keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Informatica21/05/2016 Documentcode: a153005
Deontologische en medisch-ethische reflectie gemaakt over het gebruik van e-health en m-health binnen het gezondheidsgebeuren

De nationale raad heeft een deontologische en medisch-ethische reflectie gemaakt over het gebruik van e-health en m-health binnen het gezondheidsgebeuren.

Advies van de nationale raad :

Deontologische en medisch-ethische aspecten van e-health en m-health

De nationale raad heeft in zijn vergadering van 21 mei 2016 een deontologische en medisch-ethische reflectie gemaakt over het gebruik van e-health en m-health binnen het gezondheidsgebeuren.

e-health

De American Telemedicine Association geeft een zeer algemene en bruikbare definitie: "the use of medical information exchanged from one site to another via electronic communications to improve a patient's clinical health status". (Meier, 2013: 362)

De Orde der artsen heeft verscheidene adviezen uitgebracht ivm het e-health gebeuren. Hierin moedigt de Orde het gebruik van een goed beveiligd platform voor gegevensdeling aan, wijst hij de arts op zijn rol bij het verkrijgen van toestemming van de patiënt en wijst hij de patiënt op zijn verantwoordelijkheid voor de authenticiteit van de aangeleverde informatie. Op vlak van telegeneeskunde, zeker in een land met een vlotte toegang tot een betaalbare gezondheidszorg, herhaalt de Orde het belang van het persoonlijke contact tussen de arts en de patiënt. Een zorgvuldige anamnese en klinisch onderzoek blijven de hoeksteen van de geneeskundige praktijk.

Een medisch-ethische reflectie kan worden gemaakt op basis van het principlisme (cf. Principles of Biomedical Ethics, Tom L. Beauchamp and James F., Childress), een universeel bruikbaar framework steunend op de principes: "autonomie", "beneficence", "non-maleficence" en "justice".

Op het vlak van autonomie kan de patiënt de informatiedeling over zijn gezondheid stroomlijnen op basis van zijn toestemming, heeft hij inzage in zijn gezondheidsgegevens en het recht op correctie of weglating. Ter bescherming van de informationele privacy is het bestaan van een therapeutische relatie tussen arts en patiënt primordiaal alsook de controle uitgeoefend door het sectoraal comité van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, afdeling sociale zekerheid en gezondheid.

Bijzonder positief (beneficence) wordt de permanente beschikbaarheid van gezondheidsgegevens door alle beroepsbeoefenaars ervaren, ongeacht de locatie en de bewustzijnstoestand van de patiënt.

Het risico dat gevoelige gezondheidsgegevens in verkeerde handen zouden komen (non-maleficence) vraagt een permanente waakzaamheid.

Op het vlak van rechtvaardigheid (justice) is in ons land het eHealth-platform toegankelijk voor alle patiënten. Dit laat toe overbodige onderzoeken te vermijden en het is het beveiligde middel bij uitstek om op een gecontroleerde wijze, rekening houdend met de privacy van de patiënt, gezondheidseconomische studies uit te kunnen voeren.

m-health

M-health is een afkorting van mobile health, een term die aangewend wordt wanneer de uitoefening van de geneeskunde ondersteund wordt door het gebruik van mobiele apparaten die medische gegevens registreren.

Bij een medisch-ethische reflectie omtrent m-health dient bijzondere aandacht geschonken te worden aan de geïnformeerde toestemming voor deelname en de informationele privacy van de patiënt (autonomie).

Uiteraard zal het vergaren van objectieve gezondheidsgegevens op een lange termijn, opgetekend in de natuurlijke omgeving van de patiënt, een belangrijke bijdrage betekenen voor het opvolgen van chronische ziekten (beneficence).

Er zullen protocollen moeten opgesteld en wettelijk ingebed worden om mogelijke negatieve effecten te ondervangen (non-maleficence). Er dient rekening te worden gehouden met de waarborg van de authenticiteit van de gegevens, het valse gevoel van veiligheid omwille van de apparatuur, het gevaar van overmedicalisering en overconsumptie, de noodzaak van technische ondersteuning bij de opstart en het onderhoud van de apparatuur, het passende gevolg aan een "alarmsituatie", het inpassen van de onderscheidenlijke gezondheidszorgbeoefenaars, het vastleggen van verantwoordelijkheden in een geschreven overeenkomst,...

Het concept m-health lijkt een antwoord te bieden op de groeiende kost van de actuele gezondheidszorg. Het blijvend waarborgen van kwaliteitsvolle zorg voor alle patiënten moet de eerste vereiste blijven (justice). Dit impliceert dat er binnen de beschikbare middelen verschuivingen moeten plaatsvinden om het m-health gebeuren in te passen.

E-health en m-health zijn onmiskenbare begrippen geworden binnen de zorg.
Toch blijven e-mpathie en m-edeleven voor de patient een onmiskenbare plaats hebben binnen het therapeutische arsenaal en zullen zij nooit door enige technologie vervangen kunnen worden.

Kunstmatige inseminatie16/01/2016 Documentcode: a152001
Remuneratie voor fertiliteitscentra die in het buitenland verblijvende patiënten begeleiden via e-mail

De nationale raad heeft een adviesaanvraag onderzocht omtrent de remuneratie voor fertiliteitscentra die in het buitenland verblijvende patiënten begeleiden via e-mail.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 16 januari 2016 uw adviesvraag onderzocht omtrent de remuneratie voor fertiliteitscentra die in het buitenland verblijvende patiënten begeleiden via e-mail. .
Belgische artsen hebben een wereldvermaarde expertise opgebouwd in het domein van reproductieve geneeskunde. Om die reden en ook omwille van onze, ten opzichte van andere landen, liberale wetgeving wenden vele buitenlandse patiënten zich tot ons land om aan hun kinderwens te voldoen. Om de kosten te drukken kiezen sommige patiënten voor een gedeelde zorg verstrekt door hun behandelende gynaecoloog in hun thuisland en een Belgisch fertiliteitscentrum.

Er rijzen op deontologisch vlak meerdere vragen omwille van de ontstane driehoeksverhouding patiënt-fertiliteitscentrum-lokale arts en de samenwerking tussen artsen op afstand.

1. Kwaliteit van de zorg
De Belgische fertiliteitscentra zijn onderhevig aan strenge kwaliteitseisen (koninklijk besluit van 15 februari 1999 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's "reproductieve geneeskunde" moeten voldoen om erkend te worden. - wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten).
Om een zelfde kwaliteitsvolle dienstverlening te verzekeren dienen er duidelijke afspraken en richtlijnen voor opvolging van de patiënt opgesteld te worden. In een permanente bereikbaarheid van de artsen dient te worden voorzien om misverstanden bij de interpretatie van de resultaten en de daaraan gekoppelde therapie te voorkomen.

2. Doorgeven van medische gegevens
Medische gegevens en behandelingsschema's voor patiënten kunnen elektronisch gedeeld worden op voorwaarde dat de afzender en de bestemmeling de nodige veiligheidsmaatregelen treffen, zoals het voorzien in een toegang met een login en een performant paswoord.

3. Remuneratie
Artsen kunnen een billijke remuneratie vragen voor het werkelijk gepresteerde werk. De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt legt in artikel 8, § 2, de Belgische arts op voorafgaandelijk een prijsraming op te maken alvorens de patiënt zijn geïnformeerde toestemming kan geven.

Informatica07/02/2015 Documentcode: a148006
Artsen en digitale media

De Nationale Raad herinnert aan de algemene privacyregels die een arts bij het gebruik van de verschillende digitale toepassingen dient na te streven, zeker wanneer hij omgaat met gezondheidsgegevens die door het medisch beroepsgeheim worden gedekt

Advies van de Nationale Raad :

Artsen en digitale media

Het artsenkabinet is vandaag al lang niet meer beperkt tot wat tussen de vier muren ervan gebeurt. Een arts wordt in stijgende mate geconfronteerd met allerlei elektronische toepassingen die de administratieve last die verbonden is aan de uitoefening van de geneeskunde trachten te verminderen. Voorbeelden hiervan zijn de digitalisering van het patiëntendossier, de recente ontwikkeling i.v.m. de attesten van verstrekte zorg, enz. De digitalisering van de maatschappij eist ook dat de arts zelf actief wordt in de virtuele wereld van het internet, via een eigen website, medische fora en sociale media.

Deze leidraad heeft tot doel de arts te begeleiden in de verschillende facetten van de digitalisering van uitoefening van de geneeskunde.

De leidraad gaat meer bepaald in op :
1. het beheer van websites door artsen;
2. het gebruik van sociale media;
3. het online patiënt-artscontact.

Deze leidraad kwam tot stand na raadpleging van gelijkaardige teksten in de ons omringende landen (Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (1) , British Medical Association (2) en General Medical Council (3), alsook van het standpunt van de European Council of Medical Orders inzake telegeneeskunde (4).
Ze werd verder gevoed door reeds bestaande adviezen van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren die, waar nodig, geactualiseerd werden.

Alvorens in te gaan op deze thematieken, worden de algemene privacyregels in herinnering gebracht die een arts bij het gebruik van de verschillende digitale toepassingen dient na te streven, zeker wanneer hij omgaat met gezondheidsgegevens die door het medisch beroepsgeheim worden gedekt (5):

- Een verwerking van gezondheidsgegevens kan slechts gebeuren in het belang van de patiënten zonder afbreuk te doen aan hun recht op informationele privacy.
- De gebruikte informatienetwerken dienen voldoende beveiligd te zijn, regelmatig doorgelicht te worden op veiligheidslekken en met de nodige toegangscontrole met eID te zijn voorzien.
- De arts dient een voldoende performant paswoord te gebruiken.
- Hij dient een aangepast antivirus softwareprogramma te gebruiken dat steeds up-to-date is.
- Hij dient de programmatuur bij het stoppen van de activiteiten steeds zorgvuldig af te sluiten.
- Hij werkt uitsluitend met firma's die contractueel een confidentialiteitsbeginsel garanderen.
- Hij gebruikt zijn computer indien enigszins mogelijk uitsluitend voor beroepsdoeleinden.

Meer gedetailleerde informatie over de verwerking van persoonsgegevens in het algemeen vindt u in het document "Referentiemaatregelen voor de beveiliging van elke verwerking van persoonsgegevens" (6).

1 Artsen en websites

Er verschijnen steeds meer en meer websites die de naam en het adres, de werkplek en soms meer specifieke informatie over artsen (curriculum vitae, publicaties, foto's, enz.) vermelden. Sommige artsen tonen hun personalia op individuele titel, anderen, en dit is nu het meest voorkomende geval bij specialisten, doen het binnen een uitgebreidere site, opgericht uit naam van een wetenschappelijke vereniging of een verzorgingsinstelling. Ook ziekenhuizen hebben websites waarin de lijsten van de artsen met hun specialisaties opgenomen worden (7).

Veel websites bevatten evenwel verwijzingen naar handelsondernemingen (logo's of teksten), ongeacht of het al dan niet over farmaceutische firma's gaat of bevatten in de rand publiciteitsteksten en/of reclamefoto's.

De creatie van een website door een arts in het kader van zijn geneeskundige activiteit mag geen ander doel hebben dan het publiek in te lichten over zijn beroepsactiviteit. Websites van of over artsen mogen geen commercieel, noch publicitair karakter aannemen.

Het is aangewezen een privacyclausule op te nemen op de website waarin er specifiek op gewezen wordt dat de persoonsgegevens van patiënten met de nodige omzichtigheid en met respect voor het beroepsgeheim worden verwerkt.

Wanneer een arts merkt dat hem betreffende professionele informatie gepubliceerd werd op een website die niet in overeenstemming is met de deontologische principes, moet hij de nodige initiatieven nemen, teneinde deze informatie te doen verwijderen.

1.1 Informatie die mag voorkomen op de website van een arts

Een arts dient zich steeds bewust te zijn van de gevolgen die het online zetten van informatie met zich meebrengt. De gepubliceerde informatie dient waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk te zijn.

Rekening houdend met het doel van een artsensite, is onder meer de volgende informatie, bestemd voor het publiek, gerechtvaardigd :
• naam en voornaam;
• officiële, wettelijke titels;
• uitgeoefend specialisme volgens de aanbevelingen van de Nationale Raad
• vermeldingen bestemd om de betrekkingen arts-patiënt te vergemakkelijken;
• foto van de arts met redelijke afmetingen;
• inlichtingen i.v.m. het adres en de toegang tot de praktijk;
• telefoon, fax, e-mailadres;
• uurrooster van het spreekuur en van de huisbezoeken;
• conventie en tarieven;
• instructies voor de zorgcontinuïteit;
• programma voor het maken van afspraken is toegelaten indien het de vertrouwelijkheid van de namen van de ingeschreven patiënten waarborgt;
• foto van de toegang tot de praktijk. (8)

Het wordt aangeraden bij de vermelding van het e-mailadres aan te geven dat dit uitsluitend voor administratieve doeleinden mag gebruikt worden en in principe niet bedoeld is voor medische doeleinden, zoals het verstrekken van medische informatie of medisch advies. (cf. punt 3 - Telegeneeskunde)

1.1.1. Links naar andere websites

Links naar andere websites zijn slechts mogelijk in de mate dat deze laatste eveneens dezelfde deontologische criteria eerbiedigen. Links naar beroeps- of wetenschappelijke verenigingen, evenals naar gevalideerde informatie voor patiënten zijn toegelaten.(9)

1.1.2. Beurtrol van de wachtdienst

De publicatie van de beurtrol van de wachtdienst op een website is mogelijk op voorwaarde dat alle deelnemers van de betreffende wachtdienst zich hiermee akkoord verklaren en de deontologische regels betreffende de publiciteit geëerbiedigd worden. De nodige maatregelen dienen te worden genomen zodat deze lijst up-to-date wordt gehouden. (10)

1.1.3. Advertenties voor het rekruteren van patiënten voor een klinische studie

Hoewel het publiceren van advertenties op websites van of voor artsen in de regel verboden is, bestaat er geen bezwaar tegen het adverteren voor het rekruteren van proefpersonen voor deelname aan een medisch-wetenschappelijk onderzoek. Het adverteren moet op een ethische en deontologische wijze gebeuren; de advertentie mag niet misleidend zijn, noch publiciteit bevatten voor de arts-navorser, voor de gezondheidsinstelling waar de klinische proeven zullen plaatsvinden of voor de sponsor van de studie. Er mag niet verwezen worden naar de naam van de promotor, zoals evenmin kan worden aanvaard dat de promotor via zijn website ruchtbaarheid geeft aan lopende experimenten.

De wijze van rekruteren van proefpersonen dient vermeld te worden in het protocol van biomedisch onderzoek bestemd voor de commissie voor medische ethiek. Van deze commissie wordt verwacht dat zij bij de beoordeling zal steunen op internationaal aanvaarde normen.(11)

1.1.4. Monopoliserende websites

Een arts is in principe vrij in de keuze van het webadres voor zijn website. Deze vrijheid wordt slechts beperkt wanneer de keuze ervan een vorm van onrechtmatige mededinging zou inhouden. Het is de deontologische plicht van de arts de nodige bescheidenheid aan de dag te leggen bij de keuze van het webadres, wat betreft de verwijzing naar de plaats waar hij zijn activiteit uitoefent. Deze deontologische plicht is mede ingegeven door de loyauteit die hij dient te hebben t.o.v. zijn collega's krachtens het artikel 19 van de Code van geneeskundige plichtenleer.

1.2 Informatie die niet mag voorkomen op de website van een arts

Elke informatie die de deontologische regels in verband met de publiciteit niet eerbiedigt en zo het doel van de creatie van een artsensite te buiten gaat is niet toegelaten. Hieronder wordt onder meer begrepen informatie die gericht is op het ronselen van patiënten en op het beperken van hun vrije keuze of die het belang van de volksgezondheid of het beroepsgeheim aantast.

Deontologisch is onder meer niet toegelaten:

• iedere vorm van misleidende of vergelijkende publiciteit;
• vergelijkende honorariatarieven;
• het aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen;
• publicaties, conferenties en andere mededelingen zonder wetenschappelijk nut of welke een commercieel oogmerk hebben;
• publicatie van getuigenissen van patiënten;
• communicatie van gegevens gedekt door het medisch geheim tenzij ze voldoende beveiligd is;
• gebruik van "cookies" of van eender welk instrument met het uitsluitend doel de bezoekers van een website buiten hun medeweten te identificeren of te profileren.(12)

1.3 Verplichte aangifte

Artsen die over een website beschikken of die van plan zijn er een te creëren, dienen dit ter goedkeuring voor te leggen aan de provinciale raad.

De aangifte is verplicht voor iedere website die informatie bevat over een arts of artsen, om het even of hij beheerd wordt door de artsen in hun naam of in naam van een niet-arts, van een onderneming of van een instelling.

Dit geldt ook voor grondige wijzigingen aan de inhoud van een reeds aangegeven website.

Bij ontvangst van deze aangifte onderzoekt de provinciale raad of de website in overeenstemming is met de deontologische richtlijnen, in het bijzonder wat betreft de publiciteit, en geeft het desgevallend aanbevelingen.

Wanneer de website van een arts of van een groep afhankelijk is van een dienstverlener of van een andere firma, dienen de betrekkingen tussen artsen en personen of onderneming vastgelegd te worden in een overeenkomst die ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de provinciale raad. (13)

2. Artsen en sociale media (14)

2.1 Inleiding

De populariteit van sociale media is de laatste jaren snel gegroeid. Er is een wijdverspreid gebruik van websites zoals Facebook, LinkedIn en Twitter tussen artsen en er is een groeiend aantal internetblogs en internetfora die specifiek gericht zijn op de gezondheidszorgberoepen.

Sociale media maken het mogelijk dat artsen (professioneel) online aanwezig kunnen zijn, wat de collegialiteit binnen de beroepsgroep bevordert. (15)

Hoewel artsen vrij zouden moeten kunnen genieten van de vele persoonlijke en professionele voordelen die sociale media kunnen bieden, is het belangrijk dat ze zich tegelijk bewust zijn van de mogelijke risico's die eraan verbonden zijn. (16)

2.2 Garantie op vertrouwelijkheid

Sociale media, door blogs en fora, kunnen artsen een ruimte bieden waarin ze kunnen discussiëren over hun ervaringen uit de klinische praktijk. Aangezien materiaal gepubliceerd op het internet vaak verschijnt in het openbare domein, is het belangrijk dat artsen de nodige voorzichtigheid aan de dag leggen wanneer ze details i.v.m. specifieke medische gevallen bespreken. Artsen hebben een wettelijke en deontologische verplichting tot het geheimhouden van medische gegevens over patiënten. Het bekendmaken op blogs, medische fora of sociale netwerken van identificeerbare informatie van patiënten impliceert, zeker zonder diens toestemming, een schending van dit beroepsgeheim. Hoewel het vaak niet de bedoeling is van artsen hun beroepsgeheim te schenden, is het niet toegelaten dat artsen identificeerbare informatie over patiënten delen op plaatsen waar het kan worden opgevangen door derden. Hoewel afzonderlijke stukken over een patiënt op zich niet noodzakelijk tot de identificatie van de patiënt leiden, kan het samenbrengen van deze stukken bovendien wel leiden tot een dergelijke identificatie, en dus een schending van het beroepsgeheim zijn. (17)

2.3 Grenzen bewaren in de arts-patiëntrelatie

2.3.1. Vriendschapsverzoek

Het is mogelijk, en in kleine gemeenschappen waarschijnlijk, dat artsen vrienden hebben die tevens patiënt zijn. In deze omstandigheden dienen artsen zich bewust te zijn van de grenzen die gesteld moeten worden en dienen zij gevoelig te zijn voor de professionele relatie in de zorgsetting. Gelet op de grotere toegankelijkheid van persoonlijke informatie, kan het aangaan van informele relaties met patiënten op websites zoals Facebook, de kans dat de grens tussen professioneel en privé vervaagt of overschreden wordt, doen toenemen, zeker waar voordien enkel een professionele relatie tussen de arts en de patiënt bestond.

Artsen die vriendschapsverzoeken ontvangen van huidige of oude patiënten moeten die beleefd weigeren en uitleggen dat het ongepast zou zijn voor hen om deze te accepteren. (18)

2.3.2. Professioneel profiel

Sommige artsen maken een online profiel aan dat zich uitsluitend beperkt tot een professionele pagina of waarmee zij zich aansluiten bij een professionele sociale netwerksite. Patiënten kunnen dan wel vriend of fan worden van deze professionele pagina, die uitsluitend informatie bevat die relevant is voor de professionele praktijk van de arts. Artsen die online professionele informatie plaatsen, dienen zich bewust te zijn van hun deontologische verplichtingen, in het bijzonder inzake publiciteit. (19)

Sommige artsen presenteren zich, bijvoorbeeld op Twitter, met dezelfde identiteit, en als privépersoon en als professional. Hoewel dit niet verboden is, vergroot het het risico dat zakelijke en persoonlijke communicatie door elkaar gaat lopen. Artsen dienen ervoor te zorgen dat te allen tijde beide profielen gescheiden blijven.

2.3.3. Pseudoniemen

Het is strafrechtelijk verboden een andere (valse) identiteit aan te nemen, teneinde zich openlijk op sociale media te kunnen uitspreken (art. 231 van het Strafwetboek).
Evenwel is het toegelaten met een pseudoniem of een avatar te werken in de privésfeer indien men toch actief wil zijn op bepaalde sociale media. Het aannemen van een pseudoniem of een avatar gebeurt doorgaans ter bescherming van de eigen identiteit en zorgt ervoor dat men actief kan zijn op sociale media zonder de grens tussen het privé en het professionele leven te overschrijden. Het gebruik van pseudoniemen en avatars is evenwel niet toelaatbaar in de professionele werkomgeving.

2.3.4. Persoonlijke informatie i.v.m. de arts

Opdat een arts de nodige professionaliteit aan de dag kan blijven leggen, dient hij bovendien de nodige objectiviteit jegens zijn patiënten te bewaren. Sociale media hebben het effect dat ze de grenzen doen vervagen tussen het individuele privéleven en het professionele leven. Artsen zijn zich vaak niet bewust dat persoonlijk informatie die zij wensen te delen met vrienden, toegankelijk is voor een veel breder publiek en dat het eenmaal op het internet geplaatst niet meer mogelijk is het materiaal te verwijderen. Waar artsen het delen van persoonlijke informatie over zichzelf aan patiënten in persoonlijke contacten kunnen beheersen, is de beheersbaarheid van deze informatie op sociale media zeer moeilijk. (20)

Daarom is het van belang dat een arts op sociale media ook zijn persoonlijk profiel zo bescheiden mogelijk houdt en er zich regelmatig van vergewist dat zijn persoonlijke en professionele informatie op een eigen pagina en - voor zover mogelijk - informatie die over de arts door anderen is gepubliceerd, accuraat en toepasselijk blijft.

Het is ten slotte aan te raden informatie (professioneel en privé) nooit op sociale media te plaatsen waarvan men niet zeker is dat deze informatie geen eigen leven kan gaan leiden of uit zijn verband getrokken kan worden.

2.3.5. Privacyinstellingen

Sommige sociale media hebben privacyinstellingen die de gebruikers de mogelijkheid geven om controle uit te oefenen over en beperkingen te stellen op wie toegang heeft tot hun persoonlijke informatie. De standaardinstellingen van dergelijke websites laten toe dat verschillende types van inhoud worden gedeeld buiten het persoonlijk netwerk van vrienden. Het is belangrijk dat artsen zich vertrouwd maken met de privacyregels van de verschillende sociale media en de instellingen aanpassen zodat het zeker is dat hun inhoud afgeschermd is in de mate dat zij die zelf verkiezen, zowel wat betreft het persoonlijke, als het professionele profiel. (21)

Het wordt aangeraden steeds de meest strikte privacyinstellingen te kiezen.

Artsen dienen bovendien op geregelde tijdstippen de actuele privacyinstellingen te controleren teneinde na te gaan of deze nog steeds in overeenstemming zijn met het door hen gekozen niveau van afscherming. (22)

Voor wat betreft de professionele informatie dient bovendien nagegaan te worden of de privacyinstellingen door de gebruikte sociale media ondertussen niet werden aangepast op een zodanige wijze dat een strijdigheid zou ontstaan met de deontologische regels. Indien een arts een dergelijke tegenstrijdigheid vaststelt, dient hij de nodige maatregelen te treffen om de privacyinstellingen aan te passen.

Indien het niet mogelijk is de privacyinstellingen van de sociale media aan te passen overeenkomstig de deontologische verplichtingen, dient de arts zijn account en de inhoud ervan te (laten) vernietigen.

Niet alle inhoud op sociale media kan afgeschermd worden op deze wijze en bepaalde sociale media hebben geen flexibele privacyinstellingen. Wil men absoluut niet dat men kennisneemt van bepaalde informatie, dan plaatst men die niet online.

2.4. Kritiek

Het is belangrijk dat artsen in staat zijn zich ten volle te engageren in debatten die een invloed hebben op hun professionele leven. Het internet is hiertoe op groeiende wijze het forum bij uitstek. De vrijheid die individuelen hebben om hun meningen kenbaar te maken op fora en blogs is evenwel niet absoluut en wordt beperkt door de noodzaak te vermijden dat rechten en reputaties van anderen zouden worden geschaad. Wanneer zij iets online posten, kunnen mensen zich soms minder geremd voelen en als gevolg hiervan zaken zeggen die zij in een andere context niet zouden zeggen. (23)

Hoewel online discussies over patiënten en praktijkervaringen onder collega's zowel een educatief als een professioneel voordeel kunnen hebben, dienen informele discussies over patiënten op publieke internetfora vermeden te worden. Zelfs wanneer artsen anoniem posten of er zeker van zijn dat wat ze zeggen niet het beroepsgeheim in het gevaar brengt, zouden zij moeten overwegen hoe zij zelf dergelijke bemerkingen als storend zouden ervaren. Ze moeten de potentiële schade die zij hierdoor aan het publieke vertrouwen in het artsenkorps in het geheel zouden kunnen aanbrengen, in gedachte houden. (24)

Ze moeten vermijden dat zij ondoordachte of niet gefundeerde negatieve bemerkingen maken over individuen of organisaties. Het nalaten een belangenconflict te vermelden ondermijnt bovendien het publieke vertrouwen in het artsenkorps en compromitteert de professionaliteit van het beroep.

Heeft een arts kritiek op een collega, dan moet hij die op de eerste plaats met de betreffende collega bespreken. (25)

De regels i.v.m. het omgaan met laster (26) zijn eveneens van toepassing op elke bemerking die op het internet wordt gepost, ongeacht of deze gemaakt is in de persoonlijke of de professionele sfeer. Dit kan aanleiding geven tot het opstarten van een gerechtelijke procedure.

Hoewel het een patiënt vrijstaat zich op sociale media openlijk uit te spreken over zijn gezondheidstoestand, de behandeling en zelfs de gekozen arts, is het aan deze laatste omwille van zijn medisch beroepsgeheim niet toegelaten hierop te reageren. Een patiënt die op een internetforum zijn beklag doet over een bepaalde behandeling kan slechts gewezen worden op de daartoe wettelijk bestaande structuren van de ombudsdienst.

3 Artsen en telegeneeskunde

In verschillende disciplines van de geneeskunde ziet men met de vooruitgang van de digitalisering het voorvoegsel "tele-" opduiken (teleradiologie, teledermatologie, telecardiologie, etc. ).

Dergelijke vormen van geneeskunde mogen niet leiden tot een dehumanisering van de relatie arts-patiënt. Evenwel kunnen technologieën in belangrijke mate bijdragen aan een verbetering van de zorg.

3.1 Telegeneeskunde

3.1.1. Telefonisch advies

De meest verbreide vorm van telegeneeskunde vandaag is het "telefonisch advies". Het wordt het door de patiënt als handig, makkelijk en als een verworven recht ervaren. Dat patiënten bij hun arts terecht moeten kunnen voor een "pertinente vraag" of een advies inwinnen kort nadat ze op raadpleging zijn geweest, wordt absoluut niet betwist. Daarentegen is het telefonisch vragen van raad in geval van acute ziekte om een raadpleging te omzeilen een dagelijkse werkelijkheid aan het worden die in de mate van het mogelijke moet worden afgeremd.

Vele artsen ervaren het "onterecht" telefonisch consult bovendien als storend, tijdrovend, gevaarlijk en onnuttig wegens het gebrek aan essentiële elementen waarvan het klinisch onderzoek de hoeksteen is en blijft.

De patiënt dient te beseffen dat het "zomaar" bellen als storend en afleidend wordt ervaren zowel door de arts, als door de patiënt die op dat ogenblik op spreekuur is. (27)

Een arts kan bovendien enkel advies uitbrengen aan een gekende en geïdentificeerde patiënt nadat hij deze reeds onderzocht heeft, in de zorgcontinuïteit (bv. evaluatie, aanpassing medicatie nevenwerkingen,...). Voor het aanrekenen van een ereloon voor een telefonisch medisch advies bestaat er geen Riziv-nummer. In zoverre men de patiënt hiervoor al iets zou kunnen aanrekenen, kan deze laatste bijgevolg geen terugbetaling krijgen. (28)

Aan een ongekende of een niet-geïdentificeerde patiënt (situatie tijdens wachtdienst) dient het telefonisch advies kort en voorzichtig te worden gehouden en dient een patiëntencontact te worden voorgesteld.

De patiënt moet geïnformeerd worden over het feit dat een arts onmogelijk een diagnose kan stellen zonder anamnese en fysiek onderzoek. Het interpreteren van (acute) symptomen is onbegonnen werk en houdt risico's in voor de (volks)gezondheid.

In beide gevallen dient nota genomen in het dossier, respectievelijk wachtverslag. (29)

3.1.2. Elektronisch advies en voorschrift

Een arts die actief is op het internet, wordt steeds vaker geconfronteerd met vragen om medisch advies via e-mail of sociale media. Elektronisch verkeer tussen de arts en de patiënt dient zich te beperken tot de uitwisseling van administratieve informatie.

Een arts kan op een vraag van een patiënt slechts beperkt ingaan voor zover de arts behandelend arts is van de patiënt en het gaat over medisch advies in niet-dringende zaken. Bovendien kan het enkel gaan om additionele informatie. Het stellen van een diagnose is niet toegestaan. Hiervoor zal de patiënt steeds op raadpleging moeten komen bij de arts.

Dit belet evenwel niet aan dat patiënten een arts die zijn e-mailadres bekend heeft gemaakt aan het publiek of die actief is op elektronische media, rechtstreeks vragen stellen. De arts moet die binnen een redelijke termijn beantwoorden.

Het elektronisch doorsturen van voorschrift vormt hierop een uitzondering. Voor zover er gebruik gemaakt wordt van Recip-e (meer info http://recip-e.be/home-nl) is het (deontologisch) toegelaten dat patiënt op basis van een dergelijk elektronisch voorschrift de geneesmiddelen bij een apotheek bekomt, zonder dat hij het voorschrift fysiek ontvangen heeft van de arts.

Het elektronisch verzenden naar de patiënt van een herhaalvoorschrift wordt eveneens aanvaard. Een herhaalvoorschrift is een voorschrift dat deel uitmaakt van een langdurige behandeling waarvoor de patiënt reeds op raadpleging is gekomen. In dergelijke gevallen kan het volstaan, mits waarborgen wat betreft veiligheid en medisch beroepsgeheim, dat het herhaalvoorschrift via elektronische weg aan de patiënt wordt bezorgd.

3.1.3. Triage

Recent ziet men dat zowel solo- als groepspraktijken, beroep doen op praktijkassistenten en call-centers om de telefoonstroom te beheersen, zogenaamde "triage". Aldus kan de arts zijn beschikbare tijd maximaal aan de patiënt in zijn spreekkamer te besteden.

Bij het werken met "tussenstations" moet men over een overeenkomst beschikken met de nodige kwaliteitsgaranties wat betreft de afbakening van de taken, verplichte overdracht van informatie, bepalen van verantwoordelijkheid, opvolging en feedback, enz. Minimale deontologische vereisten zoals vrije patiëntenkeuze, discretieplicht, effectief gezag op medisch vlak dienen er ook in opgenomen te worden. Deze overeenkomst dient voorafgaandelijk ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de bevoegde provinciale raad . (30)

3.2 Telemonitoring

3.2.1. Monitoren op afstand

Telemonitoring is het monitoren op afstand van een patiënt door een arts. Er worden objectieve biomedische resultaten doorgestuurd aan de arts die deze interpreteert. (31)

Wanneer een arts in het kader van een langdurige behandeling van oordeel is dat telemonitoring noodzakelijk is (bv. voor de behandeling van een patiënt met hartfalen), dan informeert hij de patiënt voorafgaandelijk aangaande de te nemen schikkingen bij alarmen of bij urgente situaties. Indien de arts en de patiënt het eens zijn over de methode, kan de arts aan de patiënt zelf een billijke vergoeding vragen voor het gepresteerde werk, namelijk de supervisie en de reacties op de alarmen. (32)

De arts zal erover waken dat de firma die de toestellen voor de telemonitoring levert, in de nodige waarborgen voorziet voor de biotechnische veiligheid en het onderhoud van de monitors en de permanente beschikbaarheid van de geregistreerde signalen.

3.2.2. Videoconferentie

Parallel aan telemonitoring kan ook gewezen worden op het gebruik van videoconferentie bij chronische patiënten in de thuiszorg. Beeldcommunicatie in dergelijke situaties tussen artsen/hulpverleners en een chronische patiënt doorbreekt het isolement van de laatstgenoemde en opent nieuwe perspectieven voor het opbouwen van sociale netwerken binnen een zorgkader.

Om de confidentialiteit van de uitgewisselde informatie bij deze vorm van communicatie te waarborgen dient in een voldoende beveiligde elektronische verbinding te worden voorzien. Daarenboven moet de patiënt de mogelijkheid hebben om op elk moment van de videoconferentie af te zien, zonder dat dit enige weerslag heeft op de zorg. (33)

3.2.3. Medische apps

De ontwikkeling van talrijke medische "apps" (applications) zorgt voor een nieuwe evolutie in de telemonitoring. De arts dient zich te vergewissen van de kwaliteit van deze apps, en dit in samenwerking met de wetenschappelijke verenigingen, navormingsinstanties en universiteiten. Hij moet volledig overtuigd zijn van de veiligheid en de bescherming van het beroepsgeheim, alvorens samen met de patiënt voor deze vorm van telemonitoring te kiezen.

3.3 Teleoverleg

Overleg tussen artsen over een patiënt speelt zich niet langer alleen af binnen de muren van eenzelfde zorginstelling. Regelmatig gebeurt het dat specifiek ervaren artsen van een ander ziekenhuis of zelfs van een ander land met elkaar overleggen en de medische situatie van een concrete patiënt met elkaar bespreken. Aangezien dit overleg de kwaliteit van de zorg en behandeling enkel maar ten goede komt, is het een onontbeerlijk deel van de hedendaagse gezondheidszorg geworden. Het zorgt ervoor dat het netwerk van medische expertise ongelimiteerd wordt. (34)

Teleoverleg, waaronder de videoconferentie tussen artsen de voornaamste vorm is, dient bijgevolg gunstig onthaald en zelfs gestimuleerd te worden voor zover het een positief effect kan hebben op de behandeling van de patiënt. Een dergelijke videoconferentie dient evenwel steeds plaats te vinden tussen artsen die elk afzonderlijk kunnen garanderen dat de privacy van de patiënt gerespecteerd wordt. Dit betekent dat een videoconferentie slechts kan plaatsvinden in dezelfde (deontologisch verantwoorde) omstandigheden waarin een fysiek overleg tussen artsen zou hebben plaatsgevonden. Dit impliceert minstens de controle van de identiteit van de gesprekspartner en het bewijs van zijn hoedanigheid als arts. Wanneer een dergelijke setting binnen de grenzen van het redelijke niet kan gegarandeerd worden, dient de videoconferentie uitgesteld te worden tot een moment waarop dit wel kan worden gegarandeerd.

3.4 Bewaren van gezondheidsgegevens in de "cloud"

De digitalisering van de geneeskundige praktijk leidt ertoe dat artsen papieren documenten vermijden en alle gegevens, persoons- en gezondheidsgegevens, van hun patiënten opslaan op de computer. Teneinde over een back-up van deze gegevens te beschikken mocht hun computer het laten afweten, slaan sommige artsen deze gegevens nogmaals op in systemen in de "cloud".

Het opslaan van medische gegevensgezondheidsgegevens in de "cloud" vereist evenwel een doorgedreven veiligheidsprocedure om het beroepsgeheim en de informationele privacy van de patiënt te vrijwaren. Het is daarbij o.m. van vitaal belang te weten waar de server waarop de informatie wordt bewaard, zich feitelijk bevindt, hoe de gezondheidsgegevens opgeslagen worden (encryptie) en welke wetgeving van toepassing is op de verwerking van gezondheidsgegevens. Het toevertrouwen van medische gegevens ter bewaring kan enkele aan firma's die gevestigd zijn in de EU, en die voldoen aan de richtlijn 95/46/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23 november 1995). De regels omtrent beveiliging en confidentialiteit dienen opgenomen in een overeenkomst tussen de arts en de firma.

Recente gebeurtenissen hebben de kwetsbaarheid van elektronisch opgeslagen informatie aangetoond. Om die reden kan de arts niet voorzichtig genoeg zijn bij het bewaren van persoonsgegevens, en in het bijzonder gezondheidsgegevens.

1. http://knmg.artsennet.nl/Publicaties/KNMGpublicatie/62422/Richtlijn-online-artspatient-contact-2007-met-aanvulling-Handreiking-Artsen-en-Social-Media-2011.htm
2. http://www.bma.org.uk/practical-support-at-work/ethics
3. http://www.gmc-uk.org/guidance/ethical_guidance/21186.asp
4. http://ceom-ecmo.eu
5. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren "Beveiliging van gegevens die door het beroepsgeheim gedekt zijn" van 28 juni 2014.
6. http://www.privacycommission.be/sites/privacycommission/files/documents/referentiemaatregelen_voor_de_beveiliging_van_elke_verwerking_van_persoonsgegevens_0.pdf
7. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren "Internetsites van artsen" van 20 juni 1998.
8. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren "Aanpassing van de aanbevelingen van de Nationale Raad van 21 september 2002 en van 17 januari 2004 betreffende het beheer van internetsites door artsen" van 1 oktober 2005
9. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren "Aanpassing van de aanbevelingen van de Nationale Raad van 21 september 2002 en van 17 januari 2004 betreffende het beheer van internetsites door artsen" van 1 oktober 2005
10. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren "Wachtdienst van huisartsen - Bereikbaarheid - Publicatie van de wachtrol op een internetsite" van 16 september 2000.
11. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren, "Advertenties voor het rekruteren van patiënten in een klinische studie" van 17 januari 2004.
12. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren "Aanpassing van de aanbevelingen van de Nationale Raad van 21 september 2002 en van 17 januari 2004 betreffende het beheer van internetsites door artsen" van 1 oktober 2005.
13. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren "Aanpassing van de aanbevelingen van de Nationale Raad van 21 september 2002 en van 17 januari 2004 betreffende het beheer van internetsites door artsen" van 1 oktober 2005.
14. Met de term "sociale media" wordt gedoeld op online platformen met sociale netwerken waarbinnen de gebruikers tezamen zorg dragen voor de inhoud.
15. Artsen en Sociale Media, Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, november 2011, 5.
16. Using social media: practical and ethical guidance for doctors and medical students, British Medical Association, 2011
17. Using social media: practical and ethical guidance for doctors and medical students, British Medical Association, 2011
18. Using social media: practical and ethical guidance for doctors and medical students, British Medical Association, 2011
19. Artsen en Sociale Media, Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, november 2011, 14.
20. Using social media: practical and ethical guidance for doctors and medical students, British Medical Association, 2011
21. Using social media: practical and ethical guidance for doctors and medical students, British Medical Association, 2011
22. Artsen en Sociale Media, Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, november 2011, 11
23. Using social media: practical and ethical guidance for doctors and medical students, British Medical Association, 2011
24. Using social media: practical and ethical guidance for doctors and medical students, British Medical Association, 2011
25. Artsen en Sociale Media, Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, november 2011, 21
26. Laster is de handeling van het maken van een ongerechtvaardigd standpunt dat de eer van een persoon kan krenken.
27. M. DENEYER, "Telegeneeskunde kan unw gezondheid ernstige schade aanrichten", bijlage bij Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren, "Telefonisch advies door een arts - Ereloon" van 16 februari 2008.
28. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren, "Telefonisch advies door een arts - Ereloon" van 16 februari 2008.
29. M. DENEYER, "Telegeneeskunde kan unw gezondheid ernstige schade aanrichten", bijlage bij Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren, "Telefonisch advies door een arts - Ereloon" van 16 februari 2008.
30. M. DENEYER, "Telegeneeskunde kan uw gezondheid ernstige schade aanrichten", bijlage bij Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren, "Telefonisch advies door een arts - Ereloon" van 16 februari 2008.
31. Statement of the European Council of Medical Orders on Telemedicine, adopted on the 13th of June 2014.
32. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren "Vergoeding in geval van telemonitoring", van 13 oktober 2012.
33. Advies van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren, "Communicatie via videoconferentie in de gezondheidszorg", van 20 april 2013.
34.Statement of the European Council of Medical Orders on Telemedicine, adopted on the 13th of June 2014.

Honoraria13/10/2012 Documentcode: a139013
Vergoeding in geval van telemonitoring
Een provinciale raad vraagt aan de Nationale Raad van de Orde van geneesheren of onderstaande denkpiste strookt met de deontologie: "Een arts oordeelt dat telemonitoring noodzakelijk is voor de behandeling van een patiënt met hartfalen. Een bedrijf levert de toestellen, neemt de transmissie en het technisch support op zich en rekent dit aan de patiënt door via een maandelijks abonnement. Van deze som stort het bedrijf een deel door aan de huisarts en aan de specialist als compensatie voor de supervisie en de reactie op de alarmen van de thuismonitoring."

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 13 oktober 2012 heeft de Nationale Raad uw vraag onderzocht of onderstaande denkpiste strookt met de deontologie: "Een arts oordeelt dat telemonitoring noodzakelijk is voor de behandeling van een patiënt met hartfalen. Een bedrijf levert de toestellen, neemt de transmissie en het technisch support op zich en rekent dit aan de patiënt door via een maandelijks abonnement. Van deze som stort het bedrijf een deel door aan de huisarts en aan de specialist als compensatie voor de supervisie en de reactie op de alarmen van de thuismonitoring."

De Nationale Raad is zich bewust van het belang van telemonitoring bij bepaalde patiënten met hartfalen en is op de hoogte dat er actueel geen terugbetaling is voorzien.

De Nationale Raad meent echter dat de financiële aspecten van het beschreven systeem kunnen leiden tot een belangenconflict tussen de verschillende actoren en dat de voornoemde oplossing in strijd zou kunnen zijn met de deontologie.

Indien deze techniek er aankomt, zullen een herziening van de financieringsvormen en een verduidelijking van het juridisch kader voor dit soort zorg nodig zijn (KCE Reports 136A).

Indien de noodzaak van telemonitoring zich stelt, kan de arts zelf aan de patiënt een billijke vergoeding vragen voor het gepresteerde werk, namelijk de supervisie en de reactie op de alarmen. Hij dient de patiënt voorafgaandelijk te informeren aangaande de te nemen schikkingen bij alarmen of bij urgente situaties.

De arts zal van zijn kant erover waken dat de firma de nodige waarborgen voorziet omtrent de biotechnische veiligheid en het onderhoud van de monitors en de permanente beschikbaarheid van de geregistreerde signalen.

Informatica07/06/2008 Documentcode: a121003
Oprichting en organisatie van het e-Health-platform

De Nationale Raad toont ten overstaan van de verantwoordelijke politici zijn bezorgdheid betreffende het op 29 mei 2008 ingediende ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (I) met betrekking tot de oprichting en organisatie van het e-Health-platform.

Brief van de Nationale Raad aan mevrouw Onkelinx, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft kennis genomen van het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen (I) ingediend op 29 mei 2008 en van de reacties in de pers met betrekking tot de oprichting en organisatie van het e-Health-platform. Het ontwerp zou nu in deze maand door de Kamer worden besproken.

De Nationale Raad beklemtoont eens te meer dat het beroepsgeheim van de arts een basisprincipe is van de gezondheidszorg. Het verbaast hem dat een wetsontwerp dat belangrijke gevolgen voor dit aspect kan hebben, met spoed wordt behandeld zonder overleg met de belanghebbenden en is ingebed in het kader van een wet houdende diverse bepalingen alsof het zou gaan over een minieme wijziging van een wet goedgekeurd na een grondig debat door de Kamer en de Senaat.

De Nationale Raad betreurt niet ingelicht te zijn geweest over de stand van zaken van het dossier, ondanks herhaalde verzoeken.

Hij herinnert u aan de aanbevelingen van de volgende instanties omtrent de informatisatie en de elektronische overdracht van gezondheidsgegevens (kopie als bijlage) :

  • de Nationale Raad van de Orde van geneesheren;
  • de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België;
  • de Académie royale de Médecine de Belgique;
  • het Standing Committee of European Doctors;
  • de World Medical Association.

De Nationale Raad stelt vast dat het e-Health-platform zich niet beperkt tot een systeem voor de overdracht van persoonsgegevens betreffende patiënten. Het registreert tevens persoonlijke medische gegevens die niet uitdrukkelijk en voorafgaandelijk zijn vastgelegd. Dit heeft ongetwijfeld gevolgen voor de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van het beroepsgeheim. Zo merkt de Nationale Raad bijvoorbeeld op dat het verwijzingsrepertorium vermeldt bij welke actoren in de gezondheidszorg de patiënten al dan niet wensen dat hun gegevens worden bewaard en wat de toegangsmodaliteiten zijn. Enkel de vermelding dat de patiënt deze of gene arts raadpleegt, kan op zich een medische diagnose onthullen en houdt een stigmatisatiegevaar in. Zo is gewoon al de vermelding van het feit dat een patiënt een psychiater of een expert op het gebied van aids raadpleegt op zich een medisch gegeven dat onder het beroepsgeheim valt.

Bovendien weigert de Nationale Raad en verzet hij zich met klem tegen de centralisatie bij één enkele instantie van de beveiligings- en identificatiesystemen, van het beheer van de transacties, van de labeling van de software en van de gegevensoverdracht. Meer bepaald mag het e-Health-platform niet de rol vervullen van intermediaire organisatie en hierdoor de coderingssleutels beheren waarmee de gecodeerde gegevens aan de patiënten kunnen worden gekoppeld.

De Nationale Raad legt de nadruk op het belang van dit ontwerp voor de werking van de gezondheidszorg. Hij dringt erop aan dat dit het voorwerp zou uitmaken van een apart wetsontwerp, met dien verstande dat het wordt geschrapt uit het actueel voorliggende wetsontwerp. Hij wenst dat er een openbaar debat over zou worden gevoerd waaraan de verschillende belanghebbenden deelnemen. De Nationale Raad houdt zich te uwer beschikking om hieraan deel te nemen.

Zie ook :

  • advies « BeHealth » van de Nationale Raad van 26 november 2005 – Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 111 p. 5;
  • advies van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België , “Advies nopens het wetsvoorstel rond “Be-Health” of het “Wetsontwerp betreffende de verwerking en de informatisering van de gezondheidsgegevens alsook de toepassingen voor telegeneeskunde” goedgekeurd op de vergadering van de KAGB op 17 januari 2007 (Tijdschrift voor Geneeskunde, 63, nr. 7, 2007);
  • advies over het wetsontwerp « BeHealth » van de Académie royale de Médecine de Belgique goedgekeurd in plenaire zitting op 25/11/2006 en 13/01/2007 (Bulletin et Mémoires de l’Académie royale de Médecine de Belgique – Volume 161/Année 2006 N° 10-11-12, p.524 à 526) ;
  • advies van het Standing Committee of European Doctors - Recommendations about “E-health – CPME policy statement on electronic health records” (CPME 2006/132 FINAL EN) adopted at the CPME Board meeting, Brussels, 19 October 2007;
  • advies van de World Medical Association – “The WMA Declaration on ethical considerations regarding Health Databases” adopted by the WMA General Assembly, Washington 2002.

Cc : de ministers van de federale regering, de ministers van de Vlaamse regering, de voorzitters van de politieke partijen, de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat.

Honoraria16/02/2008 Documentcode: a120004
Telefonisch advies door een arts - Ereloon

Een advocaat vraagt naar het standpunt van de Nationale Raad betreffende het verlenen van telefonisch advies door een huisarts aan patiënten die door hem zeer goed gekend zijn, zonder dat het nodig is dat zij op dat ogenblik lichamelijk onderzocht worden, en het ereloon dat hiervoor kan worden aangerekend.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren nam in zijn vergadering van 16 februari 2008 kennis van uw vraag betreffende “telefonisch advies en ereloon”.

Er werd daaromtrent voorheen door de Nationale Raad geen specifiek standpunt ingenomen.

Een medisch advies langs telefonische weg vereist grote voorzichtigheid. Een medisch advies veronderstelt in de regel, ter vermijding van risico’s voor de patiënt, een voorafgaand medisch onderzoek, wat telefonisch is uitgesloten. Derhalve is “zonder dat het nodig is dat ze op dat ogenblik lichamelijk onderzocht worden” zeer omzichtig te beoordelen (zie o.m. als bijlage een bijdrage van dr. Michel Deneyer “Telefoongeneeskunde kan uw gezondheid ernstige schade aanrichten”).

De adviesverlenende (huis)arts draagt ook m.b.t. door een door hem zeer goed gekende patiënt gevraagde adviezen - een niet-gekende patiënt moet uiteraard steeds “gezien” worden - strafrechtelijke, civielrechtelijke en tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de gevolgen van iedere, ook lichte, fout.

Wat het aanrekenen van een ereloon voor een telefonisch medisch advies betreft, dient te worden opgemerkt dat daarvoor geen RIZIV-nomenclatuurnummer bestaat.

Het is de Nationale Raad niet duidelijk wat in de gezegde context een overeenkomst voor ereloon kan zijn. Wat betekent dit inhoudelijk ? Reeds op te merken is dat een betrokken arts elke overeenkomst die de uitoefening van de geneeskunde raakt ter beoordeling dient voor te leggen aan de provinciale raad op wiens Lijst hij is ingeschreven.

Bijlage :

Telefoongeneeskunde kan uw gezondheid ernstige schade aanrichten .

Mededelingen Brabant (N) - Symposium 15.10.2005

Dokter Michel Deneyer
Voorzitter van de Provinciale Raad van Brabant (N)

Telegeneeskunde betekent letterlijk het beoefenen van geneeskunde op afstand.
In verschillende disciplines van de geneeskunde ziet men met de expansie van het internet het voorzetsel "tele" opduiken ( teleradiologie, teledermatologie, telecardiologie, etc. ).

De meest verbreide vorm van telegeneeskunde is zeker het "telefonisch advies". Meer en meer ingeburgerd wordt het door de patiënt als handig , makkelijk en als een verworven recht ervaren .
Dat aan de andere kant van de lijn een geneesheer gesolliciteerd wordt zonder remuneratie, die verantwoordelijk kan gesteld worden zonder te beschikken over de nodige "gegevens" om zijn vak terdege te kunnen uitoefenen , laat de modale "beller" koud .

Recente studies en eigen cijfers tonen de belangrijkheid aan van het fenomeen, dat zich aanvankelijk alleen bij huisartsen en laagdrempelige specialisten afspeelde en zich later verspreidde over alle disciplines. Het aantal adviezen over "acute" symptomen is onrustwekkend hoog. Slechts in een kwart van de gevallen kan een vraag voor advies , waarin spoedeisende zorg aan de orde is , met de nodige overredingskracht omgebogen worden in een raadpleging . Anderzijds wordt het woord " dringend" meermaals "verkracht" , niet in het minst om zijn agenda op te dringen aan die van de arts . Langs deze weg probeert de "beller" meermaals oneigenlijke voordelen af te dwingen zoals welwillendheidsattesten , voorschriften , etc.

Het feit dat patiënten bij hun arts terecht moeten kunnen voor een "pertinente vraag" of een advies kunnen inwinnen kort nadat ze op raadpleging zijn geweest wordt absoluut niet betwist . Daarentegen het telefonisch vragen van raad in geval van acute ziekte om een raadpleging te omzeilen is een dagelijkse werkelljkheid . Dit kan verklaard worden mede door het uitsterven van de mantelzorg alsook door de attitude van de patiënt , die zich opstelt als een consument met als motto " alles moet kunnen".
Vele artsen ervaren het " onterecht" telefonisch consult als storend tijdrovend , gevaarlijk en onnuttig wegens het gebrek aan essentiële elementen waarvan het klinisch onderzoek de hoeksteen is en blijft .
Wanneer de arts vaag blijft in zulke telefonische consulten , wordt hem dikwijls verweten niet inschikkelijk en toegankelijk te zijn. Dit creëert een polarisatie bij het publiek met " goede" en "slechte" artsen " tot gevolg . De "goede" - lees artsen waar de patiënt (consument) de scepter zwaait - en de " slechte" die rechtlijnig streven naar een kwaliteitsgeneeskunde.

De groeiende "telefoonstroom" maakt de arts vleugellam . Om desondanks de patiënten de beste zorg te blijven aanbieden , lassen sommige artsen "een vragenuurtje" in ; anderen neutraliseren de telefoon en laten bv. één oproep binnen per patiëntencontact . Deze uit noodzaak in het leven geroepen lapmiddelen vergemakkelijken het werk , doch lossen de kern van het probleem niet op.

Een campagne met een positieve boodschap naar arts en patiënt zou het aantal telefonische adviezen" beheersbaar" moeten maken .
De arts moet herinnerd worden dat hij enkel advies kan uitbrengen aan een gekende en geïdentificeerde patiënt nadat hij deze onderzocht heeft , in de continuïteit der zorg ( bv. evaluatie , aanpassing medicatie nevenwerkingen, ...).
Aan een ongekende of een niet geïdentificeerde patiënt ( situatie tijdens wachtdienst) zal het telefonisch advies kort en voorzichtig gehouden worden en een consultatie voorgesteld worden. In beide gevallen wordt nota genomen in het dossier respectievelijk wachtverslag .
De patiënt moet geïnformeerd worden over het feit dat een arts onmogelijk een diagnose kan stellen zonder anamnese en fysiek onderzoek . Het telefonisch interpreteren van acute symptomen is onbegonnen werk en houdt risico's in voor de volksgezondheid. Bovendien dat het "zomaar" bellen als storend en afleidend wordt ervaren door de arts en de patiënt die op dat ogenblik op spreekuur is .
De kwaliteit van praktijkvoering wordt alzo uitgehold voornamelijk door de verloren tijd en de opgestapelde ergernis .
Deze informatie zou de stroom aan telefonische adviezen moeten reduceren tot alleen "pertinente" vragen en adviezen volgend op een raadpleging . Andere oproepen kunnen de relatie patiënt-arts alleen maar verzuren. Triviaal gesteld: de éne wil iets bekomen, wat de andere partij met de beste wil niet mag en niet kan geven .

Recentelijk ziet men dat zowel solo- als groepspraktijken , praktijkassistenten en call-centers inlassen om de telefoonstroom te beheersen en toe te laten aan de arts zijn beschikbare tijd maximaal aan de patiënt in zijn spreekkamer te besteden .
Naast vele voordelen, waaronder de " kwaliteit van leven ", zijn er enkele mindere kanten aan deze vorm van praktijkvoering . Deze dienen voorafgaand voldoende bestudeerd om de nodige kwaliteit te verzekeren . Zo het pijnlijke voorval uit een buurland waarbij een schoolgaand kind om het leven komt door een geperforeerde appendicitis met peritonitis . Nochtans hadden de ouders vier dagen ervoor hulp gezocht bij hun arts en van diens praktijkassistenten tot tweemaal toe advies gekregen zoals gebruikelijk aldaar. Een lichamelijk onderzoek kwam er slechts post-mortem aan te pas .
Een analyse van deze casus maakt duidelijk dat men bij het werken met "tussenstations" over een geschreven protocol moet beschikken met de nodige kwaliteitsgaranties zoals de afbakening van de taken, verplichte overdracht van informatie , bepalen van verantwoordelijkheid, opvolging en feedback .
Minimale deontologische vereisten zoals vrije patiëntenkeuze, discretieplicht, effectief gezag op medisch vlak, dienen ook in deze schriftelijke overeenkomst opgenomen te worden . Ter toetsing wordt deze voorafgaandelijk voorgelegd aan de bevoegde Provinciale Raad .

Informatica26/11/2005 Documentcode: a111003
BeHealthproject

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 26 november 2005 nogmaals het Be-Healthproject.
Hij stelt vast dat dit project momenteel in uitvoering is en vernam in dit verband via de parlementaire handelingen dat “de strategie voor de ontwikkeling van de e-gezondheidszorg steunt op drie afzonderlijke en aanvullende pijlers” en dat voor elk van die drie pijlers specifieke regelgevende initiatieven nodig zijn.

De Nationale Raad deelt u zijn bezwaren mede betreffende het voorontwerp van wet dat u op 10 oktober 2005 werd bezorgd. Zo kunt u rekening houden met zijn opmerkingen in het kader van de drie “pijlers” die de invoering van het Be-Healthproject beogen.

Deze opmerkingen luiden als volgt :

1/ de gezondheidsgegevens

Artikel 2, 1°, van het voorontwerp van wet definieert de gezondheidsgegevens als volgt:

“elk gegeven van persoonlijke aard dat door zijn inhoud of gebruik informatie verschaft over de vroegere, huidige of toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand van een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd, met uitzondering van de gegevens die wettelijk en uitsluitend gebruikt worden voor administratieve of boekhoudkundige doeleinden, met betrekking tot de preventie, de behandeling of de toepassing van de sociale rechten.”
Deze definitie heeft tal van gevolgen voor het beroepsgeheim.
Bovendien is ze duidelijk niet aangepast.

1.1/ Een niet aangepaste definitie

De Nationale Raad is van oordeel dat de definitie van gezondheidsgegevens zoals ze opgenomen is in het voorontwerp van wet ten minste twee struikelstenen bevat:

1/ Ofschoon een persoonlijk gezondheidsgegeven op zich een gezondheidsgegeven vormt, is het omgekeerde niet altijd waar : een gezondheidsgegeven is niet altijd persoonlijk. (Een gewoon nomenclatuurnummer bijvoorbeeld vormt een gezondheidsgegeven als dusdanig zonder in alle gevallen een persoonlijk gezondheidsgegeven te vormen. Dit zou pas het geval zijn wanneer het nomenclatuurnummer de verzorging zou attesteren die toegediend werd aan een persoon die geïdentificeerd is of kan worden).

Een anoniem gezondheidsgegeven vergt niet noodzakelijkerwijze een specifieke bescherming met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer of het beroepsgeheim. Een persoonlijk gezondheidsgegeven daarentegen vergt een bijzondere bescherming alleen al door het feit dat het betrekking heeft op een persoon die geïdentificeerd is of kan worden.

De wetgeving met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer, daarin gesteund door de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, heeft altijd gesteld dat de persoonsgegevens die de gezondheid betreffen gevoelige gegevens zijn zodra ze gekoppeld worden aan een persoon die geïdentificeerd is of kan worden en niet zodra ze gebruikt worden in een welbepaalde context.

De definitie zoals ze opgenomen is in het voorontwerp van wet geeft deze evidentie niet weer.

2/ De Nationale Raad meent bovendien dat een persoonlijk gezondheidsgegeven definiëren volgens het gebruik dat ervan zal gemaakt worden een fout tegen de logica is.

Net zoals een stoel een stoel blijft ook al zit er niemand op, blijft een persoonlijk gezondheidsgegeven een persoonlijk gezondheidsgegeven ook al wordt het gebruikt in een administratieve of boekhoudkundige context.

In dit verband stelt de Nationale Raad vast dat uit artikel 7 van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (en in het bijzonder uit de artikelen 7, §2, b), c) en i)) duidelijk voortvloeit dat de persoonlijke gezondheidsgegevens persoonlijke gezondheidsgegevens blijven ook al worden ze gebruikt in een administratieve of boekhoudkundige context.

1.2/ Een definitie met ernstige gevolgen

De definitie van “gezondheidsgegeven” in artikel 2 van het voorontwerp van wet heeft tal van negatieve gevolgen voor het beroepsgeheim en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

- Het beroepsgeheim

Ter herinnering, artikel 458 van het Strafwetboek luidt als volgt :

“Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte (of voor een parlementaire onderzoekscommissie) getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.”

Het Hof van Cassatie stelt in een principearrest van 16 december 1992 dat “het beroepsgeheim waaraan artikel 458 van het Strafwetboek de beoefenaars van de geneeskunde onderwerpt, berust op de noodzaak een totale veiligheid te waarborgen van diegenen die op hen dienen te vertrouwen.”

De nieuwe definitie van gezondheidsgegeven beperkt de draagwijdte van het beroepsgeheim aanzienlijk door de gegevens die gebruikt worden in een administratieve of een boekhoudkundige context te beschouwen als vrij overdraagbaar.

Aangezien de persoonsgegevens betreffende de gezondheid hun persoonlijk karakter niet verliezen wanneer ze gebruikt worden in een administratieve of boekhoudkundige context, is de Nationale Raad van oordeel dat de verspreiding van deze gegevens het beroepsgeheim kan schenden.

Het beginsel van het beroepsgeheim behouden en terzelfder tijd de toepassingsmogelijkheden ervan geleidelijk en aanzienlijk beperken, maakt van het geheim een “luchtbel”. De praktische gevolgen voor de patiënt zouden talrijk kunnen zijn.

De patiënten zijn zeer gehecht aan het beroepsgeheim van hun artsen : hun belang staat immers op het spel.

- De bescherming van de persoonlijke levenssfeer

De definitie van “gezondheidsgegeven” in artikel 2 van het voorontwerp van wet houdt eveneens ernstige negatieve gevolgen in voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Indien het niet juist is dat een persoonlijk gezondheidsgegeven zijn persoonlijk karakter verliest in een administratieve of boekhoudkundige context, is het legitiem dat de bescherming van deze gegevens zelfs in deze contexten gewaarborgd wordt.

Zo wordt immers duidelijk gesteld bij artikel 7 van de wet van 8 december 1992.

De ervaring van de Nationale Raad en van de provinciale raden van de Orde van geneesheren toont duidelijk aan dat de persoonlijke gezondheidsgegevens een ruime, zo niet bijzondere, bescherming behoeven met betrekking tot het beroepsgeheim en de persoonlijke levenssfeer in de administratieve of boekhoudkundige context, in het vlak van preventie alsook op het gebied van de sociale rechten.

De Nationale Raad meent dan ook dat het passender zou zijn de persoonsgegevens betreffende de gezondheid te definiëren in plaats van, in ruimere zin, de gezondheidsgegevens.

Deze definitie zou als volgt luiden : “elk gegeven van persoonlijke aard dat informatie verschaft over de vroegere, huidige of toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand van een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd.”

2/ Het persoonlijk gezondheidsidentificatienummer (PGIN)

Het idee van een specifieke gezondheidsidentificatie voor ieder individu, die toegang verschaft tot alle gezondheidsepisodes “van bij de wieg tot aan het graf”, op voorwaarde natuurlijk dat elke episode gerapporteerd werd door de zorgeenheid of door de verzorgende arts en dat alle instellingen met elkaar verbonden zijn, is niet nieuw.

In het voorliggende geval wordt een uniek nummer toegekend waaronder alle gezondheidsgegevens van het individu verzameld worden, ongeacht de plaats waar of het ogenblik waarop de zorg hem toegediend werd.

De Nationale Raad maakt zich zorgen over het gebruik dat zou kunnen gemaakt worden van het persoonlijk gezondheidsidentificatienummer voor andere doeleinden dan medische zorg of wetenschappelijk onderzoek.

De Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer heeft het gebruik van een uniek patiëntennummer weliswaar herhaaldelijk aanbevolen (advies nr. 14/2002 van 8 april 2002, advies nr. 19/2002 van 10 juni 2002, advies nr. 30/2002 van 12 augustus 2002, advies nr. 33/2002 van 22 augustus 2002, advies nr. 10/2004 van 23 september 2004, advies nr. 01/2005 van 10 januari 2005), maar deze aanbeveling ging geregeld gepaard met een waarschuwing : de waterdichtheid van de informatiecircuits tussen de persoonlijke gezondheidsgegevens en de sociale zekerheidsgegevens evenals tussen de persoonlijke gezondheidsgegevens en de rijksregistergegevens moet gewaarborgd worden.

Het regeringsontwerp in zijn huidige vorm lijkt deze waterdichtheid niet te waarborgen en dit om minstens drie redenen :

1/ artikel 3, § 1, in fine :

De logische koppeling tussen het PGIN en het INSZ (identificatienummer van de sociale zekerheid) , hoewel ze beschouwd wordt als individueel onomkeerbaar, biedt de mogelijkheid een nationaal bestand van de PGIN’s samen te stellen vanuit het rijksregister of vanuit het register van de INSZ’s.

De Nationale Raad meent dat het PGIN aleatorisch aangemaakt dient te worden en geenszins mag resulteren uit de logische omzetting van persoonsgegevens, ook al wordt deze beschouwd als onomkeerbaar.

2/ artikel 3, §3, 5°

De quinto van de 3de paragraaf van artikel 3 maakt de koppeling mogelijk tussen de sociale zekerheidsgegevens en de persoonsgegevens betreffende de gezondheid.

3/ artikel 12, § 3.

Artikel 12, § 3, van het ontwerp, luidt als volgt :

“Wanneer de behandelend arts de beheerder is van het globaal medisch dossier van de patiënt, verstrekken de verzekeringsinstellingen de volgende gegevens :

de identificatie van de erkende huisarts
de identificatie van de patiënt via het persoonlijk gezondheidsidentificatienummer.”

Indien de verzekeringsinstelling het persoonlijk gezondheidsidentificatienummer van de patiënt kan verstrekken, moeten wij daaruit afleiden dat zij het PGIN en het INSZ kan koppelen.

Het baart de Nationale Raad bovendien zorgen dat Be-Health zelf de controle regelt van de gegevenstransacties die ze verricht.

3/ Het gezamenlijk gezondheidsdossier.

Het voorontwerp van wet introduceert het principe van een gezamenlijk gezondheidsdossier. Hierover kunnen verschillende opmerkingen geformuleerd worden.

3.1/ De methodologie

De Nationale Raad is niet overtuigd van de werkelijke therapeutische meerwaarde van het gezamenlijk gezondheidsdossier zoals beschreven in het huidige ontwerp.

De overdracht van de integrale persoonsgegevens betreffende de gezondheid van een individu is niet altijd nodig voor de toediening van kwaliteitsvolle zorg en het is in het algemeen niet nodig over de gehele inventaris van het medisch verleden van de patiënt te beschikken, maar alleen over de relevante elementen.

Het gezamenlijk gezondheidsdossier zoals omschreven zou niet in praktijk gebracht mogen worden zonder dat het wetenschappelijk nut ervan aangetoond werd.

3.2/ De persoonlijke levenssfeer en het beroepsgeheim

Het spreekt vanzelf dat het gezamenlijk gezondheidsdossier belangrijke ingrijpende veranderingen meebrengt in de manier waarop de persoonlijke levenssfeer tot nog toe beschermd dient te worden. De Nationale Raad meent dat hij tot op heden over onvoldoende elementen beschikt om de draagwijdte van deze veranderingen in te schatten.

Het principe van het gezamenlijk gezondheidsdossier, zoals beschreven in het voorontwerp, roept echter onmiddellijk de volgende opmerking op : het is niet aanvaardbaar dat elke beoefenaar van een gezondheidsberoep (hierbij inbegrepen de apothekers, kinesitherapeuten, tandartsen en verpleegkundigen) die deelneemt aan de zorg toegang heeft tot alle gegevens betreffende de patiënt.

De manier waarop de beroepsbeoefenaars die deelnemen aan de zorg zullen aangewezen worden is bovendien zeer vaag (zie hieronder). De vraag of de informatie-uitwisseling voldoende beveiligd is blijft volledig open. Deze vraag is echter van essentieel belang om de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de patiënt te waarborgen. De Nationale Raad wenst in dit verband te onderstrepen dat de toegang tot het gezamenlijk gezondheidsdossier een verschillende toepassing MOET kennen naar gelang van de categorie of het specialisme van de beroepsbeoefenaar.

We moeten eveneens vaststellen dat de manier waarop de persoonlijke gegevens behandeld worden, kan verschillen van het ene beroep tot het andere aangezien de notie van “beroepsgeheim” anders toegepast kan worden in twee verschillende tuchtrechten. Het gezamenlijk gezondheidsdossier roept dus ook vragen op in het tuchtrecht.

De Nationale Raad is van mening dat het principe van “gezamenlijk gezondheidsdossier” een diepgaande reflectie vergt.

3.3/ De haalbaarheid

Bij het lezen van de bepalingen van het voorontwerp betreffende het gezamenlijk gezondheidsdossier, kunnen we ons vragen stellen over de praktische uitvoerbaarheid ervan.

- De informatisering

Het idee van een gezamenlijk gezondheidsdossier berust volledig op het postulaat dat de gezondheidsberoepsbeoefenaren over voldoende informaticamateriaal beschikken en hun patiëntendossiers beheren via specifieke programma’s die onderling compatibel zijn.

De volledige en georganiseerde informatisering van alle gezondheidsberoepsbeoefenaren vraagt tijd en wilskracht. We mogen gerust twijfelen aan de reële toepassingsmogelijkheden op het terrein, momenteel en op middellange termijn, van de maatregelen waarop het voorontwerp van wet aandringt.

- De financiering

De veralgemeende informatisering van de gezondheidsdossiers vertegenwoordigt een belangrijke kostprijs.

Het voorontwerp van wet preciseert niet hoe de maatregelen die erin vooropgesteld worden gefinancierd zullen worden en welk budget eraan besteed zal worden. Het ligt echter voor de hand dat de praktische toepassing van de bepalingen van het voorontwerp grotendeels zal afhangen van de toegekende financiering.

De Nationale Raad stelt zich vragen bij de financiële haalbaarheid van het voorontwerp van wet.

- De administratieve overbelasting

De invoering van het gezamenlijk gezondheidsdossier, zoals gepland in het voorontwerp, overstelpt de arts met administratieve taken .

Er wordt aan de arts gevraagd het gezamenlijk gezondheidsdossier op te splitsen in onderdelen : het “beknopt gezondheidsdossier”, het “historisch gezondheidsdossier” en eventuele specifieke onderdelen (artikel 12). Deze opsplitsing zal zeker een toename van het administratieve werk meebrengen.

- De toegang tot het GGD

In principe zouden alleen de artsen die de patiënt dienen te verzorgen toegang hebben tot het gezamenlijk gezondheidsdossier. In de memorie van toelichting kunnen we het volgende lezen : “Na geïdentificeerd en geauthentificeerd te zijn, als persoon en als gezondheidswerker, moet de beroepsbeoefenaar machtiging verkrijgen voor toegang tot een lokale toepassing en een individueel dossier dat op het niveau van deze toepassing beheerd wordt. Deze machtiging wordt hem enkel verleend indien er sprake is van een effectieve relatie van zorgverlener ten opzichte van de patiënt. Indien een patiënt verandert van arts, verliest de arts die hem voordien behandelde zijn toegang tot het dossier. Het medisch geheim wordt verzekerd door de behandelende arts van de patiënt (huisarts of desgevallend specialist), die zal beslissen, zoals nu ook het geval is, welke gezondheidswerkers van het team toegang zullen hebben tot welke gegevens, en dit naar gelang hun deelname in de zorg verleend aan de patiënt”.

Bij het lezen van dit fragment kunnen wij ons gerust de vraag stellen of de toegang tot het gezamenlijk gezondheidsdossier onderworpen zal worden aan de voorafgaande toestemming van de behandelend arts.

Dit zou niet alleen aanvechtbaar zijn, zowel vanuit de deontologie als vanuit de vrije keuze van de arts, maar ook irrealistisch.

De manier waarop de artsen toegang zullen hebben tot het gezamenlijk gezondheidsdossier wordt in elk geval zeer vaag beschreven in het voorontwerp van wet. Toelichtingen zijn noodzakelijk.

Daarnaast stelt de Nationale Raad vast dat de legalisatie van het statuut van arts gebeurt door raadpleging van de federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, bedoeld bij de wet van 29 januari 2003 (art. 13, °2 ). De Raad beklemtoont dat dergelijke legalisatie, op grond van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967, onder de bevoegdheid valt van de provinciale raden van de Orde van geneesheren die belast zijn met het samenstellen van de Lijst.

4/ De telematica-organen.

Naast de Commissie “Standaarden inzake Telematica ten behoeve van de sector van de Gezondheidszorg” en van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, worden er nieuwe “organen” opgericht die een zeker aantal bevoegdheden zullen krijgen inzake telematica :

  • een “sectoraal comité voor gezondheidsgegevens” opgericht binnen de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer.
  • een “telematicaplatform “Be-Health”.

De specifieke rol van elk van deze organen en hun onderlinge relaties zijn niet zeer duidelijk. Bovendien blijven er twijfels over hun onafhankelijkheid ten opzichte van de politieke overheid en ten opzichte van de instituten voor sociale zekerheid.

5/ De telegeneeskunde.

Met betrekking tot het gedeelte van het voorontwerp van wet dat specifiek handelt over de telegeneeskunde, wijst de Nationale Raad op twee essentiële beschouwingen die in het huidige wetsontwerp niet geëerbiedigd blijken te worden :

1/ In het kader van de elektronische mededeling mogen de tele-experten zich niet verbinden tot het stellen van diagnoses of het instellen van behandelingen zonder de patiënt persoonlijk ondervraagd en onderzocht te hebben. Hun rol bestaat dus uit diagnose- en beslissingsondersteuning. De plaats waar de medische handeling wordt gesteld blijft die waar de vragende behandelend arts zich bevindt. Het gaat hier ook om een probleem van medische aansprakelijkheid.

2/ Het elektronisch voorschrift opgesteld door een bevoegde beoefenaar van een gezondheidsberoep in de vorm van een elektronisch bestand dient de vrije keuze van de patiënt te eerbiedigen.

De Nationale Raad vraagt zich te beroepen op de adviezen die eerder uitgebracht werden betreffende de telegeneeskunde en de uitoefening van de geneeskunde op afstand.

BESLUIT

De Nationale Raad

1/ verwerpt de definitie van gezondheidsgegeven zoals ze opgenomen is in het ontwerp. Hij meent dat ze inbreuk maakt op het beroepsgeheim en op de wetgeving betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het lijkt verstandiger te spreken van “persoonsgegevens betreffende de gezondheid”.

2/ verwerpt elke vorm van logische koppeling tussen het PGIN, enerzijds, en het INSZ of het RRN (rijksregisternummer), anderzijds. Het PGIN dient aleatorisch aangemaakt te worden en mag geenszins resulteren uit de logische omzetting van persoonsgegevens, ook al wordt deze beschouwd als onomkeerbaar.

De aanwending van het PGIN dient strikt beperkt te blijven tot de toediening van de zorg.

3/ stelt vast dat de modaliteiten betreffende de invoering van en de toegang tot het “gezamenlijk gezondheidsdossier” onduidelijk zijn en in de huidige staat de vertrouwelijkheid niet kunnen waarborgen.
De Nationale Raad meent dat de mededeling van gezondheidsgegevens langs elektronische weg tussen gezondheidsberoepsbeoefenaren, via een openbaar net of via een niet-plaatselijk privé-net, geenszins kan functioneren zonder voorafgaandelijk een beroep te doen op beveiligde methoden voor encryptie en gecertificeerde handtekening.

4/ legt de nadruk op het gebrek aan onafhankelijkheid van het telematicaplatform Be-Health zowel ten opzichte van de overheid (onder meer bevoegd voor sociale zekerheid) als van de verzekeringsinstellingen.

5/ meent dat telegeneeskunde ten dienste moet staan van de aanvrager die behandelend arts is.

6/ verwerpt de centralisatie, bij één enkele instantie, van de beveiligings- en identificatiesystemen, van het notariaat van de transacties, van de labeltoekenning voor de softwarepakketten, en in het bijzonder, van de gegevensoverdracht.

7/ is niet overtuigd van de werkelijke therapeutische meerwaarde van het begrip “gezamenlijk gezondheidsdossier” zoals het opgenomen is in het ontwerp.

Daarom wenst de Nationale Raad dat het wetsontwerp herzien wordt met meer eerbied voor de wettelijke en deontologische voorschriften die noodzakelijk zijn voor de arts-patiëntrelatie.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het draaiboek voor e-gezondheidszorg”, nr. 3-1060, 27 oktober 2005, Handelingen van de Senaat, nr. 3-131, blz. 59

Informatica10/09/2005 Documentcode: a110005
Wetsontwerp betreffende de verwerking en de automatisering van de gezondheidsgegevens alsook de toepassingen voor telegeneeskunde

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 10 september 2005 het wetsontwerp betreffende de verwerking en de automatisering van de gezondheidsgegevens alsook de toepassingen voor telegeneeskunde. Dit document lokte reeds heel wat kritische en negatieve reacties uit in de pers. Hierop zou minister Demotte volgens persberichten verklaard hebben dat het slechts om een werktekst gaat en dat het advies van onder meer de Orde van geneesheren zou worden ingewonnen. De Nationale Raad stelt echter vast dat deze “werktekst” op de website van de minister vermeld staat als wetsontwerp en dat tot op heden het advies van de Orde van geneesheren niet werd gevraagd. Gezien dit document tal van vragen doet rijzen in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de patiënten, de naleving van het beroepsgeheim en de uitoefening zelf van de geneeskunde voelt de Nationale Raad zich verplicht zonder verwijl te reageren.

De definitie van persoonlijk gezondheidsgegeven wordt grondig gewijzigd door voormeld document. Het persoonlijk karakter ervan valt weg binnen een administratieve of boekhoudkundige context waardoor het in bepaalde gevallen gebruikt kan worden buiten het zorgkader. De nieuwe definitie van gezondheidsgegeven houdt een aanzienlijke beperking in van de draagwijdte van het beroepsgeheim in die zin dat de gegevens die gebruikt worden in een administratieve of boekhoudkundige context beschouwd worden als vrij overdraagbare gegevens.

Voorts wordt een uniek persoonlijk gezondheidsidentificatienummer voor iedere burger/patiënt ingevoerd. Dankzij dit nummer kan men toegang krijgen tot alle gezondheidsepisodes “van bij de geboorte tot aan de dood”, op voorwaarde natuurlijk dat elke episode gerapporteerd werd door de zorgeenheid of door de verzorgende arts en dat alle instellingen met elkaar verbonden zijn.

Dit brengt met zich dat een gedeeld gezondheidsdossier opgesteld wordt, dat toegankelijk is voor alle zorgverleners op voorwaarde dat ze geautomatiseerd zijn volgens de voorschriften van de wet. Deze verplichting tot automatisering van het medisch dossier als voorwaarde tot de toegang tot het gedeeld gezondheidsdossier wordt aldus een voorwaarde voor de voortzetting van de medische praktijk.

De toegang van de arts tot het gedeeld gezondheidsdossier vereist zijn identificatie aan de hand van de electronische identiteitskaart en de controle van zijn hoedanigheid van arts via het door het ministeriële gezag ingevoerde kadaster van de gezondheidsberoepen. De wet gelast de Orde van geneesheren de machtiging tot de uitoefening van de geneeskunde te erkennen.

De bescherming van de aldus verzamelde persoonlijke gezondheidsgegevens wordt niet gewaarborgd. In tegenstelling tot de herhaaldelijke aanbevelingen van de Nationale Raad, welke in overeenstemming zijn met de internationale voorschriften, is de codering van de gegevens niet automatisch voorzien bij hun overdracht op het netwerk.

De Nationale Raad maakt zich in het bijzonder zorgen over het gebruik dat gemaakt zou kunnen worden van het persoonlijk gezondheidsidentificatienummer voor andere doeleinden dan geneeskundige zorg of wetenschappelijk onderzoek. Er dient gewaarborgd te worden dat er geen lekken kunnen ontstaan in het informatiecircuit tussen de gezondheidsgegevens en die van de sociale zekerheidsgegevens. In de huidige stand van het regeringsontwerp lijkt dit waterdicht karakter echter geenszins gewaarborgd.

Deze opmerkingen en vaststellingen rechtvaardigen in de huidige stand van zaken het verzet van de Nationale Raad tegen de inhoud van dit ontwerp.

Informatica21/10/2000 Documentcode: a091001
Uitoefening van de geneeskunde door een Amerikaanse arts aan boord van een schip varend onder Belgische vlag - Adviesverlening via telefoon of internet door een buitenlandse arts

Uitoefening van de geneeskunde door een Amerikaanse arts aan boord van een schip varend onder Belgische vlag – Adviesverlening via telefoon of internet door een buitenlandse arts

De Amerikaanse ambassade te Brussel legt volgende vragen voor aan de Nationale Raad :

  1. kan een Amerikaanse arts de geneeskunde uitoefenen aan boord van een schip dat onder Belgische vlag vaart en verschillende buitenlandse havens aandoet als hij voldoet aan de voorwaarden voor erkenning van zijn diploma en inschrijving op de Lijst van de Orde der geneesheren;
  2. hoe staat België tegenover het geven van advies via telefoon of internet, door een buitenlandse arts ?

Advies van de Nationale Raad :

1. Uitoefening van de geneeskunde door een Amerikaanse arts aan boord van een schip varend onder Belgische vlag.

Een Amerikaanse arts die, op niet-occasionele wijze, als arts wenst tewerkgesteld te worden aan boord van een schip varend onder Belgische vlag, dient te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van de geneeskunde in België, waaronder ingeschreven zijn op de Lijst van de Orde der geneesheren.
De specifieke overeenkomst die de betrokken arts voor deze tewerkstelling dient te sluiten moet, overeenkomstig art. 173 van de Code van geneeskundige plichtenleer, schriftelijk vastgelegd worden en mag slechts ondertekend worden nadat het ontwerp ervan op deontologisch vlak goedgekeurd werd door de provinciale raad waarbij de arts ingeschreven is.

2. Adviesverlening via telefoon of internet door een buitenlandse arts.

Algemeen gezien kan het gewoonlijk verlenen van mondeling of schriftelijk medisch advies in België beschouwd worden als uitoefening van de geneeskunde wanneer dit :

  • betrekking heeft op een bepaalde therapie;
  • strekt tot behandeling of voorkoming van een welomschreven ziekte;
  • gericht is tot één bepaald individu of een herkenbare groep patiënten;
  • de wijze preciseert waarop de therapie moet worden aangewend.

Indien een bepaalde vorm van adviesverlening door een buitenlandse arts aan deze voorwaarden voldoet - en dus kan beschouwd worden als uitoefening van de geneeskunde - en voor zover deze adviesverlening gebeurt door een arts die zijn medische woonplaats in België heeft, dient de betrokken arts te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van de geneeskunde in België.

Wat specifiek het medisch consult via internet betreft, verwijst de Nationale Raad bovendien naar zijn advies van 19 augustus 2000. Daarin wordt onder meer bepaald dat "een geneeskundige raadpleging een ondervraging en een klinisch onderzoek vergt door een arts die bevoegd is om de geneeskunde uit te oefenen en die de verantwoordelijkheid op zich neemt. Medische raadplegingen houden via internet is in strijd met deze principes. Zij brengen onopgeloste problemen inzake verantwoordelijkheid met zich. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de geneeskundige raadpleging tussen een arts en een patiënt, en de telegeneeskunde. Dit laatste is een gesprek op afstand tussen artsen over een bepaald medisch probleem of tussen een arts en een verre en/of alleenstaande patiënt. In die gevallen mag de geraadpleegde arts slechts een beperkte mening geven."