keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Aids25/05/2002 Documentcode: a097004
Beroepsgeheim en aids - Mededeling aan partner

Beroepsgeheim en aids – Mededeling aan partner

Naar aanleiding van een door hem opgestelde nota "Aids en beroepsgeheim" stelt een provinciale raad de vraag of er in het advies van de Nationale Raad d.d. 16 december 2000 geen ruimte moet worden gelaten voor een beroep op de noodtoestand. In dit advies zegt de Nationale Raad dat het beroepsgeheim niet toelaat de partner van een HIV- seropositieve patiënt in kennis te stellen van de overdraagbare infectie indien de patiënt zelf daarmee niet akkoord gaat.

Advies van de Nationale Raad :

Uit de goed gedocumenteerde nota van de werkgroep “Aids en beroepsgeheim” van uw Raad blijkt dat alle door de werkgroep geconsulteerde deskundigen het erover eens zijn dat de arts zich in uitzonderlijke omstandigheden op de noodtoestand moet kunnen beroepen.

Ook de Nationale Raad is van oordeel, zoals uit eerder uitgebrachte adviezen blijkt, dat het beroepsgeheim geen absoluut karakter heeft en dat in bepaalde omstandigheden andere waarden op het beroepsgeheim kunnen primeren. Wel is het essentieel dat een door een arts ingeroepen rechtvaardigingsgrond met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal geaccepteerd worden door de tuchtrechter, de strafrechter en de gemeenschap.

Zo zal een rechtvaardigingsgrond een grote kans maken aanvaard te worden wanneer de diagnose op niet te weerleggen wijze vaststaat en aangetoond wordt dat derden een reëel en ernstig gevaar lopen gezien de aard van de aandoening en de gedragingen van de zieke. Tevens is het essentieel dat ook collega’s van de behandelaar op grond van hun ervaring en specifieke kennis van de voorliggende problematiek eveneens van oordeel zijn dat de ingeroepen noodtoestand een afwijking van de regels van het beroepsgeheim rechtvaardigt. Nauwelijks moet worden gezegd dat een advies van deze collega’s na onderzoek van de patiënt waardevoller is dan een door hen uitgebracht advies op grond van stukken van het medisch dossier. Niet onbelangrijk is eveneens te overwegen of het doorbreken van het beroepsgeheim geen nadelig effect zal hebben op de verdere behandeling van de patiënt noch op de behandelmogelijkheden van patiënten die aan dezelfde of een verwante aandoening lijden daar de mededeling aan derden hun vertrouwen in de geneeskunde kan schaden.

Deze algemene beginselen betreffende het beroep doen op de noodtoestand kunnen vermoedelijk ingeroepen worden in sommige gevallen van de voorgelegde problematiek. Aangezien de noodtoestand eerder uitzonderlijk is meent de Nationale Raad dat het beter is daar niet expliciet naar te verwijzen bij het uitbrengen van adviezen met een algemeen karakter.

De Nationale Raad houdt eraan de Provinciale Raad en zijn werkgroep ‘Aids en beroepsgeheim’ te danken voor de grondige studie van de gestelde problematiek.

Aids16/12/2000 Documentcode: a091013
Artikel 33 van de Code van geneeskundige plichtenleer - Voorlichting van de patiënt Het informeren van de partner(s) van een HIV-seropositieve persoon

Artikel 33 van de Code van geneeskundige plichtenleer – Voorlichting van de patiënt
Het informeren van de partner(s) van een HIV-seropositieve persoon

Naar aanleiding van de wijziging van artikel 33 van de Code van geneeskundige plichtenleer (1) op 15 april 2000 vraagt een provinciale raad

  1. "of de geneesheer die oordeelt dat de patiënt niet voldoende draagkracht heeft om de diagnose te verwerken, vrij is deze diagnose niet te vermelden";
  2. of de zin "De arts betrekt hierbij de naastbestaanden tenzij de patiënt zich daartegen verzet." betekent "dat de arts het recht heeft, tenzij duidelijk verzet van de patiënt, het beroepsgeheim te delen met de naastbestaanden";
  3. "welke houding de arts moet aannemen in het specifieke geval van een aids-patiënt die weigert de diagnose te laten kennen aan zijn partner".

Advies van de Nationale Raad van 21 oktober 2000:

1. "Bij de informatie van de patiënt houdt de arts rekening met diens draagkracht" biedt de arts de mogelijkheid rekening te houden met de ziektebeleving door de patiënt, zijn omgaan met tegenslagen in het verleden, zijn omkadering. Aldus wordt de arts ertoe aangezet op een individueel aangepaste wijze de patiënt te informeren, wat niet in tegenspraak is met het basisbeginsel dat inhoudt dat het tijdig ontvangen van correcte informatie een fundamenteel patiëntenrecht is.

2. "De arts betrekt hierbij de naastbestaanden tenzij de patiënt zich daartegen verzet". Deze zin betreft enkel de patiënt met erge of noodlottige prognose; "hierbij" verwijst niet naar mededelen van diagnose maar naar "aangepaste behandeling en begeleiding".

3. Met betrekking tot de aids-patiënt die weigert de diagnose te laten kennen aan zijn partner, verwijst de Nationale Raad naar zijn advies van 16 oktober 1993.

Na bestudering van dit advies van de Nationale Raad, wenst de betrokken provinciale raad een duidelijker antwoord op zijn derde vraag.

Advies van de Nationale Raad van 16 december 2000 :

De Nationale Raad behoudt het standpunt van 16 oktober 1993 :

"Bij seropositieve personen moet er worden op aangedrongen dat zij hun mogelijke bronnen van infectie alsmede de door hen mogelijks besmette personen verwittigen. Zij moeten worden voorgelicht over de geëigende middelen om besmetting van andere personen te voorkomen."

De Nationale Raad bevestigt dat, behoudens uitdrukkelijk verzoek van de patiënt, het beroepsgeheim verbiedt dat de arts de partners van een seropositieve persoon van de besmetting op de hoogte brengt. Wel dient de arts de patiënt duidelijk op zijn verantwoordelijkheid te wijzen en op de noodzaak ten gepaste tijde met een efficiënte behandeling te starten, die moeilijk voor zijn onmiddellijke omgeving verborgen kan gehouden worden.

(1) TNR nr. 89, september 2000, p. 9.

Aids15/04/2000 Documentcode: a089001
Potentieel besmettingsrisico - Ambulanciers en brandweermannen

Een provinciale raad legt een nieuwe brief voor van de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (DBDMH). Dit schrijven sluit aan bij de correspondentie die deze Dienst voordien met de provinciale raad voerde en naar aanleiding waarvan de Nationale Raad reeds advies verleende op 19 februari 2000 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 88 , juni 2000, p. 21).
De korpsgeneesheer van de DBDMH citeert de punten 6
(1) en 7 (2) van het advies van de Nationale Raad inzake aids van 16 oktober 1993 (Tijdschrift Nationale Raad, nr. 63, maart 1994, p. 25) en legt de volgende vragen voor :

  1. kan een brandweerman, zowel in zijn hoedanigheid van 100-ambulancier als van redder in het kader van bevrijdingsoperaties of van een brand, inzake bescherming tegen besmettelijke ziekten, gelijkgesteld worden met het personeel verbonden aan een ziekenhuis (punt 6);
  2. kan, mits de striktste waarborgen betreffende het medisch geheim en zonder er een geschiktheidsvoorwaarde van te maken, bij de aanwerving van een brandweerman, het resultaat van een opsporingstest voor aids worden gevraagd (punt 7) ?

Antwoord van de Nationale Raad :

De Nationale Raad bevestigt zijn brief van 24 februari 2000. Als bijlage sturen wij u verscheidene adviezen uitgebracht door de Nationale Raad inzake de accidentele besmetting door een infectieuze drager van een besmettelijke ziekte.

Het is de taak van de ziekenhuisarts, verantwoordelijk voor de behandeling van de betrokken patiënt, indien hij dit nodig acht, de arts van de DBDMH te waarschuwen voor een potentieel besmettingsrisico.

Bij de aanwerving van ambulanciers moeten de condities vastgelegd door de administratieve overheid, meer bepaald qua hygiëne en preventie, geëerbiedigd worden.

Advies van de Nationale Raad van 16 oktober 1993 – Tijdschrift nr. 63, p. 25 :

Zoals in 1987 heeft de Nationale Raad zich gebogen over de door de AIDS-ziekte opgeworpen problemen en hij staat erop enkele punten nader te preciseren.

De ethische principes van de geneeskunde, in het bijzonder in verband met deze infectieziekte, moeten in herinnering gebracht worden :

  • wat de rechten op verzorging door een geneesheer betreft, zijn alle patiënten gelijk en elke vorm van discriminatie is verboden;

  • elk individu heeft recht op eerbied voor zijn persoonlijke levenssfeer en een absoluut respect voor zijn vertrouwelijke mededelingen;

  • in een maatschappij en a fortiori op het vlak van de gezondheid is een inmenging in de persoonlijke levenssfeer of een beperking van de individuele vrijheid slechts denkbaar met het oog op de bescherming van een of meerdere individuen tegen een reëel gevaar. Om die reden is de geneesheer eveneens verplicht ieder risico verbonden aan de uitoefening van zijn beroep zo veel mogelijk te beperken, zowel voor zichzelf als voor zijn medewerker;

  • elke arts heeft een preventieve, informatieve en educatieve opdracht; de bevoorrechte arts patiënt relatie is meer dan ooit van essentieel belang in deze.

Rekening houdende met de medische ethiek en de problemen van de samenleving worden volgende richtlijnen uitgevaardigd:

  1. De arts heeft de plicht zich op de hoogte te houden van de vooruitgang van de wetenschappelijke kennis in verband met deze ziekte.

  2. Artsen, verpleegkundigen en paramedici zijn beroepshalve blootgesteld aan accidentele besmetting via contact met bloedsecreties en excrementen van patiënten. Zij moeten bovendien vermijden via hun medische handelingen het virus van de ene op de andere persoon over te brengen. De artsen moeten zelf de vereiste hygiëne en steriliteitsvoorschriften naleven en deze ook doen naleven door hun paramedische medewerkers en verpleegkundigen. Bedoelde voorschriften moeten steunen op de door de wetenschappelijke autoriteiten uitgevaardigde aanbevelingen.

  3. Bij correcte naleving van de voorschriften inzake hygiëne zijn risico's op besmetting en overdracht gering. De arts mag om deze reden in geen enkel geval de nodige verzorging weigeren aan een HIV seropositieve patiënt of een patiënt behorende tot een HIV risicogroep. Onder de waarborg van het medisch beroepsgeheim moet de arts zijn patiënt ertoe aanzetten hem toe te vertrouwen of hij tot een risicogroep behoort of seropositief is.

  4. In het ziekenhuismilieu moet de arts ervoor waken dat de HIV seropositiviteit voor de patiënt geen discriminatie in verzorging of comfort meebrengt; bij iedereen dienen dezelfde hygiëneregels nageleefd te worden. De manier waarop informatie omtrent de HIV seropositiviteit van een patiënt wordt doorgegeven, moet strikt confidentieel zijn met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.

  5. Het is wenselijk dat bedoelde tests slechts gebeuren met de toestemming van de betrokken persoon zoals overigens gebruikelijk is voor tal van andere diagnostische onderzoekingen. De test zal niet gebeuren als de patiënt er zich expliciet tegen verzet: in zulk geval staat het de arts vrij behoudens in dringende gevallen om deze persoon als patiënt te weigeren.
    Het resultaat van een positieve HIV test zal uitsluitend aan de patiënt zelf worden medegedeeld en wel met de nodige omzichtigheid, uitleg en aanbevelingen.

  6. Wanneer dringend een invasieve ingreep uitgevoerd moet worden, mag de HIV seropositiviteit opgespoord worden ter bescherming van het medisch en verpleegkundig personeel.

  7. Ter bescherming van de patiënt, vermijde elke arts en verplegende die HIV seropositief is, invasieve ingrepen te verrichten of er aan deel te nemen.

  8. Bij seropositieve personen moet er worden op aangedrongen dat zij hun mogelijke bronnen van infectie alsmede de door hen mogelijks besmette personen verwittigen. Zij moeten worden voorgelicht over de geëigende middelen om besmetting van andere personen te voorkomen.

  9. Epidemiologisch onderzoek naar HIV antilichamen mag slechts voor wetenschappelijke doeleinden gebeuren. Een dergelijke enquête is deontologisch maar aanvaardbaar indien de betrokkene daarmee vooraf heeft ingestemd.

  10. Artsen werkzaam in laboratoria voor klinische biologie moeten ervoor waken dat de resultaten van serologische testen voor HIV slechts aan de geneesheer aanvrager worden meegedeeld.

  11. Artsen hebben de plicht hun patiënten die tot risicogroepen behoren ervan te overtuigen in geen geval bloed, sperma of organen af te staan.

  12. De arts heeft de plicht het gebruik van steriel wegwerp materiaal aan te bevelen voor injecties door zowel artsen, verpleegkundigen als anderen.

  13. Het HIV virus wordt meestal overgedragen via seksuele weg (hetero of homoseksuele). Rekening houdend met de jongste wetenschappelijke bevindingen, en buiten zeldzame situaties waarin een evident risico op verwonding bestaat, houden de normale fysieke contacten die eigen zijn aan een gezins , beroeps , school en sociaal leven geen risico in op besmetting. De HIV seropositiviteit vormt derhalve geen rechtvaardiging voor discriminerende maatregelen op grond van medische argumenten.

  14. Indien een verzekeringsmaatschappij met het oog op de afsluiting van een overeenkomst een HIV test voorziet, kan de keurende arts die test slechts laten uitvoeren mits het informed consent van de betrokkene. De keurende arts zal de betrokkene ervan inlichten dat hij in functie van zijn opdracht zowel diens eventuele weigering van de test als de uitslag van de test dient te melden aan de adviserend arts van de verzekeringsmaatschappij .
    Deze adviserend arts dient de resultaten van een keuringsonderzoek aan de betrokkene en/of aan de door deze laatste aangeduide behandelende arts te melden. De kandidaat verzekerde moet immers de mogelijkheid hebben van zijn verzoek om een verzekeringsovereenkomst af te zien vooraleer enige medische inlichting door de adviserend arts aan de verzekeraar wordt overgemaakt.

  15. Arbeidsgeneesheren mogen de werkgever nooit informeren over de medische redenen van hun advies over een werknemer, ook niet over de uitslag van een HIV test met informed consent van de werknemer uitgevoerd noch over weigering van zulke test door de werknemer.
    Hetzelfde geldt voor de geneesheer die door een werkgever gelast is hem een deskundig advies te verlenen over de geschiktheid van een kandidaat werknemer.

Advies van de Nationale Raad van 24 oktober 1998 – Tijdschrift nr. 83, p. 11 :

De Nationale Raad stelt voor dat de provinciale raad onderstaande brief zou sturen aan de adviesvragende arts:

"Betreft : houding die aangenomen dient te worden ten aanzien van een gekende HIV-positieve patiënt die door onoplettendheid derden besmet kan hebben.

Wat betreft de derden die per ongeluk in contact kwamen met biologische producten van een gekende HIV-patiënt of met technisch materiaal dat gebruikt werd voor de verzorging van deze patiënt, moet hun serologie herhaaldelijk onderzocht worden, volgens de meest recente aanbevolen schema's, om het bestaan van een besmetting te bevestigen of te ontkrachten.

Wat betreft de gekende HIV-patiënt, is het belangrijk te weten in welk stadium zijn aandoening zich bevindt en in het bijzonder zijn viremie. Hiertoe kan men hem dringend verzoeken in te stemmen met een serologisch onderzoek, zonder hem ertoe te kunnen verplichten. De regels van het beroepsgeheim moeten strict geëerbiedigd worden door de interveniënten in de verzorging, zowel ten aanzien van de donor als van de potentiële ontvanger(s).

Wanneer men de toestemming verkreeg van de potentiële donor, moet hem het resultaat van het onderzoek meegedeeld worden en moet zijn akkoord gevraagd worden om de potentieel besmette persoon (personen) op anonieme manier in te lichten teneinde aan deze laatste(n) enerzijds elementen te bezorgen in verband met een mogelijke infestatie en, anderzijds, indien nodig een prognose te formuleren.
Overredingskracht is dus geboden, gezien de gewaarborgde vertrouwelijkheid!

De weigering van de potentiële donor kan niet bestempeld worden als niet-hulpverlening aan een persoon in gevaar. De diagnostische stappen ten aanzien van potentieel besmette derden, de eventuele therapeutische beslissingen die hen betreffen en de preventieve maatregelen om de verspreiding te vermijden, zijn inderdaad niet afhankelijk van de toestemming door de potentiële donor om zijn serologie te laten onderzoeken."

(1) "Wanneer dringend een invasieve ingreep uitgevoerd moet worden, mag de HIV seropositiviteit opgespoord worden ter bescherming van het medisch en verpleegkundig personeel."
(2) "Ter bescherming van de patiënt, vermijde elke arts en verplegende die HIV seropositief is, invasieve ingrepen te verrichten of er aan deel te nemen."

Aids19/02/2000 Documentcode: a088015
Blootstelling van het ambulancepersoneel aan infectierisico's

Een provinciale raad maakt zijn correspondentie over met de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (DBDMH) die advies vraagt over een brief die hij reeds meermaals stuurde naar de erkende "100"-spoedgevallendiensten van de regio betreffende de volgende problemen :

  1. de profylaxe tegenover zijn ambulancepersoneel in geval van contact, en a fortiori van potentieel verdacht of besmettelijk contact, met een door een infectieziekte getroffen patiënt (bv. tuberculose, meningitis, hepatitis B en C, aids, ...);
  2. de bescherming van de patiënten die later in dezelfde ziekenwagen vervoerd worden.

Wanneer de korpsgeneesheer van de DBDMH vraagt om ingelicht te worden over de potentiële besmettelijkheid van de vervoerde patiënten, wordt hem dit geweigerd door de ziekenhuisartsen. De vraag is nu of zij hier terecht het medisch geheim inroepen want het is niet de bedoeling de identiteit van de patiënten te achterhalen maar alleen te weten te komen welke ambulanciers hen hebben vervoerd.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad is van oordeel dat de gevraagde inlichtingen de identificatie van de patiënt toelaten en de eerbiediging van het medisch geheim bijgevolg onmogelijk maken.

Hij vestigt de aandacht op de preventieve maatregelen die in alle omstandigheden genomen moeten worden en die onder de bevoegdheid vallen van de “preventieadviseur-arbeidsgeneesheer”, waarnaar verwezen wordt in artikel 7 van het koninklijk besluit van 29 april 1999 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s bij blootstelling aan biologische agentia op het werk.

Aids25/09/1999 Documentcode: a087004
Follow-up van prikaccidenten

Naar aanleiding van de bespreking van de procedure voor de follow-up van prikaccidenten vraagt een comité voor ziekenhuishygiëne het advies van de Nationale Raad over volgende punten :

  1. indien een verpleegkundige zich prikt met een naald die reeds gebruikt is bij patiënt X, mogen dan bepaalde bloedtesten gebeuren bij patiënt X teneinde hepatitis, aids enz. uit te sluiten;
  2. wie mag deze testen aanvragen en onder welke voorwaarden;
  3. mag het comité voor ziekenhuishygiëne hierbij een coördinerende rol spelen (opvolging, contacten met de arbeidsgeneesheer enz.)?

Antwoord van de Nationale Raad :

1. indien iemand per ongeluk langs percutane weg besmet raakt door het bloed of een biologische vloeistof van een patiënt, gaat het over een arbeidsongeval. De medische en juridische regeling van dit arbeidsongeval valt onder de arbeidsgeneeskundige dienst waarbij de betrokkene is aangesloten en dient te verlopen in nauwe samenwerking met deze dienst.
2. het is wenselijk dat over de houding die aangenomen dient te worden bij dit soort van ongeval een protocol opgesteld wordt in overleg met de dienst preventie en veiligheid (comité voor veiligheid en hygiëne), alsook met de commissie voor ethiek van de instelling. De rol hierin van deze commissie is overigens beperkt tot deze consultatie.
Sommige ziekenhuizen beschikken over dergelijke standaardrichtlijnen, die eveneens de goedkeuring moeten krijgen van de medische directie van de instelling (zie bijlage).
3. indien het incident zich voordoet in een ziekenhuis en het slachtoffer zich aanmeldt op de spoedgevallendienst, kan deze dienst met de toestemming van de persoon die aan de basis ligt van het incident, toegang hebben tot diens dossier en rekening houden met de medische inlichtingen die het bevat, met de toestemming van de patiënt.
4. indien de serologie van deze persoon niet gekend is, moet zijn toestemming verkregen worden voor elk bloedonderzoek of elke bloedafname. Bij weigering en rekening houdend met andere elementen (bijvoorbeeld risicopersoon) kan dit een klinisch element uitmaken voor vermoeden van seropositiviteit.
5. de toestemming van het potentiële slachtoffer dient eveneens verkregen te worden voor elke bloedafname en elk bloedonderzoek. In geval van weigering, dient de persoon ervan verwittigd te worden dat hij het risico loopt geen aanspraak te kunnen maken op de verzekering die het arbeidsongeval dekt.

Als bijlage vindt u een voorbeeld van een protocol dat opgesteld werd door een arbeidsgeneeskundige dienst voor dit soort van ongeval, alsook een formulier betreffende de voorgelichte toestemming in geval van mogelijke besmetting door HIV.

Bijlagen :

  1. de door IDEWE (Interbedrijfsgeneeskundige Dienst voor Werkgevers vzw - Interleuvenlaan, 58 - 3001 Leuven) opgestelde procedure bij naaldprikongevallen
  2. voorbeeld van voorgelichte toestemming

Bijlage 1

PROCEDURE BIJ NAALDPRIKONGEVALLEN, VERWONDINGEN EN INCIDENTEN MET BLOEDCONTACT

1. Procedure bij naaldprikongevallen, bloedspatten op niet-intacte huid of slijmvliezen en verwondingen met bloedcontact die geen verdere behandeling vereisen.

1.1 EHBO-procedure :
  • zoveel mogelijk laten uitbloeden
  • zorgvuldig ontsmetten
  • uitgebreid noteren in het EHBO-register
1.2. BLOEDNAME-procedure : uit te voeren volgens schema, door de Arbeidsgeneeskundige Dienst

KONTAKTBLOED, drager van

WERKNEMER

? ongekend

HBV+

HCV-

HIV-

HBV-

HCV+

HIV-

HBV-

HCV-

HIV+

HBV-

HCV-

HIV-

wel anti- stoffen

HBV

bloedname voor HCV-en HIV-markers op 0 en 6 mnd

alleen EHBO-procedure

geen anti-stoffen

HBV

1. bloedname voor HCV- en HIV-markers op 0 en 6 mnd.

2. onmiddellijk toediening van anti-HBs hyperimmuunglob.

3. eventueel starten van HBV-vaccinatie (alleen op arb. gen. dienst)

1. onmiddellijk toediening van anti-HBs hyperimmuunglob.

2. eventueel starten van HBV-vaccinatie

(alleen op arb. gen. dienst)

Bloed-name voor HCV-markers op 0 en 6 maand

Bloed-name voor HIV-markers op 0 en 6 maand !
anti-virale therapie over-wegen

Alleen EHBO procedure

anti-stoffen HBV?

1. bloedname voor HBV-, HCV- en HIV-markers op 0 en 6 mnd.

2. onmiddellijk toediening van anti-HBs hyperimmuunglob.

3. eventueel starten van HBV-vaccinatie (alleen op arb. gen. dienst)

1. bloedname voor HBV-marker

2. onmiddellijk toediening van anti-HBs hyperimmuunglob.

3. eventueel starten van HBV-vaccinatie (alleen op arb. gen. dienst)

HBV = hepatitis B-virus
HCV = hepatitis C-virus
HIV = humaan immunodefic. Virus
* Anti-virale therapie overwegen: advies vragen bij de curatieve sector met name de geneesheer-specialist algemene inwendige geneeskunde (...); buiten de werkuren: via de telefooncentrale, thuis of supervisiewacht van wacht van Algemene Inwendige Geneeskunde. Het is dan ook noodzakelijk dat de betrokkene ONMIDDELLIJK (binnen het uur) contact opneemt met één van deze geneesheren.

1.3. TOELICHTING bij het overzichtsschema

- De bloedname gebeurt binnen de week en na 6 maanden door de Arbeidsgeneeskundige Dienst.
Indien men met zekerheid weet dat patiënt zowel HBV-, HCV-, als HIV-negatief is, dient geen bijkomend bloedonderzoek bij de werknemer te gebeuren.
- Het voorschrift voor anti-HBs hyperimmuunglobulinen wordt opgesteld door de Arbeidsgeneeskundige Dienst of bij afwezigheid door een geneesheer naar keuze.
Deze immuunglobulinen zijn op voorschrift te verkrijgen bij de apotheker en buiten de werkuren via de dienst spoedgevallen.
De toediening van anti-HBs hyperimmuunglobulinen moeten BINNEN DE 24 UUR gebeuren door een geneesheer.
- De Arbeidsgeneeskundige Dienst zorgt voor de eventuele aanvraag voor terugbetaling van het hepatitis B-vaccin via het Fonds voor Beroepsziekten.

1.4. AANGIFTE-procedure :

De Arbeidsgeneeskundige Dienst maakt het attest voor de ongevalsverzekering op (enkel in geval er medische prestaties zijn o.a. bloedname, eventuele consultatie bij de geneesheer e.d.).
Dit attest moet door de werknemer binnen de week bezorgd worden aan de personeelsdienst.

Elke verwonding met bloedcontact waarvoor verzorging nodig is.

2.1. EHBO-procedure :
  • zoveel mogelijk laten uitbloeden
  • zorgvuldig ontsmetten
  • uitgebreid noteren in het EHBO-register.
2.2. VERZORGING-procedure :

via de dienst spoedgevallen.

2.3. BLOEDNAME-procedure :
  • De dienst spoedgevallen dient anti-HBs hyperimmuunglobulinen toe.
  • De bloedname voor hepatitis- en HIV-markers (zie schema) gebeurt binnen de week op de Arbeidsgeneeskundige Dienst. Indien nodig wordt de hepatitis B-vaccinatie gestart.
2.4. AANGIFTE-procedure :

De dienst spoedgevallen maakt het attest voor de ongevalsverzekering op. Dit attest moet binnen de week bezorgd worden aan de personeelsdienst.

3. Incident: Intacte huid.

3.1. EHBO-procedure :
  • zorgvuldig en uitvoerig wassen en ontsmetten
  • vermelden in EHBO-register

BESLUIT

Bij een prik- of snijongeval :

1. contacteer de dienst spoedgevallen (...)

  1. Bij elke verwonding met bloedcontact waarvoor VERZORGING nodig is (punt 2.2.).
  2. Wanneer er hyperimmuunglobulinen dienen toegediend te worden en de Arbeidsgeneeeskundige Dienst of de arts van de afdeling niet bereikbaar is.

2. contacteer de Arbeidsgeneeskundige Dienst : (...)

  1. Binnen de 24 uur voor toediening van anti-HBs hyperimmuunglobulinen.
  2. Binnen de week na het ongeval indien er een bloedname voor hepatitis- en/of HIV-markers (zie schema) moet gebeuren.
  3. Indien er gestart wordt met de hepatitis B-vaccinatie wordt een aanvraag tot terugbetalin van het vaccin aangevraagd via het Fonds voor de Beroepsziekten.
  4. Voor het invullen van het medisch attest voor de ongevalsverzekering (indien nodig).

3. contacteer de Veiligheidsdienst : (...)

Binnen de week als er een medisch attest voor de ongevalsverzekering ingevuld werd.

4. contacteer de geneesheer-specialist Algemene Inwendige Geneeskunde:
ONMIDDELLIJK (=binnen het uur na contact met bloed van een HIV+ patiënt)

PROFYLAXE VAN INFECTIE NA NAALDPRIKONGEVAL: HIV INFECTIE

Deze richtlijnen gelden enkel voor gevallen van percutane besmetting met bloed/bloederig lichaamsvocht van gekend HIV seropositieve patiënten. Ze gelden niet voor ongevallen met bloed van patiënten met risicofactoren voor HIV of met onbekende HIV status. Ze gelden niet voor ongevallen waarbij geen contact met patiëntenbloed optrad. De richtlijnen zijn gesteund op de theoretische inzichten betreffende HIV transmissie, effecten van antiretrovirale therapie in andere settings en beperkte retrospectieve gegevens betreffende het gebruik van AZT (Retrovir, zidovudine) bij prikongevallen in het verleden. Globaal is het risico op infectie na naaldprik klein: ± 0.3 %. In geselecteerde gevallen is het echter hoger en kan het waarschijnlijk verlaagd worden door toediening van geneesmiddelen.

Procedure

1. Profylaxe met geneesmiddelen na naaldprikongeval bij een HIV seropositieve patiënt is een urgentie. Zo geneesmiddelen nodig geacht worden, dienen deze zo snel mogelijk, liefst binnen de 2 uren toegediend te worden. Wacht niet tot de volgende ochtend !

2. Contacteer zo snel mogelijk een staflid van de afdeling Algemene Inwendige Geneeskunde met ervaring op het vlak van HIV infectie, bv. ... . Indien niet bereikbaar in het ziekenhuis, kunnen deze geneesheren thuis gebeld worden via de centrale.

3. Indien geen van bovenvermelde artsen beschikbaar is, dient met de arts van wacht van Algemene Inwendige Geneeskunde op Spoedgevallen, overlegd te worden op basis van hieronder vermelde criteria.

4. Contacteer de arbeidsgeneesheer (IDEWE) tijdens de werkuren. Hij zal de bloedname voor testen op HIV uitvoeren.

Welke ongevallen komen in aanmerking voor profylaxe met geneesmiddelen ?

Risicofactoren

1. Percutane: blootstelling: prik door de huid (bloeding), snijwonde, contact met wonde van de werknemer, Transfusie of injectie.

2. Grote hoeveelheid bloed: Naaldprik met holle naald die in contact geweest is met bloed of scalpel met bloed besmeurd. Hoogste risico zijn naalden waarlangs bloed genomen werd of waarbij rechtstreekse intravasculaire injectie werd gegeven. Een naald waarmee bijvoorbeeld een injectie via een latexinfuuspoort op afstand van de patiënt werd gegeven houdt een verwaarloosbaar risico in en vormt geen indicatie.

3. Niet alle patiënten zijn even besmettelijk. Meest besmettelijk zijn patiënten met gevorderde HIV infectie ("AIDS") o met bekend hoge viral load (° 30 000, zie dossier patiënt). Symptoomloze patiënten met vrij goede immuniteit (bv.: CD4 >200, zie dossier patiënt) houden een lager risico in.

Praktisch
  • zo percutaan, grote hoeveelheid, meest besmettelijk : aanbeveling
    Retrovir, AZT, zidovudine 3 x 200mg (=2) per dag
    plus
    Epivir, 3TC, lamivudine 2 x 150mg (=1) per dag
    plus
    Crixivan, Indinavir 3 x 800mg (=2) per dag
    (dus in totaal 14 pillen per dag gespreid over het etmaal)
  • zo percutaan, grote hoeveelheid bloed, niet meest besmettelijk : aanbeveling
    Retrovir als hierboven
    plus
    Epivir als hierboven
    (dus in totaal 8 pillen per dag).
    Zo de patiënt reeds meer dan 6 maanden zowel Retrovir als Epivir genomen heeft, is associatie van Crixivan in dezelfde dosis aangewezen.
  • zo percutaan, geringere hoeveelheid bloed: te overwegen
    Retrovir + Epivir als hierboven. Hier is het nut van profylaxe in verhouding tot de risico's minder duidelijk.

Profylaxe wordt niet gegeven aan vrouwen die mogelijk zwanger zijn, zwangerschap is uit den boze tijdens deze profylaxe. Na naaldprikongeval dient de werkgever als theoretisch besmettelijk beschouwd te worden (geen onbeschermde sexuele contacten (condoom!), geen bloeddonaties. In elk geval dient zo snel mogelijk (daags nadien, ten laatste na het weekend) contact genomen te worden met bovenvermelde artsen voor definitieve counseling. Indien volgens de criteria geneesmiddelen nodig zijn, is het beter te starten en na overleg eventueel te stoppen dan pas na een paar dagen te starten ! Terugbetaling van deze medicatie is op dit ogenblik niet voorzien, noch door RIZIV, noch door arbeidsgeneeskunde of verzekering.

Addenda :
  1. informed consent: toestemmingsformulier.
  2. bijsluiter Retrovir, Epivir, patiënteninformatie Crixivan.

Bijlage 2

Voorgelichte toestemming

U bent zopas het slachtoffer geworden van een arbeidsongeval met een biologische vloeistof die (potentieel) besmet is met het humaan immunodeficiëntie virus (HIV) : bloed of een andere biologische vloeistof. Er bestaat een kans op besmetting, die geschat wordt op 1/300 bij een prik met een naald besmeurd met bloed van een HIV-besmette patiënt. Ofschoon het risico gering is, heeft u theoretisch baat bij een preventieve behandeling (profylaxe met geneesmiddelen). Het risico op besmetting daalt met 79 %, jammer genoeg niet met 100%.

De indicatie voor en het soort van chemoprofylaxe worden vastgesteld naar gelang van de wijze van blootstelling (percutaan, mukeus of cutaan), de potentieel besmettelijke biologische vloeistof, de virologische, immunitaire en therapeutische kenmerken van de bronpatiënt, alsook uw gezondheidstoestand. De eventuele chemoprofylaxe bestaat in de associatie van meerdere molecules, doorgaans drie (tritherapie), in mindere mate twee (bitherapie). Zij moet zo vlug mogelijk na het ongeval gestart worden : idealiter binnen de 2 uur en zeker binnen de 4 uur. Deze behandeling moet voortgezet worden gedurende een totale periode van 4 weken.

Zoals voor elk geneesmiddel, bestaat er een risico op nevenwerkingen die variëren volgens de voorgeschreven molecules (zie bijgevoegde tabel). De antiretrovira (geneesmiddelen tegen het HI-Virus) zijn echter vrij recente geneesmiddelen en mogelijk bestaan er nevenwerkingen op langere termijn die nog niet gekend zijn. Wanneer ongewenste verschijnselen optreden, is het vaak mogelijk het behandelingsschema aan te passen. In geval van overgevoeligheid dient u dus zo vlug mogelijk contact op te nemen met de arts die de profylaxe met geneesmiddelen voorgeschreven heeft. Wij raden u ten zeerste aan de behandeling niet stop te zetten op eigen beslissing.

Er wordt u een klinische en biologische follow-up op raadpleging voorgesteld. De eerste raadpleging vindt plaats op de spoedgevallendienst. De chemoprofylaxe wordt besproken en gestart indien er aanwijzing toe is.
Vervolgens wordt een eerste bloedtest uitgevoerd (HIV-serologie, Hepatitis B en Hepatitis C) en wordt de klassieke procedure voor een arbeidsongeval gevolgd. Er wordt een ongevalaangifte ingevuld en u krijgt de nodige inlichtingen voor de verzekering en de follow-up.

Gewoonlijk ziet men u een keer per week (dag 7, 14, 21 en 28) op raadpleging terug in de dienst Algemene Inwendige Geneeskunde (-1, B3), voor een controle van de klinische en biologische tolerantie ten opzichte van de voorgeschreven behandeling. Serologische controles en/of de opsporing van het viraal genoom via technieken van moleculaire biologie worden uitgevoerd 1.5, 3, 6, en 12 maanden na het ongeval. Tijdens deze raadplegingen worden eveneens controles op Hepatitis B- en Hepatitis C-serologie uitgevoerd. De kosten voor behandeling, raadpleging en bloedafname dienen aangegeven te worden bij de verzekering van uw werkgever. Er kunnen u geen enkele kosten aangerekend worden.

Gedurende drie maanden dient u bepaalde regels in acht te nemen in uw dagelijkse leven. In het bijzonder mag u alleen beschermde seksuele contacten hebben en moet u afzien van elke bloed- of orgaandonatie.

Bij zwangerschap is een profylactische behandeling mogelijk, maar de keuze van de voorgeschreven geneesmiddelen is delicater.

Aarzel niet om vragen te stellen. De arts die zich over u buigt in de spoedgevallendienst, zal ze beantwoorden. Voorts kunt u telefonisch contact opnemen met de leden van het Behandelingscentrum (verpleegkundigen, psychologen, artsen, ...). Het staat u natuurlijk vrij de voorgestelde profylactische behandeling te aanvaarden of te weigeren. Indien u weigert, waarborgen wij u dezelfde kwaliteit van verzorging en follow-up.

Aids24/10/1998 Documentcode: a083003
HIV-positieve patiënt die één of meerdere personen van een verzorgingsteam besmet kan hebben

Een provinciale raad legt de Nationale Raad volgend probleem voor: een bezoldigd personeelslid van een ziekenhuis werd door zijn handschoenen door geprikt bij het opruimen van een naald die gebruikt werd bij een ingreep op een persoon met gekende seropositiviteit.
De vraag rijst dan: kan men, rekening houdend met de voorschriften van de Orde van geneesheren inzake de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van het medisch geheim, de potentiële donor verplichten zich te onderwerpen aan een serologisch onderzoek? Welke houding dient aangenomen te worden wanneer de donor weigert? Kan de Nationale Raad een gedragsregel opstellen die toelaat correct te handelen in een dergelijke situatie?

De Nationale Raad stelt voor dat de provinciale raad onderstaande brief zou sturen aan de adviesvragende arts:

"Betreft : houding die aangenomen dient te worden ten aanzien van een gekende HIV-positieve patiënt die door onoplettendheid derden besmet kan hebben.

Wat betreft de derden die per ongeluk in contact kwamen met biologische producten van een gekende HIV-patiënt of met technisch materiaal dat gebruikt werd voor de verzorging van deze patiënt, moet hun serologie herhaaldelijk onderzocht worden, volgens de meest recente aanbevolen schema's, om het bestaan van een besmetting te bevestigen of te ontkrachten.

Wat betreft de gekende HIV-patiënt, is het belangrijk te weten in welk stadium zijn aandoening zich bevindt en in het bijzonder zijn viremie. Hiertoe kan men hem dringend verzoeken in te stemmen met een serologisch onderzoek, zonder hem ertoe te kunnen verplichten. De regels van het beroepsgeheim moeten strict geëerbiedigd worden door de interveniënten in de verzorging, zowel ten aanzien van de donor als van de potentiële ontvanger(s).

Wanneer men de toestemming verkreeg van de potentiële donor, moet hem het resultaat van het onderzoek meegedeeld worden en moet zijn akkoord gevraagd worden om de potentieel besmette persoon (personen) op anonieme manier in te lichten teneinde aan deze laatste(n) enerzijds elementen te bezorgen in verband met een mogelijke infestatie en, anderzijds, indien nodig een prognose te formuleren.
Overredingskracht is dus geboden, gezien de gewaarborgde vertrouwelijkheid!

De weigering van de potentiële donor kan niet bestempeld worden als niet-hulpverlening aan een persoon in gevaar. De diagnostische stappen ten aanzien van potentieel besmette derden, de eventuele therapeutische beslissingen die hen betreffen en de preventieve maatregelen om de verspreiding te vermijden, zijn inderdaad niet afhankelijk van de toestemming door de potentiële donor om zijn serologie te laten onderzoeken."

Aids22/08/1998 Documentcode: a082009
Arts-patiëntrelatie - Medische ingreep op een patiënt met een ernstige en besmettelijke aandoening

Een commissie voor medische ethiek legt de Nationale Raad volgend probleem voor: een patiënt, drager van een ernstige en besmettelijke aandoening, moet een medische ingreep ondergaan en stelt zijn, overigens volledig vrij gekozen, arts van deze aandoening in kennis. Welke houding dient de arts aan te nemen ten overstaan van de patiënt, wetende dat de medische ingreep een risico inhoudt van contact met de biologische substanties van de patiënt?

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren besprak in zijn vergadering van 22 augustus 1998 uw brief van 26 maart 1998.

In geval van hoogdringendheid, zoals bepaald bij artikel 28 van de Code van Plichtenleer, kan een arts zich niet onttrekken aan zijn plicht bijstand te verlenen aan een patiënt, ook niet indien hij aldus het gevaar loopt een besmettelijke ziekte op te doen.

Wanneer de situatie niet dringend is en de arts niet voldoende uitgerust is om de gepaste medische verzorging toe te dienen met een maximale veiligheid voor het gehele personeel en in een omgeving waarin besmetting van andere personen of zieken vermeden wordt, kan hij zich laten vervangen door een beter uitgeruste collega of de patiënt doorverwijzen naar een uitgeruste instelling.

In deze omstandigheden moet de arts de patiënt nauwkeurig en volledig inlichten over de redenen van zijn beslissing en erop toezien dat de toediening en de continuïteit van de verzorging daadwerkelijk verzekerd worden.

In elk geval mag het besmettingsrisico op zich geen weigering van verzorging meebrengen.

Wij herinneren het advies van de Nationale Raad van 16 oktober 1993 aan-gaande AIDS (Tijdschrift nr. 63, blz. 25) en in het bijzonder de alinea's 2 en 3 die handelen over de hygiënemaatregelen en het besmettingsrisico.

Aids20/05/1995 Documentcode: a069011
Aids - Opsporing van HIV

Een geneesheer-directeur van een ziekenhuis verzoekt de Nationale Raad om advies aangaande een vragenlijst die naar de ziekenhuizen gezonden wordt in het kader van een enquête die uitgevoerd wordt in opdracht van de Europese Gemeenschap en betrekking heeft op de situatie van de HIV-patiënten in de landen van de Europese Unie.
In de vragenlijst wordt onder meer gevraagd of het ziekenhuis voorstander is van een veralgeming van de HIV-test bij opname van een patiënt en voor zijn personeel.
Daarnaast heeft het betrokken ziekenhuis een exemplaar ontvangen van een collectieve arbeidsovereenkomst van een ziekenhuiscentrum, waarin de werkgever zich ertoe verbindt geen onderzoek uit voeren naar seropositiviteit, noch bij de aanwerving van een werknemer, noch tijdens diens loopbaan.

Advies van de Nationale Raad :

In verband met de vragenlijst herinnert de Nationale Raad aan de richtlijn die hij op 16 oktober 1993 uitgevaardigd heeft met betrekking tot de opsporing van HIV-seropositiviteit en de deontologische regels. Bijgaand vindt u hiervan een kopie. Hij beklemtoont dat een HIV-test slechts uitgevoerd mag worden met de vrijwillige en voorgelichte toestemming van de patiënt en dat het resultaat ervan aan de patiënt medegedeeld moet worden door de arts. Dit resultaat valt onder het beroepsgeheim van de arts. De opsporing van HIV-seropositiviteit mag geen discriminatie met zich brengen en de arts moet arbeids- of aanwervingsregels en -onderzoeken die niet in overeenstemming zijn met de deontologische voorschriften, weigeren.

Een overeenkomst mag geen afbreuk doen aan de diagnostische en therapeutische vrijheid, noch van de behandelend arts noch van de arbeidsgeneesheer.

De Nationale Raad vestigt de aandacht erop dat de arbeidsgeneesheer zowel door de regels van geneeskundige plichtenleer als door de wettelijke bepalingen inzake de arbeidsbescherming gebonden is door het medisch beroepsgeheim. Het is bijgevolg uitgesloten dat om het even wie, zelfs de directie of de werkgever, door de arbeidsgeneesheer op de hoogte wordt gebracht van de seropositiviteit van een werknemer.