keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Methadone16/07/2005 Documentcode: a110003
Koninklijk besluit van 19 maart 2004 tot reglementering van de behandeling met vervangingsmiddelen

Brief aan de heer R. Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid :

In zijn vergadering van 16 juli 2005 besprak de Nationale Raad van de Orde der geneesheren het koninklijk besluit van 19 maart 2004 tot reglementering van de behandeling met vervangingsmiddelen. Bij deze bespreking baseerde de Nationale Raad zich vooral op de verslagen van de vergaderingen van een door de Nationale Raad samengestelde commissie waarbij een beroep werd gedaan op externe deskundigen (1).

Voortgaande op deze verslagen meent de Nationale Raad dat het koninklijk besluit in deze moeilijke materie een belangrijke stap in de goede richting zet die rekening houdt met de verschillende in België bestaande wijzen van hulpverlening aan heroïnegebruikers die met vervangingsmiddelen behandeld worden. Dit neemt niet weg dat omtrent de toepassingsmodaliteiten van het besluit bepaalde vragen blijven bestaan.

Het is duidelijk dat alle artsen die patiënten met vervangingsmiddelen behandelen moeten geregistreerd zijn bij een centrum of een netwerk voor opvang van drugsgebruikers of bij een gespecialiseerd centrum (artikel 2, §2, eerste lid). Deze centra dienen aan de bevoegde Provinciale Geneeskundige Commissie en aan het Instituut voor Farmaco-epidemiologie van België de lijst over te maken van de artsen die bij hen geregistreerd zijn en die beantwoorden aan de verplichtingen bedoeld in artikel 2. De commissie en met haar de Nationale Raad zijn van mening dat het niet volstaat aan de verplichtingen van artikel 2 te beantwoorden op het ogenblik van registratie maar dat het noodzakelijk is aan de verplichtingen die uit artikel 2 voortvloeien te blijven voldoen (continue opleiding, deelname aan specifieke activiteiten, behandelen conform de geldende wetenschappelijke aanbevelingen, medisch dossier conform bepalingen bijhouden enz).

Naar verluidt zouden sommige artsen echter slechts één enkele patiënt met methadone behandelen. De Nationale Raad kan aanvaarden dat die artsen niet aan alle voorwaarden van artikel 2 dienen te voldoen, maar vindt het wel fundamenteel dat zij op regelmatige tijdstippen omtrent de behandeling dienen te overleggen met een arts die wel geregistreerd is en aan de voorwaarden als bepaald in artikel 2 voldoet.

De wijze waarop de verdere naleving van de verplichtingen van artikel 2 dient nagegaan te worden is niet duidelijk. Sommigen menen dat de centra die een arts registreren ook dienen na te gaan of hij de verplichtingen waartoe hij zich verbond blijft naleven en desgevallend zijn registratie horen in te trekken, terwijl anderen denken dat de centra geen toezichtopdracht hebben en zeker niet aansprakelijk kunnen gesteld worden als één van de bij hen geregistreerde artsen in de fout gaat. De Nationale Raad meent dat er duidelijkheid rond de aansprakelijkheid nodig is zodat elkeen die direct of indirect betrokken is bij de behandeling met vervangingsmiddelen zijn plichten en de daaruit voortvloeiende rechten en consequenties kent. De Nationale Raad vraagt zich trouwens af of de Provinciale Geneeskundige Commissies niet kunnen belast worden met het toezicht en eventuele sancties en de centra enkel een meldingsplicht hebben aan de Provinciale Geneeskundige Commissies indien zij vaststellen dat de voorwaarden van artikel 2 door een bij hen geregistreerd arts niet nageleefd worden.

De Nationale Raad meent dat de commissie terecht de aandacht vestigt op artikel 7 waarin bepaald wordt dat de voorschrijvende arts van de essentiële bepalingen van artikel 6 kan afwijken indien de medische of psycho-sociale toestand van de patiënt dit rechtvaardigen. Deze bepaling ontkracht grotendeels de inhoud van artikel 6. Zowel de commissie als de Nationale Raad is van mening dat het noodzakelijk is minstens als bijkomende voorwaarde te stellen dat de behandelende arts verplicht is in het medisch dossier van de drugsverslaafde de motivering voor een afwijkende wijze van aflevering en bediening te vermelden. De Nationale Raad zal deze regel in ieder geval opnemen in de Code van geneeskundige plichtenleer maar meent dat het belangrijk is dat het koninklijk besluit in die zin zou worden aangevuld.

Tenslotte is de Nationale Raad zo vrij u als bijlage een aantal onnauwkeurigheden in de tekst en enkele opvallende verschillen tussen de Franstalige en Nederlandstalige tekst over te maken.

(1) Samenstelling commissie: prof. drs. Ansoms, Ansseau, Casselman, Legein, Pelc, Van Bouchaute en Robinet als deskundigen en dokters Uyttendaele, Joset, Kesteloot en Coenen namens de Nationale Raad.
Huisarts23/04/2005 Documentcode: a109003
Afname urinestaal op vraag van de gerechtelijke overheid

Een provinciale raad legt een document voor uitgaande van een bepaalde politiezone waarin voor de afname van een urinestaal wordt verwezen naar de huisarts. Het resultaat van deze controle wordt onder gesloten omslag overgemaakt aan de huisarts en daarna aan de politiedienst overgemaakt.
De provinciale raad meent dat deze werkwijze niet strookt met de medische deontologie omdat de huisarts hier optreedt als deskundige, een hoedanigheid die onverenigbaar lijkt met deze van behandelend arts.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad stelt vast dat er geen specifieke wetgeving of regelgeving terzake bestaat. De huisarts is dan ook niet verplicht over te gaan tot afname van een urinestaal. De tussenkomst van de huisarts zou trouwens de vertrouwensrelatie tussen hem en zijn patiënt in het gedrang kunnen brengen.

Wanneer een dergelijke urinetest wordt opgelegd in het kader van de door de patiënt voor de rechtbank aanvaarde probatievoorwaarden en de patiënt zijn huisarts er uitdrukkelijk om verzoekt, is de Nationale Raad van mening dat de huisarts mag ingaan op dit verzoek. In die omstandigheden wordt de vertrouwensrelatie immers niet geschaad.

De huisarts dient dan wel de patiënt in te lichten over de procedure, die nauwgezet dient gevolgd te worden. Zo zal de huisarts er dienen over te waken dat het urinestaal op een correcte manier wordt afgenomen en verstuurd naar het laboratorium en dat het resultaat aan de patiënt wordt overhandigd.

Beroepsgeheim19/03/2005 Documentcode: a108007
Drugs en wapens in de psychiatrische ziekenhuizen

Advies van de Nationale Raad aan de hoofdgeneesheren van de psychiatrische, universitaire en algemene ziekenhuizen en aan de diensthoofden van de psychiatrische afdelingen van de universitaire en algemene ziekenhuizen :

Herhaaldelijk besprak de Nationale Raad het complexe probleem van de aanwezigheid van drugs en wapens in de psychiatrische ziekenhuizen en de psychiatrische afdelingen van universitaire en algemene ziekenhuizen.

Om enig zicht te krijgen op de omvang van de problematiek werd destijds een mini-enquête bij de psychiatrische ziekenhuizen verricht. Van de 52 aangeschreven psychiatrische ziekenhuizen hebben er toen 48 geantwoord. Uit een analyse van de antwoorden bleek dat de problemen vooral rijzen in psychiatrische ziekenhuizen die aselectief opnemen en in of aan de rand van grote agglomeraties gelegen zijn.

Om tot een sluitende oplossing te komen had de Nationale Raad herhaaldelijk zowel schriftelijk als mondeling contact met het College van Procureurs-Generaal en de Raad van de procureurs des Konings. Hieruit blijkt dat het streven naar een pragmatische oplossing voor alle problemen die zich kunnen voordoen niet haalbaar is. De parketmagistraten kunnen geen modus vivendi op schrift zetten die aan bepaalde patiënten een vrijgeleide zou bezorgen om te ontsnappen aan de bepalingen van de strafwetgeving terwijl de Nationale Raad van mening is dat het prijsgeven van het beroepsgeheim en het niet naleven van de Patiëntenrechtenwet een negatief effect zou hebben op de hulpverlening aan een doelgroep die maatschappelijk voor heel wat problemen zorgt. De Nationale Raad kwam tot het besluit dat enkel een wetgevend initiatief waarbij de ziekenhuisapothekers en de provinciale geneeskundige commissies ingeschakeld worden tot een sluitende oplossing van de problematiek kan leiden.

In afwachting hiervan denkt de Nationale Raad dat de hiernavolgende richtlijnen voor de ziekenhuizen een leidraad kunnen zijn.

Vooreerst wenst de Nationale Raad te benadrukken dat veel aandacht dient te gaan naar het voorkomen van de aanwezigheid van illegale middelen in het ziekenhuis. Hierbij volstaat het niet een tekst daaromtrent in de brochures van het ziekenhuis op te nemen maar is het aangewezen bij elke vraag voor opname van patiënten waarbij drugsgebruik een onderdeel is van hun problematiek dit uitdrukkelijk te stellen. Hierbij rijst de vraag of het niet aangewezen is dat de ziekenhuizen met de federale of lokale politie bespreken of bij het transport van bepaalde patiënten die meestal gedwongen opgenomen worden niet kan nagekeken worden of zij in bezit zijn van wapens of drugs. Van de politie mag worden verwacht dat zij geen patiënten transporteren die in het bezit zijn van gevaarlijke wapens of grote hoeveelheden drugs.

Daarnaast is het overduidelijk dat bij het gebruik van of bij dreiging met wapens de politie dient ingeschakeld te worden. Het gaat niet op de interventie te beperken tot het inschakelen van ziekenhuiswerkers die getraind zijn in het omgaan met agressie. In deze is het van geen belang of het om wapens gaat die de patiënt legaal of illegaal in zijn bezit heeft.
Dit zijn echter hoogst uitzonderlijke situaties. In de praktijk gaat het meestal om wapens of drugs die op de afdeling of in de aanpalende tuinen verstopt werden en door de verpleging gevonden worden of over drugs of wapens die op vraag van de verpleging overhandigd worden of ontdekt worden bij het fouilleren van de patiënt of bij het doorzoeken van zijn kleding of bagage.
In dit verband is het belangrijk te wijzen op de deontologische en wettelijke verplichtingen van de beroepsbeoefenaars. Deontologisch dient een patiënt voorafgaandelijk in kennis gesteld te worden van de gevolgen voor hem bij het overhandigen van wapens of drugs en van de consequenties bij het vinden ervan bij fouilleren of doorzoeken van zijn kleding of bagage. Het informed consent is een belangrijk element in het opbouwen en het in stand houden van de vertrouwensrelatie met de patiënt.
Daarnaast geldt ook de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Artikel 8, §1, van deze wet bepaalt dat elke patiënt het recht heeft om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van elke beroepsbeoefenaar waaruit volgt dat deze bepaling ook voor de verpleegkundigen geldt. Een patiënt verzoeken drugs of wapens in te leveren is een tussenkomst zoals ook het fouilleren en het doorzoeken van bagage en kleding een technisch verpleegkundige act is. Hieruit volgt dat een patiënt niet alleen op deontologische gronden maar ook op grond van de Patiëntenrechtenwet volledig dient geïnformeerd te worden over de gevolgen van het overhandigen van drugs of wapens en het aantreffen ervan bij fouilleren of doorzoeken van bagage en kleding. Het is evident dat hij enkel onder de garantie van strikte anonimiteit zijn toestemming zal geven en niet akkoord zal gaan met de mededeling van zijn naam aan de directie of het noteren van zijn naam in een register. Naast de Patiëntenrechtenwet rekent de patiënt er eveneens op dat de beroepsbeoefenaar de aan hem toevertrouwde geheimen niet aan derden kenbaar zal maken en artikel 458 van het Strafwetboek omtrent het beroepsgeheim naleeft.

Wat de gedwongen opgenomen patiënt betreft staat vast dat de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke wel een aantal beschermingsmaatregelen bevat maar de rechten van de persoon en dan ook van de patiënt in principe niet beperkt. Theoretisch is artikel 8, §1, van de Patiëntenrechtenwet ook bij een gedwongen opgenomen patiënt van toepassing. Het zou echter niet logisch zijn te aanvaarden dat een gedwongen opgenomen patiënt zich tegen het fouilleren en het doorzoeken van zijn bagage en kleding kan verzetten indien het behandelteam van oordeel is dat dit omwille van de veiligheid van de betrokkene en van derden noodzakelijk is. Dit zou immers meebrengen dat een als gevaarlijk beoordeelde situatie blijft bestaan. Indien een vrijwillig opgenomen patiënt niet instemt met een noodzakelijk geachte tussenkomst kan de opname beëindigd worden wat bij een gedwongen opname niet kan. Gezien dit fundamenteel verschil in rechten tussen vrijwillig en gedwongen opgenomen patiënten is het aangewezen de nodige bedachtzaamheid aan de dag te leggen bij tussenkomsten waarmee een gedwongen opgenomen patiënt niet akkoord gaat.

Het is overduidelijk dat de directies van de ziekenhuizen niet accepteren dat op de afdelingen van het ziekenhuis drugs of wapens afkomstig van patiënten bewaard worden. Hieruit volgt dat een door de afdeling aangeduide persoon zal belast worden met het overmaken van wapens en drugs aan een daartoe door de directie aangewezen persoon. Bij het overhandigen van deze zaken zal in de regel geen onderscheid worden gemaakt tussen middelen waarvan de bezitter aan het behandelteam onbekend is (middelen die verborgen waren) en middelen waarvan de vroegere bezitter wel bekend is. Er mag worden verwacht dat de directies van de ziekenhuizen hun personeel niet onder druk (zullen) zetten om de namen van de bezitters kenbaar te maken; dit zou enkel tot gevolg hebben dat de hoeveelheid “gevonden” middelen toeneemt. Het staat eveneens vast dat de directies van de ziekenhuizen deze middelen niet (zullen) bewaren en er zich van (zullen) ontmaken. De voor hen meest aangewezen weg is de lokale politie. Op heel wat plaatsen bestaan hieromtrent reeds afspraken.

Tot slot wijst de Nationale Raad erop dat de eindverantwoordelijken van het behandelteam zich dienen te realiseren dat het beroepsgeheim geen absoluut karakter heeft. In uitzonderlijke omstandigheden kan de eindverantwoordelijke voor de behandeling in geweten oordelen dat de naleving van het beroepsgeheim en de Patiëntenrechtenwet ondergeschikt is aan de handhaving van de orde en de veiligheid van de samenleving. Hierbij dient hij zich wel te realiseren dat hij kan worden verplicht zijn beroep op de noodtoestand te verantwoorden. Daarom meent de Nationale Raad dat het, alvorens zich daarop te beroepen, wijs is te overleggen met ervaren collega’s en zeker met het behandelteam dat in deze soms beducht is voor represailles van de groep waartoe de betrokken patiënt behoort.

De Nationale Raad meent dat de voorgestelde pragmatische oplossing enerzijds de behandeling van de beoogde doelgroepen niet hindert en anderzijds de veiligheid van de samenleving niet in het gedrang brengt. De Nationale Raad werd graag op de hoogte gehouden van de verdere ontwikkelingen in dit complexe dossier.

Gedetineerden16/03/2002 Documentcode: a096006
Afnemen van urinemonsters in het kader van het penitentiair drugsbeleid

Op het niveau van de centrale administratie van het ministerie van Justitie, Directoraat-generaal Strafinrichtingen, werd een centrale stuurgroep drugs opgericht. De adviseur-generaal bij het Directoraat-generaal Strafinrichtingen legt voor advies volgende vragen voor aan de Nationale Raad :

  1. Is de afname van een urinemonster een medische handeling, nl. dient deze handeling te worden verricht door medisch geschoold personeel ? Is er sprake van onwettige uitoefening van de geneeskunde indien de afname van een urinemonster zou worden toevertrouwd aan niet-medisch geschoold personeel ?
  2. [...] Is de mededeling van resultaten voorbehouden aan een geneesheer of kan dit bv. ook meegedeeld worden aan de directeur van de strafinrichting ?
  3. Op welke wijze kunnen de resultaten gebruikt worden ? Is de interpretatie en het gebruik van de analyse van de urinetesten een medische handeling ?
  4. Dient de afname van een urinemonster op een vrijwillige basis te gebeuren of kan dit verplicht worden ?"

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergaderingen van 19 januari en 16 maart 2002 uw brief met vragen betreffende het penitentiair drugsbeleid.
Uit uw toelichting blijkt dat het medisch behandelend personeel van de strafinrichtingen zijn medewerking weigert te verlenen bij het afnemen van urinecontroles wanneer deze niet noodzakelijk zijn wegens medische redenen.

Het KB van 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige prestaties en de lijst van de handelingen die door een geneesheer aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die prestaties en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen heeft drie bijlagen. Bijlage I geeft de lijst van de technische verpleegkundige prestaties die door beoefenaars van de verpleegkunde mogen worden verricht. Punt 6 van deze lijst geeft de verpleegkundige activiteiten die verband houden met het stellen van de diagnose. Onder B2 van deze lijst, zijnde prestaties waarvoor een voorschrift van de arts nodig is, staat o.m. vermeld staalafneming en collectie van secreties en excreties waaronder staalafneming van urine valt.

Het vermelde KB en de bijlagen vinden hun rechtsgrond in het KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen waarvan artikel 21 quinquies, §1, b) zegt dat onder de uitoefening van de verpleegkunde o.m. wordt verstaan de uitvoering van technische verpleegkundige prestaties die verband houden met het stellen van de diagnose door de geneesheer of met het uitvoeren van een behandeling voorgeschreven door de geneesheer of het nemen van maatregelen van preventieve geneeskunde. Artikel 21 quater, §1, van het KB nr. 78 bepaalt dat niemand de verpleegkunde zoals zij is bepaald in artikel 21 quinquies mag uitoefenen wanneer hij niet voldoet aan de nodige kwalificatievereisten en de voorwaarden opgelegd in artikel 21 sexies betreffende het viseren van de titel door de bevoegde provinciale geneeskundige commissie.

Uit het KB nr. 78 en het uitvoeringsbesluit met bijlagen blijkt dat het afnemen van een urinemonster een technische verpleegkundige prestatie is die in opdracht van de arts met het oog op het stellen van een diagnose kan uitgevoerd worden door verpleegkundigen die aan de nodige kwalificatievereisten voldoen en de verpleegkunde mogen uitoefenen. Het afnemen van urinemonsters kan volgens het KB nr. 78 niet als daartoe geen medische (diagnostische) redenen zijn. In het kader van een medische expertise kan om diagnostische redenen natuurlijk wel een urinemonster afgenomen en onderzocht worden. Maar onder medische expertise dient zoals bedoeld in het advies van de Nationale Raad over het eindverslag van de commissie internering (1) waarnaar in uw schrijven verwezen wordt, een door een gerechtelijke instantie aangestelde geneesheer te worden verstaan die met een specifieke opdracht een bepaalde persoon aan de nodige onderzoeken onderwerpt. Het lijkt de Nationale Raad uitgesloten dat een reeks medische expertises het door de stuurgroep te behandelen probleem kunnen oplossen.

De Nationale Raad is van mening dat de centrale stuurgroep dient na te gaan of er geen mogelijkheden zijn of kunnen gecreëerd worden tot urinecontroles die buiten de toepassing van het KB nr. 78 vallen. Zo kan bv. de politie overgaan tot het afnemen van urinecontroles en dit zowel op verplichte als vrijwillige basis. Verplicht bv. wanneer de voorwaarden als bepaald in de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer vervuld zijn; vrijwillig bv. wanneer een veroordeelde drugsgebruiker dit als een probatievoorwaarde aanvaardde. De resultaten van dergelijke analyses worden door het laboratorium overgemaakt aan de meestal niet-medische opdrachtgever, die zich in dit geval voor de interpretatie zal baseren op de door het laboratorium gegeven referentiewaarden. Wanneer de stuurgroep tot een soortgelijk systeem van urinecontroles mocht komen spreekt het voor zich dat niemand van het behandelend medisch personeel, in de ruime betekenis van het woord, enige taak in de uitvoering ervan kan hebben.

(1) Advies van 30 oktober 1999 "Ministerie van Justitie – Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering" (Tijdschrift Nationale Raad nr. 87, maart 2000, p. 17-19)
Experimenten op mensen20/01/2001 Documentcode: a092002
Gezondheidszorg in de gevangenissen

Dokter Van Mol, geneesheer-directeur bij het ministerie van Justitie, Penitentiaire Gezondheidsdienst, vraagt het advies van de Nationale Raad betreffende het door hem opgestelde document "Gezondheid en detentie".

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 januari 2001 heeft de Nationale Raad het document “gezondheidszorg in de gevangenissen” bestudeerd dat u ter beoordeling inzake deontologie hebt voorgelegd.

De beginselen die erin vermeld staan en inhoudelijk overeenkomen met de Aanbeveling van de Raad van Europa (R 98/7), zijn volgens hem in overeenstemming met de geneeskundige plichtenleer zoals die in België ontwikkeld werd en uitgedrukt in de Code van plichtenleer en in de adviezen die de Nationale Raad eerder heeft gegeven.

De toepassing ervan moet echter wel zo efficiënt mogelijk zijn; ook wenst de Nationale Raad dat voor bepaalde gevallen een geschikte regeling wordt uitgedacht en ingevoerd.
Dit geldt voor de financiële mogelijkheid van gedetineerden om vrij gekozen artsen te raadplegen; voor de psychiatrische verzorging van drugsverslaafden, waarbij verondersteld wordt dat gekwalificeerde artsen binnen redelijke termijnen beschikbaar zijn en dat deze samenwerken met de andere artsen die de gedetineerden behandelen; voor de naleving van de aanbevelingen van de verklaring van Helsinki, wat betekent dat in de gevangenissen enkel de experimenten voortgezet worden gestart vóór de opsluiting.

De Nationale Raad is geïnteresseerd in elke verdere eventuele wijziging van het document dat u hem heeft voorgelegd en dat blijkbaar nog geen definitief karakter heeft.

Consent (Fully Informed-)17/06/2000 Documentcode: a090014
Witboek betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van personen die door geestesziekten zijn aangetast

In naam van de drie kabinetten die de Belgische Regering in het "Comité Directeur pour la Bioéthique" (CDBI) van de Raad van Europa vertegenwoordigen, met name Justitie, Wetenschapsbeleid en Volksgezondheid, vraagt mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, het advies van de Nationale Raad over het (Franstalig) Witboek betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van personen die door geestesziekten zijn aangetast en in het bijzonder zij die als patiënten gedwongen in een psychiatrische instelling zijn geplaatst.

Bedenkingen van de Nationale Raad bij dit Witboek :

De in het ontwerp van Witboek gedane voorstellen vertonen opvallende gelijkenis met de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en met de uitvoeringsbesluiten van 18 juli 1991 van die wet. Dit hoeft niet te verwonderen daar uit het verslag namens de commissie voor de justitie uitgebracht door mevrouw Herman-Michielsens (733-2 (1988-1989)) blijkt dat bij de voorbereiding van de nieuwe wet sterk rekening werd gehouden met de aanbevelingen van de Raad van Europa. In het ontwerp van Witboek komen wel enkele bepalingen voor die nieuw zijn en desgevallend zowel een wijziging van de Belgische wetgeving als van de medische deontologie tot gevolg zullen hebben.

De meest ingrijpende wijziging van het voorstel van Witboek heeft betrekking op het toepassingsgebied van de voorstellen (punt 1). In tegenstelling tot een vroegere aanbeveling van de Raad van Europa waar aangedrongen werd op een duidelijke scheiding van de gedwongen opname van geesteszieken en de plaatsing via een penale procedure wordt nu gesteld dat "behoudens andersluidende bepaling, het nieuwe juridische instrument van toepassing is op de zowel in burgerlijke zaken als in strafzaken bevolen gedwongen plaatsing en behandeling", (officieuze vertaling). Dit heeft consequenties voor de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers. In dit verband verwijst de Nationale Raad naar het eindverslag van de werkzaamheden van de commissie Internering voor de herziening van de hoger geciteerde wet (verslag commissie Internering - ministerie van Justitie – april 1999). De Nationale Raad is zo vrij u als bijlage zijn opmerkingen betreffende dit verslag over te maken.

Tweede belangrijk gegeven betreffende het toepassingsgebied van de voorstellen is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen gedwongen opneming en gedwongen behandeling. De huidige Belgische wetgeving maakt dit onderscheid niet : de meeste artsen zijn van mening dat een gedwongen opneming zonder behandeling niet logisch is maar sommigen zijn van oordeel dat gedwongen opneming, urgente situaties daargelaten, niet toelaat een patiënt zonder zijn toestemming te behandelen. De Nationale Raad is van oordeel dat duidelijkheid in dit vlak enkel positief kan zijn voor de patiënt, zijn naasten en de behandelaars.

De Nationale Raad is wel van oordeel dat elke procedure die een gedwongen behandeling voorafgaat eenvoudig en van korte duur dient te zijn (punt 6). Er moet vermeden worden dat een patiënt lange tijd opgenomen is zonder behandeling daar zelfs eenvoudige behandelingen de duur van het gedwongen verblijf aanzienlijk kunnen verkorten. De huidige voorstellen beantwoorden niet aan dit criterium. Zo wordt voorgesteld bij weigering van de zieke zijn vertegenwoordiger te consulteren. Nergens is bepaald hoe deze vertegenwoordiger zal worden aangeduid wat laat vermoeden dat de zieke zelf dit zal doen zoals hij momenteel volgens de vermelde wet van 26 juni 1990 ook zijn vertrouwenspersoon aanduidt. Er mag worden verwacht dat de zieke een vertegenwoordiger zal aanwijzen die zijn standpunt deelt waardoor tijd zal verloren gaan.

Overigens is de Nationale Raad van mening dat het bij gedwongen behandeling vergezocht is aan de behandelaars op te leggen hun behandelingsprogramma voor beslissing voor te leggen aan een onafhankelijke instantie. Wel ligt het voor de hand dat het behandelingsprogramma schriftelijk moet worden vastgelegd en dat alle wijzigingen dienen genoteerd te worden en in het dossier moeten terug te vinden zijn. De deontologie van de arts, zijn wetenschappelijke kennis, het toezicht van het behandelteam, het indirecte toezicht van de directie en de inspectie zijn een reeks waarborgen voor de patiënt die desgevallend ook via zijn raadsman bij de behandelaar kan tussenkomen en de zaak bij kortgeding kan aanhangig maken voor de rechtbank.

Daarnaast is het niet onbelangrijk erop te wijzen dat wordt voorgesteld (punt 11.7) onomkeerbare sterilisaties afhankelijk te maken van een beslissing van een gerechtelijke instantie of van een daarmee gelijkgesteld orgaan. Dit gaat verder dan de huidige medische deontologie maar de Nationale Raad is van oordeel dat elke bijkomende garantie die onder meer aan mentaal gehandicapten kan gegeven worden alleen kan onderschreven worden.

Overigens wenst de Nationale Raad te onderstrepen dat het contact tussen de gedwongen opgenomene en zijn familie zeer belangrijk kan zijn (punt 11.11) en dat bijv. ook korte bezoeken van de familie gedurende het verblijf van de patiënt zelfs in een afzonderingskamer dienen aanbevolen te worden. Verder is de Nationale Raad van oordeel dat contacten van de beslissende gerechtelijke instantie met de familie kunnen bijdragen tot een betere informatie van de rechter en adequate beslissingen (punt 14.4).

Ten slotte is de Nationale Raad van mening dat de huidige wet op de bescherming van de persoon van de geesteszieke van 26 juni 1990 na tien jaar toepassing aan een evaluatie toe is. Vanuit psychiatrische middens wordt op een herziening aangedrongen daar de ervaring enkele onvolkomenheden heeft aan het licht gebracht.

c.c. : M. VERWILGHEN, minister van Justitie; C. PICQUE, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek.

Bijlage : Ministerie van Justitie – Eindverslag van de werkzaamheden van de Commissie Internering, Tijdschrift Nationale Raad van de Orde der geneesheren nr. 87, maart 2000, p. 17-19 :

De Nationale Raad wordt verzocht zijn bedenkingen te doen kennen bij het eindrapport dat door de multidisciplinaire Commissie Internering werd aangeboden aan de minister van Justitie.

Brief van de Nationale Raad aan de heer M. VERWILGHEN, minister van Justitie :

Geachte minister,

In zijn vergadering van 30 oktober 1999 ging de Nationale Raad over tot een tweede lezing van het eindverslag van de Commissie Internering. Zoals wij u meedeelden in ons schrijven van 29 september 1999, werd vooral aandacht geschonken aan het psychiatrisch deskundigenonderzoek en de behandeling van de geestesgestoorde delinquent. Deze twee onderdelen van het eindrapport zijn vanuit deontologisch oogpunt immers zeer belangrijk.

Het is voor een betichte essentieel dat de rechter deskundig geïnformeerd wordt over de aard en de ernst van een eventuele geestesstoornis en de impact ervan op zijn gedragingen.

Evenals de Commissie is de Nationale Raad van mening dat een psychiatrisch deskundigenonderzoek verplicht dient plaats te vinden alvorens een rechter op grond van een geestesstoornis een beslissing neemt(1). Deze opmerking geldt niet enkel voor de toepassing van de wet tot bescherming van de maatschappij maar zou een verplichting moeten zijn in alle gevallen waarin een gerechtelijke beslissing op grond van een geestesstoornis wordt genomen. Na kennisneming van het deskundigenonderzoek beslist de rechter immers nog steeds autonoom.

Wat het psychiatrisch deskundigenonderzoek betreft is de Nationale Raad van mening dat dit in de regel multidisciplinair dient te zijn en dit zowel bij inobservatiestelling als daarbuiten(2). Het bio-psycho-sociaal model is in de psychiatrie algemeen aanvaard zodat elke expertise best vanuit deze drie invalshoeken gebeurt. Wel dient de psychiater de eindverantwoordelijke te zijn die vrij zijn medewerkers kan kiezen. Deze bijkomende waarborg voor de volledigheid en degelijkheid van het rapport mag de onderzochte niet onthouden worden.

Overigens is de Nationale Raad van mening dat de aanstelling van een college van deskundigen(3) moet mogelijk blijven daar dit in moeilijke gevallen kan bijdragen tot een grotere objectiviteit van het deskundigenverslag. Voor de informatie van de rechter kan het nuttig zijn de mogelijkheid van een afwijkende mening te voorzien.

Zeer belangrijk voor de onderzochte is dat sluitende formules worden voorzien om de mening van een door de onderzochte aangewezen geneesheer in het debat te brengen. De Nationale Raad is van mening dat het tot de deontologische plicht van de artsen behoort de nodige "psychiatrische bijstand" te verlenen zoals in het eindverslag beoogd wordt(4). Het kan niet dat hulpvragers bij gebrek aan financiële middelen dienen af te zien van een rechtmatige verdediging van hun belangen. De Nationale Raad onderschrijft dan ook het voorstel van de Commissie waarbij de Koning na advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren bepaalt onder welke voorwaarden deze vorm van "psychiatrische bijstand" kan worden verleend.

Daarnaast treedt de Nationale Raad volledig het standpunt van de Commissie bij betreffende het statuut en de vorming van de gerechtsdeskundigen(5). In een schrijven van 29 april 1998 drong de Nationale Raad bij de toenmalige minister van Justitie reeds aan op de uitvoering van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek. De Nationale Raad stelde dat het opstellen van lijsten van experts best zou toevertrouwd worden aan bij de Hoven van Beroep op te richten commissies waaraan afgevaardigden van de provinciale raden zouden participeren.

Ten slotte wenst de Nationale Raad te benadrukken dat een strikte scheiding tussen de taken van de aangestelde deskundigen en de behandelaars aangewezen is. Daarom heeft de Nationale Raad vragen bij de stelling in het rapport dat de relatie die noodgedwongen ontstaat tussen de deskundige en de onderzochte deze laatste bijv. kan helpen om "de crisis die hij doormaakte" te boven te komen, hem meer ontvankelijk te maken voor de gerechtelijke procedure waarvan hij het voorwerp is en hem te overtuigen van de noodzaak een behandeling aan te gaan om terugval te voorkomen(6). De Nationale Raad kan aannemen dat een deskundige in uitzonderlijke omstandigheden "hulpverlener" wordt maar is van oordeel dat een duidelijke scheiding van deze opdrachten de regel hoort te zijn.

Als uitgangspunt voor de behandeling onderschrijft de Nationale Raad de door de Commissie vooropgezette ethische beginselen(7) die enerzijds de kwaliteit van de zorgverlening aan de geestesgestoorde delinquent beogen en anderzijds de veiligheid van de geïnterneerde en de maatschappij nastreven.

Ook kan de Nationale Raad de voorkeur van de Commissie delen betreffende een samenwerkingsakkoord tussen de ministers van Justitie en Volksgezondheid waarbij Volksgezondheid bevoegd is voor "behandeling" en Justitie verantwoordelijk blijft voor het luik "controle" over de geïnterneerde en voor de gerechtelijke beslissingen die ten aanzien van hem worden getroffen(8). Het onderscheid tussen "behandeling" en "controle" lijkt theoretisch eenvoudig te zijn maar wordt doorkruist met begrippen als "begeleiding", "verplichte begeleiding" en "sociaal-geneeskundige voogdij".

De Commissie opteerde voor een pragmatische oplossing en vertrok van zes situaties om de grenzen van het beroepsgeheim af te bakenen(9). De Nationale Raad vindt in vijf van de zes door de Commissie voorgestelde antwoorden zijn advies inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik terug en gaat volledig akkoord met het naar analogie toepassen van dit advies op de geestesgestoorde delinquent. Wat de derde situatie betreft waarbij de geestesgestoorde delinquent niet investeert in de voorgestelde behandeling meent de Nationale Raad dat dit niet-investeren minstens op een onweerlegbare wijze moet aan te tonen zijn alvorens dit kan gelijkgesteld worden met het onregelmatig verschijnen op de afspraken.

De Nationale Raad realiseert zich dat het inroepen van de "noodtoestand" de burgerrechtelijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de aangever op het spel kan zetten zodat wetgevend werk in dit vlak geruststellend zou zijn voor de aangever. Nochtans is de Nationale Raad van mening dat een tekst als in artikel 7 van de wet van 5 maart 1998 ("... moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan gerezen zijn.") veel te vaag is en onvoldoende aangeeft dat een ernstige bedreiging voor andermans leven en integriteit moet aanwezig zijn alvorens men zich op een meldingsrecht kan beroepen(10).

Wat het door de Commissie voorgestelde meldingsrecht op verzoek van de geïnterneerde betreft(11), meent de Nationale Raad dat het creëren van deze mogelijkheid de behandelaar in een zeer moeilijk parket kan brengen en zelfs voor de geïnterneerden als groep niet gunstig is. Wanneer een geïnterneerde weet dat een behandelaar met zijn toestemming verslag mag uitbrengen zal hij deze onder druk zetten om een gunstig verslag te bekomen terwijl de behandelaar, om de moeizaam opgebouwde relatie niet te hypothekeren, "welwillend" zou kunnen zijn in zijn verslaggeving. Anderzijds zullen de geïnterneerden waarover geen (gunstige) verslagen werden uitgebracht terecht als negatief worden beoordeeld. De Nationale Raad is van oordeel dat behandelaars in delicate materies als deze zich zelfs best onthouden van een getuigenis in rechte daar dit het vertrouwen van de groep geestesgestoorde delinquenten in de behandelaars als groep eerder zal ondermijnen dan bevorderen.

Overigens heeft de Nationale Raad heel wat vragen bij de voorgestelde driehoeksovereenkomst aangaande de behandeling tussen de geïnterneerde, de CMB en de therapeut of dienst die de behandeling op zich neemt(12).

Vooreerst meent de Nationale Raad dat van een dergelijke overeenkomst in het kader van een gedwongen behandeling moeilijk kan worden gezegd dat zij vrij, d.w.z. "met het uitdrukkelijk akkoord van de geïnterneerde", wordt aangegaan. Positief is wel dat de geïnterneerde exact geïnformeerd wordt over wat hem te wachten staat wanneer bepaalde afspraken niet nageleefd worden.

Anderzijds is het de vraag of een gemis aan motivatie of inzet voor de behandeling op een voor de geïnterneerde onweerlegbare manier aan te tonen is terwijl afspraken rond stopzetting van de behandeling en het informeren van de CMB wanneer de geïnterneerde zichzelf of derden ernstig in gevaar brengt nauwelijks tot niet te verzoenen zijn met de noodzakelijke vertrouwensrelatie en de vrijmoedige dialoog tussen arts en patiënt, die de basis zijn van elke therapie. Bij afwezigheid van wettelijke regeling voor de "noodtoestand", zal elke behandelaar in eer en geweten moeten oordelen of hij de CMB informeert. Het is weinig waarschijnlijk dat het bestaan van een schriftelijke driehoeks-overeenkomst, waarvan het vrijwillig engagement gemakkelijk te betwisten is, de aangever zal vrijwaren van burgerlijke en/of strafrechtelijke procedures. De Nationale Raad kan zich niet van de indruk ontdoen dat de antwoorden op de zes geschetste situaties ter afbakening van het beroepsgeheim door de voorgestelde overeenkomst sterk afgezwakt worden.

1 p. 45, Eindverslag van de Commissie Internering voor de herziening van de Wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij. 2 p. 49 en p. 50, Eindverslag.
3 eveneens p. 49, Eindverslag.
4 p. 48 en ook p. 49, Eindverslag.
5 p. 46 en p. 47, Eindverslag.
6 p. 45, Eindverslag.
7 p. 74, Eindverslag.
8 p. 74, Eindverslag.
9 p. 92, p. 93, p. 94, Eindverslag.
10 p. 94 en p. 95, Eindverslag.
11 p. 96, Eindverslag.
12 p. 97 en p. 98, Eindverslag.

Beroepsgeheim29/05/1999 Documentcode: a085019
Toxicomanie

Een provinciale raad vraagt of de adviezen van de Nationale Raad van 15 februari 1992 en 20 maart 1993 sensu stricto van toepassing blijven. Op het terrein is men bijvoorbeeld terughoudend ten aanzien van het gemotiveerd verslag dat gevraagd wordt bij de vrijwillige aangifte en is men bevreesd voor het gebruik dat zou kunnen gemaakt worden van het bestand dat op basis van deze verklaringen opgemaakt wordt.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad beëindigde in zijn vergadering van 29 mei 1999 het onderzoek van de antwoorden van de provinciale raden op de vragenlijst in verband met drugsverslaving. Dit onderzoek kaderde in een nieuwe reflectie over de adviezen die de Nationale Raad uitbracht op 15 februari 1992 en 20 maart 1993.

Het is de taak van elke provinciale raad om, afhankelijk van de behoeften, in samenwerking met de Provinciale geneeskundige commissie van zijn ambtsgebied, een beleid uit te stippelen inzake de aangifte en de follow-up van een behandeling met vervangingsmiddelen.

Advies van de Nationale Raad van 15 februari 1992 :

Provinciale geneeskundige commissies

Een afvaardiging van de Nationale Raad heeft de Voorzitters van de Provinciale geneeskundige commissies ontvangen teneinde twee problemen met betrekking tot het beroepsgeheim te bespreken.

1. Artikel 36 van het Koninklijk Besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de geneeskunst (1967) kent de geneeskundige commissies de taak toe het visum in te trekken of zijn behoud afhankelijk te maken van de aanvaarding, door de betrokkene, van de opgelegde beperkingen, wanneer, op advies van geneesheren deskundigen aangeduid door de Nationale Raad van de Orde der geneesheren, vastgesteld wordt dat hij niet meer voldoet aan de vereiste fysieke of psychische geschiktheden om, zonder risico's, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten.
Wanneer een provinciale raad verneemt dat een geneesheer mogelijkerwijze niet meer voldoet aan de vereiste fysieke of psychische geschiktheden om zijn beroep zonder risico's voort te zetten of wanneer een provinciale raad een klacht betreffende een concreet geval ontvangt, moet hij de betrokken geneesheer voor de Provinciale geneeskundige commissie brengen. De leden van de provinciale raad zijn echter door het beroepsgeheim gebonden in alle zaken waarvan zij kennis nemen tijdens de uitoefening van hun beroep. Welke inlichtingen mag de provinciale raad in deze omstandigheden mededelen aan de Provinciale geneeskundige commissie wanneer hij een geneesheer voor deze commissie brengt ?

2. Het tweede probleem had betrekking op de eerbiediging van het beroepsgeheim in toxicomaniegevallen en de uitwisseling van informatie dienaangaande tussen de provinciale raden van de Orde en de Provinciale geneeskundige commissies.

Na afloop van deze vergadering heeft de Nationale Raad de bestudering van deze twee problemen toevertrouwd aan een Commissie. Deze brengt verslag uit bij de Nationale Raad en legt hem een ontwerp brief aan de Voorzitters van de Provinciale geneeskundige commissies voor.
Na een gedachtenwisseling en enkele wijzigingen wordt de tekst van de Commissie goedgekeurd.

Brief van de Nationale Raad:

Zoals U wel bekend zijn de Voorzitters van de Provinciale geneeskundige commissies samengekomen met een vertegenwoordiging van de Nationale Raad teneinde het probleem te bespreken omtrent het beroepsgeheim betreffende klachten die bij een Provinciale Raad van de Orde worden neergelegd in verband met mogelijke fysieke of psychische ongeschiktheid van artsen.

De Provinciale geneeskundige commissie heeft namelijk de wettelijke bevoegdheid te waken over de fysieke en/of psychische geschiktheid van artsen om zonder risico's hun beroep uit te oefenen.

Krachtens Art. 30 van het K.B. nr. 79 betreffende de Orde der geneesheren zijn de leden van de Provinciale Raad door het beroepsgeheim gebonden in alle zaken waarvan zij kennis hebben gekregen bij of ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt. Wanneer de Provinciale Raad van de Orde bij vermoeden van ongeschiktheid dit ambtshalve dient mede te delen aan de Provinciale geneeskundige commissie voor verder gevolg, kan de Provinciale Raad bijgevolg geen enkel gegeven verstrekken uit het dossier.
Dit brengt echter met zich dat de Provinciale geneeskundige commissie op deze manier over weinig of geen gegevens beschikt om met goed gevolg het eigen onderzoek te voeren.

Daarom stelt de Nationale Raad voor dat de Provinciale Raad bij dergelijke klachten geen eigen onderzoek zou instellen, doch de klacht onmiddellijk aan de Provinciale geneeskundige commissie zou overmaken, dit zo mogelijk met het akkoord van de klager.

Mocht op deontologische gronden toch reeds een onderzoek gestart zijn, dan zou de Provinciale Raad van de Orde relevante gegevens uit zijn dossier aan de geneeskundige commissie kunnen overmaken, doch alleen in die uitzonderlijke omstandigheden waarin het algemeen belang duidelijk zou overwegen op het beroepsgeheim. Is dit niet het geval dan dient de Provinciale Raad zich te beperken tot een verzoek om geschiktheidsonderzoek.

Een tweede probleem werd tijdens bovenvermelde samenkomst aangesneden, namelijk dit betreffende de eerbiediging van het beroepsgeheim aangaande drugverslaafden.

De Nationale Raad bevestigt dat het medisch geheim evengoed tegenover deze patiënten als tegenover andere zieken dient geëerbiedigd te blijven.

Er dient echter op gewezen te worden dat, binnen de huidige stand van de wetenschap, de behandeling van drugverslaafden met substitutieprodukten niet meer door een alleenstaand arts mag worden aangepakt, ongeacht zijn kwalificatie. Hierbij dient onder een alleenstaand arts verstaan te worden: een geneesheer die niet beschikt over de hulp van een psychosociaal team noch een beroep kan doen op de raadgevingen van ter zake bevoegde confraters.

De ambulante en/of langdurige verstrekking van morfinomimetica of van stoffen die verslavend werken, is therapeutisch niet te verantwoorden. Indien de behandelend arts oordeelt dat het om een uitzonderlijk geval gaat, dient hij een gemotiveerd verslag voor te leggen aan de bevoegde Provinciale Raad van de Orde.

Aangezien de arts, gebonden door het medisch geheim, zijn patiënt niet kenbaar mag maken aan de geneeskundige commissie, dient hij de patiënt ervan te overtuigen zichzelf alsmede zijn behandeling te melden aan deze geneeskundige commissie. Dit kan hij doen bij middel van een formulier zoals in bijlage voorzien. De arts dient hieraan een gemotiveerd verslag van de behandeling toe te voegen.

Indien de patiënt weigert deze stap te zetten, dient de arts af te zien van verdere verslavingsbehandeling.

De Nationale Raad acht het opportuun dat u langs de daartoe geëigende kanalen deze richtlijnen ter kennis zoudt brengen van alle artsen die onder uw bevoegdheid ressorteren.

Bijlage:

NAAM en Voornaam:.......

De Heer Voorzitter van de
Provinciale Geneeskundige
Commissie van..........

Gewone verblijfplaats:
(gemeente, straat, nummer)
Geboorteplaats en datum:

Datum

Geachte Voorzitter,

Hij die tekent,..............................,

(naam, voornaam)

verklaart de behandeling van zijn verslaving

met substitutieprodukten toe te vertrouwen

aan Dokter................................

wonende te...........................................

en de substitutieprodukten uitsluitend te laten afleveren

door apotheker..........

wonende te.............................

Handtekening

Formulier in viervoud in te vullen:
1. Provinciale Geneeskundige Commissie.
2. Provinciale Raad van de Orde der Geneesheren.
3. Patiënt.
4. Behandelend arts.

Advies van de Nationale Raad van 20 maart 1993 :

Toxicomanie

a) Behandeling met vervangingsmiddelen

Mag een geneesheer die een behandeling met vervangingsmiddelen aanvangt aan de Provinciale geneeskundige commissie de naam verstrekken van de patiënt wanneer hij diens toestemming heeft ?

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 20 maart 1993 kennis genomen van uw brief van 15 december 1992 betreffende de toelating tot verstrekking van methadone voor de lichamelijke ontwenning van heroïneverslaafde patiënten en het medisch geheim.

De Nationale Raad verwijst naar zijn richtlijnen van 15 februari 1992, meer bepaald de derde laatste alinea:

Aangezien de arts, gebonden door het medisch geheim, zijn patiënt niet kenbaar mag maken aan de geneeskundige commissie, dient hij de patiënt ervan te overtuigen zichzelf alsmede zijn behandeling te melden aan deze geneeskundige commissie. Dit kan hij doen bij middel van een formulier zoals in bijlage voorzien. De arts dient hieraan een gemotiveerd verslag van de behandeling toe te voegen.

b) Wachtdienst en toxicomanen

Mag een arts die bij een toxicomaan geroepen wordt, vermoedelijk voor een druginspuiting, weigeren gevolg te geven aan deze oproep ?

Advies van de Nationale Raad:

Als gevolg aan Uw brief van 18 februari 1993 betreffende "Misbruik van de wachtdienst door toxicomanen", deel ik U mede dat de Nationale Raad in zijn vergadering van 20 maart 1993 die aangelegenheid heeft besproken.

De Nationale Raad is van oordeel dat:

  1. de arts met wachtdienst in beginsel aan elke oproep gevolg dient te geven;

  2. de betrokken arts elk geval naar de gekende omstandigheden zal beoordelen en in het licht daarvan zijn verantwoordelijkheid zal opnemen.

De provinciale raad zal in voorkomend geval het optreden van de arts met wachtdienst beoordelen.

Diagnostische en therapeutische vrijheid20/06/1998 Documentcode: a082003
Geneesmiddelenvoorschriften - Mededeling aan een onderzoekscommissie van een provinciale raad

Een provinciale raad legt de Nationale Raad volgend probleem voor : na het ontvangen van klachten over geneesmiddelenvoorschriften voor eetlustremmende of verdovende middelen vertrouwt de provinciale raad het onderzoek van deze zaken toe aan zijn onderzoekscommissie. Om het voorschrijfgedrag van de betrokken artsen in verband met deze substanties te kennen, richt de onderzoekscommissie zich tot de provinciale geneeskundige commissie en de Farmaceutische Inspectie teneinde mededeling te bekomen van de geneesmiddelenvoorschriften. De provinciale geneeskundige commissie weigert dit, verwijzend naar artikel 35 van het koninklijk besluit van 31 mei 1885 houdende goedkeuring der nieuwe onderrichtingen voor de geneesheren, de apothekers en de drogisten. De Farmaceutische Inspectie treedt deze weigering bij maar stelt als alternatief voor het onderzoek zelf uit te voeren op vraag van de provinciale raad.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 20 juni 1998, heeft de Nationale Raad het onderzoek verdergezet van de vragen die u stelde in uw gedocumenteerde brief van 12 maart 1998.

Artikel 35 van het koninklijk besluit van 31 mei 1885 stipuleert onder meer :

"Zonder toestemming van hem door of voor wie het voorschrift voorgeschreven werd, mag geen apotheker van het voorschrift of van de kopie voorkomend in het register, op de mikrofilm of de fotokopie mededeling geven aan wie het ook zij, behalve aan :

  1. de rechterlijke overheid en de farmaceutische inspecteurs wanneer deze het nuttig oordelen bewuste mededeling te vorderen;
  2. de geneesheren-inspecteurs-generaal, de eerst-aanwezend geneesheren-inspecteurs en de geneesheren-inspecteurs van de dienst voor geneeskundige controle ingesteld in de schoot van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering binnen het kader van de opdrachten hun toegekend door de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  3. de erkende tariferingsdiensten".

De vermeldingen die voorkomen op het voorschrift of op de kopie voorkomend in het register of op de microfilm of de fotokopie, met uitzondering van de naam van de patiënt, mogen bovendien door de apotheker worden medegedeeld aan de geneeskundige commissie van zijn gebied, voor zover deze mededeling gebeurt in het kader van artikel 37 § 1, 2°, c, 2 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies.

De apotheker is verplicht in het algemeen alles te vermijden wat zou strekken om een misplaatste nieuwsgierigheid uit te lokken of te voldoen.

Artikel 37 § 1, 2°, c, 2 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 bepaalt :

"het opsporen en mededelen aan het parket van de gevallen van onwettige uitoefening van de geneeskunde, van de artsenijbereidkunde, de veeartsenijkunde, de verpleegkunde en de paramedische beroepen".

De Farmaceutische Inspectie die gehouden is door deze bepalingen kan zo, in bepaalde omstandigheden, op basis van precieze inlichtingen van een provinciale raad bijvoorbeeld, een onderzoek doen bij de apothekers om de vraag te beantwoorden, indien ze dit nodig acht. Het is blijkbaar in deze zin dat een deel van het antwoord van de Inspecteur van de Artsenijbereidkunde X op uw brief van 11 februari 1998 moet gelezen worden.

De toxicomanie en het onderhouden ervan, evenals sommige voorschriften meer bepaald inzake vermageringskuren, vallen onder de bepalingen van de Code van geneeskundige plichtenleer waaraan de artsen zich moeten houden. Deze problemen zijn eveneens problemen van volksgezondheid die alle aandacht verdienen van de verschillende betrokken overheden. Volgens artikel 35 van voornoemd koninklijk besluit, volstaat het akkoord van de voorschrijvende arts.

Een onderzoekscommissie aangesteld door de provinciale raad met eerbiediging van de voorschriften van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, kan, wanneer er verdenking is van het onderhouden van toxicomanie of een schending van de therapeutische vrijheid, een onderzoek vragen aan de Inspecteur van de Artsenijbereidkunde over het voorschrijfgedrag van een arts. De vraag moet gesteld worden door bemiddeling van de voorzitter van de provinciale raad.

Gedetineerden15/06/1996 Documentcode: a073008
Gevangenissen

1. De commissie "Gevangenissen" van de Nationale Raad maakt het resultaat bekend van hun activiteiten aangaande het voorontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van artikel 96 van het algemeen reglement van de strafinrichtingen. Na de tekst van de commissie onderzocht te hebben, neemt de Raad de voorgestelde wijzigingen aan.

Voorstel van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergaderingen van 16 maart en 15 juni 1996 het "bijgewerkt" ontwerp van Koninklijk Besluit betreffende de vrije keuze van geneesheer door gedetineerden onderzocht en volgend advies verleend:

De Nationale Raad is de mening toegedaan dat er maar één behandelende geneesheer kan zijn die de volledige verantwoordelijkheid draagt.

Over het ontwerp van Koninklijk Besluit maakt de Nationale Raad volgende opmerkingen:

Als eerste paragraaf van artikel 96 zou volgende alinea moeten ingelast worden: "Tijdens de duur van de hechtenis wordt de behandelende geneesheer van de inrichting beschouwd als de behandelende arts van de gedetineerde. Hij draagt de volledige verantwoordelijkheid voor de behandeling."

De volgende alinea's van het ontwerp zouden als volgt moeten gelezen worden:

3de alinea:
"Behoudens dwingende redenen zal de geneesheer van de inrichting aanvaarden overleg te plegen met elke confrater van wie het advies gevraagd wordt door de gedetineerde. Hierbij zal hij zich op de eerste plaats laten leiden door het belang van de zieke en de kwaliteit van de zorgen."

4de alinea:
"De behandelende geneesheer van de inrichting en de door de gedetineerde gekozen geneesheer..."

6de alinea:
"1) De kosten en erelonen ... zijn ten laste van de gedetineerde met uitsluiting van deze die de twee geneesheren in onderling akkoord nodig achten."

8ste alinea:
"3) Het onderzoek vindt plaats in het medisch kabinet van de inrichting in aanwezigheid van de behandelende geneesheer van de inrichting of van een geneesheer van zijn medische dienst door hem daartoe aangeduid."

9de alinea:
"4) Na voorafgaandelijk en te vertrouwelijken titel van de behandelende geneesheer van de inrichting ..."

10de alinea:
"5) De behandelende geneesheer van de inrichting ontvangt een schriftelijk advies vanwege de gekozen geneesheer over de noodzaak van een nieuw consult evenals de voorgenomen diagnostische onderzoeken en/of behandelingen."

11de alinea:
"Indien ze van mening verschillen moeten de behandelende geneesheer van de inrichting ... "

13de alinea:
"Indien er na overleg onenigheid blijft, zal deze voorgelegd worden aan een derde geneesheer door beide partijen gekozen. Zijn advies wordt aan de betrokken geneesheren kenbaar gemaakt."

De 14de alinea wordt weggelaten.

2. Na door verscheidene provinciale raden te zijn geraadpleegd over de behandeling van drugverslaafde gedetineerden, besluit de Nationale Raad deze provinciale raden het advies te sturen dat op 15 juni 1996 werd verleend en naar de Geneesheer-Hoofd van Dienst van het bestuur der strafinrichtingen gestuurd.

Brief aan de provinciale raden:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 15 juni 1996 uw brief over de behandeling van drugverslaafde patiënten-gedetineerden in Belgische gevangenissen, onderzocht.

Bij deze brief vindt u het advies dat de Nationale Raad op 15 juni 1996 verstrekt heeft aan Dr. Van Mol, Geneesheer-Hoofd van Dienst van het bestuur der strafinrichtingen (zie voorstel van de Nationale Raad hierboven).

3. De Nationale Raad werd ook geraadpleegd door de algemeen afgevaardigde van Droits de l'Enfant en Aide à la Jeunesse (Rechten van het kind en hulpverlening aan de jeugd, Franse Gemeenschap), aangaande het verzet van een instelling waarin minderjarigen geplaatst zijn in het kader van een jeugdbeschermingsmaatregel om de minderjarige te laten bezoeken door de behandelende arts van zijn familie.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad is van oordeel dat een minderjarige die in een instelling geplaatst is in het kader van een jeugdbeschermingsmaatregel over het algemeen een beroep mag doen op zijn behandelende arts.

De behandelende arts van de familie heeft niet het recht, ook niet op verzoek van de ouders, te eisen het kind te mogen onderzoeken.

In het concrete geval dat u ons ter advies voorlegt in uw brief, menen wij dat de met het deskundig onderzoek belaste arts of de jeugdrechter zich ervan dient te vergewissen dat het verzoek om onderzocht te worden door de behandelende arts van de familie wel degelijk uitgaat van het kind en niet van de ouders, en een beslissing dient te nemen.

Uw tweede vraag, met name of er een onderscheid bestaat tussen een medische ingreep en een gewoon medisch onderzoek, is ongegrond.