwijderen. In geval van weigering, hangen de middelen die ingezet kunnen worden af van een juridische studie die dient na te gaan of de commentaar in strijd is met de regels betreffende de verwerking van persoonsgegevens dan wel of ze een fout uitmaakt in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk wetboek of zelfs een strafbaar feit zoals laster of eerroof.



(1) 1Patient-Reported Experience Measures

(2) Patient-Reported Outcome Measures

(3) https://kce.fgov.be/nl/het-gebruik-van-pati%C3%ABntuitkomsten-en-ervaringen-promsprems-voor-klinische-en-beleidsdoeleinden KCE Reports 303 A (2018)

(4) De patiënt kan worden doorverwezen naar de federale ombudsdienst "rechten van de patiënt" (ambulante sector) en de ombudsfunctie "rechten van de patiënt" (ziekenhuissector) (art. 11, § 1 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt)

(5) Advies van 19 november 2016, ‘platform www.wisdoc.com', TNR nr. 155, a155001

(6) Advies van 7 februari 2015, Artsen en digitale media", TNR nr. 148

(7) Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens


Medisch dossier21/09/2019 Documentcode: a166009
Raadplegen van medische dossiers via de telematicamiddelen in een ziekenhuis door een arts zonder de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt

Dit advies werd op 20 maart 2021 gecorrigeerd. De lezer wordt verzocht ook het advies van 20 maart 2021 te lezen betreffende het recht van de ziekenhuisarts toegang te hebben tot de persoonsgegevens opgenomen in het ziekenhuisdossier om zich te verdedigen in rechte (a168003).

De nationale raad van de Orde der artsen brengt de volgende beginselen in herinnering betreffende de inzage in het medisch dossier van een patiënt door een ziekenhuisarts voor persoonlijke doeleinden.

De gezondheidsgegevens die verzameld werden in het kader van de zorg mogen enkel voor andere doeleinden aangewend worden indien de patiënt erin toestemt of indien de wet het toelaat (artikel 458 van het Strafwetboek, Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens).

Het feit dat men in het verleden een therapeutische relatie had met een patiënt rechtvaardigt niet dat men blijvend inzage heeft in zijn gezondheidsgegevens.

De medische geheimhoudingsplicht volstaat niet om de inzage in deze gegevens te rechtvaardigen: het medisch geheim houdt de verplichting in om te zwijgen en kent geen enkel recht toe om te weten.

De arts die een systeem voor inzage in het patiëntendossier voor andere doeleinden gebruikt dan die waarvoor deze inzage hem toegezegd werd, stelt een onwettige daad (artikel 550bis van het Strafwetboek) die eveneens een deontologische fout uitmaakt.

Deze principes gelden voor de inzage van het ziekenhuisdossier, maar eveneens voor de inzage van het geautomatiseerd medisch dossier dat geraadpleegd kan worden door de gezondheidsnetwerken via de ziekenhuistoegangen.

Kwaliteit van de zorg21/09/2019 Documentcode: a166007
Teleconsultatie met het oog op het stellen van een diagnose en het voorstellen van een behandeling

TELECONSULTATIE

De ontwikkeling van de e-gezondheid leidt ertoe dat nagedacht wordt over de integratie in het Belgische gezondheidszorgsysteem van de toepassingen van telegeneeskunde, waaronder teleconsultatie. Hierbij rijzen tal van vragen, onder meer over de zorgkwaliteit, het welzijn van de patiënten, de technologische en functionele criteria, het juridische kader, de vergoeding van de zorgverstrekkers, de terugbetaling van de zorg en de regels van goede praktijkvoering(1).

De Orde der artsen wordt regelmatig verzocht om advies uit te brengen over de deontologische aanbevelingen die een de leidraad kunnen vormen bij de teleconsultatie.

De medische teleconsultatie wordt gedefinieerd als een raadpleging waarbij een arts op afstand en gelijktijdig een raadpleging heeft met een patiënt, via het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT). De teleconsultatie maakt deel uit van de telegeneeskunde, die meerdere toepassingen omvat die zich bevinden in een fase van ontwikkeling, onder meer de telebewaking, de tele-assistentie, de tele-expertise en de telemonitoring(2).

Dit advies gaat enkel over de teleconsultatie met het oog op het stellen van een diagnose en het voorstellen van een behandeling.

1. De teleconsultatie is een vorm van uitoefening van de geneeskunde en is onderworpen aan de ethische, wettelijke en deontologische regels eigen aan de uitoefening van de geneeskunde.

De teleconsultatie is gerechtvaardigd op voorwaarde dat ze het welzijn en de verzorging van de patiënt ten goede komt. De organisatie ervan in een specifieke context moet voorafgegaan worden door een analyse van de voordelen en de risico's voor de patiënten.

2. De teleconsultatie mag niet louter commerciële voordelen beogen maar moet beantwoorden aan een medische behoefte van de patiënt en de volksgezondheid(3). Het gebruiksgemak is voor de patiënt geen voldoende reden om hierop een beroep te doen. Enkel indien de teleconsultatie ook een voordeel oplevert voor de gezondheid van de patiënt, is het gebruik gerechtvaardigd.

3. De technologie mag de menslievende waarden van het medische beroep niet doen vergeten. De zorgrelatie is per definitie een relatie tussen mensen gebaseerd op waardigheid en autonomie van de patiënt. De rechten van de patiënt, waaronder de vrije keuze van de arts en de vrije en geïnformeerde toestemming tot de teleconsultatie, het recht op privacy en het medisch geheim dienen gewaarborgd te worden.

4. De medische redenering van de arts moet aangepast zijn aan de consultatie op afstand en dient gebaseerd te zijn op wetenschappelijk gevalideerde protocollen.

In zijn vroegere adviezen(4) heeft de nationale raad de nadruk gelegd op de noodzaak een fysiek contact te hebben met de patiënt om een diagnose te stellen. Het stellen van een diagnose is het eindpunt van een hypothetisch-deductieve werkwijze(5-6). De arts zoekt de verklaring voor de symptomen van de patiënt via het afnemen van een anamnese en het uitvoeren van een fysiek onderzoek. Deze medische redenering wordt bij voorkeur toegepast, in het bijzonder voor ingewikkelde medische situaties.

Er zijn echter situaties waarin de klacht meteen al toelaat een waarschijnlijkheidsdiagnose te stellen ("spot diagnosis/deskundige redenering") en een therapeutische oplossing voor te stellen. Dit snelle optreden is geschikt voor typisch herkenbare klinische ziektebeelden. Deze medische redenering is evenwel niet zonder risico's.

De rampen- en de urgentiegeneeskunde, waar snel optreden geboden is, hebben ertoe geleid een ander soort redenering te ontwikkelen: de arts leert vanaf het eerste contact met de patiënt symptomen te herkennen die een signaal kunnen zijn van een ernstige aandoening ("red flags" of "alarmsymptomen"(7)). De normaal voorzichtige en toegewijde arts kan deze alarmsymptomen niet miskennen(8). Dit soort medische redenering wordt onder meer toegepast in de telefonische "triage" van de dringende oproepen.

De teleconsultatie vergt van de arts een aangepaste medische redenering, die wetenschappelijk gevalideerd is en waarvoor de arts zich bijkomend moet vormen. De redenering moet rekening houden met de risico's die verbonden zijn aan het feit dat de patiënt zich bevindt op afstand.

De arts moet voorbereid zijn om gebruik te kunnen maken van teleconsultatie(9).

5. De gebruikte informatie- en communicatietechnologie (ICT) en logistieke ondersteuning moeten aangepast zijn aan het nagestreefde doel en de bijzonderheden van de omgeving en de gebruikers (pathologie, beeld, aangesloten meetinstrumenten, aanwezigheid van een gezondheidsberoepsbeoefenaar bij de patiënt, enz.).

De bekwaamheid van de arts en van de patiënt om het technologisch werkinstrument te hanteren en de vaardigheid van de patiënt op het gebied van communicatie (gehoor, taalbeheersing, begrip van de medische en anatomische terminologie, fysiek zelfonderzoek, stress, enz.) moeten in aanmerking genomen worden.

De bedenkers en de gebruikers dienen voorafgaandelijk met elkaar te overleggen om te komen tot een efficiënt en pertinent werkinstrument. Een regelmatige evaluatie is onontbeerlijk.

De arts behoudt zijn professionele onafhankelijkheid. Indien hij, om welke reden ook, meent dat een teleconsultatie niet wenselijk is, ziet hij ervan af. Hij is zich bewust van de beperkingen van teleconsultatie en is alert voor signalen die een onmiddellijke doorverwijzing vereisen naar een raadpleging in aanwezigheid van een arts.

6. De arts moet nagaan of zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering de toepassing van de teleconsultatie dekt.

De arts gebruikt materiaal dat kwaliteitswaarborgen biedt op technisch en functioneel gebied. Het is sterk aanbevolen gebruik te maken van mobiele applicaties die het keurmerk EG dragen en beschikken over een vertrouwelijkheidspolis die de privacyregels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming waarborgen.

Verplichte kwaliteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidsnormen gekoppeld aan keurmerken, certificeringen en labels zijn onontbeerlijk. De informatieverstrekking door de publieke overheid aan de gezondheidsberoepsbeoefenaars over referentiekeurmerken en -labels moet geoptimaliseerd worden.

7. De teleconsultatie kan gebruikt worden als aanvullend werkinstrument in een zorgparcours om de kwaliteit ervan te verbeteren.

8. De raadpleging in aanwezigheid van de arts en van de patiënt blijft de beste manier van werken.

Een raadpleging op afstand heeft, ook al blijkt ze gebruiksvriendelijk voor de patiënt, niet dezelfde nauwkeurigheid als een raadpleging in aanwezigheid van de patiënt en de arts. Teleconsultatie biedt dan ook niet dezelfde veiligheid op het vlak van de diagnose en van het voorschrijven van geneesmiddelen.

De teleconsultatie kan de klassieke face-to-face raadpleging slechts vervangen indien een bijzondere situatie dit rechtvaardigt.

Aangezien de toegang tot een arts in België in het algemeen gemakkelijk is, zijn de situaties waarvoor teleconsultatie gerechtvaardigd is om redenen van zorgtoegankelijkheid beperkt.

De arts moet navraag doen naar de motivering van de patiënt om gebruik te maken van teleconsultatie om na te gaan of deze voldoet aan zijn verwachtingen. De arts moet de patiënt informeren over de risico's die eraan verbonden zijn.

In het licht van de kwaliteit en de veiligheid van de zorg, vereist de teleconsultatie, die tot doel heeft een diagnose te stellen en een behandeling voor te stellen, dat de arts (1) de patiënt kent, (2) toegang heeft tot de hem betreffende medische informatie (medisch dossier) en (3) de continuïteit van de zorg kan waarborgen.

De medische aandoening moet bovendien toelaten zorg te verstrekken via teleconsultatie (chronische ziekte, enz.).

Ten slotte, mits de ontwikkeling van wetenschappelijk gevalideerde protocollen en een juridisch kader en mits de naleving van de regels van medische deontologie, is het mogelijk de teleconsultatie in het gezondheidszorgsysteem te integreren.



(1) Interactieve workshop van 21 juni 2019 georganiseerd door het RIZIV

Senaat van België, Informatieverslag betreffende de noodzakelijke samenwerking tussen de federale overheid en de Gemeenschappen inzake de nieuwe toepassingen in de gezondheidszorg en mHealth in het bijzonder, Zitting 2017-2018, 12 mei 2017, dossier nr. 6-261

(2) CLARK R., INGLIS S., Mc ALISTER F., CLELAND J., STEWART S., Telemonitoring or structured telephone support programmes for patients with chronic heart failure: systematic review and meta-analysis, BMJ, doi:10.1136 (published 10 April 2007)

(3)WATSON J., Proliferation of private online healthcare companies, BMJ 2016; 352: i1076 (Published 23 February 2016)

EATON L., The long road to patient co-production in telehealth services, BMJ 2019;366: l4770 (Published 25 July 2019)

(4) a087005, a111003, a148006, a153005, a157008

(5) GUILBERT J.J., Comment raisonnent les médecins, Editions Médecine et Hygiène, Genève , 1992

(6) MASQUELET A.C., Le raisonnement médical, Coll. Que sais-je, Presses Univ de France, Paris 2006

(7) WILLIAMS C.M., HENSCHKE N., MAHER C.G. VAN TULDER M.W., KOES B.W., MACASKILL P., IRWIG L., Red flags to screen for vertebral fracture in patients presenting with low-back pain, Cochrane Database of Systematic Reviews 2013, Issue 1. Art. No.: CD008643. DOI: 10/1002/14651858.CD008643.pub2

(8) GP who failed to act on red flags for cauda equina syndrome breached duty

Clare Dyer - BMJ 2019; 364: l1231 (Published 18 Mar 2019

(9) Onder meer omdat het nodig is een onrechtstreeks fysiek onderzoek uit te voeren, voldoende tijd en het nodige materiaal ter beschikking te hebben (ICT, hands free car kit, enz.), de niet-verbale communicatie te compenseren door een sterkere uitdrukking van zijn empathie en van zijn steun, aandacht te hebben voor de omgeving waarin de patient zich bevindt (intimiteit, hoort hij de instructies goed?, enz.), voor het rechtstreeks contact met de patient in geval van tussenkomst van een derde persoon (minderjarige patient, verwarde persoon), voor het statuut van de oproeper (patiënt, vertrouwenspersoon, derde) en zijn verwachtingen en emoties, voor het verkrijgen van de instemming van de patiënt, voor het informeren van de patiënt over hoe hij moet reageren indien zijn toestand verergert en welke de klinische tekenen hiervan zijn, enz.

Kwaliteit van de zorg06/05/2017 Documentcode: a157008
Platform ViVidoctor.com – Online teleconsultaties

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende het platform ViVidoctor.com.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad heeft in zijn vergadering van 6 mei 2017 de website ViVidoctor.com bestudeerd.

De naam ViVidoctor staat voor virtual visit doctor. Het platform biedt de mogelijkheid om een virtueel consult te boeken waar op basis van de klachten een diagnose wordt gesteld en een voorschrift afgeleverd. ViVidoctor wil een toegankelijk alternatief bieden voor courante symptomen, zoals verkoudheid, griep, huiduitslag, diarree, nausea, braken, vermoeidheid. Daarnaast worden vragen beantwoord aangaande lactatie, zwangerschap, perinatale zorg, pediatrische triage, tabaksverslaving, sportblessures en wondzorg. Er zijn ook videoconsultaties mogelijk in het domein van de psychologie, de psychiatrie en de psychotherapie.

De nationale raad handhaaft zijn standpunt dat het stellen van een diagnose zonder een persoonlijk contact met de patiënt gevaarlijk is. De nationale raad herhaalt dat virtuele consultaties als vervolgconsultatie bij een gekende patiënt slechts in uitzonderlijke gevallen nuttig kunnen zijn. In België, een land met een zeer laagdrempelige toegang tot geneeskundige zorg, weegt het ogenschijnlijke gebruiksgemak van een virtuele consultatie niet op tegen de accuraatheid van een werkelijk gevoerde consultatie op het vlak van patiëntveiligheid, diagnosestelling en aflevering van medicatie.