keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

6

pagina

Psychiatrie18/01/1992 Documentcode: a056001
Toegang tot en het gedwongen verlaten van een ziekenhuisinstelling

De voorzitter van de medische raad van een psychiatrische instelling verzoekt zijn provinciale raad om advies betreffende drie vragen:
1. in welke mate kan een ziekenhuisinstelling (zeg maar, meestal, de beheerder) een patiënt de toegang ontzeggen;
2. in welke omstandigheden kan een patiënt uit een ziekenhuisinstelling gezet worden;
3. in welke mate worden de instelling, de geneesheer, ontslagen van hun verantwoordelijkheid en verplichtingen wanneer een patiënt op eigen initiatief het ziekenhuis verlaten heeft en een "décharge" ondertekend heeft ?
De provinciale raad legt deze vragen voor aan de Nationale Raad en stelt hem in kennis van de conclusies van een commissie die gelast was dit probleem te bestuderen. De provinciale raad zelf is het volledig eens met deze conclusies en wenst ze te publiceren.

Na kennis genomen te hebben van de documenten van de provinciale raad en van een nota van zijn studiedienst, bestudeert de Raad het probleem.
Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de patiënten die vrijwillig opgenomen worden in een verzorgingsinstelling en die welke gedwongen opgenomen worden.
De vragen die voorgelegd worden aan de provinciale raad, hebben niets te maken met de Wet op de collocatie; zij hebben betrekking op het verlenen of het ontzeggen van de toegang tot en op het verlaten van een ziekenhuisinstelling.
De Raad hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp‑antwoord van de provinciale raad en beslist er, ter informatie, de nota van de studiedienst bij te voegen.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft de bestudering van dit probleem toevertrouwd aan zijn studiedienst, die de bijgevoegde nota opgesteld heeft.
De Nationale Raad hecht zijn goedkeuring aan het advies dat uw Commissie uitgebracht heeft op 25 september 1991.

Zie Rubriek "Adviezen van provinciale raden", blz. 43.

Nota van de studiedienst:

(...)

Bij de bespreking van de problemen die door de psychiatrische instelling aan de Provinciale Raad werden voorgelegd, dient een onderscheid gemaakt te worden tussen vrijwillig en gedwongen opgenomen psychiatrische patiënten.

Voor de gedwongen opname in een psychiatrische dienst gelden sedert 27 juli 1991 de bepalingen van de Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke (1) en van de uitvoeringsbesluiten ervan (2).

De vrijwillige opname in een psychiatrische dienst valt buiten het toepassingsgebied van die wetgeving.

1. Gedwongen opname in een psychiatrische dienst (3)

De Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke ‑ ook genoemd Wet Persoon Geesteszieke ‑ maakt een onderscheid tussen twee soorten beschermingsmaatregelen: "de behandeling in een ziekenhuis" en de "verpleging in een gezin".

De behandeling in een ziekenhuis verloopt in twee fasen: de opneming ter observatie en het verder verblijf. Voor elk van deze fasen voorziet de Wet Persoon Geesteszieke bepalingen in verband met de aanvang, de duur en het einde van de beschermingsmaatregel.

a. Opneming ter observatie

1. Aanvang: wanneer de vrederechter een verzoek om observatie inwilligt en wanneer de procureur des Konings in een spoedeisend geval beslist tot opneming ter observatie, wijzen zij de psychiatrische dienst aan waarin de zieke zal worden opgenomen (4). De zieke kan de dienst waarnaar hij verwezen wordt niet vrij kiezen. Ook de psychiatrische dienst van zijn kant is niet vrij de patiënt al dan niet op te nemen vermits de vrederechter of de procureur des Konings de dienst aanwijst. Deze aanwijzing schept in hoofde van de instelling de verplichting de patiënt ter observatie op te nemen (5). Bovendien wordt in het K.B. van 18 juli 1991 ter uitvoering van de Wet Persoon Geesteszieke bepaald dat de procureur des Konings de directeur van de instelling (6) vordert de zieke in bewaring te nemen, zijn vervoer of zijn overbrenging te laten uitvoeren en tot zijn opname over te gaan.

2. Duur en einde van de observatieperiode:de opneming ter observatie mag niet langer duren dan 40 dagen (art. 11 Wet Persoon Geesteszieke). Zij kan echter voortijdig beëindigd worden door:

  • een vonnis van de vrederechter die de beslissing tot observatie heeft genomen. In dit geval moet steeds het advies van de geneesheer‑diensthoofd gevraagd worden;
  • een beslissing van de procureur des Konings waarbij hij afziet van zijn vordering tot opneming ter observatie;
  • een beslissing van de geneesheer‑diensthoofd die in een gemotiveerd verslag vaststelt dat de toestand van de zieke de opneming ter observatie niet langer rechtvaardigt.

De directeur van de instelling heeft in deze aangelegenheid geen enkele bevoegdheid. Hij dient enkel verwittigd te worden van de beslissing van de geneesheer‑diensthoofd en op zijn beurt de magistraat die de beslissing heeft genomen, de vrederechter voor wie de zaak aanhangig is, de procureur des Konings en de persoon die de opneming ter observatie heeft gevraagd te verwittigen (art. 12 Wet Persoon Geesteszieke).

Wanneer aan de opneming ter observatie een einde wordt gesteld door een vonnis van de vrederechter, wordt de directeur door de procureur des Konings gevorderd dit onmiddellijk ter kennis te brengen van de zieke en hem mee te delen dat hij de instelling mag verlaten (art. 2 §2 K.B. ter uitvoering van de Wet Persoon Geesteszieke).

Tegen deze vonnissen en beslissingen is geen enkel rechtsmiddel mogelijk, behalve tegen de vonnissen die een verzoek tot beëindigen van de observatie kennelijk ongegrond verklaren.

3. Modaliteiten: de opneming ter observatie gebeurt in de psychiatrische dienst die daartoe werd aangewezen. Dit sluit evenwel niet uit dat, op grond van een beslissing van een arts van deze dienst en onder diens gezag en verantwoordelijkheid (bedoeld wordt "aansprakelijkheid" in de juridische betekenis die dit woord heeft) (7) de zieke voor beperkte tijd, alleen of onder begeleiding, kan uitgaan noch dat hij deeltijds hetzij overdag hetzij 's nachts in de instelling verblijft (art. 11 al. 2 Wet Persoon Geesteszieke). Voorts zou de arts de zieke kunnen laten overbrengen naar een andere dienst binnen dezelfde instelling en volgens sommigen, hem zelfs tijdelijk naar een andere instelling kunnen sturen terwijl de instelling die oorspronkelijk was aangewezen voor de opneming ter observatie volledig verantwoordelijk zou blijven. Of art. 11 Wet Persoon Geesteszieke deze draagwijdte heeft wordt door anderen echter betwijfeld (8).

b. Verder verblijf

1. Noodzaak van verder verblijf: na het verstrijken van de observatieperiode kan de 'opneming ter observatie' ook omgezet worden in een 'verder verblijf' in de instelling. Deze maatregel wordt uitgesproken door de vrederechter die het verzoekschrift tot opneming ter observatie heeft ingewilligd en ten behoeve van wie de geneesheer‑diensthoofd een omstandig verslag, dat de noodzaak van verder verblijf bevestigt, moet opmaken (art. 13 Wet Persoon Geestezieke).
De directeur van de instelling is verantwoordelijk voor het tijdig verzenden van dit verslag, d.w.z. ten minste 15 dagen vóór het verstrijken van de opneming ter observatie. Gebeurt dit te laat, dan is geen verder verblijf meer mogelijk.

2. Duur en einde van het verblijf: de vrederechter stelt de duur vast van het verder verblijf (maximum 2 jaar ‑ art. 13 al. 4 Wet Persoon Geesteszieke). Na het verstrijken van de door de vrederechter vastgestelde termijn, ontslaat de directeur van de instelling de zieke, behalve wanneer de vrederechter beslist dat de betrokkene voor een nieuwe periode van maximum 2 jaar in de instelling zal worden gehouden ( art. 14 Wet Persoon Geesteszieke). Tegen een dergelijk vonnis is hoger beroep mogelijk (art. 30 §2 Wet Persoon Geesteszieke).

Aan het verder verblijf kan ook nog een einde komen:

  • wanneer de geneesheer‑diensthoofd in een gemotiveerd verslag beslist dat het verder verblijf niet langer nodig is;
  • door een beslissing van de geneesheer‑diensthoofd de nazorg buiten de instelling te doen eindigen (zie i.v.m. de nazorg infra nr. 3);
    De geneesheer‑diensthoofd deelt zijn beslissing mee aan de zieke, de procureur des Konings en de directeur van de instelling. De beslissing waarmee aan het verder verblijf een einde wordt gemaakt wordt onmiddelijk uitgevoerd hetgeen inhoudt dat de directeur van de instelling de zieke uit de instelling ontslaat (art. 19 en 14 Wet Persoon Geesteszieke).
    De persoon die de opneming ter observatie heeft gevraagd kan tegen de beslissing van de geneesheer‑diensthoofd verzet doen bij verzoekschrift gericht tot de bevoegde vrederechter. Of dit verzet opschortend is of niet, is nergens uitdrukkelijk bepaald;
  • indien de geneesheer‑diensthoofd binnen de periode van één jaar nazorg niet tot wederopneming in de instelling heeft beslist.

3. Modaliteiten: gedurende het verder verblijf wordt de zieke bewaakt en behandeld in de instelling die daartoe werd aangewezen. Dit sluit echter niet uit dat, op grond van een beslissing van een arts van de dienst en onder diens gezag en verantwoordelijkheid (ook hier wordt "aansprakelijkheid" in de juridische betekenis van het woord bedoeld), de zieke voor beperkte tijd, alleen of onder begeleiding, kan uitgaan noch dat hij deeltijds, hetzij overdag hetzij 's nachts, in de instelling verblijft noch dat hij met zijn instemming beroepsarbeid verricht buiten de dienst (art. 15 Wet Persoon Geesteszieke).

De geneesheer‑ diensthoofd (niet de behandelende arts) kan gedurende het verder verblijf op elk ogenblik beslissen tot nazorg buiten de instelling (voor maximum 1 jaar). Deze beslissing dient genomen te worden met instemming van de zieke (9).

Ten slotte kan de zieke gedurende het verder verblijf ook overgebracht worden naar een andere psychiatrische dienst met het oog op een meer geschikte behandeling. Deze beslissing wordt genomen door de geneesheer‑diensthoofd, in overeenstemming met de geneesheer-diensthoofd van de andere dienst, op eigen initiatief van de of op verzoek van enige belanghebbende ‑ de zieke inbegrepen (10) ‑ of van de bevoegde geneesheer‑inspecteur van de psychiatrische diensten. De geneesheer‑diensthoofd deelt zijn beslissingen mee aan de zieke, de vrederechter, de procureur des Konings en de directeur van de instelling. De directeur brengt op zijn beurt de beslissing van de geneesheer‑diensthoofd ter kennis van de wettelijke vertegenwoordiger van de zieke, zijn advocaat en desgevallend van de arts en de vertrouwenspersoon die de zieke heeft gekozen en van de persoon die de opneming ter observatie heeft gevraagd.

De zieke, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn advocaat of zijn arts en de verzoeker tot opneming ter observatie kunnen zich verzetten (bij verzoekschrift gericht tot de bevoegde vrederechter) tegen de beslissing van de geneesheer‑diensthoofd waarbij de overbrenging wordt gelast of geweigerd. De uitvoering van de beslissing wordt dan opgeschort (art. 18 Wet Persoon Geesteszieke).

4. Herziening van het verder verblijf: de vrederechter die de beslissing tot verder verblijf heeft genomen, kan op elk ogenblik, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de zieke of van een belanghebbende, tot herziening van deze beslissing overgaan. Een verzoek tot herziening moet worden gesteund door een verklaring van een arts. Wanneer door een beslissing tot herziening de maatregel van het verder verblijf opgeheven wordt, moet de zieke in vrijheid gesteld worden: niettegenstaande de mogelijkheid van hoger beroep zijn deze vonnissen immers uitvoerbaar bij voorraad (artt. 22 en 30 §2 Wet Persoon Geesteszieke).

c. Ontvluchting van een geesteszieke

Wanneer een geesteszieke die gedwongen opgenomen is in een psychiatrische dienst de instelling ontvlucht, doet de directeur van de instelling al het nodige voor zijn wederopneming. Hij geeft onmiddellijk bericht van de ontvluchting ‑ en eventueel van de wederopneming - aan de persoon die het verzoek tot opneming ter observatie heeft ingediend, aan de procureur des Konings en aan de vrederechter (11).

2. Vrijwillige opname in een psychiatrische dienst

De opneming ter observatie en het verder verblijf in een psychiatrische dienst kunnen enkel bevolen worden "ten aanzien van een geesteszieke indien zijn toestand zulks vereist, hetzij omdat hij zijn gezondheid en zijn veiligheid ernstig in gevaar brengt, hetzij omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit" en dit alleen voor zover er geen andere maatregelen of middelen voorhanden zijn om een geesteszieke de behandeling te geven die medisch geïndiceerd is (art. 2 al. 1 Wet Persoon Geesteszieke). Het uitgangspunt van de Wet Persoon Geesteszieke is immers dat vrijheidsbeperkende maatregelen de uitzondering moeten blijven en dat de vrijheid de regel is (12).

Deze vrijheid houdt in dat:
‑ iemand zich vrijwillig in een psychiatrische dienst kan laten opnemen en behandelen.
In dit verband kan verwezen worden naar art. 71 §1 a en c van de Wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte‑ en invaliditeitsverzekering (Z.I.V. ‑wet).
Volgens dit artikel kunnen de rechthebbenden op Z.I.V.‑ prestaties "zich vrijelijk wenden tot iedere verplegingsinrichting evenals tot ieder rust‑ en verzorgingstehuis of dienst, die erkend zijn door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, en tot iedere persoon die wettelijk gemachtigd is een van de takken der geneeskunde te beoefenen." Dit betekent echter niet dat een patiënt kan eisen (onmiddellijk) opgenomen en behandeld te worden. Strikt genomen bestaat er immers geen algemeen recht op behandeling, in die zin dat elk individu onder alle omstandigheden aanspraak zou kunnen maken op medische behandeling. Er moet immers rekening gehouden worden met de beschikbare mogelijkheden en de voorhanden zijnde middelen. In bepaalde gevallen zal het recht op behandeling zich dan ook vertalen in het recht om op een wachtlijst geplaatst te worden (13) of in de mogelijkheid om naar een andere instelling verwezen te worden.
Wel ontstaat een recht op behandeling indien met een hulpverlener of hulpverlenende instelling daartoe een overeenkomst werd gesloten. Die overeenkomst kan, behoudens bijzondere omstandigheden, niet eenzijdig door de hulpverlening worden verbroken (14) (cfr. rapport Provinciale Raad blz. 1). Volgens de Code van geneeskundige Plichtenleer (art. 28) "staat het de geneesheer [wel] steeds vrij, behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten tekort zou schieten, de behandeling van een zieke om persoonlijke of beroepsredenen te weigeren. De geneesheer mag eveneens van zijn opdracht afzien op voorwaarde dat hij de patiënt of zijn naastbestaanden ervan in kennis stelt, de continuïteit van de verzorging verzekert en aan de geneesheer die zijn taak overneemt, alle nuttige inlichtingen verstrekt". Eenzelfde bepaling is ook terug te vinden in art. 8 §1 van het Koninklijk Besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies volgens hetwelk een arts, wetens en zonder wettige reden, een in uitvoering zijnde behandeling niet mag onderbreken zonder vooraf alle maatregelen te hebben getroffen om de continuïteit van de verzorging te verzekeren door een andere arts. Hiermee zal rekening moeten gehouden worden bij bijvoorbeeld een gedwongen ontslag van een vrijwillig opgenomen psychiatrische patiënt.
Overigens valt op te merken dat volgens de algemene erkenningsnormen toepasselijk op alle ziekenhuizen en op alle ziekenhuisdiensten de leiding over de behandeling van de zieken uitsluitend bij de geneesheren moet berusten (15) (en dus niet bijvoorbeeld bij de beheerder). Het uitwerken van een procedure inzake opname en ontslag van de patiënten in het ziekenhuis is trouwens een taak van de hoofdgeneesheer (16).

‑ iemand die zich vrijwillig in een psychiatrische dienst heeft laten opnemen, niet tegen zijn wil in die dienst kan worden vastgehouden.
Dit is ook de idee achter art. 3 van de Wet Persoon Geesteszieke: "degene die zich vrij laat opnemen in een psychiatrische dienst kan deze te allen tijde verlaten".
Dit artikel ‑ dat volgens sommigen overbodig want vanzelfsprekend is (17) ‑ is een bevestiging in hoofde van de vrijwillig opgenomen psychiatrische patiënt van de menselijke zelfbeschikkingsmogelijkheid, beslissingsvrijheid en wilsbepaling (18). Het houdt een garantie in voor de vrijwillig opgenomen patiënt: niemand kan een patiënt die een opname gevraagd heeft verbieden de instelling te verlaten (19).
Hieromtrent bestaat er slechts één voorbehoud nl. wanneer op een bepaald ogenblik zou blijken dat een persoon die zich vrijwillig heeft laten opnemen achteraf in een toestand verkeert waarin een opneming ter observatie noodzakelijk blijkt.
Op dat ogenblik moet de procedure voor gedwongen opname (zie art. 4 Wet Persoon Geesteszieke) worden ingezet (20).

Voetnoten:

(1) Wet van 26 juni 1990, gewijzigd door de Wet van 18 juli 1991.
(2) Koninklijk Besluit van 18 juli 1991 ter uitvoering van artikel 36 van de Wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. Koninklijk Besluit van 18 juli 1991 ter uitvoering van de Wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
(3) Onder "psychiatrische dienst" wordt verstaan de A‑dienst (= dienst neuro‑psychiatrie voor observatie en behandeling) van een psychiatrisch ziekenhuis, de A‑dienst van een algemeen ziekenhuis dat werkt in het kader van de Wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, de T‑ dienst ( = dienst neuro‑psychiatrie voor behandeling) (art. 2 KB. 18 juli 1991 ter uitvoering van art. 36 Wet Persoon Geesteszieke).
(4) Artt. 8 §3 en 9 al. 1 Wet Persoon Geesteszieke; artt. 2 1 en 6 al. 1 KB. 18 juli 1991 ter uitvoering van de Wet Persoon Geesteszieke.
(5) NYS H, Geneeskunde. Recht en medisch handelen, in A.P.R., Brussel, E. Story‑Scientia, 1991, p. 274 nr. 619.
(6) Onder "directeur van de instelling" verstaat men de persoon die, zoals bepaald in art. 8, 2° van de Gecoördineerde Ziekenhuiswet, door de beheerder belast is met de algemene leiding van de dagelijkse werking van het ziekenhuis (Gedrukte Stukken, Senaat, 1988‑89, nr. 733/2, 58).
(7) Gedrukte Stukken, Senaat, 1988‑89, nr. 733/2, 73 en Gedrukte Stukken, Kamer, 1989‑90, nr.1098/4, 12‑13.
(8) ibid.
(9) Bij de bespreking van het ontwerp Wet Persoon Geesteszieke in de Senaatscommissie voor de Justitie werd betwijfeld of het wel zin had de instemming van de zieke te vragen. Daarop werd geantwoord dat die instemming essentieel is voor de nazorg. Als zij wordt geweigerd dan vormt dat een aanduiding dat nazorg nog niet aangewezen is wegens onvoldoende genezing. De instemming is noodzakelijk, niet voldoende. De uiteindelijke beslissing berust bij de geneesheer‑diensthoofd. (Gedrukte Stukken, Senaat, 1988‑ 89, nr. 733/2,86).
(10) Gedrukte Stukken, Kamer, 1989‑90, nr. 1098/4,13.
(11) Art. 10 K.B. 18 juli 1991 ter uitvoering van de Wet Persoon Geesteszieke.
(12) Gedrukte Stukken, Senaat, 1988‑89, nr. 733/2, 9.
(13) Zie hierover LEENEN HJJ, Handboek Gezondheidsrecht, 1, Rechten van rnensen in de gezondheidszorg, Alphen aan den Rijn, Samsom, 2e druk, 1988, 24‑25.
(14) LEENEN HJJ, o.c., 25.
(15) Bijlage bij het Koninklijk Besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, 111 organisatorische normen, 1° al. 1.
(16) Koninklijk Besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de Wet op de ziekenhuizen zoals gecoördineerd door het Koninklijk Besluit van 7 augustus 1987, art. 6, 1°.
(17) Gedrukte stukken, Senaat, 1988‑89, nr. 733/2, 17. Zie ook: Gedrukte Stukken, Kamer, 1989‑90, nr. 1098/4, 8.
(18) LEENEN HJJ, o.c., 250.
(19) Gedrukte Stukken, Kamer, 1989‑906 nr. 1098/4, 8.
(20) Gedrukte Stukken, Senaat, 1988‑89, nr. 733/2, 18.

Ziekenhuizen18/01/1992 Documentcode: a056016
Toegang tot en het gedwongen verlaten van een ziekenhuisinstelling

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 18 januari 1992 zijn goedkeuring gehecht aan de conclusies van een commissie van een provinciale raad in verband met drie vragen die voorgelegd werden door de medische raad van een psychiatrische instelling.

Advies van de Provinciale Raad van Luik:

1. In welke mate kan een ziekenhuisinstelling (zeg maar, meestal, de beheerder) een patiënt de toegang ontzeggen ?

Antwoord :

Indien men het woord toegang in de ruimste zin ervan opvat, zien wij geen enkele reden waarom de beheerder een patiënt de toegang zou kunnen ontzeggen.

Indien het gaat om de toegang tot een raadpleging, tot een spoedgevallendienst of tot een opneming in een ziekenhuis, kan de beheerder zich er niet tegen verzetten: de geneesheer is en blijft de enige persoon die op deontologisch, strafrechtelijk en burgerrechtelijk vlak, verantwoordelijk is voor de vaststelling van de urgentiegraad (bijstand van een persoon die in gevaar verkeert), voor de toediening en de continuïteit van de geneeskundige verzorging.

Bovendien brengt een verzoekschrift tot "opneming ter observatie", uitgaande van de procureur des Konings of van de Vrederechter, volgens de bepalingen van het K.B. van 26 juli 1991, voor de erkende psychiatrische ziekenhuizen met zich dat zij verplicht zijn de patiënt op te nemen.

Enkel in geval van een geprogrammeerde opname, die niet écht dringend is, en mits toestemming van de verantwoordelijke geneesheer, zou de instelling deze opname kunnen opschorten wanneer er sprake is van onverzekerbaarheid of insolvabiliteit van de patiënt of nog, wanneer de ziekenhuiscapaciteit volledig benut is (zie bijvoorbeeld de toepassing van het "rampenplan" dat opgelegd wordt aan de ziekenhuizen).

Wanneer een instelling niet beschikt over de diagnostische of therapeutische middelen die nodig zijn om de pathologie van de patiënt te behandelen dient de patiënt, nadat de eerste hulp verleend werd, overgebracht te worden naar een ander ziekenhuis dat beter aangepast is om hem te behandelen: deze handeling valt volledig onder de verantwoordelijkheid van de geneesheer, in het kader van de continuïteit van de zorgverlening en binnen de grenzen van zijn competentie: zij houdt geen verband met het voorwerp van de voorgelegde vraag.

2. In welke omstandigheden kan een patiënt uit een ziekenhuisinstelling gezet worden ?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag is eveneens gebaseerd op de bovenvermelde beginselen betreffende de medische verantwoordelijkheid. Mits de geneesheer ervoor waakt dat de continuïteit van de zorgverlening gewaarborgd wordt en hij hiertoe de nodige maatregelen treft, kan de geneesheer in sommige gevallen een einde maken aan het contract dat hij stilzwijgend gesloten heeft met de patiënt op het ogenblik dat hij aanvaard heeft hem te behandelen. Zo kan hij bijvoorbeeld een einde maken aan het contract wanneer de patiënt weigert een bepaalde behandeling te ondergaan. Dit geldt a fortiori wanneer een schriftelijke arts‑patiënt‑overeenkomst bepaalt dat de patiënt verplicht is zich te onderwerpen aan alle therapeutische maatregelen; een procedure die in de psychiatrie vaak toegepast wordt in gevallen van toxicomanie.

Hieruit volgt dat de beheerder geenszins eenzijdig en om om het welke reden kan beslissen een patiënt uit de instelling te zetten.

3. In welke mate worden de instelling, de geneesheer, ontslagen van hun verantwoordelijkheid en verplichtingen wanneer een patiënt op eigen initiatief het ziekenhuis verlaten heeft en een "décharge" ondertekend heeft ?

Antwoord:

In overeenstemming met de wetgeving legt de Code van Plichtenleer de nadruk op de eerbiediging van de vrije keuze van de patiënt.

Enkel wanneer de patiënt niet meer bij zijn volle verstand is en zijn wil niet meer vrij bekend kan maken op het ogenblik dat hij een dergelijke décharge ondertekent, worden de instelling, de geneesheer niet ontslagen van hun verantwoordelijkheid en verplichtingen.

Ziekenhuizen19/01/1991 Documentcode: a055001
Ziekenhuisapotheek

Een geneesheer brengt de Nationale Raad op de hoogte van de zorgen die hij zich maakt over een Koninklijk Besluit van 4 maart 1991 houdende vaststelling van de normen waaraan een ziekenhuis moet voldoen om te worden erkend. Dit Besluit kent de ziekenhuisapotheker namelijk verschillende bevoegdheden toe die hem ertoe zouden kunnen aanzetten medische handelingen uit te voeren. De geneesheer haalt in dit opzicht de toekenning van "het organiseren van de farmacovigilantie" aan.
Artikel 9 5° van het K.B. bepaalt dat de farmacovigilantie uitgevoerd moet worden in samenwerking met het medisch corps. Voorts blijkt uit de verduidelijkingen die in dit artikel aangebracht zijn dat de wetgever erop bedacht geweest is geen inbreuk te plegen op artikel twee van het Koninklijk Besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de geneeskunst en inzonderheid betreffende de onwettige uitoefening van de geneeskunde. In de loop van de discussie worden nog enkele andere artikels van het Besluit bestudeerd. Tevens stelt men vast dat de Franse en de Nederlandse tekst van dit Koninklijk Besluit op verscheidene plaatsen niet met elkaar in overeenstemming zijn.

Advies van de Nationale Raad (19 oktober 1991):

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 19 oktober 1991 kennis genomen van uw brief van 17 april 1991 betreffende het K.B. 750 van 4 maart 1991 waarbij sommige bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, toepasselijk worden verklaard op de functie van de ziekenhuisapotheek, en op het K.B. 751 houdende vaststelling van de normen waaraan een ziekenhuisapotheek moet voldoen om te worden erkend.

De Nationale Raad meent dat er vooralsnog geen aanleiding is om tussen te komen in verband met de door U naar voor gebrachte beschouwingen, die wellicht deels beïnvloed zijn door meerdere verschillen tussen de Nederlandse en de Franse tekst van het kwestieuze Koninklijk Besluit. Tot op heden hebben zich geen praktische moeilijkheden voorgedaan die de tussenkomst van de Nationale Raad zouden noodzaken.

Ziekenhuizen16/12/1989 Documentcode: a047010
Ziekenhuisgeneesheer - voltijdse functie

Tijdens de vergadering van 21 oktober 1989 heeft de Raad kennis genomen van een adviesaanvraag van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met betrekking tot de omschrijving van de voltijdsefunctie van een ziekenhuisgeneesheer (zie hierboven, p. 18).

De Raad neemt kennis van het rapport dat in dit verband opgesteld werd. Behoudens enkele wijzigingen keurt hij de tekst goed. Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft nog geen advies uitgebracht waarin een omschrijving wordt gegeven van de voltijdse functie van een ziekenhuisgeneesheer.

De artikelen 130 en 131 van de Wet op de ziekenhuizen hebben betrekking op de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de ziekenhuisgeneesheer. Bedoelde verhoudingen dienen vastgelegd in een individuele overeenkomst of in een benoemingsakte.

In de Wet op de ziekenhuizen wordt bepaald dat in de schriftelijke regeling de organisatie‑ en de werkvoorwaarden moeten worden vastgelegd waaronder de ziekenhuisartsen hun activiteit in het ziekenhuis verrichten, met inbegrip van standaardbepalingen over de volgende vier punten:

  1. de functie, de prestaties, de dienst, de voorwaarden van vervanging van de ziekenhuisgeneesheer in geval van afwezigheid en, in voorkomend geval, de regeling met betrekking tot de medische activiteit buiten het ziekenhuis;

  2. de duur van de eventuele proefperiode;

  3. de eerbiediging van het reglement van inwendige orde van het ziekenhuis en van de diensten en, in voorkomend geval, van het staffreglement;

  4. de wijze waarop ziekenhuis en ziekenhuisgeneesheer hun verplichtingen naleven in verband met de regeling van de permanentie van de verzorging.

Bijgevolg is de Nationale Raad van de Orde der geneesheren van oordeel:

  1. dat het minimum aantal uren vereist voor een voltijdse functie moet worden bepaald in een contract tussen de ziekenhuisbeheerder en de ziekenhuisgeneesheer: het aantal uren kan, in voorkomend geval, verschillen naar gelang van de specifieke functie van de ziekenhuisgeneesheer.

  2. dat voor zover de contractuele bepalingen tussen de ziekenhuisbeheerder en de ziekenhuisgeneesheer worden nageleefd, de ziekenhuisgeneesheer, behalve wanneer hij diensthoofd of hoofdgeneesheer is, een functie kan uitoefenen in een andere ziekenhuisinstelling die niet tot dezelfde ziekenhuisgroepering behoort.

  3. dat met betrekking tot de gebeurlijke privé‑praktijk en de desbetreffende modaliteiten, moet worden verwezen naar punt 1 van de contractuele bepalingen die moeten worden vastgelegd in het kader van de algemene regeling, die meer bepaald betrekking heeft op de werkvoorwaarden die de medische activiteit buiten het ziekenhuis moeten regelen.

Telefoongids14/04/1984 Documentcode: a032021
Ontwerp van wet op de ziekenhuizen

De Nationale Raad heeft het ontwerp van wet houdende organieke bepalingen in aanvulling op de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheren, uitgebreid bestudeerd.

Na de commissie belast met het onderzoek van bedoeld ontwerp van wet te hebben gehoord in haar verslag, heeft de Nationale Raad in zijn vergadering van 14 april 1984, de volgende tekst aangenomen en overgemaakt aan de Minister van Volksgezondheid en aan de Leden van de bevoegde Senaatscommissie:

In zijn vergaderingen van 17 maart en 14 april 1984 heeft de Nationale Raad het ontwerp van wet houdende organieke bepalingen in aanvulling op de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheren, onderzocht.

Op grond van artikel 15, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967, heeft de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de eer U hierbij volgend advies uit te brengen.

De Nationale Raad is van oordeel dat het ook om deontologische redenen noodzakelijk was het statuut van de ziekenhuisgeneesheren wettelijk vast te leggen. Duidelijke afspraken tussen de ziekenhuisbeheerder en de ziekenhuisgeneesheren kunnen enkel bijdragen tot een kwaliteitsverbetering van de medische dienstverlening.

Het ontwerp van wet beoogt een betere integratie van de ziekenhuisgeneesheer in de ziekenhuiswerking. Het ontwerp van wet gaat hierbij uit van de grote verscheidenheid van de bestaande toestanden in de ziekenhuizen. De Nationale Raad kan deze pragmatische benadering bijtreden. Een wetgeving die enkel uitgaat van een doctrine en geen rekening houdt met de realiteit zou goed functionerende ziekenhuizen en diensten kunnen desorganiseren.

De Nationale Raad stelt vast dat het ontwerp van wet niet voorbijgaat aan de noodzakelijke coördinatie van de medische dienstverlening, maar toch overwegend het accent legt op de integratie van de individuele geneesheer in het ziekenhuis. Wanneer het ziekenhuis zijn complexe taak van gespecialiseerd zorgverleningscentrum wil waar maken, moet de medische activiteit niet alleen een integrerend deel uitmaken van de ziekenhuisactiviteiten, maar moet er voorafgaandelijk naar gestreefd worden dat de medische activiteit een geheel vormt.

In de ziekenhuizen zien wij een toenemende diversificatie van specialismen en deelspecialismen ontstaan. Bovendien zijn er een groeiend aantal geneesheren met identieke functies. In deze situaties is er bijgevolg een zeer goede verstandhouding en samenwerking tussen de verschillende ziekenhuisgeneesheren vereist, wil men voorkomen dat de kwaliteit van de zorgverlening onder deze versnippering lijdt. De Nationale Raad meent dat alle kansen om het teamwerk en de samenspraak tussen de geneesheren te bevorderen moeten worden benut.

De Nationale Raad heeft er bij de geneesheren altijd op aangedrongen in elke verzorgingsinstelling een medische raad op te richten. Voor de Nationale Raad is de medische raad niet alleen het orgaan waardoor de geneesheren bij de besluitvorming in het ziekenhuis worden betrokken, maar tevens het orgaan waarin de geneesheren hun interne problemen bespreken en oplossen in functie van de kwaliteitszorg en de taak van het ziekenhuis naar de gemeenschap. De Nationale Raad neemt aan dat de medische raad ook initiatiefrecht heeft aangaande de onder artikel 6 van het wetsontwerp vermelde materies.

De Nationale Raad hecht het grootste belang aan de samenstelling van de medische raad en vraagt zich af of het niet wenselijk is in de wet zelf te bepalen dat de verkiezing, voor alle mandaten, bij verplichte, algemene en geheime stemming dient te gebeuren. De Nationale Raad stelt in de eerste paragraaf van artikel 5, een contradictie vast tussen enerzijds, een kiescollege gevormd door de aan het ziekenhuis verbonden geneesheren en anderzijds, het minimumactiviteitsniveau van de stemgerechtigden. De Nationale Raad kan er volledig mee akkoord gaan dat een geneesheer slechts stemrecht heeft wanneer hij voldoende geïntegreerd is in een ziekenhuis.

De Nationale Raad vindt het ongezond dat een geneesheer aan verkiezingen in verschillende ziekenhuizen zou deelnemen. De term "verbonden geneesheer" zou nader moeten worden bepaald. Het lijkt de Nationale Raad bijvoorbeeld weinig logisch dat een geneesheer‑specialist in opleiding ‑ hoe positief zijn bijdrage tot de dienstverlening in het ziekenhuis ook moge zijn ‑ zou deelnemen aan de verkiezingen voor de medische raad omdat hij er slechts tijdelijk werkzaam is. De noodzakelijke inspraak van deze geneesheren‑assistenten in de besluitvorming, dient via andere kanalen te worden ingebouwd.

De Nationale Raad is van mening dat een centrale inning van de medische honoraria wenselijk is vermits dit bevorderlijk is voor de solidariteit onder de geneesheren en hun functioneren als groep. Uit de lijst van de posten die met de medische honoraria moeten worden betaald, blijkt volgens artikel 14, § 4, dat een reeks werkingskosten gemeenschappelijk door de geneesheren als groep moeten worden gedragen. Het ligt dan ook voor de hand dat de geneesheren kennis kunnen nemen van de juiste bedragen van de geïnde honoraria. De centrale inning is daartoe het meest aangewezen instrument.

De Nationale Raad meent derhalve dat het niet opgaat de geneesheren in twee groepen op te splitsen volgens hun anciënniteit, zoals dat in artikel 15 van het ontwerp van wet gebeurt. De groepsgeest onder de geneesheren en de samenwerking binnen de ziekenhuizen, tussen jongere en oudere collega's, worden zeker niet gebaat door het accentueren van het leeftijdsverschil en het toekennen van privileges.

Het wetsontwerp verder vanuit de invalshoek van het medische teamwerk onderzoekend, is de Nationale Raad van mening dat een conform advies van de medische raad voor de benoeming, de aanwerving, de toelating en de bevordering van de geneesheren noodzakelijk is (artikel 6, § 2, 5°). Wanneer een geneesheer in een ziekenhuis aan het werk gaat, moet hij aanvaard en geïntegreerd worden in de groep, die verplicht wordt met hem de medische verantwoordelijkheid te delen. Beide partijen, zowel de arts als de groep, moeten inzage hebben in de gemeenschappelijke dossiers van patiënten en samen zullen zij aan kwalitatieve toetsing doen: zeer zinnige maar soms pijnlijke evaluatie van elkaars werk. Tenslotte zullen zij samen financiële verantwoordelijkheid dragen en formules moeten uitwerken om verantwoorde verdeelsleutels te vinden voor de door hen gemaakte kosten.

Op grond van hogervermelde overwegingen is het niet aanvaardbaar dat de beheerder, tegen het advies in van de medische raad, een geneesheer zou benoemen, aanwerven, toelaten of bevorderen. Bij conform advies voorziet het wetsontwerp een ongewone bijzondere meerderheid, waardoor het nog minder aanvaardbaar wordt dat de beheerder het geneesherenteam een nieuwe geneesheer zou opdringen. De Nationale Raad meent evenmin dat de medische raad eigenmachtig moet kunnen beslissen over de benoeming, de aanwerving, de toelating of de bevordering, maar is van oordeel dat, in de geest van een concertatie‑ en overtuigingsmodel, beheerder en medische raad akkoord moeten gaan over de te benoemen geneesheer.

De Nationale Raad kan de intentie van het ontwerp van wet om de geneesheren beter te integreren in het ziekenhuis slechts bijtreden, maar meent dat eveneens aandacht dient te worden geschonken aan de integratie van de geneesheer in het medisch team. De ziekenhuisgeneesheer heeft als eerste taak bij te dragen tot de gespecialiseerde zorgverlening en deze is ondenkbaar geworden zonder een continue samenwerking onder collega's. Vervolgens dient hij als geneesheer mee te werken met de andere zorgverleners in het ziekenhuis en vanuit hun patiënt‑gericht betrokken zijn, met de directie en het beheer, om samen de sociale taak van het ziekenhuis waar te maken.

De Nationale Raad hoopt dat U met dit advies rekening zal houden bij de behandeling van het ontwerp van wet door het Parlement. De Nationale Raad zal zich veroorloven eerstdaags dit advies over te maken aan de leden van de bevoegde Commissie van de Senaat.

Ziekenhuizen07/04/1978 Documentcode: a026029
Zware medische apparatuur

De Nationale Raad van de Orde van de Geneesheren heeft kennis genomen van het wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging (Parlementaire bescheiden, Kamer, 1977, BZ, 85, nr. 1).

Dit ontwerp werd door de Kamer gestemd en is thans hangend bij de Senaat (Gedr. St. van de Senaat, 1977‑1978, 243, nr. 1).

Het ontwerp wijzigt onder andere het artikel 6 bis, § 2, 5°, c, van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, al gewijzigd door de wetten van 6 juli 1973 en 5 januari 1976.

Het artikel 6 bis, § 2, 5°, voorziet thans onder

a) dat het Fonds voor de bouw van ziekenhuizen en medisch-sociale inrichtingen kan tussenkomen, desgevallend tot 100 %, in de financiering van de investeringskosten van zware medische apparatuur. De Koning bepaalt op éénsluidend advies van de Ziekenhuisraad welke uitrusting als zware medische apparatuur moet worden beschouwd.

Hetzelfde artikel voorziet, onder

b) dat de sub a) bedoelde tussenkomst evenwel slechts kan geschieden wanneer de installatie van bedoelde apparatuur past in het kader van een programma, opgesteld door de Koning, op grond van de criteria die door Hem worden bepaald, na advies van de Nationale Commissie voor ziekenhuisprogrammatie.

Onder c) bepaalt de huidige tekst dat de Koning de installatie van bepaalde uitrustingen van zware medische apparatuur aan een toelating mag onderwerpen.

Het wetsontwerp dat besproken wordt, voorziet dat de bepaling onder c) zal worden vervangen door de volgende tekst:

«c) Vanaf het ogenblik dat een uitrusting door de Koning als zware medische apparatuur is bepaald, overeenkomstig a) mag zij niet meer worden geïnstalleerd zonder voorafgaande toelating van de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, en dit zelfs wanneer de initiatiefnemer geen beroep doet op de sub a) bedoelde toelage en ook wanneer de investering geschiedt buiten de in 1° bedoelde ziekenhuizen en medisch‑sociale inrichtingen.

Alvorens te beslissen over de aanvraag tot toelating, verzoekt de Minister om het advies van de bevoegde commissie voor ziekenhuisprogrammatie.»

Het wetsontwerp vult de voorafgaande bepalingen aan met de volgende tekst die d) en e) vormen:

«d) de Koning kan bepalen vanaf welke datum de exploitatie verboden wordt van zware medische apparatuur die niet past in het kader van een onder b) bedoeld programma dat Hij heeft vastgesteld.

e) vanaf het ogenblik dat de tussenkomst van het Fonds 100 % van de investeringskosten bedraagt van de zware medische apparatuur, mogen geen afschrijvingen noch financiële lasten van deze apparatuur meer in aanmerking worden genomen als bestanddeel van de tussenkomst van de verplichte verzekering tegen ziekte‑ en invaliditeit of van de verpleegdagprijs.

De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden van tussenkomst van het Fonds voor installatie van de zware medische apparatuur.»

Het ontwerp voegt tenslotte, bij artikel 6 bis, § 2, van de wet van 23 december 1963, een als volgt luidend 6°:

«6° De Koning kan, de Ziekenhuisraad gehoord, bij een in Ministerraad overlegd besluit de laboratoria voor klinische biologie gelijkstellen met zware medische apparatuur en ze geheel of gedeeltelijk onderwerpen aan de bovenstaande regelen.»

Anderzijds, bestraft het artikel 2 van het wetsontwerp met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zes en twintig tot tweeduizend frank of met één van die straffen alleen:

«Hij die met overtreding van artikel 6 bis, § 2, 5°, c), zware medische apparatuur installeert zonder voorafgaandelijk toelating van de Minister bevoegd voor de Volksgezondheid, of die met overtreding van artikel 6 bis, § 2, 5°, d), zware medische apparatuur exploiteert, die niet past in het kader van een programma door de Koning vastgesteld.»

***

Het door het wetsontwerp voorziene stelsel kan in grote trekken als volgt worden samengevat:

De wet bepaalt geenszins wat onder zware medische apparatuur moet worden verstaan.

Gelijk welke medische apparatuur zal dus als zwaar worden beschouwd, zodra een koninklijk besluit genomen op éénsluidendadvies van de Ziekenhuisraad, haar deze kwafificatie zal hebben toegekend.

De installatie en de exploitatie van een zware medische apparatuur zonder toelating zijn verboden op straffe van correctionele straffen.

Zodra een koninklijk besluit een medische uitrusting als zware medische apparatuur zal hebben bepaald, zal zijn exploitatie kunnen worden verboden, zelfs wanneer die apparatuur voor de datum van het koninklijk besluit geïnstalleerd is. Dit besluit zal de installatie van de apparatuur dus met terugwerkende kracht treffen, vermits deze installatie nutteloos zal worden.

***

Het ontwerp heeft een driedelig doel:

  1. een ziekenhuisprogrammatie op touw zetten;
  2. de financiering van de zware medische apparatuur verzekeren;
  3. de uitgaven van de ziekte‑ en invaliditeitsverzekering beperken.

Maar het ontwerp bevat verbodsbepalingen die geenszins gerechtvaardigd worden door dit driedelig doel.

  1. Het verbod geldt zelfs als de zware medische apparatuur buiten de ziekenhuizen en de medisch‑sociale instellingen bedoeld in artikel 6 bis, § 2, 1° van de wet, wordt geïnstalleerd. Ze beoogt dus elke fysische‑ of rechtspersoon, zelfs vreemd aan de ziekenhuizen die onder de wet vallen.
  2. Het verbod geldt niet alleen voor de apparatuur verworven met de toelagen van de openbare macht, maar voor elke zware medische apparatuur gekocht met de gelden van een rechtspersoon of fysische persoon, of zij nu die gelden persoonlijk bezitten, of deze gelden verzameld werden na een oproep tot de publieke solidariteit, of deze door een liefdadigheidsvereniging werden ingezameld, die de ontwikkeling en de vooruitgang van de behandeling van een bepaalde ziekte tot doel heeft ofwel dat ze het voorwerp zijn van een daad van mecenaat.
  3. Tenslotte is het verbod zelfs van toepassing onafgezien van de weerslag die de exploitatie van de apparatuur op de ziekte-en invaliditeitsverzekering ook zou hebben.
    Het geldt zelfs indien geen enkele tussenkomst wordt gevraagd aan de verzekering, de tussenkomst tot de kostprijs wordt beperkt, of de tussenkomst, de voor gebruik van een door de openbare macht 100 % gesubsidieerd toestel bepaalde tussenkomst, niet overschrijdt (zie bepaling voorzien onder letter e) van het ontwerp).

***

Behoudens in gevallen waar een toelating wordt verleend, gaat het dus om een absoluut verbod dat iedereen treft, onder gelijk welke voorwaarden, en dit onder bedreiging van correctionele straffen.

***

De Nationale Raad van de Orde van de Geneesheren meent dat dit dwangsysteem niet overeenstemt met de grondprincipes betreffende de uitoefening van de geneeskunst.

Bovendien miskent het de gelijkheid onder de burgers, die de internationale rechtsmachten onder de notie van gelijke berechtiging bepalen.

***

De principes betreffende de geneeskunst worden met name in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 uitgedrukt, krachtens welk besluit aan de geneesheren «geen reglementaire beperkingen mogen worden opgelegd bij de keuze van de middelen die aangewend moeten worden, hetzij voor het stellen van de diagnose, hetzij voor het instellen en uitvoeren van de behandeling, hetzij voor het uitvoeren van magistrale bereidingen.»

Krachtens dit zelfde artikel worden misbruiken van de vrijheid waarvan de geneesheren in dit drievoudig opzicht genieten door de raden van de Orde, waarvan ze afhangen, beteugeld.

Deze tekst heeft kracht van wet.

Een nieuwe wet kan weliswaar op zuiver juridisch vlak een vroegere wet wijzigen of er uitzonderingen of beperkingen aanbrengen.

Maar het voormelde artikel 11 heeft niet alleen het karakter van een wettelijke bepaling van positief recht, het is de uitdrukking van een fundamenteel principe van de uitoefening van de geneeskunst, dat bestaat vooraleer het juridisch wordt uitgedrukt.

De vrijheid van de geneesheer op diagnostisch en therapeutisch gebied brengt mee, dat hij vrij de behandeling mag kiezen die hem de meest geschikte lijkt voor zijn patiënt, en dat hij alle technische middelen mag aanwenden die hij nodig acht. Deze vrijheid is de voorwaarde van de kwaliteit van de geneeskunde en van de eerbiediging van de plichtenleer, volgens dewelke de geneesheer, wanneer hij de behandeling van een patiënt aanvaardt, zich verbindt hem de zorgen toe te dienen die stroken met de thans geldende wetenschappelijke kennis (Artikel 34 van de Code van Plichtenleer).

Die vrijheid bestaat niet in het belang van de geneesheer, maar wel in dat van de zieke; ze is maar de waarborg van het fundamenteel recht van ieder menselijk persoon om vrij en in de beste voorwaarden de zorgen te krijgen die zijn toestand vereisen.

Het is overbodig de gevaren te onderstrepen welke elke beperking door de Staat van de vrijheid van de geneesheren en van de rechten van de burgers in dat domein inhoudt.

Weliswaar kan niemand ontkennen dat ekonomische redenen ongelukkigerwijze zekere beperkingen op de zorgverstrekking kunnen vereisen.

Maar in het licht van de voorafgaande principes, is het vanzelfsprekend dat de wetgever slechts beperkingen kan opleggen wanneer ze werkelijk noodzakelijk zijn en als het onmogelijk is op een andere wijze het doel van de wet te verwezenlijken.

***

Het stelsel van het wetsontwerp is bovendien niet overeen te brengen met het principe van de gelijkheid onder de staatsburgers.

Dit principe wordt door artikel 6 van de Grondwet gehuidigd, dat bepaalt dat de Belgen gelijk voor de wet zijn.

Maar dit principe wordt op een meer nauwkeurige wijze geformuleerd in de beslissingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens en van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap, betreffende de «gelijkheid van behandeling».

De gelijkheid van behandeling wordt geschonken zegt één van deze beslissingen, als er voor het gemaakte onderscheid geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging moet beoordeeld worden in verband met het doel en de gevolgen van de betreffende maatregel, en rekening houdende met de in een demokratische samenleving algemeen heersende principes.

Een onderscheid gemaakt in de uitoefening van een bij het Verdrag vastgelegd recht moet niet alleen een wettig doel nastreven: artikel 14 wordt eveneens geschonden als duidelijk vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze gesproken niet evenredig zijn aan het beoogde doel (zie hieromtrent de verslagen van Mijnheer Sorensen, Rechter bij het Hof van Justitie, en van Mijnheer Ganshof van der Meersch, Rechter bij het Hof van de rechten van de mens, in «Informatie betreffende het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen», 1977, Ill, blz. 41 en volgende).

Het recht op gezondheidszorgen wordt dermate niet erkend door de Conventie van de rechten van de mens, maar het evenredigheidsbeginsel en de regel van de «gelijkmatigheid» door de internationale rechtsmachten gehuidigd, zijn algemene rechtsbeginselen die in alle materies gelden (ibid).

Het dwingend systeem dat het wetsontwerp voorziet, zonder absolute noodzakelijkheid in verhouding tot het nagestreefde doel, leidt echter tot een behandelingsongelijkheid tussen de verzorgingsinstellingen en tussen de geneesheren in het gebruik van de zware medische apparatuur.

***

Om het overmatig karakter van het wetsontwerp aan te tonen, dienen eerst de afwezigheid van een wettelijke bepaling van de zware medische apparatuur, en het gevaar van willekeur in zijn bepaling door de uitvoerende macht worden onderstreept.

De zware medische apparatuur was al vermeld in artikel 148 van de wet van 5 januari 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1975‑1976.

Tijdens de parlementaire werkzaamheden omtrent deze wet, werd het volgende verklaard (Verslag in naam van de verenigde commissies van Financiën en van de Volksgezondheid van de Senaat):

«Op de vraag tot nadere omschrijving van het begrip zware apparatuur, is de Minister van oordeel dat een scheiden in diagnostische en therapeutische apparatuur niet aangewezen is daar beide er moeten in opgenomen worden.

De Ziekenhuisraad is voldoende bevoegd om ter zake een objectief en valabel advies uit te brengen.
De lijst zal trouwens nooit beperkend opgesteld worden gezien de te snelle technische evolutie in de geneeskunde; wel is de Minister van oordeel dat zeker niet behoort tot deze categorie, onder andere, de uitrusting van tandarts, oogarts, cardioloog en de uitrusting voor radiografie. Deze laatste althans niet in een eerste faze alhoewel men juist hier dicht bij een stadium van overequipering gekomen is. Om dit te voorkomen legt de Minister een imperatieve planning op, ook buiten de ziekenhuizen».

De Minister van dat ogenblik heeft aldus een tamelijk restrictief advies uitgesproken inzake de uitrusting die aan een toelating moet worden onderworpen.

Maar dit is slechts een advies over de toepassing van de wet en wettelijk is er geen beletsel, de uitrusting waarover de tandartsen, de oogartsen en de cardiologen beschikken aan een toelating te onderwerpen.

In het zelfde verslag van de verenigde commissies van de Senaat leest men:

«De bezwaren welke het medisch korps aanvoert als zou de Minister aldus de vrijheid van vestiging en uitrusting van privé-kabinetten beknotten, worden weerlegd doordat duidelijk gesteld is dat het alleen gaat om niet‑rendabele zware medische apparatuur en dit voornamelijk in de ziekenhuizen.»

In werkelijkheid maakt de wet van 1976 geen enkel onderscheid tussen de rendabele en de niet‑rendabele apparaten; anderzijds voorziet ze uitdrukkelijk dat ze van toepassing is zelfs buiten de ziekenhuizen. Dezelfde opmerkingen gelden ook voor het wetsontwerp dat thans wordt overwogen.

***

De Ziekenhuisraad, op wiens éénsluidend advies de Koning bepaalt welke de zware medische apparatuur is, bestaat uit een voorzitter en 49 leden (wet van 23 december 1963, artikel 11).

Hij heeft een algemene commissie en een universitaire commissie.

De algemene commissie bestaat uit 33 leden, waaronder slechts 15 geneesheren, hetzij een minderheid.

De universitaire commissie bestaat uit 21 leden, waaronder slechts 10 geneesheren, hetzij ook een minderheid.

Die samenstelling geeft niet de waarborg dat de problemen van geneeskundige plichtenleer voldoende in overweging zullen worden genomen bij de bepaling van de zware medische apparatuur; ze geeft niet de waarborg dat de delicate wetenschappelijke problemen die bij die bepaling zijn gesteld met de noodzakelijke bevoegdheid zullen worden behandeld, ze geeft niet de waarborg dat men geen overdreven belang zal hechten aan de eigen problemen van de ziekenhuizen ten nadele van de problemen betreffende de uitoefening van de geneeskunde in het algemeen.

Loopt men niet het gevaar van een verouderde technische uitrusting te handhaven, omdat de apparatuur waarover die instellingen beschikken niet voldoende afgeschreven is, en om de installatie van een nieuwe uitrusting te verhinderen die een aan zienlijke vooruitgang betekent voor de geneeskunde, en dit zelfs buiten de betrokken ziekenhuizen.

Zo hangt de wetenschappelijke vooruitgang meer af van de appreciatie van de ziekenhuisbeheerders dan van de geneesheren.

***

De toelatingen tot installatie en exploitatie zullen van het programma afhangen dat de Koning bepaalt, op advies van de commissie voor ziekenhuisprogrammatie en op de adviezen die deze commissie in elk bijzonder geval verleent, inzake de subsidies en de toelatingen.

De samenstelling van de Nationale Commissie voor de ziekenhuisprogrammatie en van de regionale Commissies voor de ziekenhuisprogrammatie zijn behandeld in twee koninklijke besluiten van 12 juni 1974.

De samenstelling van die commissies roept dezelfde opmerkingen op als die van de ziekenhuisraad.

***

Tenslotte is het wetsontwerp overmatig, zoals hierboven reeds werd gezegd, omdat het verbodsbepalingen bevat die niet gerechtvaardigd worden door de nagestreefde doeleinden.

De ziekenhuisprogrammatie rechtvaardigt niet de verbodsbepalingen, die buiten de ziekenhuizen geldig zijn. Het financieren van de zware medische apparatuur vereist niet dat men de aankoop van deze apparatuur zou verbieden, zelfs wanneer men geen beroep doet op de openbare financiën. De beperking van de uitgaven van de ziekte‑ en invaliditeitsverzekering brengt geen absoluut verbod mee van deze apparatuur zonder toelating te gebruiken.

De Nationale Raad stelt zich voornamelijk op deontologisch plan, en zijn eigen wettelijke opdracht bestaat er niet in om middelen voor te stellen om de uitgaven van de ziekte‑ en invaliditeitsverzekering te beperken. Maar hij is hoegenaamd niet ongevoelig voor dit zeer reëel aspekt van het probleem. Het is in die geest dat hij met nadruk wenst te zeggen dat verschillende formules kunnen overwogen worden voor de terugbetaling van de prestaties die met behulp van niet gesubsidieerde zware medische apparatuur worden geleverd.

  1. terugbetaling van de prestaties enkel volgens de kostprijs,
  2. terugbetaling volgens dezelfde maatstaf als voor de gesubsidieerde apparaten,
  3. weigering van terugbetaling zo dit niet tot een discriminatie leidt, die door geen absolute noodzakelijkheid zou gerechtvaardigd worden.

Die oplossingen zouden volkomen efficiënt zijn om de nagestreefde doeleinden te verwezenlijken wat de ziekte‑ en invaliditeitsverzekering betreft.

De verbodsbepalingen die het wetsontwerp voorziet, overtreffen daarentegen hetgeen deze doeleinden nastreven en zij brengen derhalve het evenredigheidsbeginsel in het gedrang.

***

De Nationale Raad is geenszins van plan te ontkennen dat er zware ekonomische problemen bestaan die aan de uitoefening van de geneeskunst verbonden zijn.

Die problemen gaan de Nationale Raad alleen aan in de mate waarin ze een terugslag hebben op de gebinselen die aan de basis liggen van de uitoefening van de geneeskunst in onze maatschappij, en op de medische plichtenleer.

Het komt de Nationale Raad toe te waken dat die principes niet in het gedrang zouden worden gebracht zonder voldoende noodzaak. De vrijheid van de geneesheer op diagnostisch en therapeutisch vlak is er één van.

Artikel 11 van het Koninklijk Besluit nr. 78 van 10 november 1967, dat dit principe in ons positief recht toepast, voorziet ook dat de misbruiken van de vrijheid waarvan de geneesheren genieten, door de raden van de Orde worden beteugeld, waarvan zij afhangen.

De Nationale Raad is zich ervan bewust dat het noodzakelijk is deze misbruiken zeer streng te beteugelen. Enkele maanden geleden is hij met een brede actie begonnen tegen bepaalde misbruiken inzake klinische biologie. Hij is vastbesloten deze actie met de grootste kordaatheid voort te zetten.

Maar de misbruiken van bepaalde geneesheren kunnen zo dwingende maatregelen als deze van het ontwerp niet rechtvaardigen tegenover alle geneesheren. Dan gaat het om kwaad opzet tegen de geneesheren en om een stelsel dat meer op «voorafgaandelijke censuur» gelijkt dan op een programmatie binnen redelijke grenzen gehouden.

***

De Nationale Raad van de Orde van Geneesheren is ervan overtuigd dat de Minister de nodige aandacht zal besteden aan de opmerkingen van deontologische aard die hier werden geformuleerd.

Hij verzoekt deze opmerkingen te willen voorleggen aan de Commissie van Volksgezondheid bij de Senaat waarbij het wetsontwerp hangend is. Het zou ondenkbaar zijn dat de wetgever dermate ernstige maatregelen neemt zonder kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de Orde van Geneesheren.

***

Vorige pagina

6

pagina