keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Hoofdarts20/12/2008 Documentcode: a123018
Onverenigbaarheid tussen de functie van hoofdarts en deze van directeur van het ziekenhuis

De commissie ‘Ziekenhuisgeneeskunde’ van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren stelde in april 2008 een leidraad op over “Taken van de hoofdarts – Deontologische richtlijnen”.
Deze leidraad is gebaseerd op de ter zake geldende wetgeving, de Code van geneeskundige plichtenleer en vroeger uitgebrachte adviezen.
Tijdens het opstellen van deze leidraad kwamen nog een aantal vragen aan bod.
Eén van deze vragen was of er een onverenigbaarheid is tussen de functie van hoofdarts en deze van directeur van het ziekenhuis.
Deze vraag werd door de Nationale Raad besproken in zijn zitting van 20 december 2008.

Advies van de Nationale Raad :

De wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008 handelt ondermeer over de beheerder en de directeur (als bijlage).

Artikel 8, 1°, van deze wet bepaalt dat de beheerder het orgaan is dat volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis belast is met het beheer van de uitbating van het ziekenhuis.

Volgens artikel 8, 2°, is de directeur de persoon of de personen die door de beheerder belast is of zijn met de algemene leiding van de dagelijkse werking van het ziekenhuis.

De algemene en uiteindelijke verantwoordelijke voor de ziekenhuisactiviteit op het vlak van de organisatie en de werking alsook op het financiële vlak berust bij de beheerder (artikel 16 van de wet op de ziekenhuizen).

In elk ziekenhuis is er een directeur, die rechtstreeks en uitsluitend verantwoordelijk is tegenover de beheerder. De directeur werkt nauw samen met de hoofdarts, met het hoofd van het verpleegkundig departement, van de paramedische, administratief-financiële en technische diensten en met de ziekenhuisapotheker (artikel 17 van de wet op de ziekenhuizen).

Het koninklijk besluit van 15 december 1987 (B.S. 25 december 1987) houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen, handelt ondermeer over de functies en opdrachten van de hoofdarts :

Art. 2, § 1. Onder hoofdgeneesheer wordt verstaan de beoefenaar van de geneeskunde belast met de verantwoordelijkheid voor de goede gang van zaken in het medisch departement van het ziekenhuis. Hij staat in voor de algemene organisatie en coördinatie van de medische activiteit in het ziekenhuis, in samenwerking met de geneesheren-diensthoofd en met de medische staf, zoals dit per ziekenhuis nader wordt uitgewerkt in het medisch reglement.

De functie van hoofdarts is wettelijk onverenigbaar met:

het voorzitterschap van de medische raad (artikel 18 van de wet op de ziekenhuizen); de hoedanigheid van lid van het ethisch comité (artikel 1 van het Koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd); de functie van ombudsman/-vrouw (artikel 3 van het Koninklijk besluit van 8 juli 2003 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie in de ziekenhuizen moet voldoen).

De Nationale Raad stelt enerzijds vast dat er wettelijk geen onverenigbaarheid is tussen de functie van hoofdarts en deze van directeur van het ziekenhuis en anderzijds dat de functies en de opdrachten van de directeur en de hoofdarts verschillend zijn.

De aard van de opdracht van de hoofdarts vergt dat deze een brugfunctie vervult tussen de ziekenhuisartsen en het beheer en de directie van het ziekenhuis.

“Bij het vervullen van zijn of haar opdracht zal de hoofdarts steeds een delicaat evenwicht moeten betrachten: enerzijds het realiseren van de medisch- organisatorische eisen die aan het ziekenhuis gesteld worden en anderzijds het respecteren van de autonomie van de artsen inzake diagnose en behandeling.”(1)

Vanuit deontologisch standpunt is de Nationale Raad dan ook van mening dat wegens mogelijke belangenconflicten het niet aangewezen is dat de functie van hoofdarts gecombineerd wordt met de functie van directeur.

Bijlage

10 JULI 2008. - Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008.

Art. 8. (8) Met het oog op de toepassing van deze gecoördineerde wet :

1° wordt verstaan onder beheerder : het orgaan dat volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis belast is met het beheer van de uitbating van het ziekenhuis;
2° wordt verstaan onder directeur : de persoon of de personen door de beheerder belast met de algemene leiding van de dagelijkse werking van het ziekenhuis;

Art. 16. (16) De algemene en uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de ziekenhuisactiviteit op het vlak van de organisatie en de werking alsook op het financiële vlak berust bij de beheerder.
De beheerder bepaalt het algemeen beleid van het ziekenhuis; hij neemt de beheersbeslissingen met inachtneming van de specifieke bepalingen en procedures voorzien in Titel IV.

Art. 17. (17) In elk ziekenhuis is er een directeur. Hij is rechtstreeks en uitsluitend verantwoordelijk tegenover de beheerder.
De directeur werkt nauw samen met de hoofdgeneesheer, het hoofd van het verpleegkundig departement, van de paramedische, van de administratief-financiële en van de technische diensten en met de ziekenhuisapotheker.

(1) Een nieuwe ziekenhuiswet voor een nieuw ziekenhuisconcept. Bedenkingen bij KB 407 van Jean-Luc DEHAENE, Minister van Sociale zaken in juni 1986, pagina 15 en 16.

Ziekenhuizen22/11/2008 Documentcode: a123009
Geneesheren-inspecteurs bij het Intern Verzelfstandigd Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Sinds 1 april 2006 zijn de administratieve diensten van de Vlaamse overheid gereorganiseerd. Ze werden ingedeeld in 13 beleidsdomeinen, die elk een departement en een aantal verzelfstandigde agentschappen bevatten. Het Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin maakt deel uit van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG).
Een geneesheer-inspecteur, werkzaam voor dit Agentschap, legt aan de Nationale Raad enkele vragen voor m.b.t. het inzagerecht in medische dossiers in het kader van zijn inspectieopdrachten in ziekenhuizen en andere instellingen zoals RVT’s en ROB’s. Hij stelt de vraag of art. 58 van de Code van geneeskundige plichtenleer niet dient te worden aangepast.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 22 november 2008 onderzocht de Nationale Raad van de Orde der geneesheren dit schrijven van 26 mei 2008, waarin een aantal deontologische vragen werden gesteld door een geneesheer-inspecteur bij het Intern Verzelfstandigd Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Wat de vraag betreft omtrent het recht op inzage in medische dossiers van een ziekenhuis door de bevoegde geneesheer-inspecteur bij het Intern Verzelfstandigd Agentschap, meent de Nationale Raad dat inspecterende geneesheren alle nuttige inlichtingen moeten kunnen verkrijgen om hun wettelijke opdracht te kunnen uitvoeren, en dus ook inzagerecht hebben in de medische dossiers, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo kan dit inzagerecht alleen door een inspecteur-geneesheer, aangezien ook hij gebonden is door het beroepsgeheim, worden uitgeoefend, voor zover de persoonlijke en medische gegevens niet nominatief worden verwerkt in het rapport en de toestemming van de behandelende geneesheer en van de patiënt werd verkregen.

Deze toestand betreft een uitzondering zoals bedoeld in artikel 58 van de Code van geneeskundige plichtenleer.

De Nationale Raad meent tevens dat stricto sensu artikel 58, § a, van de Code van geneeskundige plichtenleer niet dient te worden aangepast, vermits, naar analogie met de geneesheren-controleurs van de dienst voor geneeskundige controle van het Riziv, de geneesheren-inspecteurs met deze functie hun wettelijke opdracht in het kader van het verzekeren van de kwaliteit van zorg dienen te vervullen en hiertoe alle nuttige en nodige inlichtingen dienen in te winnen, voor zover die inlichtingen strikt noodzakelijk zijn voor hun inspectieopdracht.

3. Betreffende de vraag of inzage in medische dossiers ook buiten ziekenhuisverband kan in het kader van toezicht door geneesheren-inspecteurs van het Verzelfstandigd Agentschap Inspectie meent de Nationale Raad dat ook inspectie buiten het ziekenhuis inzage in medische dossiers kan verantwoorden voor zover dit noodzakelijk is voor het vervullen van de wettelijke opdracht in het kader van de kwaliteit van zorg en de regels van het beroepsgeheim alsmede de voorwaarden van toestemming zoals bij uw vorige vraag worden gerespecteerd.

Huisarts28/06/2008 Documentcode: a121011
Aanwerving van een algemeen geneeskundige voor de functie van zaalarts in een ziekenhuis

Brief aan de voorzitters van de provinciale raden van de Orde der geneesheren.

Advies van de Nationale Raad :

Als gevolg van een aantal reacties op zijn advies van 12 mei 2007 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 117, p. 3) betreffende de ziekenhuizen die een algemeen geneeskundige aanwerven om de functie van "zaalarts" uit te oefenen, heeft de Nationale Raad in zijn zitting van 28 juni 2008 beslist dit advies op deontologisch vlak aan te passen.

In het eerste gedeelte van zijn advies van 12 mei 2007 stelt de Nationale Raad vast dat er tot op heden geen wettelijke definitie van het begrip "zaalarts" in een ziekenhuis bestaat en dat noch de wetgeving betreffende het statuut van de ziekenhuisgeneesheer (wet van 7 augustus 1987 op ziekenhuizen), noch deze betreffende de erkenning van medische specialisten en van huisartsen (koninklijk besluit van 21 april 1983) voorziet in de functie van een "zaalarts".

De Nationale Raad verstaat hieronder de arts die niet-specialist is in de traditionele zin en die bepaalde functies uitoefent in het ziekenhuis.

Daarom verzoekt de Nationale Raad de minister van Volksgezondheid de nodige initiatieven te nemen om te voorzien in een wettelijke definitie en een statuut voor de functie van "zaalarts" in een ziekenhuis (cf. bijlage).

Rekening houdend met onder meer de vaststelling dat de taakverdeling in de gezondheidszorg onderhevig is aan wijzigingen en dat aan artsen meer en meer nieuwe opdrachten en functies worden toebedeeld, meent de Nationale Raad dat de samenwerking tussen een ziekenhuis en een arts die de functie van "zaalarts" uitoefent, kan worden toegestaan mits rekening gehouden wordt met een aantal deontologische principes.

De "zaalarts" moet beschikken over voldoende competentie om deze functie te verrichten. De ernst en complexiteit van de ziektebeelden in de ziekenhuizen zijn toegenomen en de taakinhoud van de "zaalarts" dient hieraan te worden aangepast.

Het is essentieel dat de supervisie door een arts, erkend in de desbetreffende specialiteit, dient te worden verzekerd.

Onder die voorwaarden aanvaardt de Nationale Raad dat een aantal taken aan de "zaalarts" kunnen worden toevertrouwd, onder meer :

- medebeheer van het dossier;
- opnameprocedure;
- opstellen van een diagnostisch plan samen met een supervisor;
- medeuitvoering van dit plan;
- bijeenbrengen van de resultaten en de adviezen van geraadpleegde specialisten;
- integratie ervan in de diagnostische en therapeutische schema's;
- toezicht op de gevolgen ervan voor de patiënt;
- contactname met de behandelende huisarts die enerzijds vaak over waardevolle informatie beschikt voor het zorgverloop en anderzijds zal instaan voor de opvolging van de patiënt na de opname;
- medewerking aan de continue navorming van het verpleegkundig personeel en de best mogelijk integratie van de nursing in de medische zorg;
- opstellen van een voorlopige ontslagbrief en vervullen van de verschillende administratieve stappen die nodig zijn voor de patiënt.

Dit ontheft de specialist niet van zijn plichten en verantwoordelijkheden.

Om zo goed mogelijk te kunnen voldoen aan deze verschillende opdrachten is de Nationale Raad van mening dat de activiteiten van een «zaalarts» moeilijk verenigbaar zijn met deze van huisarts. In dit verband herinnert hij aan zijn advies van 12 mei 2007 waar uitvoerig gewezen wordt op het controversiële en tegenstrijdige aspect van de combinatie huisartsgeneeskunde en «zaalarts».


Elke samenwerkingsovereenkomst dient voorafgaandelijk ter goedkeuring aan de Provinciale Raad te worden voorgelegd. Deze dient erover te waken dat de «zaalarts» volwaardig deel uitmaakt van het team en bijgevolg ook in functie van zijn activiteiten correct wordt gehonoreerd (cf. art. 84 van de Code van geneeskundige plichtenleer).

Bijlage : 1

Brief van de Nationale Raad aan mevrouw Laurette ONKELINX, Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

In zijn vergadering van 28 juni 2008 besprak de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de problematiek betreffende de ziekenhuizen die een algemeen geneeskundige aanwerven om de functie van «zaalarts» uit te oefenen.
De Nationale Raad stelt vast dat er tot op heden geen wettelijke definitie van het begrip «zaalarts» in een ziekenhuis bestaat.
De Nationale Raad verstaat hieronder de arts die niet-specialist is in de traditionele zin en die bepaalde functies uitoefent in het ziekenhuis.
Noch de wetgeving betreffende het statuut van de ziekenhuisgeneesheer (wet van 7 augustus 1987 op ziekenhuizen), noch deze betreffende de erkenning van medische specialisten en van huisartsen (koninklijk besluit van 21 april 1983) voorziet in de klinische functie van een «zaalarts».
De afwezigheid van een wettelijk statuut van «zaalarts» werkzaam in een ziekenhuis stelt een aantal problemen met zijn rechten en plichten versus die van de ziekenhuisarts. De rechtsverhouding van de «zaalarts» binnen het ziekenhuis blijft derhalve zeer onduidelijk zowel naar de beheerder, de medische raad als naar de ziekenhuisartsen.
Bovendien bestaat er geen aangepaste Riziv-nomenclatuur voor de algemeen geneeskundige die de functie van «zaalarts» in een specialistische dienst van een ziekenhuis uitoefent.
Indien de «zaalarts» effectief het statuut van ziekenhuisarts verwerft, rijzen er vragen bij de beoefening van de huisartsgeneeskunde, gezien de wettelijke criteria voor de erkenning als huisarts en de bescherming van deze beroepstitel. Ook dienen in voorkomend geval de vestigingsvoorwaarden als huisarts versus de intramurale activiteiten en de locatie van het ziekenhuis bekeken te worden.
Indien de «zaalarts» als ziekenhuisarts zou worden beschouwd, dient ook rekening gehouden te worden met het feit dat gespreide activiteiten van ziekenhuisartsen aan strikte beperkingen onderhevig zijn. Hetzelfde geldt indien de «zaalarts» als algemeen geneeskundige zou beschouwd worden en daarnaast nog een activiteit als huisarts zou uitoefenen. Het probleem is ook wat als hoofd- en/of nevenactiviteit moet worden beschouwd : de intramurale of de extramurale medische activiteit.
Door het ontbreken van een wettelijk statuut van een algemeen geneeskundige als «zaalarts» werkzaam in een ziekenhuis is de positie van de algemeen geneeskundige, die enerzijds als ziekenhuisgeneesheer zou functioneren en anderzijds als huisarts, niet alleen onduidelijk maar zelfs controversieel en tegenstrijdig.
Rekening houdend met onder meer de vaststelling dat de taakverdeling in de gezondheidszorg wijzigingen ondergaat en er aan artsen meer en meer nieuwe opdrachten en functies toebedeeld worden, meent de Nationale Raad dat een samenwerking tussen een ziekenhuis en een arts die de functie van «zaalarts» uitoefent mogelijk moet zijn.

De Nationale Raad verzoekt u dan ook hieromtrent de nodige initiatieven te willen nemen en een wettelijke regeling te voorzien die het statuut van «zaalarts» definieert.

De Nationale Raad zou het zeer op prijs stellen in de verdere bespreking van dit dossier te worden betrokken.

Lijst van de Orde22/12/2007 Documentcode: a119006
Militaire artsen – tuchtrechtelijke bevoegdheid van de orde van geneesheren

Naar aanleiding van een aan hem voorgelegde vraag betreffende de behandeling van een burger in het militaire ziekenhuis Koningin Astrid door een militair arts, trekt een provinciale raad de aandacht van de Nationale Raad op het statuut van deze artsen die zowel militairen als burgers behandelen.
De Nationale raad bestudeert de materie en richt een brief aan de bevoegde ministers.

BRIEF AAN MEVROUW LAURETTE ONKELINX, MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN VOLKSGEZONDHEID, EN AAN DE HEER PIETER DE CREM, MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING :

Tijdens de vergadering van 22 december 2007 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het volgende advies uitgebracht.

De uitoefening van de geneeskunde in het kader van een militair ambt verschilt minstens op twee punten van de ‘burgerlijke’ geneeskunde.

In de eerste plaats vallen de ziekenhuizen beheerd door het ministerie van Defensie niet onder het toepassingsbied van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen van 7 augustus 1987. Als ziekenhuis wordt alleen het militair hospitaal Koningin Astrid beheerd door de FOD Defensie.

Ten tweede is enkel de militaire arts, in tegenstelling tot de praktijkvoerende niet-militaire arts, niet wettelijk verplicht zich in te schrijven op de Lijst van de Orde van geneesheren, behalve indien hij de geneeskunde beoefent buiten zijn militair ambt (artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren).

De Nationale Raad is van mening dat dit onderscheid niet meer gerechtvaardigd is en de belangen van de patiënten kan schaden.

  1. De wet op de ziekenhuizen

    De uitbreiding van het toepassingsgebied van de wet op de ziekenhuizen op het militair hospitaal Koningin Astrid dient de belangen van de patiënten, zowel de burgerlijke als de militaire patiënten.

    De gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, evenals zijn talrijke uitvoeringsbesluiten, zet verschillende structuren of procedures op waarvan de doelstellingen in het belang van de patiënten zijn. Het oprichten van een commissie voor ethiek, een medische raad, diensten bevoegd inzake ziekenhuishygiëne of nog de organisatie van een medische audit zijn stuk voor stuk kwaliteitsfactoren vereist door de wet van 7 augustus 1987 en zijn uitvoeringsbesluiten.

    Het is niet meer te rechtvaardigen deze structuren niet op te zetten binnen het militair hospitaal Koningin Astrid. De patiënten hebben recht op dezelfde kwaliteitsstandaarden zowel in een burgerlijk als een militair ziekenhuis.

    Verschillende recente gebeurtenissen hebben trouwens aangetoond dat het wenselijk zou zijn in het militair hospitaal Koningin Astrid toch ten minste een medische raad en een commissie voor ethiek op te richten.

    In zijn advies van 17 juli 2004 (TNR nr. 106, december 2004, p. 3) pleitte de Nationale Raad voor het installeren van een medische raad binnen het militair ziekenhuis Koningin Astrid.

  2. Inschrijving bij de Orde

    Uit de lectuur van artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren blijkt dat de Orde slechts gezag en rechtsmacht heeft over de legerartsen wanneer ze de geneeskunde uitoefenen buiten hun militair ambt.

    De Nationale Raad is van mening dat dit afwijkende stelsel ingaat tegen de belangen van de patiënten en moeilijk verenigbaar is met de realiteit op het terrein.

    Hij wijst er vooreerst op dat de term “militair ambt” verwarring schept. Zoals de Nationale Raad het benadrukte in zijn advies van 17 juli 2004 : “Wanneer militaire artsen bijna uitsluitend burgers verzorgen in bepaalde diensten van de militaire ziekenhuizen, kan men zich afvragen of ze nog altijd handelen ‘in het kader van hun militaire activiteiten’.” In zijn arrest nr. 131.903 van 28 mei 2004 werpt de Raad van State een nieuw licht op deze vraagstelling : « Considérant […] que les médecins qui exercent leur art à l’hôpital militaire de la base Reine Astrid sont des médecins militaires ; que, dans la pratique de l’art médical, ils relèvent de l’autorité de l’Ordre des médecins […] ». (Overwegend dat de artsen die hun kunde uitoefenen in het militair hospitaal van de basis Koningin Astrid legerartsen zijn; dat ze, bij de uitoefening van de geneeskunde, onder het gezag van de Orde van geneesheren vallen).
    Deze interpretatie van de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 toont voldoende aan dat dit afwijkende stelsel ontoepasbaar is.

    Ten tweede stelt de Nationale Raad in zijn advies van 17 juli 2004 het volgende vast: “Op te merken valt dat omzeggens alle legerdokters op de Lijst van de Orde ingeschreven zijn daar zij ook buiten hun militaire ambt de geneeskunde uitoefenen. Dit brengt mee dat zij vertrouwd zijn met de regels van de medische deontologie en overtuigd zijn van het belang van de naleving ervan in hun contacten met burgerpatiënten, verwijzers en verzorgingsinstellingen. De Nationale Raad stelt met voldoening vast dat de legerartsen in hun contacten met burgerpatiënten zowel binnen als buiten hun militaire ambt dezelfde deontologische regels naleven wat ook kan worden gezegd over hun contacten met verwijzers. Zo ondervinden patiënten en verwijzers in hun contacten met bv. brandwondencentra nauwelijks enig verschil tussen militaire en burgerlijke ziekenhuizen”. Deze vaststelling toont de nutteloosheid van deze afwijking aan.

    Ten derde stelt de Nationale Raad vast dat het militair ziekenhuis Koningin Astrid niet enkel legerartsen tewerkstelt. Sommige artsen zijn burgerlijke artsen zonder militair statuut en als dusdanig ingeschreven op de Lijst van de Orde van geneesheren. Er is geen reden om de militaire en burgerlijke artsen die in eenzelfde instelling werken te onderwerpen aan verschillende deontologische regels en aan een verschillend tuchtrecht. Het gaat om de bescherming van de patiënten.

    Tot slot neemt de Nationale Raad akte van de nieuwe formulering van artikel 157 van de Grondwet, herzien op 17 december 2002 met het oog op het afschaffen van de militaire rechtscolleges in vredestijd. Ten gevolge van deze grondwetsherziening worden de bevoegdheden van de militaire gerechten van nu af aan uitgeoefend door “de burgerlijke rechtscolleges die strafzaken behandelen (politierechtbanken, rechtbanken van eerste aanleg, hoven van beroep en hoven van assisen). De misdrijven die door militairen zijn gepleegd, zullen op dezelfde wijze worden opgespoord, vervolgd en berecht als de misdrijven gepleegd door andere burgers”. Er is geen reden om deze houding niet te volgen op tuchtrechtelijk vlak.

    Om deze redenen acht de Nationale Raad het nodig de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 te wijzigen zodat alle artsen die gerechtigd zijn in België de geneeskunde uit te oefenen onder het gezag en de rechtsmacht vallen van de Orde van geneesheren. De toepassing van de tuchtregels van de Orde van geneesheren belet geenszins de parallelle toepassing van een tuchtstelsel eigen aan het militaire regime.

    De Nationale Raad zou het aan deze zaak voorbehouden gevolg willen vernemen.

Huisarts12/05/2007 Documentcode: a117002
Aanwerving van een algemeen geneeskundige voor de functie van zaalarts in een ziekenhuis

Een provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad betreffende het feit dat meer en meer specialistische diensten in ziekenhuizen een algemeen geneeskundige aanwerven om de functie van zaalarts uit te oefenen.
Deze arts is verantwoordelijk voor de coördinatie en de dagelijkse, niet-strikt specialistische opvolging van de gehospitaliseerde patiënten en neemt ook de administratieve kant van de zorg op zich : ontslagmanagement, brieven, het tijdig en volledig invullen van voorschriften, attesten en aanvragen, het bijhouden van de minimale klinische gegevens (MKG) enz.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad stelt vast dat er tot op heden geen wettelijke definitie van het begrip “zaalarts” in een ziekenhuis bestaat.

Noch de wetgeving betreffende het statuut van de ziekenhuisgeneesheer (koninklijk besluit van 7 augustus 1987), noch de wetgeving betreffende de erkenning van medische specialisten en van huisartsen (koninklijk besluit van 21 april 1983) voorziet in de functie van een zaalarts.

De afwezigheid van een wettelijk statuut van “zaalarts” werkzaam in een ziekenhuis, stelt een aantal problemen in verband met de rechten en plichten van “zaalarts”, mutatis mutandis versus die van «ziekenhuisgeneesheer». De rechtsverhouding van de zaalarts binnen het ziekenhuis blijft derhalve zeer onduidelijk : zowel naar de beheerder, de medische raad als de ziekenhuisgeneesheren.

Betreffende de Riziv-nomenclatuur zijn de professionele bevoegdheden van een algemeen geneeskundige zeer beperkt en zeker voor hen “zonder verworven rechten”.

Indien de “zaalarts” effectief het statuut van “ziekenhuisgeneesheer” verwerft stellen zich vragen bij de beoefening van de huisartsgeneeskunde, gezien de wettelijke criteria voor de erkenning als “huisarts” en de bescherming van deze beroepstitel. Ook dienen in voorkomend geval de vestigingsvoorwaarden als huisarts versus de intramurale activiteiten en de locatie van het ziekenhuis bekeken te worden, onder meer moet het ronselen van patiënten worden vermeden.

Indien de zaalarts als ziekenhuisgeneesheer zou worden beschouwd dient ook rekening gehouden te worden met het feit dat gespreide activiteiten van ziekenhuisgeneesheren aan strikte beperkingen onderhevig zijn. Hetzelfde geldt indien de zaalarts als algemeen geneeskundige zou beschouwd worden en daarnaast nog een activiteit als huisarts zou uitoefenen. Problemen stellen zich ook wat als hoofd- en/of nevenactiviteit moet worden beschouwd : de intramurale of de extramurale medische activiteit.

Door het ontbreken van een wettelijk statuut van een algemeen geneeskundige als zaalarts werkzaam in een ziekenhuis is de positie van de algemeen geneeskundige, die enerzijds als ziekenhuisgeneesheer zou functioneren en anderzijds als huisarts, niet alleen onduidelijk maar zelfs controversieel en tegenstrijdig.

Op deontologisch vlak acht de Nationale Raad het ongepast dat een algemeen geneeskundige als personeelslid in dienst wordt genomen door een groep ziekenhuisartsen met als opdracht een deel van de taken van die ziekenhuisartsen, namelijk het “zaalwerk”, uit te voeren.

De Nationale Raad is van mening dat een dergelijke constructie, waarbij ziekenhuisspecialisten hun minder aantrekkelijke taken (administratie, MKG, opvolgen van de dagdagelijkse pathologie, voorschriften, verslagen enz.) overlaten aan een algemeen geneeskundige, ingaat tegen de geest van een ernstige taakverdeling in de gezondheidszorg.

In die omstandigheden meent de Nationale Raad dat samenwerkingsovereenkomsten tussen specialistische diensten in ziekenhuizen en een algemeen geneeskundige voor de functie van “zaalarts” niet aanvaardbaar zijn.

Beroepsgeheim15/07/2006 Documentcode: a113003
Registratie van de telefoongesprekken op de dienst spoedgevallen van een ziekenhuis

Een provinciale raad vraagt het advies van de Nationale Raad betreffende het registreren van alle communicaties op de dienst spoedgevallen van een ziekenhuis.

Advies van de Nationale Raad :

In 1985 werd door het Antigifcentrum een gelijkaardige vraag gesteld. In zijn vergadering van 11 mei 1985 werd door de Nationale Raad geen gunstig advies verleend in verband met de opname van telefoonoproepen omdat vanuit deontologisch standpunt dergelijke opnamen slechts kunnen gebeuren met de voorafgaande toestemming van de oproeper. De vraag kan gesteld worden of er nieuwe elementen kunnen aangebracht worden die aanleiding kunnen zijn om dit advies te wijzigen.

De Nationale Raad onderzocht de wetgeving terzake en meer in het bijzonder de Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen specifieke regelgeving bestaat betreffende het op band opnemen van telefoongesprekken met de dienst spoedgevallen.

In zijn vergadering van 18 juni 2005 besliste de Nationale Raad het advies in te winnen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De voorzitter van deze commissie antwoordde op 10 mei 2006 dat de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (hierna “WEC”) van toepassing is, meer bepaald het artikel 125 :
§ 1. De bepalingen van artikel 124 van deze wet en de artikelen 259bis en 314bis van het strafwetboek zijn niet van toepassing : … 3° wanneer de handelingen worden gesteld om de interventie van hulp- en nooddiensten mogelijk te maken die antwoorden op aan hen gerichte verzoeken om hulp; …
§ 2. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Instituut (Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie), bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels en de middelen die moeten worden ingezet om het identificeren, het opsporen, lokaliseren, afluisteren, kennisnemen en opnemen van elektronische communicatie mogelijk te maken.

Tot op heden blijkt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nog niet door de bevoegde overheid te zijn geconsulteerd.

De conclusie is dan ook dat, in afwachting van de door de WEC voorziene uitvoeringsbesluiten, er vooralsnog geen wettelijke mogelijkheid bestaat om tot opname van het telefoongesprek over te gaan door een hulp- en nooddienst.

De Nationale Raad handhaaft derhalve zijn advies van 11 mei 1985.

Hoofdarts24/06/2006 Documentcode: a113002
Publiciteit - Nieuwe ziekenhuisdienst, nieuw diagnose- of behandelingsapparaat

Publiciteit – Nieuwe ziekenhuisdienst, nieuw diagnose- of behandelingsapparaat

Een provinciale raad vraagt welke houding hij dient aan te nemen wat betreft het verschijnen van persartikels naar aanleiding van de inhuldiging van een nieuwe ziekenhuisdienst of de ingebruikname van een nieuw diagnose- of behandelingsapparaat. Soms lijken deze meer op een promotiecampagne voor een ziekenhuis, een dienst of een arts-specialist dan op echte wetenschappelijke informatie aan het grote publiek.
Moeten hier grenzen worden opgelegd ? Dienen dergelijke publicaties aanvaard te worden voor ziekenhuisartsen ? Dienen de artikelen van de Code van geneeskundige plichtenleer inzake publiciteit en reclame anders geïnterpreteerd te worden naargelang het gaat om ziekenhuisartsen of niet-ziekenhuisartsen ?

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergaderingen van 22 april 2006 en 24 juni 2006 heeft de Nationale Raad de vraag besproken in verband met de publiciteit die gemaakt wordt in de pers naar aanleiding van de inhuldiging hetzij van een nieuwe ziekenhuisdienst, hetzij van een diagnose- of behandelingsapparaat en dit soms met vermelding van de naam van de arts of artsen verantwoordelijk voor deze nieuwe ontwikkelingen. Deze publicaties worden door sommigen aangevoeld als een overschrijding van de noodzakelijke informatie aan het publiek.

De Nationale Raad is er zich van bewust dat dergelijke feiten storend kunnen zijn voor artsen die niet op dezelfde wijze handelen. De provinciale raden beschikken over de mogelijkheden en middelen om misbruik van publiciteit te vermijden. Hun optreden kan steunen op drie pijlers : de wetgeving omtrent publiciteit, de Code van geneeskundige plichtenleer en een beroep doen op de hoofdgeneesheer van het ziekenhuis.

De wetgeving betreffende de publiciteit

De wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, definieert in zijn artikel 2, 4°, de publiciteit als volgt : “iedere vorm van mededeling bij de uitoefening van een vrij beroep die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft de afzet van goederen of diensten te bevorderen, met inbegrip van onroerende goederen, van rechten en verplichtingen en met uitsluiting van de door de wet voorgeschreven mededelingen.”

De publiciteit wordt dus wel degelijk gedefinieerd door het nagestreefde doel en niet door haar vorm. Het is niet omdat een mededeling de vorm aanneemt van een persartikel dat het niet over publiciteit gaat. Weliswaar is zo’n artikel a priori niet onwettig noch in strijd met de geneeskundige plichtenleer. Het is aan de provinciale raad na te gaan wat de bedoeling was van de auteurs.

De Code van geneeskundige plichtenleer

De artikelen 12 tot 17 van de Code zijn duidelijk. Artikel 13 stelt onder meer dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk dient te zijn, dat zij in geen geval misleidend noch vergelijkend mag zijn en dat ronseling van patiënten niet is toegelaten. Op basis hiervan kan beoordeeld worden of een publiciteit al dan niet in overeenstemming is met de deontologische voorschriften.

De hoofdgeneesheer en de medische raad

In zijn advies van 17 januari 2004, gewijzigd op 1 oktober 2005 (Tijdschrift nr. 110, december 2005, p. 2) betreffende internetsites herinnerde de Nationale Raad eraan dat elke site die informatie over een of meerdere artsen bevat, aangegeven dient te worden ongeacht of hij uitgebaat wordt door artsen in hun naam of in naam van een niet-arts, een vereniging of een instelling. Indien het gaat over een site die betrekking heeft op een zorginstelling dient de aangifte te gebeuren door de hoofdgeneesheer. Deze laatste is in de regel verantwoordelijk voor de inhoud van de verspreide berichten.

In dezelfde geest meent de Nationale Raad dat hetzelfde geldt voor publiciteit die georganiseerd wordt door de persdiensten van het ziekenhuis. Door zijn positie is de hoofdgeneesheer verplicht zich te verzetten tegen elke publiciteit die strijdig is met de bepalingen van de Codeartikelen, ongeacht of ze uitgaat van een ziekenhuisarts, een dienst of het beheer van de instelling.

Bovendien is de Nationale Raad van oordeel dat elke arts, eventueel bij monde van de medische raad, de plicht heeft ongepaste publiciteit aan de kaak te stellen. In zo’n geval dient hij een beroep te doen op de hoofdgeneesheer.

Het komt aan de provinciale raden toe na te gaan of de publiciteit in overeenstemming is met de regels van de geneeskundige plichtenleer en in voorkomend geval de gepaste tuchtmaatregelen te nemen.

Deze regels zijn van toepassing zowel op intra- als extramurale artsen.

Beroepsgeheim22/04/2006 Documentcode: a113001
Ombudsfunctie - Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

Brief aan de Eerste Minister, aan de leden van de regering en aan de voorzitters van de politieke partijen vertegenwoordigd in het Parlement :

Naar aanleiding van een aantal verontrustende berichten onderzocht de Nationale Raad in zijn vergaderingen van 18 maart en 22 april 2006 het functioneren van de ombudsfunctie als bepaald in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Als bijlage wordt het advies van de Nationale Raad van 21 mei 2005 omtrent de ombudsfunctie toegevoegd waarin onder meer aan de artsen en provinciale raden gevraagd wordt zich in te zetten voor de uitbouw van de ombudsfunctie.

Meer dan drie jaar na het van kracht worden van deze wet is enkel in de ziekenhuizen enig werk gemaakt van het opstarten van de ombudsfunctie. Nochtans bepaalt artikel 11, §1, van de wet dat alle patiënten het recht hebben klacht neer te leggen in verband met de uitoefening van hen door die wet toegekende rechten maar voor de patiënten uit de ambulante sector is dit recht tot vandaag dode letter gebleven. Voor zover de Nationale Raad bekend nam de bevoegde minister voor deze groep, nooit enig initiatief om dit recht in uitvoeringsbesluiten om te zetten. Het is niet ernstig te stellen dat ambulante patiënten een beroep kunnen doen op de ombudsdienst bij de Federale Commissie „Rechten van de patiënt“ : patiënten van Maaseik of Virton moeten naar Brussel reizen om hun recht te kunnen uitoefenen. Ernstige bemiddeling houdt in dat de bemiddelaar zo nodig met beide partijen in gesprek gaat. De Nationale Raad is van mening dat elke patiënt recht heeft op een laagdrempelige bemiddelingsinstantie binnen een voor hem redelijke afstand.

De Nationale Raad is er zich van bewust dat de uitbouw van ombudsfuncties die aan deze essentiële vereisten voldoen, budgettaire consequenties heeft. Het is echter onaanvaardbaar dat vier jaar lang geen middelen werden voorzien voor de uitbouw van een door de wetgever aan elke patiënt toegekend recht.

Twee en een half jaar zijn verstreken sinds het in werking treden op 1 november 2003 van het koninklijk besluit van 8 juli 2003, houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie in de ziekenhuizen moet voldoen. Bij de evaluatie van het functioneren van deze diensten deed de Nationale Raad enkele schrijnende vaststellingen.
Sommige ziekenhuizen hebben ernstige inspanningen gedaan om de ombudsfunctie zowel naar de geest als de letter van de wet uit te bouwen, maar hun aantal is een minderheid.

Nauwelijks enkele ziekenhuizen, de psychiatrische daargelaten, hebben van de bij wet geboden mogelijkheid gebruikt gemaakt om deze ombudsfunctie via een samenwerkingsakkoord uit te oefenen. Slechts enkele ziekenhuizen beschikken over een voltijdse ombudsfunctie die enkel gelast wordt met de bij wet bepaalde opdrachten.

In veel ziekenhuizen wordt de ombudsfunctie opgezadeld met de behandeling van heel wat klachten die niets met de zorgverstrekking, in het bijzonder met de relatie patiënt-beroepsbeoefenaar, te maken hebben. Zij verdoen hun tijd met parkingproblemen, onthaal, receptie, kwaliteit van de maaltijden, facturatie, enzovoort. De ombudsfunctie wordt gedegradeerd tot het manusje-van-alles, waardoor het moreel gezag van de functie in het ziekenhuis onderuit wordt gehaald.

In andere ziekenhuizen werkt één en dezelfde persoon deeltijds als ombudsfunctie en deeltijds als verpleegkundige, maatschappelijk werk(st)er, psycholo(o)ge of jurist(e). Ombudsfuncties die uitgeoefend worden door een lid van de directie bestaan ook. Er zijn zelfs hoofdgeneesheren die een deeltijdse ombudsfunctie ambiëren. De Nationale Raad is van mening dat de bij wet bepaalde onafhankelijkheid van de ombudsfunctie essentieel is en dat allerlei vernuftige combinaties het vertrouwen van de patiënt in de neutraliteit van deze bemiddelaar ondermijnen.

Ook betreffende het beroepsgeheim van de ombudsfunctie bestaan merkwaardige opvattingen. In sommige ziekenhuizen deelt de ombudspersoon elke klacht over een geneesheer onmiddellijk mee aan de hoofdgeneesheer, die zich met de afhandeling van de klacht bemoeit. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in deze ziekenhuizen de ombudsfunctie ervaren wordt als een aanhangsel van de directie wat strijdig is met zijn vereiste onafhankelijkheid. Volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 11 van de Patiëntenrechtenwet wenste de wetgever een nieuw orgaan om aan de bestaande situatie te verhelpen en tegemoet te komen aan het „onbehaaglijk gevoel“ van de klager en zijn klacht van “weinig gehoor“.

Op grond van zijn analyse meent de Nationale Raad dat de ombudsfunctie voor de ambulante sector nauwelijks tot niet bestaat en in een aantal ziekenhuizen uiterst gebrekkig functioneert. Een nochtans uniek instrument voor de verbetering van de kwaliteit van de zorg wordt vermoedelijk om budgettaire redenen slechts partieel benut. Een goed uitgebouwde ombudsfunctie moet op termijn een kostenbesparend effect hebben dat, in tegenstelling met andere maatregelen, zowel door alle patiënten als alle zorgverstrekkers in dank zal worden aanvaard. De Nationale Raad is van mening dat het de hoogste tijd is dat de uitvoerende macht en in het bijzonder zijn Minister van Volksgezondheid, zijn verantwoordelijkheid opneemt.

Advies van de Nationale Raad van 21 mai 2005, TNR 109, p. 4 :

TOEPASSINGSGEBIED

De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt bepaalt in artikel 11, §1, dat elke patiënt het recht heeft “een klacht in verband met de uitoefening van zijn rechten toegekend door deze wet neer te leggen bij de bevoegde ombudsfunctie”. Artikel 3 van de wet stelt dat de Patiëntenrechtenwet van toepassing is “op de privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtsverhoudingen inzake gezondheidszorg verstrekt door een beroepsbeoefenaar aan een patiënt”. De bij wet bepaalde opdracht van de ombudsfunctie beperkt zich tot de relatie patiënt-beroepsbeoefenaar waaruit volgt dat de behandeling van klachten over personeel van bv. de receptie, de administratie, de huishoudelijke diensten of de keuken niet onder de wettelijk bepaalde taken van de ombudsfunctie valt. De wetgever heeft er geen uitspraak over gedaan of aan de bij wet bepaalde opdrachten van de ombudsfunctie andere taken kunnen toegevoegd worden. De Nationale Raad denkt dat dit strijdig zou kunnen zijn met de in artikel 11, §3, gestelde “voorwaarden waaraan de ombudsfunctie dient te voldoen wat betreft de onafhankelijkheid, het beroepsgeheim, de juridische bescherming, …”

TAKEN OMBUDSFUNCTIE

De taken van de ombudsfunctie zijn duidelijk bepaald in artikel 11, §2, van de Patiëntenrechtenwet. Voor eerst heeft de ombudsfunctie als opdracht “het voorkomen van vragen en klachten door de communicatie tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar te bevorderen”. Indien deze preventieve opdracht faalt dient de ombudsfunctie te bemiddelen “met het oog op het bereiken van een oplossing” en indien deze bemiddeling niet slaagt heeft de ombudsfunctie als taak “het inlichten van de patiënt inzake de mogelijkheden voor de afhandeling van zijn klacht…”.
In zijn advies van 17 februari 2001 aangaande de conceptnota rechten van de patiënt stelde de Nationale Raad: “Wat het recht op klachtenbemiddeling betreft is het juist dat veel onvrede, ongenoegen en zelfs schadeclaims kunnen voorkomen worden door een snelle bemiddeling door een laagdrempelige instantie. Het is voor de hand liggend dat een bemiddeling enkel zinnig kan zijn wanneer alle betrokkenen open kunnen praten en het niet enkel over feiten maar ook over fouten mogen hebben. De overgrote meerderheid van contracten burgerlijke aansprakelijkheid van de artsen laat dit echter niet toe. Men kan zich dan ook afvragen wat artsen te wachten staat wanneer geen minnelijke schikking tot stand komt en zij toegaven een fout te hebben begaan. Openheid in de communicatie met de bemiddelaar kan voluit onderschreven worden maar arts noch patiënt mogen hiervan de dupe worden. De wetgever zou met dit aspect rekening moeten houden bij het uitwerken van een ombudsfunctie”.

BEROEPSGEHEIM OMBUDSFUNCTIE

De wetgever stelt in de Patiëntenrechtenwet onder meer dat de ombudsfunctie onafhankelijk dient te zijn en het beroepsgeheim hoort na te leven. In het koninklijk besluit van 8 juli 2003 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan de ombudsfunctie in de ziekenhuizen moet voldoen, bepaalt artikel 3 enkel dat de ombudspersoon, zijnde de persoon waaraan de leiding van de ombudsfunctie wordt toevertrouwd, verplicht is “het beroepsgeheim te respecteren en een strikte neutraliteit en onpartijdigheid” in acht te nemen. De praktijk leert dat de naleving van het beroepsgeheim door de ombudspersoon reeds herhaaldelijk problemen gaf. Zo schendt de ombudspersoon het beroepsgeheim door andere personen in kennis te stellen van een ontvangen klacht. Het is dan ook uitgesloten dat de ombudsfunctie de hoofdgeneesheer in kennis stelt van een ontvangen klacht tegen een geneesheer of deze voor behandeling aan hem overmaakt of hem bij de behandeling van de klacht betrekt. Vóór de totstandkoming van de Patiëntenrechtenwet was het gebruikelijk dat de hoofdgeneesheer als lid van de ziekenhuisdirectie bij klachten van patiënten poogde te bemiddelen maar de wetgever heeft deze taak, als een recht van de patiënt, toevertrouwd aan een daartoe speciaal opgericht orgaan, de ombudsfunctie.

BEVOEGDHEDEN HOOFDGENEESHEER

In dit verband dient te worden gezegd dat de bevoegdheden van de hoofdgeneesheer wettelijk zijn bepaald. De wetgever heeft aan de hoofdgeneesheer in geval van klacht vanwege een patiënt geen bemiddelingsopdracht noch onderzoeksopdracht toegekend. De artikelen 13 tot 17 van de ziekenhuiswet gecoördineerd door het KB van 7 augustus 1987 bepalen in algemene bewoordingen de taken van de hoofdgeneesheer. Artikel 13 bepaalt dat hij “verantwoordelijk is voor de goede gang van zaken in het medisch departement” en dat “zijn taken betrekking hebben op de organisatie en coördinatie van de medische activiteit in het ziekenhuis. ”Artikel 14 bepaalt dat de medische activiteit dusdanig moet “georganiseerd worden dat zij een integrerend deel vormt van de ziekenhuisactiviteit” en “dat het ziekenhuis dusdanig moet georganiseerd worden dat de medische activiteit er in optimale voorwaarden kan geschieden”. Artikel 15 bepaalt dat “de nodige organisatorische structuren (moeten) tot stand worden gebracht om op systematische wijze te kunnen overgaan tot een toetsing van de (kwaliteit) van de medische activiteit in het ziekenhuis” terwijl artikel 16 stelt dat de hoofdgeneesheer de noodzakelijke initiatieven neemt om de ziekenhuisgeneesheren te betrekken bij de realisatie van de in artikelen 14 en 15 bepaalde opdrachten. Het koninklijk besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de in artikel 13 tot en met 16 van de hoger geciteerde wet op de ziekenhuizen concretiseert de hoger vermelde bevoegdheden als kwaliteit bevorderen en evalueren (artikel 5, 8°), organiseren van continuïteit en permanentie (artikel 5, 9°) en medische audit (artikel 6, 7°) zonder aan de hoofdgeneesheer een bemiddelingsopdracht of een onderzoeksbevoegdheid in geval van klacht toe te vertrouwen.

OPLEIDING OMBUDSFUNCTIE

Artikel 2 van het reeds geciteerde koninklijk besluit bepaalt dat “de ombudspersoon dient te beschikken over minstens een diploma van hoger onderwijs buiten universiteit korte type”. De uitvoerende macht koos voor een opleidingsniveau dat het laagdrempelig karakter van de functie voor de patiënt in de hand werkt.

ZIEKENHUISARTS - OMBUDSFUNCTIE

Een cruciale vraag is of de ziekenhuisarts verplicht is in te gaan op een poging tot bemiddeling van de ombudspersoon. De Nationale Raad is van mening dat een ziekenhuisarts gevolg dient te geven aan een uitnodiging voor een gesprek met de ombudspersoon betreffende een tegen hem ingediende klacht. Het is in ieders belang dat ernaar gestreefd wordt klachten van patiënten zoveel als mogelijk door bemiddeling op te lossen. In dit verband wordt verwezen naar artikel 17 van de Patiëntenrechtenwet waardoor in de wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987 artikel 17 novies en artikel 70 quater ingevoegd worden. Uit de gezamenlijke lezing van deze artikelen blijkt dat ieder ziekenhuis erover dient te waken dat alle beroepsbeoefenaars de rechten van de patiënt als bepaald in de Patiëntenrechtenwet eerbiedigen en één van die rechten is een beroep kunnen doen op de ombudsfunctie. Hieruit volgt dat de beheerder van het ziekenhuis van de beroepsbeoefenaars verwacht dat zij het bestaan van de ombudsfunctie erkennen en, in geval van klacht, gevolg geven aan een uitnodiging voor een gesprek met de ombudspersoon. Ook de hoofdgeneesheer dient de ziekenhuisgeneesheren op hun verplichtingen t.a.v. de ombudsfunctie te wijzen. Artikel 5, 1°, van het hoger geciteerde KB van 15 december 1987 stelt dat de hoofdgeneesheer de nodige initiatieven dient te nemen om “de toepassing van de wettelijke en reglementaire voorschriften te waarborgen, althans voor zover deze de medische activiteiten betreffen”.

INFORMEREN VAN OMBUDSFUNCTIE

Aansluitend hierop kan de vraag gesteld welke informatie een arts aan de ombudspersoon kan en mag verstrekken. Hierop is geen algemeen antwoord te geven. Klachten die op communicatiestoornissen en misverstanden berusten zullen om andere informatie vragen dan klachten die een schadeclaim beogen of tot een procedure voor de rechtbank kunnen leiden. Het ligt voor de hand dat de arts aan de ombudspersoon de informatie kan verstrekken die hij aan de klager heeft meegedeeld en het kan nuttig zijn dit in het bijzijn van de klager te doen, wat heel wat misverstanden kan ophelderen. Essentieel is dat een arts enkel die medische gegevens mag prijsgeven die noodzakelijk zijn om op een klacht te antwoorden.
Bij het verstrekken van informatie is het belangrijk na te gaan of beide partijen door bemiddeling tot een regeling in der minne hopen te komen. Indien het vaststaat dat dit niet mogelijk is, eindigt de bemiddeling en dient de ombudspersoon volgens artikel 11, §2, 3° de patiënt in te lichten “inzake de mogelijkheden voor de afhandeling van zijn klacht”. Er zal heel wat professionaliteit nodig zijn om deze opdracht tot een goed einde te brengen zonder ook maar op enigerlei wijze het beroepsgeheim te schenden.

INZAGE DOSSIER DOOR OMBUDSFUNCTIE

Herhaaldelijk werd de vraag gesteld of de ombudspersoon inzagerecht heeft van het patiëntendossier. De Patiëntenrechtenwet voorziet dit niet maar evenmin is voorzien dat de ombudspersoon niet als vertrouwenspersoon door de patiënt kan aangewezen worden. Via deze weg zou de ombudspersoon van het ziekenhuis samen met de patiënt of via de patiënt, voor zover deze althans op dat ogenblik bekwaam is zijn rechten zelfstandig uit te oefenen, inzage van het patiëntendossier kunnen vragen.
Om een heersend misverstand te corrigeren herinnert de Nationale Raad eraan dat iedereen door de patiënt als vertrouwenspersoon kan aangewezen worden en als zodanig inzagerecht in het patiëntendossier kan bekomen onder de in artikel 9, §2, bepaalde voorwaarden. Het staat dan ook vast dat aan een als vertrouwenspersoon aangewezen ombudspersoon geen inzage van het patiëntendossier kan geweigerd worden omdat hij geen arts is. Wel heeft de Nationale Raad in zijn advies van 26 juli 2003 betreffende de Patiëntenrechtenwet gesteld dat het door de wet uitsluitend aan beroepsbeoefenaars toegekende inzagerecht van het medisch dossier enkel door artsen kan uitgeoefend worden. Dit betreft inzage van de persoonlijke notities (artikel 9, §2, vierde alinea), inzage wanneer aan de patiënt bepaalde informatie onthouden wordt (artikel 9, §2, vijfde alinea en artikel 7, §4, tweede alinea), inzage van het dossier na overlijden (artikel 9, §4) en inzage op vraag van de vertegenwoordiger van de patiënt (artikel 15, §1). Volgens het advies van de Nationale Raad kan in deze opgesomde gevallen geen inzage worden verleend aan de ombudspersoon ook al is hij beroepsbeoefenaar maar geen arts.
Theoretisch kan gesteld worden dat de ombudspersoon, aangewezen als vertrouwenspersoon door de patiënt, inzagerecht en recht op afschrift van het patiëntendossier heeft. In de praktijk zou het echter van de ombudspersoon onwijs zijn om via de patiënt inzage en afschrift van het patiëntendossier te vragen indien de arts de ter zake doende stukken van het dossier niet spontaan wenst voor te leggen. Hierbij mag niet vergeten worden dat de patiënt het recht heeft zelf een afschrift van zijn dossier te vragen . Daarnaast stelt zich de vraag of het aanvaarden van de functie van vertrouwenspersoon van de patiënt compatibel is met de wettelijk vereiste neutraliteit en onpartijdigheid van de ombudspersoon. Overigens loopt de ombudspersoon het risico veel krediet te verliezen bij alle beroepsbeoefenaars van het ziekenhuis waardoor zijn rol als bemiddelaar ernstig wordt gehypothekeerd.

UITBOUW OMBUDSFUNCTIE

De Nationale Raad meent dat rond de ombudsfunctie in de ziekenhuizen nog heel wat werk te doen valt wat niet verwonderlijk is aangezien de wetgeving nog recent is (het ministerieel besluit omtrent de ombudsfunctie trad op 01/11/2003 in werking). Het is belangrijk dat de hoofdgeneesheren, Medische Raden en alle ziekenhuisartsen zich met alle beroepsbeoefenaars inzetten om de ombudsfunctie in de ziekenhuizen uit te bouwen tot een goed functionerend en het beroepsgeheim respecterend orgaan dat een belangrijke rol kan spelen in de behandeling en de preventie van klachten van patiënten. In dit verband meent de Nationale Raad dat het nuttig zou zijn dat de provinciale raden met de ombudspersonen van hun provincie, eventueel met de hoofdgeneesheren samen rond de tafel gaan zitten. Nogal wat klachten zouden vermoedelijk in eerste instantie beter door de ombudsfuncties behandeld worden. Voor alle betrokkenen is het belangrijk dat elke klacht snel en adequaat behandeld wordt. Gesprekken van provinciale raden met ombudsfuncties zouden daartoe kunnen bijdragen.

Tenslotte merkt de Nationale Raad op dat de ombudsfunctie tot nog toe enkel gerealiseerd is voor ziekenhuispatiënten en ziekenhuisartsen. Het valt te betreuren dat de uitvoerende macht er nog geen werk van maakte om een door de wetgever aan alle patiënten toegekend recht ook uit te bouwen voor ambulante patiënten. Elke patiënt heeft recht op een laagdrempelige instantie als bemiddelaar bij klachten over om het even welke beroepsbeoefenaar.

Medische Raad18/06/2005 Documentcode: a109014
Artikel 140, §5, Ziekenhuiswet - Individuele overeenkomsten tussen beheerder en ziekenhuisarts

Artikel 140, §5, Ziekenhuiswet – Individuele overeenkomsten tussen beheerder en ziekenhuisarts

Een artsensyndicaat reageerde op het door de Nationale Raad in zijn advies van 3 april 2004 ingenomen standpunt betreffende de inlassing van §5 in artikel 140 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen (Tijdschrift Nationale Raad nr. 104, juni 2004, p. 4).

Advies van de Nationale Raad :

Het artsensyndicaat ervaart het als teleurstellend dat in het advies van de Nationale Raad de solidariteit onder de ziekenhuisartsen voorgaat op het belang van de individuele arts. Het artsensyndicaat vraagt zich af of “uitbuiting” waarvan sprake in artikel 84 van de Code van geneeskundige plichtenleer niet mutatis mutandis dient toegepast te worden en of een arts van 64 jaar kan verplicht worden aanzienlijke sommen te investeren in bouwprojecten en andere investeringen waarop hij nooit een beroep zal kunnen doen.

In dit verband wenst de Nationale Raad te wijzen op de inlassing van §6 in artikel 140 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen door de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid. Deze nieuwe paragraaf plafonneert het totale jaarlijkse bedrag van de door het ziekenhuis verrichte inhoudingen maar bepaalt eveneens dat dit bedrag kan overschreden worden bij unaniem akkoord van de Medische Raad, bij infrastructuurwerken die een verbetering betekenen voor de werking van het ziekenhuis of voor de artsen en het verpleegkundig personeel, bij het financieren van een herstelplan van een openbaar ziekenhuis en bij structurele hervormingen zoals een fusie, associatie of groepering. Uit deze paragraaf blijkt dat het algemeen belang de basis van de inhoudingen is.

In het advies van 3 april 2004 zegt de Nationale Raad te begrijpen dat de invoeging van §5 nadelig kan zijn voor sommige artsen en dat het cruciaal is dat de Medische Raad als vertegenwoordigend orgaan van de ziekenhuisgeneesheren voldoende rekening houdt met de situatie van de individuele geneesheren. De door het artsensyndicaat geciteerde voorbeelden wijzen op het belang van het door de Nationale Raad ingenomen standpunt.
Indien een geneesheer van oordeel is dat de in zijn ziekenhuis tot stand gekomen financiële regeling strijdig is met de medische deontologie stelt het advies van 3 april 2004 dat hij zich tot zijn provinciale raad kan wenden. Bij het uitbrengen van zijn advies dacht de Nationale Raad niet dat de provinciale raad het tussen Medische Raad en ziekenhuisbeheerder afgesloten financieel akkoord nietig zou kunnen verklaren, wat niet wegneemt dat het voor de betrokken geneesheer belangrijk kan zijn zijn bezwaren te uiten en met het Bureau van de provinciale raad te overleggen of enige bemiddeling al dan niet zinnig is. De provinciale raden hebben in deze materie voldoende ervaring om rechtsonzekerheid te voorkomen en nieuwe conflicten te vermijden.

De Nationale Raad kan zich niet van de indruk ontmaken dat het artsensyndicaat suggereert dat de Medische Raden niet steeds tot de meest billijke oplossing komen. In dit verband dient gezegd dat de Nationale Raad in zijn advies van 3 april 2004 helemaal niet zegt dat de leden van de Medische Raad onafhankelijk en onpartijdig beslissen maar wel stelt dat de wetgeving toelaat in het reglement van de Medische Raad de nodige bepalingen op te nemen zodat een Medische Raad onafhankelijk en onpartijdig kan beslissen.

In het advies van 3 april 2004 wordt gezegd “dat de som van de door de leden van de Medische Raad aan de beheerder gedane beloften niet gelijk is aan een besluit van de Medische Raad”. Deze zin wordt door het artsensyndicaat “niet zo goed” begrepen. De Nationale Raad denkt dat enige ervaring met stemmingen die zoals in het geciteerde advies uitgelegd geheim kunnen zijn, volstaat om te weten dat bij een stemming de door de leden van de Medische Raad vooraf geuite intenties, wegens uiteenlopende redenen, niet altijd nageleefd worden.

Tot slot herinnert de Nationale Raad aan zijn op 29 januari 1994 uitgebracht advies betreffende de Medische Raden en hij vestigt vooral de aandacht op punt 10 ervan.