keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Beroepsgeheim24/04/1999 Documentcode: a085003
Bescherming van de persoonlijke levenssfeer - Onrustwekkende verdwijning van een patiënt uit een psychiatrisch ziekenhuis - Aangifte - Psychiatrische thuiszorg - Ontslagformulier

Bescherming van de persoonlijke levenssfeer Onrustwekkende verdwijning van een patiënt uit een psychiatrisch ziekenhuis - Aangifte Psychiatrische thuiszorg - Ontslagformulier

Een provinciale raad maakt de Nationale Raad een adviesaanvraag over van een psychiatrisch ziekenhuis dat bepaalde formulieren in gebruik wenst te nemen maar zich de vraag stelt of de privacy van de patiënten wel voldoende zal gewaarborgd zijn.
Het eerste ontwerpformulier betreft de onrustwekkende verdwijning van een patiënt en de verplichte aangifte hiervan overeenkomstig de ministeriële richtlijn d.d. 22 juli 1997 met betrekking tot de opsporing van vermiste personen. Het ziekenhuis is van oordeel dat in de checklist van verhoor van de aangever een aantal gegevens gevraagd worden die strijdig zijn met de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Daarom heeft het ziekenhuis zelf een formulier voor de aangifte van verdwijningen uitgewerkt.
Een tweede ontwerpformulier waarover advies gevraagd wordt is opgesteld ten behoeve van de familiehulp bij psychiatrische thuisverzorging.

Advies van de Nationale Raad:

Bij de aangifte van verdwijningen dient de geneesheer er rekening mee te houden dat de gerechtelijke overheid zal beslissen over het al dan niet zorgwekkend karakter van de verdwijning en de toepassing van de ministeriële richtlijn van 22 juli 1997 met betrekking tot de opsporing van vermiste personen.

Deze ministeriële richtlijn bestaat uit algemene richtlijnen met betrekking tot opsporing van vermiste personen, checklists ter ondersteuning van de onmiddellijke reacties en nuttige informatie betreffende de problematiek. Zij is bestemd voor magistraten en politiediensten. Een analyse van de richtlijn leert dat zij niet enkel slaat op gevallen "waarin de vermiste persoon het slachtoffer is geworden van een ontvoering" maar eveneens kan van toepassing zijn bij verdwijningen "om persoonlijke redenen". Zo kan een verdwijning door de dienstdoende officier van de gerechtelijke politie of de dienstdoende parketma¬gistraat als onrustwekkend worden beschouwd wanneer het vermoeden be¬staat dat de vermiste persoon in levensgevaar kan zijn (bv. aanwijzingen van zelfdoding) of een bedreiging kan betekenen voor de fysieke integriteit van derden.

Bij het aangeven van verdwijningen en het verstrekken van inlichtingen aan de gerechtelijke overheid moet de geneesheer er zich van bewust zijn dat hij omwille van een hoger belang (opsporen van een vermiste) gegevens prijsgeeft die hij op basis van het beroepsgeheim dient te verzwijgen. Een ministeriële richtlijn ontslaat hem niet van deze zwijgplicht.

Wat de aangifte van verdwijningen betreft dient een fundamenteel onderscheid te worden gemaakt tussen de verdwijning van gedwongen opgenomen patiënten en de verdwijning van een vrijwillig opgenomen patiënt. In het eerste geval dient de directeur van de instelling zich te gedragen als voorzien in artikel 10 van het K.B. van 18 juli 1991 ter uitvoering van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en moet hij o.m. de procureur des Konings verwittigen. Bij de verdwijning van een vrijwillig opgenomen patiënt is er geen wettelijke verplichting tot aangifte zodat de geneesheer in eer en geweten dient uit te maken of hij niettegenstaande zijn zwijgplicht aangifte zal doen. Doorslaggevend criterium bij deze keuze zal zijn of de behandelende geneesheer van oordeel is of de geestestoestand van zijn patiënt een ernstig gevaar inhoudt voor het leven en de gezondheid van de vermiste of/en een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven en integriteit.

Het ligt voor de hand dat de geneesheer bij het aangeven van een verdwijning de inlichtingen verstrekt die hij noodzakelijk acht om de opsporing te bevorde¬ren en incidenten of ongevallen te voorkomen bij het aantreffen van de vermis¬te patiënt. De geneesheer dient bij het verstrekken van informatie en bij het beantwoorden van vragen uit te maken of het meedelen van bepaalde gegevens, die onder het beroepsgeheim vallen, wel degelijk noodzakelijk is voor de opsporing van de vermiste. Zo dient hij zeer behoedzaam om te gaan met gegevens die acheraf nadelig kunnen zijn voor zijn patiënt (bv. druggebruiker, dealer, ...), zijn privacy schenden (bv. bepaalde relaties) , of nodeloos derden betrekken bij de opsporing.

Wanneer voor de aangifte van verdwijningen standaardformulieren ontworpen worden, mogen deze enkel die voorgedrukte items bevatten waarvan de invulling voor elke verdwijning noodzakelijk is (identificatiegegevens, tijdstip van de verdwijning, persoonsbeschrijving, meegenomen bezittingen, reden van aangifte, te verwachten gedrag bij het aantreffen van de vermiste). Eventueel kan op het aangifteformulier een ruimte worden voorzien voor het verstrekken van specifieke informatie die voor de opsporing in een concreet geval noodzakelijk is.

De Nationale Raad is van oordeel dat bij een zorgwekkende verdwijning van een psychiatrische patiënt overleg met de gerechtelijke overheid meer aangewezen is dan het verstrekken van gegevens via standaardformulieren.

Wat de voor advies overgemaakte ontslagformulieren voor psychiatrische patiënten betreft is de Nationale Raad van oordeel dat deze in eerste instantie het voorwerp van overleg dienen te zijn tussen de provinciale raad en het kwestieuze ziekenhuis. Indien zich in dat vlak problemen mochten stellen die geen antwoord vinden in de vigerende deontologische regels, kan deze vraag aan de Nationale Raad worden voorgelegd.

Ziekenhuizen17/02/1999 Documentcode: a084037
Wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen : Wet op de ziekenhuizen

WET VAN 25 JANUARI 1999 HOUDENDE SOCIALE BEPALINGEN

(Belgisch Staatsblad 6 februari 1999).*

Hieronder volgt een overzicht van een aantal artikelen uit de wet houdende sociale bepalingen van 25 januari 1999 die de Orde van geneesheren zouden kunnen interesseren.

[...]

Wet op de ziekenhuizen

1. Samenwerkingsverbanden (art. 190)

Via een aanvulling van art. 9bis van de Wet op de Ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt het mogelijk gemaakt om samenwerkingsverbanden tussen ziekenhuizen en diensten voor andere domeinen dan louter verzorgingsdomeinen op te richten.
"Immers, de ziekenhuizen kunnen samenwerken omtrent veel domeinen die niet strikt met verzorging te maken hebben, doch die zich veeleer op het organisatorisch en logistiek domein bevinden. Bovendien moet samenwerking inzake verzorging met een breed impact - en niet beperkt tot een bepaald domein - mogelijk zijn.
Een band met de gezondheidszorg zal evenwel steeds nodig zijn om een beroep te kunnen doen op de hier bedoelde rechtsfiguur. Bovendien dienen de samenwerkingsverbanden steeds in functie te staan van een betere organisatie van de gezondheidszorg en beperkt te worden tot aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren." (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 73).

2. Netwerken van zorgvoorzieningen en zorgcircuits (art. 191)

De sociale programmawet legt de juridische basis om via netwerken van zorgvoorzieningen, zorgcircuits te organiseren voor welbepaalde doelgroepen.

Een "netwerk van zorgvoorzieningen" is "een geheel van zorgaanbieders, zorgverstrekkers, instellingen en diensten, die samen, voor een door hen nader te omschrijven doelgroep van patiënten en binnen een door hen te motiveren gebiedsomschrijving, één of meerdere zorgcircuits aanbieden, in het kader van een instellingsoverstijgende juridisch geformaliseerde samenwerkingsovereenkomst".
Een "zorgcircuit" is "het geheel van zorgprogramma's en andere zorgvoorzieningen, georganiseerd door middel van een netwerk, die de bedoelde doelgroep of subdoelgroep achtereenvolgens kan doorlopen".

Het systeem komt erop neer dat "voor een bepaalde doelgroep (bijvoorbeeld psychiatrische patiënten, geriatrische patiënten, kinderen) een netwerk van zorgaanbieders kan gecreëerd worden. Deze zorgaanbieders kunnen zowel individuele zorgverstrekkers, thuiszorgorganisaties, alternatieve verzorgingsvormen, ziekenhuizen enz. zijn.
Dergelijk netwerk organiseert dan, door middel van een instellingsoverstijgend geformaliseerd samenwerkingsverband, één of meerdere zorgcircuits. Op die manier worden geografische regio's, in functie van hun behoeften, gedekt door een geheel van netwerken.
De finaliteit van deze netwerken bestaat erin dat de patiënt, in het kader van een zorgcontinuüm, in de voor hem meest adequate zorgvoorziening de meest kwalitatieve zorg ontvangt.
Aan de Koning wordt de bevoegdheid gegeven om die doelgroepen aan te duiden waarvoor de zorg via een netwerk van zorgvoorzieningen moet aangeboden worden en welke categorieën van zorgaanbieders van het netwerk deel uitmaken.

De sanctie voor het niet-nakomen van de verplichting tot het aanbod van een samenhangend en complementair geheel zal erin bestaan dat bedoeld netwerk geen erkenning zal bekomen en evenmin in aanmerking zal komen voor financiering.

Tot slot wordt aan de Koning de bevoegdheid gegeven de bepalingen van de ziekenhuiswet geheel of gedeeltelijk van toepassing te maken op de netwerken en hun zorgcircuits" (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 74-75).

3. Behoefte per wervingsgebied (art. 193)

In de Ziekenhuiswet wordt een nieuwe notie "behoefte per wervingsgebied" ingevoerd. Hierdoor wordt het mogelijk om van de instellingen die een opname in de programmatie of een nieuwe erkenning of een verlen-ging van erkenning wensen te bekomen voor de bij K.B. aan te duiden functies, diensten, afdelingen, medische of medisch-technische diensten of zorgprogramma's, het bewijs te vragen dat bedoelde dienst, functie of zorgprogramma beantwoordt aan een zekere behoefte binnen een wervingsgebied dat nog bij K.B. nader kan omschreven worden.

4. Plaatselijk ethisch comité (art. 194)

De sociale programmawet voert in de Ziekenhuiswet een art. 70ter in dat, volgens de Memorie van Toelichting, een solide juridische basis moet geven om de ethische comités in ziekenhuizen bij K.B. te kunnen regelen (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 39).

In principe moet nog steeds ieder ziekenhuis beschikken over een plaatselijk ethisch comité maar de Koning kan de voorwaarden omschrijven waaronder, via een samenwerkingsakkoord tussen ziekenhuizen, één comité kan opgericht worden voor verschillende ziekenhuizen.

De opdrachten van het plaatselijk ethisch comité worden als volgt omschreven:

  1. een begeleidende en raadgevende opdracht met betrekking tot de ethische aspecten van de ziekenhuiszorg;
  2. een ondersteunende opdracht bij beslissingen over individuele gevallen inzake ethiek;
  3. een adviserende opdracht met betrekking tot alle protocollen inzake experimenten op mensen en op reproductief menselijk materiaal." Deze opdrachten kunnen bij K.B. nader worden omschreven, na advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen. In het bijzonder m.b.t. de derde opdracht kan de Koning de voorwaarden, regelen en modaliteiten bepalen onder dewelke deze opdracht gezamenlijk dient uitgevoerd te worden door de ethische comités van meerdere ziekenhuizen.

Na advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen zal nog bij K.B. bepaald worden hoe de comités moeten samengesteld worden en hoe ze dienen te werken.

In zijn advies bij het ontwerp van sociale programmawet stelde de Raad van State dat de "verplichting om een plaatselijk ethisch comité op te richten in ieder ziekenhuis thans reeds bestaat op grond van bepalingen van de bijlage bij het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, daarin ingevoegd bij koninklijk besluit van 12 augustus 1994. Tegen het laatstgenoemde besluit is evenwel een beroep tot vernietiging bij de Raad van State, afdeling administratie, ingesteld. Bovendien heeft de Raad van State, afdeling wetgeving, in zijn advies over het ontwerp dat tot het genoemde besluit heeft geleid, het ontbreken van de rechtens vereiste rechtsgrond vastgesteld" (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 180).

De Raad van State formuleerde verder volgende opmerkingen bij het ontwerp van art. 194 van de sociale programmawet:

  1. "Zo de federale overheid bevoegd is om aan ziekenhuizen de verplichting op te leggen om over een ethisch comité te beschikken, kan zij die ethische comités niet belasten met taken die binnen de bevoegdheidssfeer van de gemeenschappen vallen. Bij het bepalen van de opdrachten van de ethische comités, zal de Koning zich dan ook in elk geval moeten beperken tot opdrachten die binnen de federale bevoegdheidssfeer vallen.
  2. [ ... ] Meer in het algemeen lijkt het weinig zinvol om ethische comités in het leven te roepen, als niet vooraf bepaald is welke normen die comités moeten toepassen. Bij gebreke van dergelijke normen, han-gen de ethische comités immers volledig of van het moreel bewustzijn van een kleine groep mensen in elk ziekenhuis. Zoals de Raad van State heeft opgemerkt in verband met het ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 12 augustus 1994, creëert ook het voorliggende ontwerp de verwachting dat de ethische comités adviezen kunnen verstrekken, die de betrokkenen werkelijk tot nut zijn; deze verwachting kan echter niet ingelost worden, althans niet op het juridische vlak, zolang de wetgever niet bepaald heeft welke ethische normen in rechtsregels omgezet moeten worden. Als het er alleen maar om gaat een klankbord voor de betrokkenen te creëren, waarbij beroepsgenoten, louter steunend op hun eigen ethische normen, volledig vrijblijvend een standpunt mogen formuleren, dan kan men zich afvragen of daarvoor wel enige overheidstussenkomst noodzakelijk is, en a fortiori of terzake een verplichting aan de ziekenhuizen opgelegd kan worden. Het staat vanzelfsprekend aan de Wetgevende Kamers om ten aanzien van die laatste vragen een standpunt in te nemen". (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 180.)

5. Ziekenhuisgebonden prestaties (art. 195)

Dit artikel voert de mogelijkheid in om, bij K.B., na advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, verstrekkingen en behandelingen te omschrijven die verplicht in het kader van een ziekenhuis dan wel daarbuiten moeten verricht worden.

*Deze nota werd opgesteld ter attentie van de leden van de Nationale Raad met het oog op het eventueel uitbrengen van een advies over bepaalde erin besproken onderwerpen.

M. Van Lil
Studiedienst Nationale Raad
17 februari 1999

Beroepsgeheim12/12/1998 Documentcode: a084007
Uitwisseling van gegevens tussen de officina-apotheker en de ziekenhuisapotheker

Een provinciale raad maakt de Nationale Raad een schrijven over van een ziekenhuisdirecteur waarin deze zich vragen stelt bij een brief die hij ontving van de APB en de Belgische Vereniging van Ziekenhuisapothekers. Aan de ziekenhuisdirecteur wordt gevraagd toelating te geven om de naam van de apotheker waarbij de patiënt gewoonlijk zijn geneesmiddelen koopt (de "familieapotheker") in te schrijven in het opnamedossier van de gehospitaliseerde patiënt. Bedoeling is om, op het ogenblik dat de patiënt het ziekenhuis verlaat, de "familieapotheker" op de hoogte te brengen van de intra-murosverzorging en van de therapie die thuis zal verdergezet worden.

De voorgestelde uitwisseling van inlichtingen tussen de ziekenhuisapotheker en de officina-apotheker is volgens de provinciale raad een flagrante aantasting van het beroepsgeheim en een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de patiënt, zelfs een schending van de wet betreffende de geneeskunst.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 12 december 1998 de bespreking voortgezet van uw brief van 29 oktober 1998 aangaande de uitwisseling van gegevens tussen een ziekenhuisapotheker en een officina-apotheker buiten het ziekenhuis.

Het 'partnership' tussen de arts en de apotheker vereist geenszins dat het beroepsgeheim van de arts volledig gedeeld wordt met een apotheker.

De vrije artsenkeuze door de patiënt is een fundamenteel beginsel in de relatie patiënt-arts waaraan niet getornd mag worden. Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor de relatie patiënt-apotheker.
Het raadplegen van deze of gene arts vormt voor de patiënt een persoonsgegeven dat onderworpen is aan de bepalingen van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor het frequenteren van deze of gene apotheek.

Terwijl er niets tegen in te brengen valt dat de administratie van het ziekenhuis bij de opname van een patiënt in het ziekenhuis vraagt naar de naam van de apotheker waar de patiënt gewoonlijk zijn geneesmiddelen koopt, kan hieruit niet afgeleid worden dat de arts verplicht is zijn beroepsgeheim volledig of gedeeltelijk te delen met deze apotheker. De gedeeltelijke deling van het beroepsgeheim van de ziekenhuisarts met de ziekenhuisapotheker eindigt normaliter op het ogenblik dat de patiënt de verzorgingsinstelling verlaat.

Met betrekking tot de voortzetting van een gepaste therapie bij een opname in het ziekenhuis, is het eveneens de taak van de arts die de patiënt naar het ziekenhuis stuurt de ziekenhuisarts de noodzakelijke informatie te verstrekken. Het is ook bij deze arts dat de ziekenhuisarts die de patiënt in behandeling neemt zich, indien nodig, dient te informeren.

Bij het verlaten van het ziekenhuis is het aan de ziekenhuisarts, in overleg met de behandelend arts, zich ervan te vergewissen dat de patiënt nauwkeurig ingelicht wordt over de wijze waarop de behandeling ondernomen of voortgezet dient te worden en dat hij verwittigd wordt van de eventuele nevenwerkingen of mogelijke interacties met andere geneesmiddelen. Het zijn ook deze artsen die de nodige administratieve schikkingen treffen opdat hun patiënt bij het verlaten van het ziekenhuis onmiddellijk kan beschikken over de farmaceutische producten die nodig zijn voor zijn behandeling.

De arts mag in geen geval bevorderen dat zijn patiënt gebonden wordt aan een welbepaalde apotheker of apotheek. In deze omstandigheid zou er inderdaad sprake kunnen zijn van een vorm van medisch-farmaceutische collusie.

Ziekenhuizen12/12/1998 Documentcode: a084002
Aanbevelingen voor artsen werkzaam in een ziekenhuisgroepering, -fusie of -associatie

Op verzoek van een provinciale raad en na voorbereidende studie in een Commissie van de Nationale Raad van de problemen waarmee artsen worden geconfronteerd ter gelegenheid van de fusie en groepering van ziekenhuizen, worden onderstaande aanbevelingen uitgevaardigd:

Aanbevelingen voor de artsen werkzaam in een ziekenhuisgroepering, -fusie of -associatie

  1. Ziekenhuisgroeperingen, in hun verschillende vormen, hebben tot doel de kwaliteit van de geneeskunde en de organisatie van de gezondheidszorg te verbeteren. De artsen dienen zich in te zetten voor de realisatie van deze doelstellingen.
  2. De Nationale Raad wijst terzake op de belangrijke rol van de hoofdgeneesheer, van de Medische Raad en van het Medisch Comité, opgericht door de nieuwe structuur. Zij waken over de naleving van alle deontologische regels die van toepassing zijn op deze nieuwe situaties.
  3. Indien een arts door een fusie, groepering of associatie de geneeskunde op verscheidene plaatsen dient uit te oefenen, moet hij ervoor zorgen dat op elke site een sluitende continuïteit van de verzorging verzekerd wordt. Hij moet zijn provinciale raad daarover inlichten, die bevoegd is dit na te gaan.
    Hij moet erover waken dat waar hij werkt, alle voorwaarden van kwaliteit, toezicht en continuïteit van de zorgen vervuld zijn. Is dit niet het geval, dan moet hij de patiënt en zijn familie evenals de verantwoordelijke instanties van de nieuwe entiteit daarvan in kennis stellen.
  4. Het is essentieel efficiënte wachtdiensten te organiseren.
    Wanneer de wacht op meerdere plaatsen verzekerd moet worden, dient eventueel in een ontdubbeling of in een achterwacht te worden voorzien.
  5. In geval van centralisatie van functies zoals klinische biologie en ziekenhuisapotheek, moeten de artsen ervoor zorgen dat op elke plaats waar zorg wordt verstrekt voldoende materiaal en personeel aanwezig blijven om elke voor de patiënt nadelige vertraging te voorkomen.
  6. De vrije artsenkeuze door de patiënt moet bewaard worden. Hiervoor dienen een duidelijke informatie en documentatie over de structuur en de werking van de nieuwe entiteit verstrekt te worden.
  7. Teneinde de continuïteit van de verzorging te waarborgen dient de informatie die noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de wacht steeds ter beschikking gehouden te worden van de dienstdoende artsen. Dit geldt in het bijzonder voor de informatie over de patiënten die hen onbekend zijn. Ieder arts is verplicht zijn dienstdoende collega de relevante informatie te verschaffen met betrekking tot de patiënten in behandeling.
  8. De artsen van gefuseerde ziekenhuizen dienen te streven naar een centraal medisch dossier. Hierbij dienen zij er enerzijds voor te zorgen dat elke voor de verzorging nuttige inlichting ter beschikking is en er anderzijds op toe te zien dat de vertrouwelijkheid nageleefd wordt, gezien het toegenomen aantal interveniënten. Dit geldt zowel voor informatie uit het klassieke dossier als op een elektronische drager.
  9. In geval van herstructurering van een dienst, gepaard gaande met ontslagen van artsen en daaruit voortvloeiende vacatures en benoemingen, is het de plicht van de gegadigde arts contact op te nemen met zijn collega('s) die de functie dien(t)(en) te verlaten.
  10. De artsen werkzaam in deze nieuwe samenwerkingsvormen moeten de voor een goede werking noodzakelijke overeenkomsten opstellen en deze voorleggen aan de bevoegde provinciale ra(a)d(en).
Associaties en contracten met niet-artsen, verzorgingsinstellingen, ...21/03/1998 Documentcode: a080013
Wet van 3 april 1997 betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten gesloten tussen titularissen van vrije beroepen en hun cliënten

Het Verbond der Private Ziekenhuizen van België vraagt aan de Nationale Raad of de wet van 3 april 1997 betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten gesloten tussen titularissen van vrije beroepen en hun cliënten (Belgisch Staatsblad 30 mei 1997, p. 14236) ook toepasselijk is op ziekenhuis- en niet-ziekenhuisartsen. Het Verbond wil ook weten of over deze materie publicaties bestaan.

Genoemde wet van 3 april 1997 heeft tot doel een Europese richtlijn van 5 april 1993 uit te voeren in het Belgisch recht. De wet is van kracht sedert 9 juni 1997.

De wet is van toepassing op de "titularis van een vrij beroep handelend in het kader van zijn beroepsactiviteit" (art. 3,§ 1).
Onder "vrij beroep" verstaat de wet: "elke zelfstandige beroepsactiviteit, die dienstverlening of levering van goederen omvat welke geen daad van koophandel of ambachtsbedrijvigheid is, zoals bedoeld in de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister, en die niet wordt bedoeld in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, met uitsluiting van de landbouwbedrijvigheid en de veeteelt" (art. 2, 1°).
Aangezien de wet spreekt van "zelfstandige activiteit", zou hieruit kunnen afgeleid worden dat althans een deel van de artsen, meer bepaald diegenen die hun medische activiteit niet uitoefenen als zelfstandige, buiten het toepassingsgebied van de wet valt.
Verschillende argumenten spreken dit echter tegen:

- de definitie van "vrij beroep" is gelijkaardig aan die in de wet van 21 oktober 1992 betreffende de misleidende reclame inzake de vrije beroepen. Deze laatste wet is van toepassing op de artsen;

- de voorbereidende werken van de wet van 3 april 1997 maken herhaaldelijk melding van de artsen en bevestigen uitdrukkelijk dat "de arts onder de toepassingssfeer van de wet valt en conform de bepalingen ervan bestraft zal worden." (Gedrukte Stukken, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1996-1997, nr. 715/3, p. 5).
Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer de arts nalaat in zijn wachtkamer kenbaar te maken dat hij niet geconventioneerd is en zijn erelonen op een oneerlijke manier vaststelt;

- de in art. 2, 3°, van de wet van 3 april 1997 gedefinieerde "tuchtrechtelijke autoriteit" omvat de Orde van geneesheren (cf. Memorie van Toelichting, Gedrukte Stukken, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1996-1997, nr. 715/1, p. 4).
De wet van 3 april 1997 is dus wel degelijk toepasselijk op alle artsen.

Wanneer een titularis van een vrij beroep en zijn cliënt een overeenkomst sluiten, is ieder oneerlijk beding in deze overeenkomst verboden en nietig.
Een beding is oneerlijk wanneer er niet afzonderlijk over onderhandeld is en het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de cliënt aanzienlijk wordt verstoord, behalve wanneer het gaat om bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij België of de Europese Unie partij is, zijn overgenomen (art. 3, § 2).

Een beding zal steeds geacht worden niet afzonderlijk onderhandeld te zijn geweest wanneer het, in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de cliënt dientengevolge geen invloed heeft kunnen hebben op de inhoud ervan.

Een aantal bedingen die in ieder geval verboden en nietig zijn, worden opgesomd in de bijlage bij de wet van 3 april 1997. Hieronder vallen de bedingen die tot doel of tot gevolg hebben, onder meer:

  • de wettelijke aansprakelijkheid van de titularis van een vrij beroep uit te sluiten of te beperken bij overlijden of lichamelijk letsel van de cliënt ten gevolge van een doen of nalaten van deze titularis van een vrij beroep;
  • te voorzien in de onherroepelijke verbintenis van de cliënt terwijl de uitvoering van de prestaties van de titularis van een vrij beroep onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van zijn wil;
  • de titularis van een vrij beroep toe te staan door de cliënt betaalde bedragen te behouden wanneer deze afziet van het sluiten of het uitvoeren van de overeenkomst, zonder erin te voorzien dat de cliënt een gelijkwaardig bedrag aan schadevergoeding mag verlangen van de titularis van een vrij beroep wanneer deze zich terugtrekt;
  • de cliënt die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen;
  • op onweerlegbare wijze de instemming vast te stellen van de cliënt met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst;
  • de titularis van een vrij beroep te machtigen zonder geldige reden eenzijdig de kenmerken van het te leveren product of de te verrichten dienst te wijzigen;
  • de cliënt te verplichten al zijn verbintenissen na te komen, zelfs wanneer de titularis van een vrij beroep zijn verbintenissen niet uitvoert;
  • te voorzien in de mogelijkheid van overdracht van de overeenkomst door de titularis van een vrij beroep, wanneer hierdoor de garanties voor de cliënt zonder diens instemming geringer kunnen worden.

Ten slotte rijst nog de vraag hoe de wet toegepast dient te worden op de arts-patiëntovereenkomst, aangezien deze overeenkomst doorgaans (nog) een mondeling of stilzwijgend akkoord is en geen geschreven overeenkomst.
Tijdens de bespreking van het wetsontwerp betreffende oneerlijke bedingen heeft de vertegenwoordiger van de minister op deze vraag geantwoord dat "de wet van toepassing is zowel op de schriftelijke als op de niet-schriftelijke bedingen. In artikel 3, § 2 is immers sprake van 'ieder beding in een overeenkomst'. Als moet worden nagegaan of een beding al dan niet oneerlijk is, bepaalt artikel 4 bovendien dat de rechter een reeks gegevens in aanmerking neemt, met inbegrip van alle omstandigheden waarin de overeenkomst tot stand kwam." (Gedrukte Stukken, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1996-1997, nr. 715/3, p. 5 en 7).

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad is van mening dat voornoemde wet betrekking heeft op alle artsen, al dan niet ziekenhuisartsen. Dit advies baseert zich op :

  1. de definitie van de term "vrij beroep", die gelijkaardig is aan die in de wet van 21 oktober 1992 betreffende de misleidende reclame inzake de vrije beroepen, welke van toepassing is op de artsen;
  2. de voorbereidende werkzaamheden (Gedrukte Stukken, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1996-1997, nr. 715/3, p. 5) die uitdrukkelijk vermelden dat "de arts onder de toepassingssfeer van de wet valt en conform de bepalingen ervan bestraft zal worden";
  3. de definitie van de term "tuchtrechtelijke autoriteit" in artikel 2, 3°, van de wet van 3 april 1997, die de Orde der geneesheren bevat (Gedrukte Stukken, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1996-1997, nr. 715/1, p. 4).

Voor zover ons bekend, zijn de enige gekende publicaties, naast de wetteksten zelf, de bovengeciteerde Gedrukte Stukken.

Beroepsgeheim07/09/1996 Documentcode: a075003
Hospitalisatie - Beroepsgeheim

Mogen gegevens over hospitalisatie, datum van opname en ontslag, beschouwd worden als louter administratieve en boekhoudkundige gegevens, en dus meegedeeld worden aan een verzekeringsmaatschappij, of moeten ze beschouwd worden als medische gegevens die gedekt zijn door het beroepsgeheim?

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 7 september 1996 kennis genomen van uw adviesaanvraag van 9 juli 1996 aangaande het meedelen van gegevens over hospitalisatie door een verzekeringsinstelling aan een verzekeringsmaatschappij.

De Nationale Raad houdt eraan te onderstrepen dat de data van hospitalisatie van een patiënt gegevens zijn die gedekt zijn door het beroepsgeheim.

Wat nu meer in het bijzonder uw vraag betreft, namelijk of hospitalisatiedata van een bij een Kas ingeschreven (en inmiddels overleden) verzekerde te beschouwen zijn als "louter administratieve en boekhoudkundige gegevens" en dus inzake het overmaken van deze gegevens aan derden, i.c. aan een verzekeringsmaatschappij, niet dezelfde bescherming genieten als "medische persoonsgegevens" (cf. art. 7 wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - WVP.), heeft de Nationale Raad het volgende advies uitgebracht:

De definitie die in art. 7 WVP van "medische persoonsgegevens" wordt gegeven luidt als volgt: "Alle persoonsgegevens waaruit informatie kan worden afgeleid omtrent de vroegere, huidige of toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand, met uitzondering van de louter administratieve of boekhoudkundige gegevens betreffende de geneeskundige behandeling of verzorging, worden als medische persoonsgegevens beschouwd."

Louter administratieve of boekhoudkundige gegevens betreffende de genees-kundige behandeling of verzorging worden dus uitgezonderd uit de groep van medische persoonsgegevens.

Vraag is dan wanneer persoonsgegevens 'louter administratief of boekhoud-kundig' dan wel 'medisch' zijn.

In de eerste plaats dient hierbij gekeken te worden naar de aard van de persoonsgegevens: indien deze betrekking hebben op iemands gezondheidstoestand of - bij een ruime interpretatie van art. 7 WVP - daarmee in verband kunnen worden gebracht, gaat het om medische persoonsgegevens. (CALLENS, S., Goed geregeld? Het gebruik van medische gegevens voor onderzoek, Antwerpen/Apeldoorn, MAKLU, 1995, p. 31 nr. 12, p. 71 nr. 82.) Verschaffen bepaalde gegevens slechts administratieve of boekhoudkundige informatie over de geneeskundige behandeling of verzorging, dan zijn dat geen gegevens over iemands gezondheidstoestand en dus geen medische gegevens.

In de tweede plaats speelt ook de context een rol bij het bepalen of gegevens al dan niet medische persoonsgegevens zijn. Zo kan het voorkomen dat gegevens die op het eerste gezicht niets vertellen over iemands gezondheidstoestand en dus geen medische gegevens schijnen te zijn, toch als dusdanig dienen beschouwd te worden wegens het gebruik dat van de gegevens gemaakt wordt. Gegevens over geslacht, ras, adres, beroep, familiesituatie enzovoort, die ogenschijnlijk niets zeggen over iemands gezondheidstoestand, kunnen in bepaalde gevallen toch medische persoonsgegevens zijn omdat ze door opname in het bestand van een arts en door bijkomende omstandigheden informatie geven over iemands gezondheidstoestand. (CALLENS, S., op. cit., p. 89 nr. 104.)

Omgekeerd is het niet zo dat gegevens die uit hun aard medische persoons-gegevens zijn maar voor administratieve of boekhoudkundige doeleinden worden gebruikt, onttrokken kunnen worden aan de omschrijving van 'medische persoonsgegevens' en louter administratieve/boekhoudkundige gegevens zouden worden.

Belangrijk is in sommige gevallen ook de tussenkomst van de arts, die zal vereist zijn om te oordelen of een bepaald gegeven mogelijks verband houdt met iemands gezondheidstoestand of niet (bijvoorbeeld om het verband te leggen tussen iemands etniciteit en psychologische problemen of bepaalde aandoeningen). Volgens het Toezichtscomité bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - doch deze mening wordt niet door iedereen gedeeld - is het feit dat de kennis, het bewaren en het mededelen van gegevens noodzakelijkerwijs met de tussenkomst van een arts moet gepaard gaan zelfs het bepalend criterium van het onderscheid tussen een medisch en een administratief gegeven. (Activiteitenverslag 1992, p. 35.)

Tot besluit kan gesteld worden dat de vraag of bepaalde persoonsgegevens medische persoonsgegevens dan wel louter administratieve of boekhoudkundige gegevens zijn in elk concreet geval opnieuw zal moeten onderzocht worden.

In het door u voorgelegde geval lijkt het dat hospitalisatiedata voor de verzekeringsinstelling in het kader van haar facturerings- en terugbetalingsactiviteiten louter administratieve en boekhoudkundige gegevens kunnen zijn maar dat, eens deze gegevens terechtkomen in een verzekeringsdossier met betrekking tot een schadegeval waarin sprake is van het overlijden van een bij de verzekeringsinstelling ingeschreven persoon en daar gecombineerd (kunnen) worden met andere (medische) persoonsgegevens, informatie kan verkregen worden over de vroegere gezondheidstoestand van de verzekerde zodat de hospitalisatiedata hierdoor medische persoonsgegevens worden, die slechts kunnen overgemaakt worden onder de ter zake geldende voorwaarden bepaald bij art. 7 WVP.

Associaties en contracten met niet-artsen, verzorgingsinstellingen, ...20/01/1996 Documentcode: a072001
Contracten - Bevoegdheid van de provinciale raden

De Nationale Raad wordt om advies verzocht aangaande de bevoegdheid van de provinciale raden inzake contracten tussen ziekenhuisbeheerders en ziekenhuisartsen die hun medische hoofdactiviteit uitoefenen in een andere provincie.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft Uw brief van 10 augustus 1995 inzake "contracten, bevoegdheid van de provinciale raden" herhaaldelijk onderzocht. Het in Uw schrijven geschetste probleem betreft de bevoegdheid van de provinciale raden inzake contracten afgesloten tussen ziekenhuisbeheerder en ziekenhuisarts.

Tussen de beheerder van een ziekenhuis en de Medische Raad van dat ziekenhuis worden conform de ziekenhuiswet drie overeenkomsten afgesloten zijnde de algemene regeling, het medisch reglement en het reglement voor de centrale inning. De individuele ziekenhuisarts kan bij het afsluiten van deze overeenkomsten enkel tussenkomen via de Medische Raad, die als representatief orgaan van de ziekenhuisgeneesheren de onderhandelingen met de ziekenhuisbeheerder voert. Het ligt dan ook voor de hand dat deze overeenkomsten door de Medische Raad van het ziekenhuis dienen voorgelegd te worden aan de Provinciale Raad van de Orde der geneesheren van de provincie waarin het ziekenhuis gelegen is.

Andere provinciale raden zijn niet bevoegd deze overeenkomsten te beoordelen daar zij geen enkele impact hebben op de Medische Raad van een ziekenhuis dat zich buiten hun territorium bevindt. Als uitzondering hierop kan wel worden gesteld dat de overeenkomsten, afgesloten tussen een Medische Raad en de ziekenhuisbeheerder, wel aan de goedkeuring van twee provinciale raden dienen onderworpen te worden wanneer de geografische ligging van het ziekenhuis meebrengt dat het voor de hand ligt dat de in het ziekenhuis werkzame artsen over twee provinciale raden verdeeld zijn.

Om te voorkomen dat de Medische Raad van dat ziekenhuis geconfronteerd wordt met niet-gelijkluidende adviezen van die provinciale raden is het wenselijk dat zij voorafgaandelijk overleggen zodat een eensluidend deontologisch advies aan de Medische Raad kan worden verschaft.

Daarnaast is het evident dat elke ziekenhuisgeneesheer verplicht is zijn overeenkomst met het ziekenhuis waar hij werkzaam is ter goedkeuring voor te leggen aan de Provinciale Raad waarbij hij ingeschreven is ook wanneer dit ziekenhuis buiten het territorium van zijn Provinciale Raad ligt. De overeenkomst van elke individuele ziekenhuisgeneesheer met de beheerder omvat naast de drie hoger vermelde stukken ook een individueel contract. Dit individueel contract verwijst altijd naar de bepalingen opgenomen in de afgesloten overeenkomsten tussen ziekenhuisbeheerder en Medische Raad maar kan daarnaast ook bepalingen bevatten die niet voortvloeien uit wat overeengekomen werd tussen beheerder en Medische Raad.

De Provinciale Raad waarbij een ziekenhuisgeneesheer ingeschreven is, is dan ook bevoegd de individuele overeenkomst van een geneesheer met een ziekenhuis, gelegen buiten de provincie, te beoordelen. Bij deze beoordeling kan de Provinciale Raad zoals hoger gezegd geen opmerkingen maken over de overeenkomsten afgesloten tussen de beheerder van het ziekenhuis en de Medische Raad. Wel kan hij opmerkingen maken aangaande bepalingen in de individuele overeenkomst die niet voortvloeien uit de drie reeds ten overvloed geciteerde overeenkomsten. Ten slotte kan de Provinciale Raad nagaan of de naleving van het geheel van de overeenkomst deontologisch verantwoord is voor een arts die naast zijn medische hoofdactiviteit in een andere provincie een ziekenhuisactiviteit uitoefent.

Publiciteit en reclame18/02/1995 Documentcode: a068024
Reclame en Ziekenhuisgeneeskunde

De Nationale Raad hecht zijn goedkeuring aan de circulaire van de Franstalige Provinciale Raad van Brabant in verband met 'Reclame en ziekenhuisgeneeskunde'.

RECLAME EN ZIEKENHUISGENEESKUNDE

De Voorzitters van de Medische Raden van de belangrijkste ziekenhuizen in onze provincie en de leden van het Bureau van de Provinciale Raad van de Orde der geneesheren van Brabant met het Frans als voertaal zijn op zaterdag 24 september 1994 samengekomen om een bespreking te wijden aan de problemen die de medische reclame met zich brengt binnen hun ziekenhuizen.

Samen hebben zij enkele consensusvoorstellen geformuleerd.

De volgende personen hebben deelgenomen aan deze vergadering :

Drs. J. Machiels, voorzitter, J. Vanatoru, ondervoorzitter, P. Malvaux, secretaris, P. Guerisse, waarnemend secretaris. Drs. L. Corbeel en J. Marin, respectievelijk effectief en plaatsvervangend afgevaardigde in de Nationale Raad. De heer P. Verlynde, magistraat-bijzitter.

Alsmede de dokters

D. Bayot, Clinique Ste-Anne-St-Remi, M. Boossens, Association Hosp. Etterbeek-Ixelles, S. Cadranel, Hôpital des Enfants, J.P. Degaute, Hôpital Académique Erasme, D. Dunham, Clinique Edith Clavell, M. Dupont, Clinique du Parc Léopold, J. Frühling, Institut Bordet, J.J. Haxhe, Cliniques Universitaires St-Luc, D. Hublet, Clinique des Deux Alice-Ste-Elisabeth, M. Lhermitte, Hôpital Universitaire Brugmann, R. Moens, Clinique St-Jean, D. Rodenstein, Cliniques Universitaires St-Luc, Fr. Van De Vijver, Clinique des Deux Alice-Ste-Elisabeth.

CONSENSUSVOORSTELLEN

Het lijdt geen twijfel dat de medische gemeenschap werkelijk bereid is om

  • de waardigheid, bescheidenheid en gereserveerdheid van het artsencorps te behouden,
  • zich te verzetten tegen afdwalingen die de artsen belachelijk maken en in diskrediet brengen,
  • reclame ten gunste van een individu, een dienst of een instelling te verbieden,
  • zich ertegen te verzetten dat de medische activiteit gebruikt wordt als een wapen in de commerciële strijd tussen verzorgingsinstellingen.

Aangezien de medische voorlichting en de gezondheidsopvoeding de bevolking voornamelijk bereiken via de media, is het artsencorps niet alleen verplicht mee te werken aan deze initiatieven, doch ook ze te controleren en te leiden. Het is de arts dus helemaal niet verboden de pers te woord te staan met het oog op het verstrekken van informatie, maar wel reclame te maken voor zichzelf, zijn dienst of zijn verzorgingsinstelling.

De voorstellen waarop de consensus gebaseerd is, zijn geïnspireerd op de Code van Plichtenleer, op de Europese Handleiding voor Medische Ethiek en op de adviezen van de Nationale Raad en van de Provinciale Raden.(*)

Enkele aspecten werden nader bepaald :

1- De persconferentie

Een persconferentie mag alleen tot doel hebben via de pers een mening, een idee, een feit of een niet-medisch principe te verdedigen. Een persconferentie mag niet gebruikt worden om een niet-oorspronkelijke techniek die door een arts of een groep artsen in een of andere omstandigheid gebruikt wordt, te promoten. De arts die er zijn medewerking aan verleent, is rechtstreeks verantwoordelijk voor een eventueel verwijt van reclame voor zichzelf of voor een groep.

2- De persdiensten of de diensten 'externe relaties'

De persdiensten of de diensten 'externe relaties' waarover grote ziekenhuizen beschikken, moeten voornamelijk tot doel hebben de mensen die het ziekenhuis bezoeken te helpen en te begeleiden en niet de mensen naar een welbepaalde instelling te leiden.

De Medische Raad dient bijgevolg een rechtstreekse controle uit te oefenen op de initiatieven die een persdienst naar buiten toe zou kunnen nemen met betrekking tot de uitoefening van de geneeskunde.

De modaliteiten van deze controle moeten vastgelegd worden in een schriftelijke overeenkomst.

3- Promoting van het ziekenhuis door de beheerder

Met het oog op de eerbiediging van artikel 14 van de Code van Plichtenleer moet in een overeenkomst tussen de beheerder en de Medische Raad of in een artikel van het Reglement van de Medische Raad, goedgekeurd door de beheerder, bepaald worden dat iedere mededeling aan de media met betrekking tot de uitoefening van de geneeskunde in de instelling voorafgaandelijk goedgekeurd en inhoudelijk gecontroleerd moet zijn door de voorzitter van de Medische Raad, die moet toezien op de naleving van de deontologische regels.

4- Interview van een arts

Wanneer een arts verzocht wordt zijn medewerking te verlenen aan de pers in verband met een probleem betreffende de uitoefening van de geneeskunde, moet hij erop toezien dat de verbintenis aangegaan wordt om, overeenkomstig de Code van Plichtenleer,

  • de autonomie en de anonimiteit van de patiënt te eerbiedigen,
  • de aanbevelingen van de Orde aangaande de identificatie van de arts in acht te nemen,
  • zijn medewerking niet om te vormen tot een individuele raadpleging.

Hij dient de Raad van de Orde voorafgaandelijk te verwittigen.

5- Recht van antwoord

Wanneer een persartikel of een radio- of televisie-uitzending met betrekking tot een arts of een dienst feiten bekendmaakt die niet in overeenstemming zijn met de verklaringen van de arts, moet deze of de verantwoordelijke van de betrokken dienst het betrokken persorgaan een recht van antwoord bezorgen binnen de wettelijke termijn en in rechtsgeldige vorm. De provinciale raad dient hiervan een kopie te ontvangen.
Wanneer zij dit initiatief niet nemen, kunnen de betrokken artsen verzocht worden voor hun provinciale raad verantwoording af te leggen wegens niet-naleving van de beginselen van medische ethiek.

*Code van geneeskundige Plichtenleer, opgesteld door de Nationale Raad.

Europese Handleiding voor Medische Ethiek, opgesteld door de Internationale Conferentie van de Orden.

Tijdschrift nr 53/1991 van de Nationale Raad van de Orde der geneesheren.