keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Alcoholisme20/04/2013 Documentcode: a141016
Toelaatbaarheid van speekseltesten in het kader van alcohol en drugs

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende de toelaatbaarheid van speekseltesten in het kader van alcohol en drugs.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 april 2013 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 13 maart 2013 waarin u de vraag van mevrouw X in verband met de toelaatbaarheid van speekseltesten in het kader van alcohol en drugs voorlegt, onderzocht.

Zoals door mevrouw X wordt aangehaald, heeft de Nationale Raad in zijn advies van 20 februari 1993, en herhaald in zijn advies van 1 oktober 2005, voorwaarden omschreven waaraan alcohol- en drugstesten dienen te voldoen, opdat een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer in de gevallen waarin de klinische methode niet toelaat een definitief oordeel te vellen, of wanneer een advies betreffende de geschiktheid voor de functie dient gestaafd te worden, dergelijke testen mag uitvoeren.

Deze niet-beperkende voorwaarden zijn de volgende:
"a) ze moeten gemotiveerd zijn door de risico's en gevaren verbonden aan een inadequate uitvoering van een bepaalde taak (evenredigheidsbeginsel);
b) ze moeten gemotiveerd zijn door de bevindingen van een voorafgaandelijk klinisch onderzoek en ze mogen niet systematisch uitgevoerd worden;
c) de mogelijkheid van deze testen staat expliciet vermeld in de arbeidsovereenkomst en in de aanwervingsvoorwaarden waarvan de kandidaat- werknemers kennis hebben;
d) bij gebrek aan wettelijke of reglementaire bepalingen terzake vereisen ze de voorgelichte toestemming van de werknemer of kandidaat-werknemer;
e) de test wordt uitgevoerd door een erkend laboratorium met degelijk materiaal waarover een wetenschappelijke consensus bestaat. De normale waarden moeten duidelijk vastgelegd zijn (totale onthouding of drempelwaarden);
f) in geval van positiviteit dient een controleonderzoek uitgevoerd te kunnen worden door een ander erkend laboratorium."

Ondanks de recente evolutie op dit vlak (gebruik van screening-speekseltests door de politiediensten bij de opsporing van drugs in het verkeer), is de Nationale Raad van mening dat het gebruik weliswaar toegelaten is, maar dat het resultaat ervan slechts een begin van bewijs is waarop een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer zich kan baseren om een medisch oordeel te vellen over de aan-dan wel afwezigheid van drugs en/of alcohol. Voordat hij zijn definitief oordeel velt, dient hij een speeksel- of bloedstaal te laten onderzoeken door een erkend laboratorium.

Alcoholisme01/10/2005 Documentcode: a110006
Alcohol- en/of drugtesten bij werknemers

De voorzitter van de Commissie Medisch Toezicht van een vzw legt aan de Nationale Raad de vraag voor of de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer gemachtigd is alcohol- en/of drugtesten uit te voeren bij werknemers en, zo ja, onder welke voorwaarden.

Advies van de Nationale Raad :

De Raad legt de nadruk op het onderscheid tussen onder invloed zijn, dronkenschap en alcohol- en/of druggebruik. Dronkenschap wordt door het Hof van Cassatie (13.02.2002) gedefinieerd als “de toestand van een persoon die zijn daden niet meer blijvend beheerst, zonder noodzakelijkerwijs het besef ervan te hebben verloren.” Deze toestand maakt de werknemer ongeschikt en moet de voorlopige verwijdering van zijn werkpost rechtvaardigen. In dit kader volstaan de gegevens van het klinisch onderzoek doorgaans om de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer toe te laten zijn beslissing te nemen. Het vaststellen van de oorzaak van de staat van dronkenschap valt niet onder zijn opdracht, tenzij ze te wijten kan zijn aan de arbeidsomstandigheden – bijvoorbeeld blootstelling aan bepaalde chemische bestanddelen.

In verband met de vaststelling van een verslaving dient te worden opgemerkt dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemer het volgende bepaalt :

f : “… te vermijden dat personen tot het werk worden toegelaten die getroffen zijn door ernstige besmettelijke aandoeningen of die een gevaar voor de veiligheid betekenen van de andere werknemers.”

g : “… de beslissing inzake de arbeidsgeschiktheid van een werknemer op het ogenblik van het medisch onderzoek te staven, door rekening te houden met :
1° de veiligheidsfunctie of functie met verhoogde waakzaamheid die hij daadwerkelijk uitoefent of zal uitoefenen, en die de gezondheid en veiligheid van andere werknemers in gevaar kan brengen…”

Artikel 28 van hetzelfde besluit bepaalt van zijn kant :

“De voorafgaande gezondheidsbeoordeling bevat minstens volgende handelingen :
1° het uitvoeren en het optekenen van de beroepsanamnese en de medische voorgeschiedenis van de werknemer;
2° een klinisch onderzoek van de algemene gezondheidstoestand en relevante biometrische onderzoeken;
3° de opsporing van afwijkingen en contra-indicaties om de werkpost in te nemen of de activiteit daadwerkelijk uit te oefenen.”

Alcoholimpregnatie en druggebruik kunnen de waakzaamheid en de reactietijd van een werknemer die een veiligheidsfunctie of een functie met verhoogde waakzaamheid vervult, verminderen en dit zonder dat deze laatste tekenen vertoont van onder invloed zijn. Dergelijke situaties kunnen waardeconflicten doen rijzen tussen de verantwoordelijkheid van de arts, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op werk van de werknemer. Ten aanzien van dit eventuele conflict kan de Nationale Raad aanvaarden dat, naast de situaties waarin de wet voorziet in de uitvoering van deze testen, het uitvoeren van alcohol- en/of drugtesten in bepaalde situaties gerechtvaardigd is bij werknemers of kandidaten voor een veiligheidsfunctie of functie met verhoogde waakzaamheid zoals bepaald in het koninklijk besluit van 28 mei 2003.
Hij deelt de mening van de commissie voor ethiek van uw vereniging. Deze testen dienen te beantwoorden aan de voorwaarden opgesomd in het advies van de Nationale Raad van 20 februari 1993, dat niet in twijfel getrokken kan worden op grond van de nieuwe bepalingen van het besluit van 28 mei 2003.
De beoordeling van de geschiktheid om een veiligheidsfunctie of een functie met verhoogde waakzaamheid te bekleden, dient bijgevolg in de eerste plaats te berusten op klinische analysemethoden, op het gedrag van de werknemer en op zijn respons op functionele testen aangepast aan de uit te oefenen functie.
Slechts in de gevallen waarin de klinische methode niet toelaat een definitief oordeel te vellen, of wanneer een advies betreffende de geschiktheid voor de functie dient gestaafd te worden, kan de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer overwegen alcohol- en/of drugtesten uit te voeren.

Deze testen dienen minstens te voldoen aan de volgende voorwaarden welke niet limitatief zijn (advies van de Nationale Raad van 20 februari 1993, Tijdschrift Nationale Raad nr. 60, juni 1993, p. 24) :

a) ze moeten gemotiveerd zijn door de risico's en gevaren verbonden aan een inadequate uitvoering van een bepaalde taak (evenredigheidsbeginsel);
b) ze moeten gemotiveerd zijn door de bevindingen van een voorafgaandelijk klinisch onderzoek en ze mogen niet systematisch uitgevoerd worden;
c) de mogelijkheid van deze testen staat expliciet vermeld in de arbeidsovereenkomst en in de aanwervingsvoorwaarden waarvan de kandidaat- werknemers kennis hebben;
d) bij gebrek aan wettelijke of reglementaire bepalingen terzake vereisen ze de voorgelichte toestemming van de werknemer of kandidaat-werknemer;
e) de test wordt uitgevoerd door een erkend laboratorium met degelijk materiaal waarover een wetenschappelijke consensus bestaat. De normale waarden moeten duidelijk vastgelegd zijn (totale onthouding of drempelwaarden);
f) in geval van positiviteit dient een controleonderzoek uitgevoerd te kunnen worden door een ander erkend laboratorium.

Op dit gebied, zowel als voor al zijn andere activiteiten als preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, mag deze laatste de werkgever enkel mededelen of de werknemer al dan niet geschikt is voor de functie. Hij mag de medische redenen voor zijn beslissing niet bekendmaken.

Alcoholisme03/04/2004 Documentcode: a104006
Arbeidsgeneeskunde - Opsporing alcoholisme bij werknemers

Arbeidsgeneeskunde – Opsporing alcoholisme bij werknemers

Een provinciale raad legt de Nationale Raad een brief voor van een arbeidsgeneesheer. Deze vraagt of het deontologisch en wettelijk toegelaten is een CDT-gehaltebepaling uit te voeren binnen het exclusieve kader van een onderzoek tot werkhervatting van een alcoholafhankelijke werknemer die een veiligheidsfunctie bekleedt.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad ging in zijn vergadering van 3 april 2004 voort met de bespreking van uw brief betreffende het uitvoeren van een CDT-gehaltebepaling (serumgehaltebepaling bij laag siaalzuurhoudend transferrine) binnen het exclusieve kader van een onderzoek tot werkhervatting van een alcoholafhankelijke werknemer die een veiligheidsfunctie bekleedt.
In uw brief kwamen drie vragen aan bod : het gebruik van de test, de mogelijkheid hem op te leggen en, ten slotte bij weigering, de mogelijkheid een tijdelijke arbeidsongeschiktheid uit te spreken.

De wetsbepalingen betreffende het toezicht op de gezondheid van de werknemers laten de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer vrij eventueel gebruik te maken van nieuwe methoden die op het vlak van de resultaten dezelfde waarborgen bieden inzake geldigheid en betrouwbaarheid als de doorgaans gebruikte testen. Hij licht het Comité voor preventie en bescherming op het werk erover in en deelt daarbij zijn keuzecriteria mee : gezondheidstoestand van de werknemer, antecedenten, aard en omvang van de risico’s.

De Nationale Raad is niet bevoegd om zich uit te spreken over de waarde van de CDT-test in vergelijking met de vroeger gebruikte testen. Hij wijst er evenwel op dat uit de verstrekte documentatie blijkt dat de resultaten van deze test beperkingen hebben. Zo varieert de sensibiliteit tussen 39 en 94 % en de specificiteit tussen 82 en 100 %, afhankelijk van de referenties.

Wat het tweede punt betreft, meent de Nationale Raad dat de recente Patiëntenrechtenwet, in overeenstemming met de deontologische regels, niet toelaat een diagnostische test uit te voeren die niet voorzien is in het kader van het gebruikelijke toezicht op de gezondheidstoestand van de werknemer, zonder dat deze laatste toestemming gegeven heeft. De werknemer dient op voorhand alle nodige inlichtingen verkregen te hebben over de aard van de test, de betekenis van de resultaten en de eventuele gevolgen ervan op zijn beroepssituatie.

Zowel de wettelijke als de deontologische regels kennen de betrokkene het recht toe een diagnostische test te weigeren die niet voorzien is in de besluiten betreffende het toezicht op de gezondheid van de werknemers. Deze weigering kan dan ook niet als argument gebruikt worden om een beslissing te nemen van tijdelijke arbeidsongeschiktheid noch om iemand te verwijderen uit de functie die hij voordien bekleedde.

Bovendien suggereert een verhoogd serumgehalte van CDT een chronisch alcoholverbruik, maar het laat niet toe vast te stellen dat de werknemer zich in kennelijke staat van dronkenschap bevindt tijdens de werkuren en/of minder geschikt is om zijn werkpost te bekleden. Zoals de Nationale Raad reeds beklemtoonde in zijn vroegere adviezen hieromtrent is het op basis van andere argumenten zoals die verstrekt door de anamnese, het klinisch onderzoek, indien nodig aangevuld met functionele testen aangepast aan de uitgeoefende functie, dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, na de betrokkene erover te hebben ingelicht, eventueel aan de werkgever zal kunnen voorstellen de werknemer over te plaatsen naar een functie die meer aangepast is aan zijn gezondheidstoestand, zonder aan de werkgever de medische rechtvaardiging mede te delen.

Alcoholisme30/10/1999 Documentcode: a087009
Medische onderzoeken in de arbeidsgeneeskunde - Opsporing van indicatoren van overmatig alcoholgebruik

Een provinciale raad doet de Nationale Raad een adviesaanvraag geworden van drie artsen van de Medische Inspectie van het ministerie van Arbeid en Tewerkstelling. Deze artsen zijn van mening dat in de arbeidsgeneeskunde medische onderzoeken tot opsporing van buitensporig alcoholgebruik, meestal uitgevoerd zonder of met een onder druk verkregen toestemming van de werknemer, een inmenging zijn in het privé-leven van de werknemer en dus te vermijden zijn.
Sommige arbeidsgeneesheren blijven deze praktijken echter verder toepassen. Vandaar volgende vragen:

  1. is dit deontologisch aanvaardbaar?
  2. kan dit aanvaard worden onder bepaalde voorwaarden, bijvoorbeeld met (vooringelichte?, schriftelijke?) toestemming van de werknemer?
  3. welke zou de houding en het antwoord van de Nationale Raad zijn indien een werknemer, een behandelend arts, een arts van het Bestuur van de hygiëne en de arbeidsgeneeskunde individueel klacht zouden indienen?

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 30 oktober 1999 kennis genomen van uw brief van 11 mei 1999 betreffende de testen voor de opsporing van buitensporig alcoholgebruik in het kader van de arbeidsgeneeskunde.

De Nationale Raad is van oordeel dat de testen voor de opsporing van buitensporig alcoholgebruik niet behoren tot de opdracht van de arbeidsgeneesheer, die erin bestaat toe te zien op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. Door een beroep te doen op deze testen wordt de persoonlijke integriteit van de werknemer in gevaar gebracht.

Alcoholisme20/09/1997 Documentcode: a079029
Vaststelling door een arts van alcoholisme op het werk

Een provinciale raad werd om advies verzocht over de vaststelling, door een arts, van de staat van dronkenschap van een werknemer.
De provinciale raad heeft terzake een ontwerpadvies voorbereid en legt dit ter goedkeuring voor aan de Nationale Raad.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 20 september 1997 de in rubriek vermelde aangelegenheid onderzocht.

Naar zijn mening kan alleen een arbeidsgeneesheer of iemand die als dusdanig optreedt (kleinere bedrijven zijn verbonden aan een arbeidsgeneeskundige dienst) de bedoelde vaststellingen doen.

Hij stelt voor dat het antwoord aan dr. X vanaf de vierde alinea van het briefontwerp als volgt zou luiden :

De werkgever kan op basis van artikel 104, §2, van het ARAB enkel een beroep doen op zijn arbeidsgeneesheer of een arts die als dusdanig optreedt om een werknemer te onderzoeken die mogelijks een ernstig gevaar voor besmetting of onveiligheid zou betekenen voor zijn gezellen in werkplaats of kantoor. Hij mag echter aan de werkgever uitsluitend en alleen verklaren dat de werknemer op het ogenblik van het onderzoek al dan niet geschikt is voor het hem toegewezen werk.

Een controlearts, op wie wegens de specificiteit van zijn functie alleen een beroep kan worden gedaan als een werknemer zich wegens ziekte of ongeval in de onmogelijkheid verklaart om zijn werk te verrichten, kan terzake niet tussenkomen noch vaststellingen doen.
Hierbij is te vermelden dat de werkgever zich in verband met de dronkenschap van een werknemer kan beroepen op getuigenbewijs dat in het arbeidsovereenkomstenrecht een volwaardig bewijsmiddel is.

Alcoholisme19/02/1994 Documentcode: a064011
Bloedproef - Alcoholintoxicatie

Een procureur des Konings verzoekt een provinciale raad om advies betreffende de weigering van een arts hoofdgeneesheer van een spoedgevallendienst van een ziekenhuis een bloedproef uit te voeren of door andere ziekenhuisartsen te laten uitvoeren, voor het bepalen van het bloedalcoholgehalte van een gewonde persoon die door de rijkswacht naar het ziekenhuis werd gebracht.

Advies van de Nationale Raad:

Naar luid van artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte (tekst als bijlage) mag de geneesheer die krachtens artikel 44bis van het Wetboek van Strafvordering of bepalingen van de Wegverkeerswet wordt opgevorderd om een bloedproef te verrichten, zich, op straffe van sancties, daarvan slechts onthouden wanneer zijn bevindingen een formele contra indicatie tegen deze maatregel opleveren of wanneer hij de redenen welke degene op wie de bloedproef moet worden verricht aanvoert om zich eraan te onttrekkken, als gegrond erkent.

Artikel 131 van de Code van geneeskundige Plichtenleer voegt daaraan toe dat de bloedproef niet met geweld op de betrokkene mag worden toegepast en dat de geneesheer zich aan de verplichting mag onttrekken wanneer de betrokkene één van zijn patiënten is, op voorwaarde dat de opvorderende overheid een beroep kan doen op een andere geneesheer.

Naar luid van de ter zake van toepassing zijnde wettelijke bepalingen (o.m. artikel 10 van de wet van 1 juni 1849 op de herziening van den tarief in lijfstraffelijke zaken - tekst als bijlage) is er geen misdrijf wanneer het de geneesheer onmogelijk is op te treden.

Deze onmogelijkheid is niet enkel materieel. Zij kan ook moreel zijn namelijk in geval van conflict tussen de verplichting om de vordering na te komen en een andere wettelijke plicht of beroepsplicht met imperatief karakter.

Zulks zou het geval zijn wanneer de geneesheer de taak waarvoor hij opgevorderd werd slechts zou kunnen vervullen mits schending van het beroepsgeheim waarvan hij, als noodzakelijke vertrouweling kennis droeg, alvorens zelfs door de gerechtelijke overheid of door bevoegde agenten van de politie en/of rijkswachtdiensten te zijn opgevorderd.

De behandelende geneesheer van de persoon die het voorwerp moet zijn van een expertisetaak zal aldus in de onmogelijkheid kunnen verkeren een opdracht uit te voeren die, wegens het voorwerp ervan, zijn plicht tot geheimhouding in het gedrang zou brengen.

Er moet desbetreffend een onderscheid gemaakt worden tussen, enerzijds, de eigenlijke bloedproef voorzien bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juni 1959, anderzijds, het klinisch onderzoek dat de geneesheer in staat moet stellen, overeenkomstig artikel 2 van dit besluit, littera B van het formulier waarvan het model in bijlage 1 van het besluit voorkomt, in te vullen.

De eigenlijke bloedproef (nemen van bloedstaal) kan normaliter op zichzelf het beroepsgeheim niet impliceren. Het Hof van Cassatie heeft reeds meermaals beslist dat de geneesheer, die overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 1959 een bloedproef verricht, zich door die verrichting niet schuldig kan maken aan het openbaren van geheimen die hem toevertrouwd werden in de uitoefening van zijn beroep.

Daarentegen zou het beroepsgeheim, voor de behandelend geneesheer, in het gedrang kunnen komen door de beoordeling, overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juni 1959, van de contra-indicaties tegen de bloedproef of van de redenen welke degene op wie de bloedproef moet worden verricht aanvoert om zich eraan te onttrekken.

Overigens kan ook het klinisch onderzoek het beroepsgeheim van de behandelend geneesheer impliceren en deze geneesheer derhalve in de onmogelijkheid stellen de inlichtingen te verstrekken die in littera B van het formulier worden voorzien.

In dit verband is zeer nuttig te raadplegen: Nys H., Geneeskunde Recht en medisch handelen, in: Algemene Practische Rechtsverzameling, Brussel, E. Story Scientia, 1991, nr 974, pp. 416-417, tekst als bijlage.

In de thans voorliggende zaak was er zelfs voor de als behandelend aangewezen geneesheren geen onmogelijkheid - alleszins niet op grond van de gegevens van het in kopie medegedeelde proces verbaal - voor het verrichten van de technische handeling van bloedafname. Zelfs verricht door een behandelend geneesheer zou zij geen procedurenietigheid opleveren.

A fortiori was dit niet het geval voor andere geneesheren op grond van "solidariteit" waardoor zij eveneens behandelend geneesheer "zouden" zijn.

Behoudens redenen van onmogelijkheid in de besproken zin, die niet uit de overgelegde stukken blijken, kan de zienswijze van Dokter X en van de niet bij naam vermelde dokteres niet worden bijgetreden.

Artikel I van het K.B. van 10 juni 1959:

Op straffe van de sancties bepaald in artikel 10 van de wet van 1 juni 1849 over de herziening der tarieven van gerechtskosten in strafzaken, mag de geneesheer die krachtens artikel 44bis van het Wetboek van strafvordering of krachtens artikel 4bis van de wet van I augustus 1899, wordt opgevorderd om een bloedproef te verrichten, zich daarvan slechts onthouden wanneer zijn bevindingen een formele contra indicatie tegen deze maatregel opleveren of wanneer hij de redenen welke degene op wie de bloedproef moet worden verricht, aanvoert om zich eraan te onttrekken, als gegrond erkent.
De geneesheer die in een van beide eventualiteiten van oordeel is dat hij de bloedproef niet moet verrichten, vermeldt in een dadelijk op te maken verslag waarom hij zich onthoudt. Dit verslag wordt aan de opvorderende overheid overhandigd. Het mag onder gesloten omslag worden overhandigd als de geneesheer niet werd opgevorderd door een magistraat of als het niet rechtstreeks aan de opvorderende magistraat kan worden overhandigd. Het verslag of de omslag, die het verslag bevat, wordt terstond bij het proces-verbaal gevoegd.
Ingeval de persoon op wie de bloedproef moet worden toegepast, zich niet aan het ingrijpen van de opgevorderde geneesheer onderwerpt, wordt het feit vastgesteld in een door de opvorderende overheid opgemaakt proces verbaal.

Artikel 10 van de Wet van I juni 1849:

De geneesheeren, heelmeesters, officieren van gezondheid, veeartsen en deskundigen die, zulks kunnende, in de gevallen voorzien door de wet of het tarief in Iyfstraffelyke zaken, zullen geweigerd of verwaerloosd hebben de onderzoeken, den dienst of de werken waertoe zy wettelyk zullen aenzocht zyn geweest, te doen, zullen met ene boete van 50 tot 500 franken gestraft worden. In geval van hervalling, zal het maximum der boete altyd uitgesproken worden.

Alcoholisme21/11/1987 Documentcode: a039004
Alcoholisme op het werk

Een aantal vragen van een arbeidsgeneesheer m.b.t. de houding die een arbeidsgeneesheer moet aannemen in geval van alcoholisme op het werk worden door een provinciale raad aan de Nationale Raad overgemaakt.
Mag de arbeidsgeneesheer op verzoek van de werkgever bij een werknemer of een arbeider die vermoedelijk in staat van dronkenschap is, een bloedproef uitvoeren ? Mag hij het resultaat van zijn onderzoek aan de werkgever mededelen ? Heeft de werkgever het recht om een geneesheer van zijn keuze met die bloedproef te belasten ?

De Nationale Raad verwijst dienaangaande naar een vroeger in het tijdschrift nr 26(1) gepubliceerd advies, neemt kennis van een werknota over het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming en brengt volgend advies uit:

Vanuit een louter deontologisch standpunt, werd door de Nationale Raad onderstaand advies uitgebracht:

1° de arbeidsgeneesheer die door de werkgever wordt verzocht om, krachtens artikel 104, § 2, van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, personen te onderzoeken die, wegens de aandoeningen waaraan zij lijden een ernstig gevaar voor besmetting of onveiligheid zouden betekenen voor hun gezellen in werkplaats of kantoor, moet aan dat verzoek gevolg geven.

In het kader van bedoelde opdracht, oordeelt de arbeidsgeneesheer in alle onafhankelijkheid over de aangewezen onderzoekingen.

De arbeidsgeneesheer is, zoals elke andere arts, door het beroepsgeheim gebonden. Hij mag uitsluitend verklaren dat de werknemer voor het werk geschikt of ongeschikt is;

2° indien nodig, mag de arbeidsgeneesheer de eerste zorgen toedienen;

3° een andere geneesheer dan de arbeidsgeneesheer die door de werkgever wordt geroepen, mag geen bloed afnemen.

(1) O.T. nr 26 (1977-1978), p.20.