keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Plichten van de arts (Algemeen-)26/03/2020 Documentcode: a167008
COVID-19 - Waardering voor alle zorgverleners en vrijwilligers – Attest voor verplaatsingen bij politiecontroles

Geachte Collega's,

De Orde der artsen krijgt de jongste dagen tientallen vragen in verband met de COVID-19-pandemie.

Eén van de meest gestelde vragen betreft het beschikken over een bewijs waarmee de arts zijn verplaatsingen bij politiecontroles kan legitimeren. Om aan deze vraag tegemoet te komen stelt de Orde een dergelijk attest ter beschikking (https://www.ordomedic.be/nl/intranet/covid-19).

Vele andere vragen en aangereikte suggesties geven blijk van een diepe betrokkenheid van alle artsen in deze moeilijke situatie. Allerlei talenten en morele waarden, die anders als normaal worden aangezien, komen nu nog meer tot uiting: menslievendheid, professionalisme, verantwoordelijkheidszin, doorzettingsvermogen, flexibiliteit, maximalisatie en improvisatie van de schaarse middelen. In deze crisis komt de samenwerking tussen de verschillende zorgverleners nog meer op het voorplan, hoewel ze al jaren samen de zorg opnemen.

De wil om daadwerkelijk mee te helpen de crisis te bestrijden is naast de intrinsieke kracht van de mens om zichzelf te overstijgen, eigen aan bijzondere situaties. Zo draaien honderden studenten geneeskunde mee in allerlei hulpverlenende functies en bieden ze de noodzakelijke helpende handen die in dergelijke situaties het verschil maken. Honderden vrijwilligers hebben zich aangeboden voor allerlei functies, waarvan enkele voorbeelden: babysitten voor kinderen van zorgverleners, produceren van beschermende kledij in geïmproviseerde stikateliers, logistieke hulp in ziekenhuizen, buddy's voor patiënten.

De waardering vanwege de bevolking is in deze moeilijke periode een welgekomen aanmoediging. Insiders beseffen hoezeer het spontane applaus, de witte vlaggen en andere tekens van appreciatie in moeilijke momenten welkom zijn en zelfs brandstof betekenen om verder door te zetten.

Ook van ons, leden van de Orde der artsen krijgt u via deze weg alle respect in het besef dat alle zorgverleners en alle mensen, die in de weer zijn samen, onder het motto "You never walk alone", een ommekeer zullen bewerkstelligen.

Prof. Dr. M. Deneyer

Ondervoorzitter van de nationale raad

Ziekten (Overdraagbare-)18/03/2020 Documentcode: a167006
COVID-19 - Richtlijnen betreffende de behandelingsplicht

Het bureau van de nationale raad van de Orde der artsen heeft onderzocht of de arts de plicht heeft zorg te verstrekken indien er onvoldoende veiligheidsmateriaal voorhanden is om zich te beschermen tegen een besmetting met COVID-19.

Het bureau meent dat absoluut alle middelen ingezet moeten worden opdat de zorgverleners over de nodige beschermingskledij zouden kunnen beschikken.

De vraag of artsen die geconfronteerd worden met nieuwe pandemieën, zich moeten, blijven inzetten ondanks het gevaar voor hun eigen veiligheid en gezondheid is reeds gerezen bij de EBOLA- en SARS-epidemieën en bij de terreuraanslagen.

De nationale raad heeft hierop geantwoord in twee adviezen van respectievelijk 24 januari 2009 en 15 november 2014.

Artikel 39 van de Code van medische deontologie bepaalt: "De arts verstrekt de vereiste zorg aan wie in nood verkeert. Hij neemt de nodige veiligheidsmaatregelen in acht voor zichzelf en anderen."

De arts heeft een deontologische behandelings- en verzorgingsplicht. Bij een pandemie is het vervullen van zijn maatschappelijke rol primordiaal voor de gemeenschap.

Dit betekent niet dat hij zijn eigen veiligheid en die van anderen buiten beschouwing moet laten.

Het dilemma waarvoor de arts geplaatst wordt, namelijk zijn menselijke plicht om hulp te bieden, eensdeels, en de bescherming van zijn integriteit, anderdeels, mag niet beperkt worden tot het bepalen van de waarde die overheerst. Men moet streven naar de vereniging van beide waarden

De behandelingsplicht gaat gepaard met de maximale bescherming van de veiligheid en de toekomst van de arts en zijn naasten dit door geschikte hygiëne-, gezondheids- en maatschappelijke maatregelen. Zowel de betrokken arts als de zorginstellingen en de gemeenschap moet hierover waken.

Een juiste spreiding van de risico's, op een transparante, professionele wijze en in overleg met al de betrokkenen, is een maatregel die gerechtvaardigd is door respect, billijkheid en solidariteit met de gezondheidsberoepsbeoefenaars die blootgesteld worden aan gevaar bij de uitoefening van hun beroep.

In deze uitzonderlijke omstandigheden moet bovendien maximaal gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden aan informatie- en communicatietechnologieën (met name tele- en videoconsultatie). De Orde zal erop toezien haar deontologische aanbevelingen inzake goede praktijkvoering aan te passen voor de aanwending van om het even welk middel dat kan bijdragen tot de medische behandeling van patiënten met beperking van fysiek contact.

In verband met de juridische vraag merkt het bureau op dat het misdrijf van schuldig verzuim vereist dat de persoon die geen hulp verleend heeft aan een andere persoon in ernstig en dreigend gevaar, kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen.

Zie :

  • Advies van 24 januari 2009 betreffende de "Behandelingsplicht", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 125
  • Advies van 15 november 2014 betreffende "Risico op schuldig verzuim - Ebola", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 147
Ziekten (Overdraagbare-)18/03/2020 Documentcode: a167007
COVID-19 - Richtlijnen

1/ Met betrekking tot de richtlijnen over hoe te beslissen over leven en dood in geval de nood aan beademingstoestellen het aanbod overstijgt, adviseert het bureau het volgende:

Elke patiënt heeft, met eerbiediging van zijn menselijke waardigheid en zijn zelfbeschikking, het recht op een kwaliteitsvolle gezondheidszorg die beantwoordt aan zijn behoeften. Zolang als mogelijk zal aldus gestreefd worden naar een gelijke behandeling van elke patiënt in nood.

Wanneer de hulpvraag evenwel het hulpaanbod overstijgt, zowel betreffende het aantal zorgverleners, als met betrekking tot de medische apparatuur, is het aangewezen dat het artsenteam op basis van objectieve parameters een beslissing neemt aan wie de schaarse middelen worden toegewezen. Een mogelijke ethische benadering bij schaarste is het "veil of ignorance" van Rawls. In de praktijk komt dit neer op het inschakelen van een onafhankelijk orgaan, bv het ethisch comite van het desbetreffende ziekenhuis.

2/ Met betrekking tot de vraag betreffende de plicht van de arts zorg te verstrekken indien het noodzakelijke materiaal (o.m. mondmaskers) om zich te beschermen tegen een besmetting van COVID-19 niet beschikbaar is, adviseert het bureau het volgende:

Het bureau meent dat absoluut alle middelen ingezet moeten worden opdat de zorgverleners over de nodige beschermingskledij zouden kunnen beschikken.

De vraag of artsen die geconfronteerd worden met nieuwe pandemieën, zich moeten, blijven inzetten ondanks het gevaar voor hun eigen veiligheid en gezondheid is reeds gerezen bij de EBOLA- en SARS-epidemieën en bij de terreuraanslagen.

De nationale raad heeft hierop geantwoord in twee adviezen van respectievelijk 24 januari 2009 en 15 november 2014.

Artikel 39 van de Code van medische deontologie bepaalt: "De arts verstrekt de vereiste zorg aan wie in nood verkeert. Hij neemt de nodige veiligheidsmaatregelen in acht voor zichzelf en anderen."

De arts heeft een deontologische behandelings- en verzorgingsplicht. Bij een pandemie is het vervullen van zijn maatschappelijke rol primordiaal voor de gemeenschap.

Dit betekent niet dat hij zijn eigen veiligheid en die van anderen buiten beschouwing moet laten.

Het dilemma waarvoor de arts geplaatst wordt, namelijk zijn menselijke plicht om hulp te bieden, eensdeels, en de bescherming van zijn integriteit, anderdeels, mag niet beperkt worden tot het bepalen van de waarde die overheerst. Men moet streven naar de vereniging van beide waarden.

De behandelingsplicht gaat gepaard met de maximale bescherming van de veiligheid en de toekomst van de arts en zijn naasten dit door geschikte hygiëne-, gezondheids- en maatschappelijke maatregelen. Zowel de betrokken arts als de zorginstellingen en de gemeenschap moet hierover waken.

Een juiste spreiding van de risico's, op een transparante, professionele wijze en in overleg met al de betrokkenen, is een maatregel die gerechtvaardigd is door respect, billijkheid en solidariteit met de gezondheidsberoepsbeoefenaars die blootgesteld worden aan gevaar bij de uitoefening van hun beroep.

In deze uitzonderlijke omstandigheden moet bovendien maximaal gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden aan informatie- en communicatietechnologieën (met name tele- en videoconsultatie). De Orde zal erop toezien haar deontologische aanbevelingen inzake goede praktijkvoering aan te passen voor de aanwending van om het even welk middel dat kan bijdragen tot de medische behandeling van patiënten met beperking van fysiek contact.

In verband met de juridische vraag merkt het bureau op dat het misdrijf van schuldig verzuim vereist dat de persoon die geen hulp verleend heeft aan een andere persoon in ernstig en dreigend gevaar, kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen.

Zie :

  • Advies van 24 januari 2009 betreffende de "Behandelingsplicht", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 125
  • Advies van 15 november 2014 betreffende "Risico op schuldig verzuim - Ebola", Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 147
Plichten van de arts (Algemeen-)10/03/2020 Documentcode: a167005
COVID-19 - Persbericht van de nationale raad van de Orde der artsen in verband met de uitzonderlijke maatregelen die de eerstelijnsgeneeskunde dient te treffen in het kader van de pandemie van het coronavirus (COVID-19)

De nationale raad van de Orde der artsen brengt onderstaand advies uit in verband met de uitzonderlijke maatregelen om de volksgezondheid te beschermen en de gezondheidsdiensten, in het bijzonder de eerstelijnsgeneeskunde, operationeel te houden in het kader van de pandemie van het coronavirus (COVID-19).

Het Franstalige College voor huisartsgeneeskunde van België (CMG)(1) en Domus Medica (2) raden een telefonische triage aan van patiënten die symptomen vertonen van besmetting met COVID-19.

De nationale raad van de Orde der artsen brengt de deontologische beginselen in herinnering die in acht genomen moeten worden bij de behandeling van een patiënt zonder rechtstreeks fysiek contact met hem.

In zijn advies van 21 september 2019 over de teleconsultatie met het oog op het stellen van een diagnose en het voorstellen van een behandeling (Tijdschrift van de Nationale Raad, nr. 166) heeft de nationale raad de grenzen en de mogelijkheden van teleconsultatie onderzocht. Het volgende werd daarbij in herinnering gebracht: "Een raadpleging op afstand heeft, ook al blijkt ze gebruiksvriendelijk voor de patiënt, niet dezelfde nauwkeurigheid als een raadpleging in aanwezigheid van de patiënt en de arts. Teleconsultatie biedt dan ook niet dezelfde veiligheid op het vlak van de diagnose en van het voorschrijven van geneesmiddelen. Teleconsultatie kan de klassieke face-to-face raadpleging slechts vervangen indien een bijzondere situatie dit rechtvaardigt."

In de huidige omstandigheden van de coronaviruspandemie gaat het wel degelijk over een bijzondere situatie gezien de pandemiecontext die vergt dat maatregelen genomen worden op het gebied van de volksgezondheid om de risico's op verspreiding in te perken. Verplaatsingen van besmette patiënten of van patiënten van wie vermoed wordt dat ze besmet zijn met het virus zo veel mogelijk beperken, is een prioritaire maatregel bij de gezondheidsaanpak van deze pandemie.

Om een telefonisch advies te verstrekken moet de arts een volledige anamnese uitvoeren rekening houdend met de risicofactoren die inherent zijn aan de pathologie ("red flags"), met de antecedenten van de patiënt en met zijn andere acute of chronische aandoeningen die hem kwetsbaarder kunnen maken. De eerstelijnsartsen verwachten van de wetenschappelijke en gezondheidsautoriteiten dat zij de alarmtekenen ("red flags") die inherent zijn aan deze pathologie preciseren en actualiseren. Er dient op gewezen dat de gevolgen van dergelijke besmetting nog steeds onvoldoende gekend zijn en dat een bepaald percentage van patiënten een ernstige longaandoening ontwikkelt die levensbedreigend kan zijn.

De minimumvoorwaarden opdat een aanpak op afstand aanvaardbaar is, houden in dat de arts a) de patiënt en zijn antecedenten goed kent, b) inzage heeft in de medische informatie betreffende de patiënt (medisch dossier) en c) in staat is de continuïteit van de zorg te waarborgen.

In de huidige context kan het kennen van de patiënt gebaseerd zijn op de inzage in een up-to-date elektronisch medisch dossier via de regionale uitwisselingsnetwerken. Natuurlijk is het voor de continuïteit van de zorg vereist dat de arts die een advies verstrekt een toegankelijke geneeskundepraktijkruimte heeft en bereid is de patiënt wiens toestand het toelaat daar te ontvangen. In geval van teleconsultatie waarborgt de arts dat hijzelf of een wachtdoende collega 24 uur op 24 bereikbaar is.

De arts die telefonisch gecontacteerd wordt, moet de risico's voor de patiënt en voor de gemeenschap afwegen tussen een telefonisch advies, een face-to-face raadpleging, een huisbezoek en doorverwijzing naar een structuur (al dan niet ziekenhuisgebonden) die instaat voor de opsporing en de behandeling van patiënten die besmet zijn of van wie vermoed wordt dat ze besmet zijn met het COVID-19-virus.

Indien de arts meent dat een telefonisch advies volstaat om de risico's voor de patiënt, het medisch personeel en de gemeenschap te beoordelen en indien hij ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het volstaat dat de patiënt zich thuis verzorgt, kan hij hem, gedurende de periode van uitzonderlijke maatregelen in verband met deze pandemie, een getuigschrift verstrekken op basis van de telefonische anamnese en niet noodzakelijk van een fysiek onderzoek (wat gepreciseerd dient te worden in het getuigschrift). In dit getuigschrift attesteert de arts dat hij de patiënt aangeraden heeft de woning niet te verlaten om reden van vermoeden van besmetting met COVID-19.

De arts noteert in het dossier van de patiënt dat hij telefonisch contact gehad heeft met de patiënt, de raadgevingen die hij hem verstrekt heeft en de eventuele afgifte van een getuigschrift.

In de bijzondere omstandigheden van een nieuwe pathologie wijst de nationale raad erop dat de arts uiterst omzichtig te werk moet gaan bij het voorschrijven van geneesmiddelen.

(1) Persmededeling van het CMG van 8 maart 2020

(2) https://domusmedica.be/actueel/coronavirus-covid-19 (geraadpleegd op 10 maart 2020)

Aids05/07/2019 Documentcode: a166003
Brief ter verwittiging van de seksuele partner van een patiënt gediagnosticeerd met een soa

In zijn vergadering van 5 juli 2019 heeft de nationale raad van de Orde der artsen, op verzoek van het KCE, de opportuniteit onderzocht van het versturen van een brief ter verwittiging van de sekspartner van een patiënt gediagnosticeerd met een soa, zonder bekendmaking van de identiteit van de patiënt, om hem aan te moedigen zich te laten screenen.

Het informeren van de sekspartner van een patiënt gediagnosticeerd met een soa behoort tot de kern van de preventie van seksueel overdraagbare aandoeningen. Het voorkomt niet enkel de verdere verspreiding van de soa, maar het zorgt er ook voor dat de sekspartner zich vroegtijdig kan laten behandelen en mogelijke complicaties kan vermijden. Daarnaast verkleint de kans op infecties en herinfecties.

De arts wijst op het belang van partnerverwittiging en spoort zijn patiënt hiertoe aan. De arts helpt zijn patiënt bij het concretiseren van deze mededeling en geeft uitleg over zowel de inhoud van de mededeling als de wijze waarop de patiënt de boodschap kan overbrengen bij de sekspartner. De arts kan voorstellen aanwezig te zijn bij deze mededeling.

Er zijn situaties denkbaar waarbij de patiënt om persoonlijke redenen geen rechtstreeks contact wenst op te nemen zijn sekspartner(s). In dergelijk geval dient de arts de beslissing van de patiënt te respecteren. In principe kan de sekspartner slechts verwittigd worden mits toestemming van de patiënt.(1) Het is in deze context dat de arts de patiënt inlicht over de mogelijkheid van het versturen van een brief voor soa-screening die de identiteit van de patiënt niet vermeldt.

Partnerverwittiging via dergelijke brief verhindert niet dat de sekspartner zelf de identiteit van de patiënt achterhaalt.

Dergelijke mededeling via brief kan paniek veroorzaken bij de verwittigde sekspartner. Daarom is een rechtstreekse mededeling door de patiënt en de eventuele aanwezigheid van een arts aan te raden.

Deze brief kan een impact hebben op de persoonlijke levenssfeer van de patiënt. Het is bijgevolg van belang dat deze brief wordt gericht aan de sekspartner, onder gesloten omslag, met de melding "vertrouwelijk". Geenszins mag de enveloppe melding maken van de naam van organisaties als "Sensoa", "Sida'sos" of andere.

***

Het informeren van de sekspartner, met het oog op vroegtijdige diagnose en behandeling, behoort tot de kern van gezondheidsbescherming en -preventie.

In eerste instantie maant de arts de patiënt aan zelf zijn seksuele partner(s) ervan te verwittigen dat een soa bij hem werd vastgesteld. Hij tracht de patiënt hierbij zo goed mogelijk te ondersteunen. In situaties waarbij de patiënt om persoonlijke redenen geen rechtstreeks contact wenst op te nemen met zijn sekspartner(s), kan een brief, zonder vermelding van de identiteit van de patiënt, een mogelijkheid bieden om de sekspartner te verwittigen.

De brief kan verzonden worden door de behandelend arts van de patiënt, mits toestemming van de patiënt, zonder dat de arts de identiteit van deze patiënt vrijgeeft, zelfs niet na aandringen van de verwittigde sekspartner.

De arts vermeldt dit alles in het medisch dossier.

Dit ontslaat de arts niet van de wettelijke verplichting bepaalde overdraagbare ziektes aan te geven(2).




(1) Tenzij in de uitzonderlijke omstandigheid van een noodtoestand (zie advies NR 3 februari 2007, a116001)

(2) Ministerieel besluit van 19 juni 2009 tot bepaling van de lijst van infecties die gemeld moeten worden en tot delegatie van de bevoegdheid om ambtenaren-artsen en ambtenaren aan te wijzen; Ministerieel besluit van 18 juli 2016 tot wijziging van artikel 1 van het ministerieel besluit van 19 juni 2009 tot bepaling van de lijst van infecties die gemeld moeten worden en tot delegatie van de bevoegdheid om ambtenaren-artsen en ambtenaren aan te wijzen.

Aids07/07/2018 Documentcode: a162001
Voorschrijven van een curatieve behandeling voor een seksueel overdraagbare aandoening (soa)

De nationale raad van de Orde der artsen heeft een vraag bestudeerd betreffende het voorschrijven van een curatieve behandeling voor een seksueel overdraagbare aandoening (soa) door de artsen van een screeningscentrum.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 7 juli 2018 heeft de nationale raad van de Orde der artsen een vraag bestudeerd betreffende het voorschrijven van een curatieve behandeling voor een seksueel overdraagbare aandoening (soa) door de artsen van een screeningscentrum.

1°/ Bij een positieve test moet de patiënt de medische begeleiding krijgen die het meest aangepast is aan zijn behandeling (controle van de soa, nagaan of er geen andere aanverwante soa is, algemene opvolging en opvolging in de tijd) en aan alle aspecten van de zorgcontinuïteit (nevenwerkingen, spoedsituaties, enz.).

De kwaliteit van de zorg hangt onder meer af van de toegang tot de zorg. Toegankelijkheid vereist een beschikbaarheid die niet geboden wordt in een screeningsstructuur waarvan de consultatiedienstregelingen beperkt zijn tot enkele uren per week.

De nationale raad meent dat het screeningscentrum de patiënt in geval van positieve test moet doorverwijzen naar een huisarts of een gespecialiseerd team.

Het is opportuun dat het screeningscentrum samenwerkt met zorgstructuren, zodat een patiënt die geen behandelende arts heeft, makkelijker toegang tot de zorg krijgt.

Het belang van de patiënt om toegang tot kwaliteitsvolle zorg te krijgen is prioritair. Indien de situatie van de patiënt een behandeling binnen een zeer korte termijn vergt en de screenende arts gezien de omstandigheden vreest dat de patiënt er niet tijdig toegang toe heeft, kan hij zelf de behandeling opstarten omwille van het dringend karakter. Het vervolg van de behandeling moet toevertrouwd worden aan een huisarts of een gespecialiseerd team.

2°/ De vraag is blijkbaar ingegeven door het bewaren van de anonimiteit van de betrokken persoon gedurende de curatieve fase.

De vrees voor stigmatisatie en discriminatie kan voor de patiënt een rem zijn om zich te laten verzorgen. De artsen die instaan voor de screening, moeten hiervoor aandacht hebben, de patiënt geruststellen over het professionalisme van hun collega's en over hun discretieplicht en op die manier de patiënt aansporen zijn angsten opzij te zetten.

De curatieve zorg die verstrekt wordt aan een patiënt, of dit nu gebeurt binnen een screeningscentrum of binnen om het even welke andere medische structuur, dient opgenomen te worden in een medisch dossier op naam. Ook voor het opstellen van voorschriften, de traceerbaarheid van de toegediende geneesmiddelen en de terugbetaling van de behandelingen is de identificatie van de patiënt vereist.

Plichten van de arts (Algemeen-)15/11/2014 Documentcode: a147015
Risico op schuldig verzuim - Ebola

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren heeft de vraag onderzocht of er geen risico is op schuldig verzuim wanneer een niet-tertiair ziekenhuis bij een heel instabiele patiënt niet alle gebruikelijke invasieve technieken toepast.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren besprak in zijn vergadering van 15 november 2014 de vraag om advies van het AZ Sint-Jan, voorgelegd door de heer Stevens van het coördinatieteam Ebola, of er geen risico is op schuldig verzuim wanneer een niet-tertiair ziekenhuis bij een heel instabiele patiënt niet alle gebruikelijke invasieve technieken toepast.

De Nationale Raad verwijst vooreerst naar zijn advies van 24 januari 2009 betreffende de behandelingsplicht. Hierin stelt hij dat een arts de deontologische plicht heeft te behandelen en te verzorgen en dat deze plicht geen vrijblijvende randvoorwaarde is, maar tot de kern van zijn professie behoort. In dit opzicht luidt artikel 7 van de Code van geneeskundige plichtenleer als volgt : "Bij algemene noodsituaties mag een arts zijn zieken niet verlaten tenzij hij daartoe door de bevoegde overheid wordt verplicht.".

Het aanvaarden van deze behandelingsplicht staat evenwel niet gelijk aan het wegcijferen van zijn eigen veiligheid of aan roekeloosheid.
Zo brengt de behandelingsplicht niet alleen plichten mee voor de betrokken arts, doch ook voor de instelling en de maatschappij om door aangepaste hygiënische en sociale voorzorgsmaatregelen de veiligheid en toekomst van de arts, evenals die van zijn naasten, maximaal te vrijwaren. In de richtlijn "Operationele procedure voor het beheer van het volksgezondheidsrisico in verband met de epidemie van ebola hemorragische koorts in West-Afrika en DRC" wordt daartoe herhaaldelijk gewezen op de maatregelen verwoord in het advies 9188 "Possibility of VHF" van de Hoge Gezondheidsraad.

Het artikel 422bis, tweede lid, Strafwetboek dat het schuldig verzuim/schending van de wettelijke hulpverleningsplicht definieert, stelt: "Voor het misdrijf is vereist dat de verzuimer kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen."
Hieruit dient afgeleid te worden dat slechts binnen de aangehaalde veiligheidsmaatregelen de nodige zorg dient toegediend te worden. Slechts wanneer men hieraan niet beantwoordt, maakt men zich schuldig aan schuldig verzuim.

De Nationale Raad merkt op dat slechts de transfer van de patiënt naar het dichtstbijzijnde tertiaire ziekenhuis wordt verplicht wanneer deze wordt beoordeeld als "waarschijnlijk geval". In de gevallen die als minder dan een "waarschijnlijk geval" worden gekwalificeerd, is er geen transfer voorzien en dient het ziekenhuis of de praktijk waar de patiënt zich aanbiedt de kwaliteitsvolle zorg, zoals verwoord in het artikel 5 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, te garanderen binnen de grenzen van de hierboven vermelde maatregelen. Het onthouden van zorg aan een dergelijke patiënt is een schending van het recht op kwaliteitsvolle zorg en impliceert schuldig verzuim. Voor wat betreft de patiënten beoordeeld als "waarschijnlijk geval" of erger voorziet de richtlijn in een verplichte transfer naar een tertiair ziekenhuis. Wanneer een patiënt zich aanbiedt in een ziekenhuis of een artsenpraktijk en er is een vermoeden dat de patiënt een "waarschijnlijk geval" of erger is, dient men onmiddellijk contact op te nemen met de gezondheidsinspecteur van de gemeenschappen. Deze arts is verantwoordelijk voor de snelle transfer van de patiënt naar het dichtstbijzijnde tertiaire ziekenhuis.

Tot het moment waarop de patiënt wordt getransfereerd, is het ziekenhuis of de praktijk waar de patiënt zich heeft aangeboden verplicht de patiënt de nodige zorg toe te dienen binnen de grenzen van de veiligheidsmaatregelen. Het is de verantwoordelijkheid van elke zorginstelling om een interne procedure voor risicobeheer op te stellen op basis van de maatregelen beschreven onder "High Possibility of VHF" in het advies 9188 van de Hoge Gezondheidsraad voor dergelijke situaties.

Wanneer het om een patiënt beoordeeld als "bevestigd geval" gaat, stelt de richtlijn bovendien dat slechts kan worden overgegaan tot de nodige acties om kwaliteitsvolle zorg te verlenen aan de patiënt, rekening houdend met de risico's voor volksgezondheid, voor zover daartoe werd beslist door de Risk Management Group.

De Nationale Raad concludeert dat het risico op schuldig verzuim van geval tot geval zal dienen te worden beoordeeld. De maatregelen die in het kader van de risico's voor volksgezondheid (blootstelling van het verzorgend personeel, enz.) zullen dienen genomen te worden, leiden ertoe dat in de ernstigere gevallen hulpverlening zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen, moeilijker zal kunnen plaatsvinden gelet op de striktere veiligheidsmaatregelen, zonder dat echter de wettelijke hulpverleningsplicht zoals verwoord in het artikel 422bis Strafwetboek in het gedrang komt.

Aids04/02/2012 Documentcode: a137007
Verpleegkundige besmet met HIV en HCV - Beroepsgeheim

Een arts vraagt de Nationale Raad advies betreffende de houding die aangenomen dient te worden wanneer hij/zij bij een patiënt, ziekenhuisverpleegkundige, een positieve serologie voor HIV en HCV, ontdekt.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 4 februari 2012 besprak de Nationale Raad uw mail van 7 oktober 2011 waarin u hem om advies verzoekt betreffende de houding die aangenomen dient te worden nadat bij een patiënt, ziekenhuisverpleegkundige, een positieve serologie voor HIV en HCV, ontdekt werd.

Als bijlage vindt u het advies van de Nationale Raad van 21 maart 2009, met als titel "Beroepsgeheim en aids - Mededeling aan de partner", dat gepubliceerd werd in het Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 125.
Hoewel dit advies handelt over het risico op besmetting door de patiënt in het kader van zijn persoonlijke levenssfeer, gelden de beginselen die er in uiteengezet worden tevens voor het risico op besmetting door de patiënt in het kader van zijn beroepsactiviteiten.

Ter aanvulling van dit advies en rekening houdend met het door de patiënt uitgeoefende beroep van verpleegkundige dat het besmettingsrisico, kan verhogen, verstrekt de Nationale Raad u volgende aanbevelingen.

Naast de informatie aan deze patiënt over zijn gezondheidstoestand moet u hem eveneens wijzen op de noodzakelijke en concrete maatregelen die dienen getroffen te worden om tegemoet te komen aan het risico door hem verzorgde patiënten te besmetten en de nadruk leggen op het feit dat niet-naleving van deze maatregelen zijn burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid kan meebrengen.

Indien het risico enkel kan vermeden worden door het wijzigen van zijn activiteiten binnen de ziekenhuisinstelling zal de arbeidsgeneesheer hem kunnen helpen om een oplossing te vinden.

Indien deze verpleegkundige besmet werd ten gevolge van een arbeidsongeval zal de tussenkomst van de arbeidsgeneesheer ook als doel hebben de herhaling van dergelijk ongeval te voorkomen.

In het kader van de zorgverstrekking door u (of een collega naar wie u hem hebt verwezen) is het van belang de patiënt binnen een korte tijdspanne, bv. twee weken, terug te zien en te ondervragen over de concrete door hem getroffen maatregelen om besmetting te vermijden, om u ervan te vergewissen dat alle aanbevelingen werden begrepen en nageleefd, en hem desgevallend alle nodige hulp voor te stellen om dit doel te bereiken.

Het is pas wanneer blijkt dat deze verpleegkundige spontaan geen maatregelen heeft getroffen ter bescherming van de patiënten dat u hem er zult op attent maken dat zijn houding u er zou kunnen toe verplichten uw beroepsgeheim te doorbreken, bv. door de arbeidsgeneesheer te verwittigen ingeval u van mening bent dat u met een noodtoestand wordt geconfronteerd.

Bovendien, indien de verpleegkundige zich niet meer op uw raadpleging aanmeldt of indien u oordeelt dat ondanks zijn beweringen hij de nodige beschermingsmaatregelen niet heeft getroffen, zult u in geweten moeten beslissen over de aanwezigheid of niet van een noodsituatie die een doorbreking van het medisch geheim kan rechtvaardigen.

Voor het begrip "noodtoestand" en de omstandigheden waarin u zich op deze noodtoestand kunt beroepen verwijst de Nationale Raad opnieuw naar zijn voormelde advies.