keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Beroepsgeheim08/05/2010 Documentcode: a130017
Uniforme publieke labeling bij besmettelijke aandoeningen

Een provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad betreffende een uniform systeem van publieke labeling met een ster- of kleurcode bij besmettelijke ziekten in een ziekenhuis.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 8 mei 2010 besprak de Nationale Raad uw brief van 30 april 2009 waarin u hem om advies verzoekt over een uniforme publieke labeling bij besmettelijke aandoeningen.

De Nationale Raad is van mening dat dit labelingsysteem onaanvaardbaar is omdat het leidt tot schending van het medisch geheim, aantasting van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en stigmatisatie van de patiënt. Het is niet aanvaardbaar dat de bezoekers en de personen die niet deelnemen aan de verzorging toegang hebben tot dergelijke informatie.

Wanneer het risico enkel bestaat voor de personen die betrokken zijn bij de verzorging, dienen deze personen zich hiertegen te beschermen door de universele steriliteits- en hygiënemaatregelen toe te passen, zoals dit moet gebeuren voor iedere patiënt.

Wanneer de patiënten niet alleen een risico vormen voor de personen die betrokken zijn bij de verzorging, maar eveneens voor alle andere personen inclusief de bezoekers, maken zij het voorwerp uit van aangepaste isolatiemaatregelen die de facto wijzen op een risico.

De Nationale Raad ziet dan ook geen rechtvaardigingsgrond voor een bijzondere en algemene labeling, temeer daar de nodige informatie betreffende de patiënt ter beschikking is van de personen die betrokken zijn bij de verzorging.

Beroepsgeheim08/05/2010 Documentcode: a130014
Medisch geheim tegenover de politiediensten in ziekenhuizen

In zijn vergadering van 8 mei 2010 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 12 januari 2010 onderzocht waarin u hem het antwoord meedeelt dat u richtte aan de ombudsdienst van een algemeen ziekenhuis.

U herinnerde in deze brief terecht dat in dit soort omstandigheden het medisch geheim tegenover de politiediensten moet worden geëerbiedigd.

Hij wenst echter uw aandacht te vestigen op het volgende punt.

Het begrip ‘getuigenis in rechte', dat een wettelijke uitzondering vormt op het beroepsgeheim bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek, moet restrictief begrepen worden. Het is enkel voor een rechter (burgerlijke, straf- of onderzoeksrechter) en op een mondelinge of schriftelijke vraag van deze laatste dat een arts, onder eed, informatie gedekt door het beroepsgeheim mag onthullen.

Het is in hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie dat de procureur des Konings en zijn substituten de inbreuken opzoeken en vaststellen.

Het verhoor van een persoon in het kader van het "vooronderzoek" (d.w.z. het onderzoek van de politie onder de leiding en het gezag van de procureur des Konings) is geen getuigenis in rechte in de zin van het artikel 458 van het Strafwetboek.

Behoudens wettelijke uitzonderingen zijn de personen gebonden door het medisch beroepsgeheim dus verplicht te zwijgen voor de politieambtenaren of de leden van het openbaar ministerie die inlichtingen verzamelen in het kader van het vooronderzoek .

Hoofdarts06/02/2010 Documentcode: a129012
Relatie hoofdarts/ombudsfunctie

De wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en het koninklijk besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen, zoals gecoördineerd door het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 [1], bepalen de rol en de taken van de hoofdarts.

De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en het koninklijk besluit van 8 juli 2003 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie in de ziekenhuizen moet voldoen bepalen die van de ombudspersoon.

De hoofdarts is gelast met de organisatorische leiding van het medisch departement.

De ombudspersoon is onder meer gelast klachten te voorkomen of in geval van klacht te bemiddelen (zie artikel 11, §§ 1 en 2).

De wet [2]heeft, in geval van klacht van een patiënt, geen bemiddelingsopdracht toegekend aan de hoofdarts. Integendeel, hij stelt dat de twee functies onverenigbaar zijn en benadrukt dat de rol en de taken van beide actoren duidelijk gescheiden zijn.

De wet [3]vereist neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de ombudspersoon in de uitoefening van zijn functie.

Hoewel de hoofdarts een brugfunctie vervult tussen het bestuur van het ziekenhuis en de medische staf, blijft hij wegens het mandaat dat hem door het bestuur werd toegekend, "partij" ten overstaan van de patiënt.

Zowel de hoofdarts als de ombudspersoon dienen het beroepsgeheim te respecteren.

Hiermee rekening houdende is de Nationale Raad van mening dat de hoofdarts niet kan eisen en evenmin kan aanvaarden dat de ombudspersoon hem systematisch zou inlichten over klachten.

De onverenigbaarheid van de twee functies betekent niet dat de hoofdarts en de ombudspersoon geen overleg zouden kunnen plegen.

Zo kan de ombudspersoon de hoofdarts raadplegen teneinde de informatie te bekomen die hij nodig heeft om een klacht te behandelen of algemene informatie over de gang van zaken in het medisch departement.

In geval van herhaalde tekortkomingen door een ziekenhuisarts of van structurele nalatigheden, die de zorgverlening en de organisatie ervan ernstig in het gedrang brengen of kunnen brengen kan de ombudspersoon, in overeenstemming met artikel 11, § 2, 5°, van de wet [4], de hoofdarts inlichten.

De ombudspersoon maakt zijn jaarverslag, waarin hij de nodige aanbevelingen doet, over aan de hoofdarts [5].

Bovendien kan de ombudspersoon, geconfronteerd met zwaarwichtige feiten die de patiënten of de goede werking van de instelling in gevaar kunnen brengen, zich beroepen op de noodtoestand om de hoofdarts in te lichten.

Het is niet uitgesloten dat de patiënt zelf zich met zijn klacht zou richten tot de hoofdarts. De patiënt kan immers rechtstreeks contact opnemen met de hoofdarts, ofwel kan de ombudspersoon, tot wie de patiënt zich eerst richtte en daarbij om tussenkomst van de hoofdarts verzocht, de patiënt meedelen dat de patiënt zelf de hoofdarts dient te contacteren.

De Nationale Raad is van mening dat in die omstandigheden de hoofdarts kan overwegen:
- ofwel, gelet op de zwaarwichtigheid van de klacht en gelet op zijn organisatorische verantwoordelijkheden, zelf de zaak te behandelen,
- ofwel de patiënt terug te verwijzen naar de ombudspersoon.

Wanneer een bemiddeling geen oplossing biedt, informeert de ombudspersoon de klager nopens andere beschikbare verhaalmogelijkheden [6].

[1] Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008.
[2] Artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 juli 2003 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie in de ziekenhuizen moet voldoen.
[3] Artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 juli 2003.
[4] Artikel 11, § 2, 5°, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
[5] Artikel 9 van het koninlijk besluit van 8 juli 2003.
[6] Artikel 11, § 2, 3°, van de wet van 22 augustus 2002 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie in de ziekenhuizen moet voldoen.

Publiciteit en reclame24/01/2009 Documentcode: a125002
Gefusioneerd ziekenhuis - Algemeen en medisch reglement Professionele eenpersoonsvennootschap – Vermelding van naam en specialisme van de arts

Gefusioneerd ziekenhuis - Algemeen en medisch reglement
Professionele eenpersoonsvennootschap – Vermelding van naam en specialisme van de arts

De Nationale Raad behandelde een vraag betreffende de eindverantwoordelijkheid bij de beoordeling en de goedkeuring van het algemeen en medisch reglement van een gefusioneerd ziekenhuis indien twee provinciale raden betrokken zijn bij de goedkeuring ervan. Ten tweede werd de vraag gesteld of een vennootschap de naam van de arts, met de melding van zijn specialisme, moet hebben bij de oprichting van een professionele eenpersoonsvennootschap.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn zitting van 24 januari 2009 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het schrijven van een provinciale raad van 23 oktober 2008 betreffende de eindverantwoordelijkheid bij de beoordeling en de goedkeuring van het algemeen en medisch reglement van een gefusioneerd ziekenhuis en betreffende de vraag of een vennootschap de naam van de arts, met de melding van zijn specialisme, moet hebben bij de oprichting van een professionele eenpersoonsvennootschap.

De Nationale Raad is van mening dat indien twee provinciale raden betrokken zijn bij de goedkeuring van een algemeen en medisch reglement van een gefusioneerd ziekenhuis de provinciale raad waar de maatschappelijke zetel van de gefusioneerde instelling zich bevindt, de coördinerende rol speelt en de eindverantwoordelijkheid draagt. Dit vereist overleg tussen de beide provinciale raden.

De meest restrictieve regels tussen beide provinciale raden worden toegepast. De coördinerende provinciale raad zal de arts tevens informeren.

Krachtens artikel 163, § 4, van de Code van geneeskundige plichtenleer moet de professionele eenpersoonsvennootschap bij het naar buiten treden de rechtsvorm vermelden alsook de naam van de arts en het uitgeoefende specialisme. De Nationale Raad herinnert eraan dat de benaming zeker niet monopoliserend mag zijn.

Hoofdarts20/12/2008 Documentcode: a123018
Onverenigbaarheid tussen de functie van hoofdarts en deze van directeur van het ziekenhuis

De commissie ‘Ziekenhuisgeneeskunde’ van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren stelde in april 2008 een leidraad op over “Taken van de hoofdarts – Deontologische richtlijnen”.
Deze leidraad is gebaseerd op de ter zake geldende wetgeving, de Code van geneeskundige plichtenleer en vroeger uitgebrachte adviezen.
Tijdens het opstellen van deze leidraad kwamen nog een aantal vragen aan bod.
Eén van deze vragen was of er een onverenigbaarheid is tussen de functie van hoofdarts en deze van directeur van het ziekenhuis.
Deze vraag werd door de Nationale Raad besproken in zijn zitting van 20 december 2008.

Advies van de Nationale Raad :

De wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008 handelt ondermeer over de beheerder en de directeur (als bijlage).

Artikel 8, 1°, van deze wet bepaalt dat de beheerder het orgaan is dat volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis belast is met het beheer van de uitbating van het ziekenhuis.

Volgens artikel 8, 2°, is de directeur de persoon of de personen die door de beheerder belast is of zijn met de algemene leiding van de dagelijkse werking van het ziekenhuis.

De algemene en uiteindelijke verantwoordelijke voor de ziekenhuisactiviteit op het vlak van de organisatie en de werking alsook op het financiële vlak berust bij de beheerder (artikel 16 van de wet op de ziekenhuizen).

In elk ziekenhuis is er een directeur, die rechtstreeks en uitsluitend verantwoordelijk is tegenover de beheerder. De directeur werkt nauw samen met de hoofdarts, met het hoofd van het verpleegkundig departement, van de paramedische, administratief-financiële en technische diensten en met de ziekenhuisapotheker (artikel 17 van de wet op de ziekenhuizen).

Het koninklijk besluit van 15 december 1987 (B.S. 25 december 1987) houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen, handelt ondermeer over de functies en opdrachten van de hoofdarts :

Art. 2, § 1. Onder hoofdgeneesheer wordt verstaan de beoefenaar van de geneeskunde belast met de verantwoordelijkheid voor de goede gang van zaken in het medisch departement van het ziekenhuis. Hij staat in voor de algemene organisatie en coördinatie van de medische activiteit in het ziekenhuis, in samenwerking met de geneesheren-diensthoofd en met de medische staf, zoals dit per ziekenhuis nader wordt uitgewerkt in het medisch reglement.

De functie van hoofdarts is wettelijk onverenigbaar met:

het voorzitterschap van de medische raad (artikel 18 van de wet op de ziekenhuizen); de hoedanigheid van lid van het ethisch comité (artikel 1 van het Koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd); de functie van ombudsman/-vrouw (artikel 3 van het Koninklijk besluit van 8 juli 2003 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie in de ziekenhuizen moet voldoen).

De Nationale Raad stelt enerzijds vast dat er wettelijk geen onverenigbaarheid is tussen de functie van hoofdarts en deze van directeur van het ziekenhuis en anderzijds dat de functies en de opdrachten van de directeur en de hoofdarts verschillend zijn.

De aard van de opdracht van de hoofdarts vergt dat deze een brugfunctie vervult tussen de ziekenhuisartsen en het beheer en de directie van het ziekenhuis.

“Bij het vervullen van zijn of haar opdracht zal de hoofdarts steeds een delicaat evenwicht moeten betrachten: enerzijds het realiseren van de medisch- organisatorische eisen die aan het ziekenhuis gesteld worden en anderzijds het respecteren van de autonomie van de artsen inzake diagnose en behandeling.”(1)

Vanuit deontologisch standpunt is de Nationale Raad dan ook van mening dat wegens mogelijke belangenconflicten het niet aangewezen is dat de functie van hoofdarts gecombineerd wordt met de functie van directeur.

Bijlage

10 JULI 2008. - Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008.

Art. 8. (8) Met het oog op de toepassing van deze gecoördineerde wet :

1° wordt verstaan onder beheerder : het orgaan dat volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis belast is met het beheer van de uitbating van het ziekenhuis;
2° wordt verstaan onder directeur : de persoon of de personen door de beheerder belast met de algemene leiding van de dagelijkse werking van het ziekenhuis;

Art. 16. (16) De algemene en uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de ziekenhuisactiviteit op het vlak van de organisatie en de werking alsook op het financiële vlak berust bij de beheerder.
De beheerder bepaalt het algemeen beleid van het ziekenhuis; hij neemt de beheersbeslissingen met inachtneming van de specifieke bepalingen en procedures voorzien in Titel IV.

Art. 17. (17) In elk ziekenhuis is er een directeur. Hij is rechtstreeks en uitsluitend verantwoordelijk tegenover de beheerder.
De directeur werkt nauw samen met de hoofdgeneesheer, het hoofd van het verpleegkundig departement, van de paramedische, van de administratief-financiële en van de technische diensten en met de ziekenhuisapotheker.

(1) Een nieuwe ziekenhuiswet voor een nieuw ziekenhuisconcept. Bedenkingen bij KB 407 van Jean-Luc DEHAENE, Minister van Sociale zaken in juni 1986, pagina 15 en 16.

Ziekenhuizen22/11/2008 Documentcode: a123009
Geneesheren-inspecteurs bij het Intern Verzelfstandigd Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Sinds 1 april 2006 zijn de administratieve diensten van de Vlaamse overheid gereorganiseerd. Ze werden ingedeeld in 13 beleidsdomeinen, die elk een departement en een aantal verzelfstandigde agentschappen bevatten. Het Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin maakt deel uit van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG).
Een geneesheer-inspecteur, werkzaam voor dit Agentschap, legt aan de Nationale Raad enkele vragen voor m.b.t. het inzagerecht in medische dossiers in het kader van zijn inspectieopdrachten in ziekenhuizen en andere instellingen zoals RVT’s en ROB’s. Hij stelt de vraag of art. 58 van de Code van geneeskundige plichtenleer niet dient te worden aangepast.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 22 november 2008 onderzocht de Nationale Raad van de Orde der geneesheren dit schrijven van 26 mei 2008, waarin een aantal deontologische vragen werden gesteld door een geneesheer-inspecteur bij het Intern Verzelfstandigd Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Wat de vraag betreft omtrent het recht op inzage in medische dossiers van een ziekenhuis door de bevoegde geneesheer-inspecteur bij het Intern Verzelfstandigd Agentschap, meent de Nationale Raad dat inspecterende geneesheren alle nuttige inlichtingen moeten kunnen verkrijgen om hun wettelijke opdracht te kunnen uitvoeren, en dus ook inzagerecht hebben in de medische dossiers, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo kan dit inzagerecht alleen door een inspecteur-geneesheer, aangezien ook hij gebonden is door het beroepsgeheim, worden uitgeoefend, voor zover de persoonlijke en medische gegevens niet nominatief worden verwerkt in het rapport en de toestemming van de behandelende geneesheer en van de patiënt werd verkregen.

Deze toestand betreft een uitzondering zoals bedoeld in artikel 58 van de Code van geneeskundige plichtenleer.

De Nationale Raad meent tevens dat stricto sensu artikel 58, § a, van de Code van geneeskundige plichtenleer niet dient te worden aangepast, vermits, naar analogie met de geneesheren-controleurs van de dienst voor geneeskundige controle van het Riziv, de geneesheren-inspecteurs met deze functie hun wettelijke opdracht in het kader van het verzekeren van de kwaliteit van zorg dienen te vervullen en hiertoe alle nuttige en nodige inlichtingen dienen in te winnen, voor zover die inlichtingen strikt noodzakelijk zijn voor hun inspectieopdracht.

3. Betreffende de vraag of inzage in medische dossiers ook buiten ziekenhuisverband kan in het kader van toezicht door geneesheren-inspecteurs van het Verzelfstandigd Agentschap Inspectie meent de Nationale Raad dat ook inspectie buiten het ziekenhuis inzage in medische dossiers kan verantwoorden voor zover dit noodzakelijk is voor het vervullen van de wettelijke opdracht in het kader van de kwaliteit van zorg en de regels van het beroepsgeheim alsmede de voorwaarden van toestemming zoals bij uw vorige vraag worden gerespecteerd.