keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Medisch dossier11/12/2021 Documentcode: a168026
Medisch document nodig voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract sector leven ingevuld door een behandelend arts

In zijn vergadering van 11 december 2021, heeft de nationale raad van de Orde der artsen onderzocht of het in overeenstemming is met de medische deontologie dat een behandelend arts een medisch document invult nodig voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract sector leven.

De medische deontologie verbiedt om de rol van zorgverlener met een therapeutische relatie en de beoordeling van de gezondheidstoestand van eenzelfde patiënt gelijktijdig uit te voeren wanneer deze aanvraag uitgaat van een derde (artikel 43 van de Code van medische deontologie).

Wanneer het de patiënt is die het hem vraagt, kan de behandelend arts aanvaarden de medische documenten in te vullen nodig voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract sector leven (levensverzekering, schuldsaldoverzekering, gewaarborgd loon).

De behandelend arts gebruikt de gezondheidsgegevens waarover hij als behandelend arts beschikt om de documenten in kwestie in te vullen enkel met het uitdrukkelijke akkoord van de patiënt.

Hij legt aan deze laatste uit welke gegevens hij bekendmaakt in het medisch document zodat de patiënt, perfect ingelicht over de inhoud ervan, vrij beslist welk gebruik hij ervan zal maken op grond van zijn zelfbeschikkingsrecht.

Indien de patiënt zich verzet tegen bepaalde bekendmakingen, beoordeelt de arts of hij moet weigeren het document op te stellen met als reden dat de door de patiënt gevraagde weglating de oprechtheid van zijn verklaringen aantast.

De arts heeft de verantwoordelijkheid om bij het opstellen van een medisch document de beginselen van oprechtheid, objectiviteit, voorzichtigheid en discretie in acht te nemen.

In het belang van de patiënt verwijst de behandelend arts hem door naar een arts gespecialiseerd in verzekeringsgeneeskunde en medische expertise indien hij vaststelt dat een bijzondere technische kennis vereist is om de documenten in te vullen of om de patiënt in te lichten over zijn rechten.

Tot slot herinnert de nationale raad aan zijn advies van 15 september 2018, met als titel Vraag van de patiënt aan de behandelende arts om medische formulieren in te vullen voor het afsluiten of het uitvoeren van een verzekeringscontract (a162008).

Het is een deontologische plicht van de behandelend arts, binnen de grenzen van zijn bekwaamheden en objectief, te voldoen aan de rechtmatige vragen van de patiënt die slechts kunnen worden geconcretiseerd met zijn medewerking. Hij kan zich er niet aan onttrekken zonder gegronde reden. (artikel 26 van de Code van medische deontologie).

De woorden “ Het medisch onderzoek dat voorafgaat aan het sluiten van een verzekeringsovereenkomst van de sector leven (levensverzekering, schuldsaldoverzekering, gewaarborgd loon) is een verrichting die gevraagd en vergoed wordt door de verzekeringsmaatschappij. De behandelend arts dient deze opdracht dan ook niet te aanvaarden.” worden weggelaten uit de commentaar bij artikel 43 van de Code van medische deontologie en uit het advies van 15 februari 2020 met als titel Inzage in de medische gegevens van een persoon door de arts die zijn gezondheidstoestand dient te beoordelen (a167002).

Honoraria11/12/2021 Documentcode: a168029
Ereloon – onduidelijkheden voor patiënten

In zijn vergadering van 11 december 2021 nam de nationale raad kennis van onduidelijkheden bij patiënten omtrent de inning van het ereloon door hun arts na een consultatie.

Tientallen patiënten hadden zich in een consumentenprogramma op de openbare omroep beklaagd omdat ze enkele euro’s meer dienden te betalen dan het vermelde bedrag op het ontvangstbewijs van het getuigschrift voor verstrekte hulp. De patiënten voelden zich hierdoor bedrogen en gaven aan dat het vertrouwen in hun arts hierdoor geschonden was. Zij vroegen zich af waar ze duidelijke informatie over de terugbetaling en inning van medische prestaties konden raadplegen en waar ze aangifte konden doen van onregelmatigheden.

De nationale raad betreurt de aangekaarte wantoestanden en herinnert aan het artikel 33 van de Code van medische deontologie dat stelt: “De arts bepaalt zijn ereloon correct en op basis van de werkelijk geleverde prestaties. De arts informeert de patiënt vooraf duidelijk over de bepaling van zijn ereloon”.

De nationale raad benadrukt dat het voor het vertrouwen, dat de basis vormt van een goede arts-patiëntrelatie, noodzakelijk is dat de arts de patiënt voorafgaandelijk inlicht over het ereloon en de inning op een correcte manier uitvoert.

Er rijzen nog vele onduidelijkheden over het gebruik van het getuigschrift voor verstrekte hulp en het bijhorende ontvangstbewijs, niet in het minst omwille van de vele omstandigheden die zich in de praktijk kunnen voordoen (conventiestatus van de arts, bijzondere eisen van de patiënt, al of niet toepassing van de derdebetalersregeling, directe of uitgestelde inning, enz.). De exacte modaliteiten zijn terug te vinden op

https://www.medattest.be/site/nl/applications/Riziv/content/help.html

onder de rubriek E3.

Indien patiënten klachten hebben over het financieel aspect van de zorgverlening kunnen ze terecht bij de provinciale raad van inschrijving van de arts* of bij de federale ombudsdienst “Rechten van de patiënt”** voor de ambulante zorgsector of bij de ombudsdienst van het ziekenhuis waar de prestatie plaatsvond.

* https://ordomedic.be/nl/provinciale-raden/provinciale-raden

** Federale ombudsdienst “Rechten van de patiënt”:

Nederlandstalige federale Ombudspersoon

Tel. : 02/524.85.20; Fax: 02/524.85.38

E-mail: bemiddeling-patientenrechten@health.fgov.be

Beroepsgeheim11/12/2021 Documentcode: a168028
Arrest van het Hof van Cassatie van 26 maart 2021 betreffende het beroepsgeheim en de bescherming van minderjarigen - art. 458 en 458bis van Strafwetboek.

In zijn vergadering van 11 december 2021 heeft de nationale raad de deontologische gevolgen onderzocht naar aanleiding van het arrest van het Hof van Cassatie van 26 maart 2021, nr. D.18.0015.N.

In het arrest van 26 maart 2021 voegt het Hof van Cassatie bijkomende voorwaarden toe aan de uitzonderingen op het beroepsgeheim zoals bepaald door artikel 458bis Strafwetboek en de patiënt-slachtoffer-regel.

Onderstaand advies becommentarieert de bijkomende voorwaarden zoals bepaald door het Hof, vanuit het deontologische standpunt van de arts.

  1. Artikel 458bis Strafwetboek

Artikel 458bis Strafwetboek bepaalt dat de arts die kennis heeft van een bepaald misdrijf[1], gepleegd op een minderjarige of een kwetsbare persoon, het misdrijf ter kennis kan brengen van de procureur des Konings, hetzij wanneer er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de kwetsbare persoon en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere minderjarigen of kwetsbare personen het slachtoffer worden van de bedoelde misdrijven en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen.

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 26 maart 2021 geoordeeld dat “artikel 458bis Strafwetboek niet van toepassing is in een geval waarin een hulpverlener enkel met het slachtoffer van een misdrijf in de zin van dat artikel contact heeft gehad”. Met andere woorden, de arts kan zich slechts beroepen op de uitzondering zoals bepaald door artikel 458bis Strafwetboek indien hij in contact is gekomen met de dader en het slachtoffer van het misdrijf.

De nieuwe voorwaarde gesteld door het Hof van Cassatie is problematisch ten opzichte van het deontologisch standpunt dat de Orde tot nu toe heeft aangenomen.

De arts heeft een zorgfunctie en een beschermingsfunctie. Overeenkomstig artikel 29 van de Code van medische deontologie, moet de arts, na de nodige zorgen te hebben toegediend, de minderjarige of kwetsbare patiënt die mogelijks het slachtoffer is geworden van een ernstig misdrijf, beschermen. Dit gebeurt door de betrokkene in veiligheid te brengen, het probleem met hem te bespreken en hem aan te sporen initiatieven te nemen. Indien noodzakelijk, kan de arts aangifte doen bij de bevoegde instanties, mits voldaan is aan de voorwaarden zoals bepaald door artikel 458bis Strafwetboek of mits hij zich kan baseren op een andere wettelijke of door de rechtspraak ontstane uitzondering op het beroepsgeheim.

Het is niet de opdracht van de arts de rol op te nemen van opsporingsambtenaar. De arts heeft de deontologische plicht neutraal te zijn en zich te onthouden van elk oordeel over een mogelijk daderschap.

Bijgevolg is de bijkomende voorwaarde gesteld door het Hof van Cassatie in de praktijk moeilijk toepasbaar.

  1. De patiënt-slachtoffer-regel

De patiënt-slachtoffer-regel is een uitzondering op het beroepsgeheim die ontstaan is uit eerdere rechtspraak van het Hof van Cassatie. De regel bepaalt dat het beroepsgeheim van de arts zich niet uitstrekt tot misdrijven waarvan de patiënt het slachtoffer is.[2]

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 26 maart 2021 geoordeeld dat de patiënt-slachtoffer-regel slechts van toepassing is “in een geval waar de hulpverlener enkel met dat slachtoffer in contact is gekomen”. Met andere woorden, de arts kan zich niet beroepen op de patiënt-slachtoffer-regel indien hij ook met de dader in contact is gekomen.

De nationale raad heeft eerder al kritiek geuit op de patiënt-slachtoffer-regel.[3] Het beroepsgeheim heeft tot doel de vertrouwensrelatie tussen de arts en de patiënt te beschermen. Elke situatie waarin het beroepsgeheim in vraag wordt gesteld, moet door de arts worden beoordeeld op grond van de wettelijke uitzonderingen, in het bijzonder artikel 458bis Strafwetboek en de noodtoestand. Het loutere feit dat de patiënt het slachtoffer is geworden van een misdrijf, is geen voldoende reden voor de arts om het beroepsgeheim te doorbreken en de bevoegde instanties in te lichten. De nationale raad houdt dit standpunt aan, onverminderd de bijkomende voorwaarde die het Hof hieraan verbindt.


[1] Het betreft onder meer bepaalde vormen van voyeurisme, aanranding van de eerbaarheid en verkrachting, bepaalde feiten die te maken hebben met prostitutie, bepaalde feiten gelieerd aan kinderporno, doodslag, opzettelijke slagen en verwondingen, genitale verminking, kinderverwaarlozing, mensenhandel, etc.

[2] Cass. 18 juni 2010; Cass. 22 mei 2012; Cass. 31 oktober 2012

[3] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 4 juli 2015, “Eerbiediging van het medisch geheim wanneer de arts verneemt dat zijn patiënt het slachtoffer was van een misdrijf”, a150004

Geneesmiddelen20/11/2021 Documentcode: a168021
Zorgovereenkomst tussen arts-patiënt over het gebruik van opioïden bij chronische pijn

ZORGOVEREENKOMST TUSSEN ARTS-PATIENT

OVER HET GEBRUIK VAN OPIOÏDEN BIJ CHRONISCHE PIJN

Deze zorgovereenkomst richt zich op het veilige en correcte gebruik van opioïden door chronische pijnpatiënten. Ze legt bindende afspraken vast tussen de patiënt en de arts(en). Artsen die opioïden voorschrijven kunnen deze zorgovereenkomst aan hun patiënten aanbieden.

Abstract

Deze Zorgovereenkomst richt zich op het veilige en correcte gebruik van opioïden door chronische pijnpatiënten. Ze legt bindende afspraken vast tussen de patiënt en de arts(en).

Een behandeling met opioïden kan enkel voor een noodzakelijke beperkte duur, nadat andere behandelingsalternatieven werden afgewogen. Opioïden kunnen talrijke ongewenste effecten teweegbrengen waaronder afhankelijkheid, tolerantie, slaperigheid, ... Deze vereisen een zorgvuldige begeleiding. Elk van de partijen dient zijn verantwoordelijkheid op te nemen en de nodige gegevens te delen.

De patiënt verbindt zich wat deze pijnbehandeling betreft tot de zorg van de in de overeenkomst betrokken arts(en). Hij koopt zelf enkel voor zichzelf de voorgeschreven medicatie en neemt deze in de voorgeschreven dosis en frequentie.

Bij het niet-naleven van de overeenkomst wordt de behandeling stopgezet, met respect voor de zorgcontinuïteit.

Deze overeenkomst heeft tot doel:

De patiënt te informeren over de voordelen, nadelen en risico's van het gebruik van opioïden[1];

  • Een veilig gebruik van opioïden te garanderen met het oog op de bestrijding van chronische pijn[2] bij de patiënt;

Afspraken te maken tussen de patiënt en de hierna vermelde zorgverleners;

  • De patiënt duidelijk te maken dat het niet-naleven van een afspraak zonder geldige reden leidt tot het stopzetten van de zorgovereenkomst.

Deze overeenkomst wordt gesloten tussen:

De patiënt

Voornaam en familienaam ...............................................................................................................................

INSZ-nummer .........................................................................................................................................................

Adres ....................................................................................................................................................................

E-mailadres....................................................................................................................................................

Tel. ..................................................................................................................................................................

De behandelende arts / de arts die de behandeling met opioïden start

Voornaam en familienaam ................................................................................................................................

RIZIV-nummer ................................................................................................................................................

Adres ..........................................................................................................................................................................

E-mailadres ...................................................................................................................................................

Tel. ..................................................................................................................................................................

De huisarts (enkel invullen als de huisarts niet de behandelend arts is)

Voornaam en familienaam ............................................................................................................................

RIZIV-nummer .................................................................................................................................................

Adres ...........................................................................................................................................................................

E-mailadres ............................................................................................................................................

Tel. ..............................................................................................................................................................................

De contractanten zijn op de hoogte van volgende informatie en komen overeen:

1.- Pijn en pijnbehandeling verschillen van persoon tot persoon. De patiënt lijdt aan chronische pijn. Dit is pijn die langer dan drie maanden aanhoudt. Chronische pijn kan gepaard gaan met slaapstoornissen, gemoedsstoornissen (angst, depressie), duistere gedachten, vermoeidheid, concentratiestoornissen, enz.

Als pijnbehandeling wordt door de arts een behandeling met opioïden voorgesteld. Opioïden zijn een soort pijnstillers met een vergelijkbaar effect van morfine. Zij kunnen soms bepaalde vormen van pijn verlichten, maar niet alle soorten pijn.

Het opvolgen en begeleiden van de patiënt is noodzakelijk voor het welslagen van de behandeling. De voorschrijvende arts zal regelmatig nagaan of de voordelen (nog altijd) opwegen tegen de nadelen van de behandeling met opioïden.

De behandelende arts, de huisarts garanderen een correcte en op wetenschappelijke evidentie gebaseerde begeleiding van de patiënt bij het gebruik en de evaluatie van het gebruik van opioïden.

De betrokken ondertekenende artsen verbinden zich ertoe regelmatig overleg te plegen over de behandeling, in het bijzonder bij de aanpassing van de dosering en het schema van toediening van de medicatie. Zij zorgen ervoor dat deze gegevens ook correct vermeld staan op de medicatievoorschriften.

Bij hun eventuele afwezigheid (bijvoorbeeld door vakantie) voorzien de hierboven genoemde artsen in een collega-vervanger die beschikt over het medisch dossier van de patiënt en over de nodige kennis omtrent het voorschrijven van opioïden.

De patiënt beseft dat de behandeling met opioïden voor een beperkte duur is en enkel zolang als nodig.

2.- Er bestaan mogelijk ook behandelingsalternatieven[3] voor een behandeling met opioïden. De behandelende arts/huisarts heeft deze met de patiënt besproken, evenals de voor- en nadelen ervan.

3.- De behandeling met opioïden kan ongewenste effecten met zich meebrengen, zoals afhankelijkheid en verslaving[4] waardoor het moeilijk kan worden met dit geneesmiddel te stoppen, tolerantie[5] waardoor de patiënt een hogere dosis nodig heeft om hetzelfde resultaat te bereiken, misselijkheid, braken, depressie, slapeloosheid, maar ook slaperigheid, constipatie, verminderde vruchtbaarheid en impotentie, jeuk, zweten, vermoeidheid, ...

Nu een behandeling met opioïden ook slaperigheid kan veroorzaken, beseft de patiënt dat zijn reactievermogen kan worden aangetast. Bijgevolg moet hij de nodige maatregelen nemen wanneer hij overweegt een vervoermiddel te besturen (auto, moto, fiets,...), machines te gebruiken of een activiteit uit te oefenen die een alertheid vereist.

De arts gaat bij het voorschrijven van geneesmiddelen na welke de invloed is op het rijgedrag van elk geneesmiddel afzonderlijk, in combinatie met andere geneesmiddelen of in combinatie met alcohol. De arts licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor het rijgedrag.[6]

De arts die vaststelt dat zijn patiënt, houder van een rijbewijs, niet meer beantwoordt aan de geneeskundige normen van rijgeschiktheid, moet zijn patiënt op de hoogte stellen van de verplichting om zijn rijbewijs binnen de vier werkdagen in te leveren op de dienst rijbewijzen van zijn stad of gemeente.[7] De arts dient hiervan melding te maken in het medisch dossier van de patiënt.

4.- De patiënt beseft dat de kans op ongewenste effecten verhoogt wanneer hij opioïden inneemt en tegelijk alcohol drinkt, of slaapmiddelen of andere kalmerende middelen neemt. Maar ook andere geneesmiddelen met een werking ter hoogte van de hersenen kunnen dergelijk effect hebben.

5.- Met het oog op een optimale behandeling met opioïden en het beperken van de kans op ongewenste effecten, gaat de patiënt volledig akkoord met volgende, bindende afspraken:

  • De patiënt zal zijn behandelende arts en zijn huisarts volledig inlichten over alle geneesmiddelen die hij neemt. Indien hij in de toekomst overweegt andere geneesmiddelen te nemen, zal hij dit vooraf met zijn arts overleggen.
  • De patiënte zal haar behandelende arts en haar huisarts inlichten over een zwangerschap of plannen om zwanger te geraken.
  • De patiënt zal zich tijdens deze behandeling enkel opioïden laten voorschrijven door de arts(en) die deze overeenkomst mee ondertekent(en).
  • Het voorschrijven van de opioïden gebeurt telkens bij een fysiek contact tussen de patiënten één van de partijen van deze overeenkomst. Voorschriften kunnen niet telefonisch worden aangevraagd.
  • Deze medische voorschriften dienen steeds elektronisch opgesteld te worden.
  • De patiënt zal de opioïden altijd bij dezelfde apotheek ophalen.
  • De patiënt zal geen opioïden aankopen via een andere weg, bijvoorbeeld het internet.
  • De patiënt zal de opioïden enkel voor persoonlijk gebruik aanwenden. Hij zal de opioïden aan niemand anders geven of verkopen, nu dit ernstige schade kan veroorzaken om opioïden zonder medische begeleiding in te nemen.
  • De patiënt zal de opioïden gebruiken in de door de arts voorgeschreven dosis en frequentie en gedurende de door de arts voorgestelde periode.
  • Op verzoek van de arts zal de patiënt naar de raadplegingen komen om de evolutie in zijn gezondheidstoestand op te volgen.
  • Indien de behandelende arts en/of de huisarts de mening is toegedaan dat een psychosociale begeleiding wenselijk is omwille van de langdurigheid van de pijn en/of het gebruik van opioïden zal de patiënt daarvoor openstaan en dit bij voorkeur opvolgen.
  • De patiënt zal zijn behandelende arts en zijn huisarts onmiddellijk inlichten zodra hij meer pijn of ernstige ongewenste effecten ervaart.
  • De patiënt beseft dat er een risico is op verslaving aan opioïden. Daarom gaat hij akkoord om zich, in zijn belang, regelmatig te laten testen op alcohol- en/of drugsverslaving. De patiënt gaat ermee akkoord dat de behandelende arts of de huisarts het tijdstip bepaalt voor deze testen. Indien deze testen het overmatige gebruik van alcohol en/of geestverruimende stoffen aantonen, kunnen de betrokken arts(en) de overeenkomst beëindigen.
  • Met het oog op een zorgvuldige behandeling met beperking van de risico's gaat de patiënt akkoord dat zijn gezondheidsgegevens gedeeld worden tussen de zorgverleners met wie hij een therapeutische relatie heeft. Dit heeft tot gevolg dat de behandelende arts/huisarts en de apotheker medische gezondheidsgegevens over de patiënt verwerken en met elkaar uitwisselen en delen. Met het oog op de behandeling van de patiënt, stemt de patiënt ermee in dat andere artsen en de apothekers waarmee hij een therapeutische relatie aangaat, binnen de grenzen van de finaliteit en de proportionaliteit, kennis kunnen nemen van de zorgovereenkomst.
  • Met het oog op een kwaliteitsvolle zorgverlening stemt de patiënt toe in het aanmaken van een Globaal Medisch Dossier en een SUMEHR door zijn (huis)arts. Hij weet dat deze SUMEHR ingezien kan worden door elke arts met wie hij een therapeutische relatie heeft, zoals een huisarts met wacht of een spoedarts. De patiënt stemt eveneens toe in het aanmaken van een Gedeeld Farmaceutisch Dossier door de apotheker.
  • De patiënt beseft en aanvaardt dat indien hij één van bovenstaande afspraken niet naleeft of herroept, de arts het recht heeft de behandeling met opioïden, zelfs met onmiddellijke ingang, stop te zetten. De arts zal evenwel voorzien in de continuïteit van de zorg.
  • Deze overeenkomst vervalt niet bij vermindering van de dosis en/of afbouw van de behandeling met het opioïden en/of de overschakeling naar een ander opioïde (rotatie).

Deze zorgovereenkomst wordt opgemaakt in zoveel exemplaren als er partijen zijn en elke partij erkent een exemplaar te hebben ontvangen.

Deze zorgovereenkomst gaat in op: …/…/….

De patiënt (handtekening)

Schrijf «gelezen en goedgekeurd»

Datum: ………/………./20….

De behandelende arts (stempel en handtekening) De huisarts (stempel en handtekening)

Schrijf «gelezen en goedgekeurd» Schrijf «gelezen en goedgekeurd»
(indien van toepassing)

Datum: ………/………./20…. Datum: ………/………./20….



[1]Opioïden: een groep van krachtige pijnstillers, die ofwel afgeleid zijn van morfine ofwel (semi)synthetisch vervaardigd zijn. Deze bestaan uit commercieel beschikbare pijnstillers die enkel op voorschrift van de arts en enkel bij de apotheker verkrijgbaar zijn.

[2]Chronische pijn: pijn die langer dan drie maanden aanhoudt.

[3]Behandelingsalternatieven: andere behandelingen die mogelijk zijn om de chronische pijn te stillen.

[4]Verslaving: een voortdurende, dwangmatige drang om een psychoactief middel te gebruiken, met de onmogelijkheid om deze drang onder controle te houden, ondanks de (toekomstige) negatieve gevolgen die het gebruik van deze middelen met zich meebrengt (O’Brien CP e.a., What is in a word? Addiction versus dependence in DSM-V. American Journal of Psychiatry, 163, 764-765).

[5]Tolerantie: de gewenning die in het lichaam ontstaat bij het langdurige gebruik van deze opioïden.

[6] Art. N6, IV, 1.4, bijlagen van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

[7] Art. 46, koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

Beroepsgeheim20/11/2021 Documentcode: a168022
Slachtoffer van onwettig politiegeweld alsook de rol van het medisch attest inzake de bewijsvoering hiertegen.

Problematiek van onwettig politiegeweld : het handelen van de arts en de rol van het medisch attest inzake bewijsvoering

1. Inleiding

In een eerder advies van de nationale raad van de Orde der artsen, “Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen – deontologische beginselen”[1], wordt uiteengezet hoe het artsenkorps en de politiediensten kunnen samenwerken met respect voor ieders finaliteit en bevoegdheden. In voornoemd advies wordt er verondersteld dat beide actoren hun bevoegdheden in eer en geweten uitoefenen en wordt er geen aandacht besteed aan eventuele misbruiken, bijvoorbeeld onwettig politiegeweld.

Naar aanleiding van een rapport[2] van Police Watch, het waarnemingscentrum voor politiegeweld van de Liga Voor Mensenrechten, heeft de nationale raad van de Orde der artsen in zijn vergadering van 20 november 2021 onderzocht hoe de arts moet handelen indien de patiënt aangeeft het slachtoffer te zijn van onwettig politiegeweld alsook de rol van het medisch attest inzake de bewijsvoering hiertegen.

2. Aangifte door het slachtoffer

Op 8 november 2021 heeft de Liga voor Mensenrechten in Nederlandstalig België een meldpunt voor slachtoffers en getuigen van politiegeweld gelanceerd, genaamd Police Watch, reeds bestaande in Franstalig België.[3] Het doel bestaat erin buitensporig politiegeweld in kaart te brengen en slachtoffers te adviseren inzake hun rechten en mogelijkheden voor klachtindiening.

Slachtoffers van onwettig politiegeweld kunnen een klacht indienen bij verschillende instanties, onder meer de Dienst Intern Toezicht, het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten (comité P), de Algemene Inspectie, de lokale ombudsdienst, het Kinderrechtencommissariaat en het Interfederaal gelijkekansencentrum Unia.[4]

Tot slot is het mogelijk voor het slachtoffer om aangifte te doen bij het parket of een klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen bij de onderzoeksrechter.

Ter staving van de klacht, is er een belangrijke rol weggelegd voor het attest dat wordt opgesteld door een arts die de letsels vaststelt. Het is immers aan de patiënt om deel te nemen aan het bewijs van zijn beweringen, een reden waarom het medisch attest onmisbaar is. In deze context, dient de arts de patiënt een medisch attest te bezorgen dat voldoet aan de principes van medische deontologie, zoals beschreven in punt 3 van dit advies.

3. Rol van het medisch attest – deontologische beginselen

3.1. Principe: op vraag van de patiënt

De arts bezorgt de patiënt de medische documenten die hij nodig heeft.[5]

In de meeste gevallen zal de patiënt de arts zelf te kennen geven het slachtoffer te zijn geworden van onwettig politiegeweld en vragen zijn letsels te beschrijven met het oog op de bewijsvoering.

Het medisch attest zal dienen als bewijsmiddel voor zijn beweringen.

De arts is verplicht de patiënt het medisch attest te bezorgen dat hij nodig heeft. Elke arts wordt geacht bekwaam te zijn de externe letsels van een patiënt te beschrijven. Evenwel, indien hij zich niet bekwaam acht, heeft hij de verplichting de patiënt in te lichten en de patiënt door te verwijzen naar een andere gekwalificeerde arts.[6]

Het kan ook gebeuren dat de patiënt omwille van zijn verwondingen handelingsonbekwaam is geworden, bijvoorbeeld omdat hij zich bevindt in een toestand van coma, en het medisch attest wordt opgevraagd door de naasten van de patiënt met het oog op het indienen van een klacht. In dit geval zal de arts, in het belang van de patiënt, het medisch attest overhandigen aan diens wettelijke vertegenwoordiger.[7]

De arts noteert in het patiëntendossier of hij een attest heeft opgesteld, welke de inhoud ervan is en aan wie hij het attest heeft afgeleverd.

Tenslotte kan een medisch attest onder gesloten omslag worden afgeleverd aan de procureur des Konings of de onderzoeksrechter volgens de gebruikelijke procedures, zoals beschreven in het advies van de nationale raad van de Orde der artsen, ““Samenwerking tussen de politie, het openbaar ministerie en de ziekenhuizen – deontologische beginselen”[8].

3.2. Inhoud van het medisch attest – letselattestering

De arts stelt de medische documenten waarheidsgetrouw, objectief, voorzichtig en discreet op, met aandacht voor het vertrouwen dat de maatschappij in hem stelt. Hij vermeldt daarbij geen gegevens over derden.[9]

Het medisch attest dat letsels attesteert dient duidelijk, nauwkeurig en volledig te zijn.

De letsels dienen gedetailleerd te worden beschreven: het type letsel (schaving of schaafletsel, kneuzing, hematoom of bloeduitstorting, scheurwonde of laceratie, steekwonde, snijwonde enz.), de afmetingen (de lengte, de breedte), de kleur, de vorm, de omvang, de precieze anatomische locatie en de diepte indien mogelijk. Het is aangewezen om foto’s (overzicht en detail met meetstaf) als bijlage toe te voegen aan het medisch attest of deze te bewaren in het patiëntendossier.

Het attest maakt een onderscheid tussen de objectieve vaststellingen door de arts en de subjectieve klachten van de patiënt. In geen geval bepaalt de arts welk mechanisme de letsels heeft veroorzaakt, evenmin wie de letsels heeft toegebracht. Hoogstens kan worden bepaald dat hetgeen de patiënt beschrijft compatibel is met de objectief vastgestelde letsels.

Het medisch attest vermeldt de dagen van arbeidsongeschiktheid.

De arts dateert het medisch attest op de dag van de redactie en voegt een kopie toe aan het patiëntendossier.

4. Rol van de arts – bijzondere situaties

4.1. Medisch attest in verband met geschiktheid tot verhoor of opsluiting

Het is niet de taak van de behandelende arts een geschiktheidsattest af te leveren tot verhoor of opsluiting. De behandelende arts is gerechtigd de vraag van de politiediensten om dergelijke attesten op te stellen, te weigeren.

Geschiktheidsattesten tot verhoor of opsluiting kunnen enkel worden afgeleverd door een arts-gerechtsdeskundige, die wordt aangesteld door een gerechtelijke overheid.

4.2. Aanwezigheid van politie tijdens de zorgverlening

De situatie kan zich voordoen dat een persoon onder politiebegeleiding naar het ziekenhuis wordt gebracht voor verzorging.

In een eerder advies van de nationale raad[10] werd gesteld dat de arts de aanwezigheid van de politie in de behandelruimte of in de onmiddellijke nabijheid moet toelaten, indien de politieambtenaar van oordeel is dat de patiënt een bedreiging vormt voor de fysieke integriteit van de arts of het ziekenhuispersoneel. Wanneer de patiënt het slachtoffer is geworden van onwettig politiegeweld, bevindt hij zich evenwel in een zeer kwetsbare positie. De patiënt zal zich niet durven uitdrukken, uit angst voor latere represailles.

De nationale raad onderkent de kwetsbare positie van het slachtoffer en hecht belang aan het recht op privacy en de intimiteit van de patiënt, maar behoudt evenwel haar eerder standpunt, te meer omdat het voor de arts zeer moeilijk is om in te schatten in hoeverre de patiënt een gevaar vormt voor de fysieke integriteit van de arts en het ziekenhuispersoneel, waarvoor de arts mede verantwoordelijk is.

De arts kan bij een sterk vermoeden van onwettig politiegeweld vragen aan de politieambtenaar om zich te verwijderen uit de behandelruimte, al blijft deze laatste bevoegd om de situatie te beoordelen en al dan niet gevolg te geven aan de vraag van de arts. De arts noteert zijn vraag en de aanwezigheid van de politie in het patiëntendossier.

In deze context is het ook van belang dat de arts de letsels in het patiëntendossier noteert overeenkomstig de richtlijnen in punt 3.2 van dit advies.

4.3. Handboeien tijdens de zorgverlening

De politiediensten hebben de bevoegdheid de patiënt te boeien overeenkomstig de principes van legaliteit, noodzakelijkheid en proportionaliteit.

De arts respecteert de beslissing van de politie om de patiënt geboeid te laten en kan zich slechts tegen deze beslissing verzetten om medische redenen, bijvoorbeeld wanneer het geboeid laten van de patiënt de zorgverlening hindert. In dat geval spreken de arts en de politiediensten onderling af hoe beiden hun taken veilig en kwalitatief kunnen vervullen. Beiden zijn gehouden tot de naleving van de wettelijke hulpverplichting zoals bepaald in artikel 422bis van het strafwetboek.

4.4. Gerechtelijk-geneeskundig bezwaar – model III C

Indien de arts die het overlijden vaststelt, twijfelt over de oorzaak ervan (natuurlijk of gewelddadig), kruist hij op strook A van het formulier III C het vakje “ja” aan in de rubriek “gerechtelijk-geneeskundig bezwaar”. Daarnaast kruist hij op strook C van hetzelfde formulier onder punt 1 (aard van het overlijden) het vakje “kan niet bepaald worden” aan.

De arts die gevraagd wordt een overlijdensattest op te maken, vervult zijn opdracht op onafhankelijke en objectieve wijze en mag hierbij geen eventuele druk ondervinden door de politiediensten.[11]


[1] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 12 december 2020, a167039

[2] Police Watch, “Violences policières et la charge de la preuve: le rôle du certificat médical”, Analyse_LDH_Le-rôle-du-certificat-médical_version-longue_decembre-2020.pdf (liguedh.be)

[3]Police Watch - Accueil; Police Watch

[4]Liga voor Mensenrechten | Dossier politiegeweld in België

[5] Art. 26, lid 1, Code van medische deontologie

[6] Art. 6, Code van medische deontologie

[7] Overeenkomstig de cascade zoals bepaald door art. 14, Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

[8] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 12 december 2020, a167039

[9] Art. 26, Code van medische deontologie

[10] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 12 december 2020, a167039

[11] Zie ook advies nationale raad van de Orde der artsen van 15 februari 2020, “Druk die een arts kan ondervinden wanneer een overlijdensattest model III C/D dient te worden opgesteld”, a167003

Ziekenhuizen20/11/2021 Documentcode: a168023
Ondersteuning van het “Raamwerk Open Disclosure” van het Vlaams Patiëntenplatform

Ondersteuning van het “Raamwerk Open Disclosure” van het Vlaams Patiëntenplatform

De nationale raad van de Orde der artsen heeft zijn medewerking verleend bij de totstandkoming van het “Raamwerk Open Disclosure” van het Vlaams Patiëntenplatform.[1] Het Raamwerk biedt handvatten voor het verloop van een open communicatie tussen de zorginstelling, de zorgverstrekker en de patiënt na een patiëntveiligheidsincident.

Het “Raamwerk Open Disclosure” bevat tien communicatieprincipes als leidraad voor een effectief en volledig open-disclosere-proces: introductie van het communicatieproces, erkenning van het patiëntveiligheidsincident, verontschuldiging en uiten van spijt, waarheidsgetrouwe en duidelijke communicatie, verwachtingen van de patiënt en verdere planning, professionele ondersteuning, verbeteren van patiëntveiligheid, systeemaanpassingen, vertrouwelijkheid en dossiervorming, en continuïteit van de zorg.

Het “Raamwerk Open Disclosure” kadert binnen het artikel 9 van de Code van medische deontologie, dat stelt dat de arts adequaat en transparant moet handelen bij incidenten.

Het voeren van open communicatie wordt vanuit deontologisch oogpunt beschouwd als een belangrijk en essentieel aspect van kwaliteitsvolle en patiëntveilige zorg.

De arts dient op een professionele wijze en met de nodige empathie objectief en transparant te communiceren met de patiënt en zijn nabestaanden over het incident.

Een open dialoog en een nabespreking aangaande de omstandigheden en de gevolgen van het incident binnen het medisch team dat betrokken was bij het incident, verdient aanbeveling. Hiervoor kan de hulp worden ingeroepen van de hoofdarts.

Het is op deontologisch vlak aan te bevelen om binnen het ziekenhuis een “kwaliteitsteam” op te richten dat vertrouwd is met de problematiek en tevens aandacht besteed aan een “second victim”-beleid voor de arts die betrokken is bij het incident.

Binnen het ziekenhuis zal er na een incident frequent klacht worden ingediend bij de ombudsdienst. De ombudspersoon neemt ten opzichte van het ziekenhuis een onafhankelijke positie in en kan de rol vervullen van bemiddelaar tijdens het communicatieproces.

Alle relevante incidenten die de patiënt overkomen worden op een objectieve wijze genoteerd in het patiëntendossier, evenals de bijkomende onderzoeken en behandelingen.


[1]Rapport-open-disclosure_30042021.pdf (vlaamspatientenplatform.be)

Vaccinatie20/11/2021 Documentcode: a168025
De ontoelaatbaarheid van een algemene weigering zorg te verstrekken aan niet-gevaccineerde patiënten tegen Covid-19

De ontoelaatbaarheid van een algemene weigering zorg te verstrekken aan niet-gevaccineerde patiënten tegen Covid-19

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 20 november 2021 onderzocht of het deontologisch is toegelaten dat artsen systematisch weigeren zorg te verstrekken aan patiënten die zich niet wensen te laten vaccineren tegen Covid-19.

Een algemene weigering om medische zorg te verstrekken omdat de patiënt niet is gevaccineerd, is deontologisch niet aanvaardbaar.

Evenwel kan de arts, geval per geval, oordelen dat hij een therapeutische relatie niet kan verderzetten of geen tussenkomst of behandeling kan verlenen wegens een gedraging van de patiënt of een gebrek aan welwillendheid, of wegens een gevaar voor de gezondheid van de patiënt, de arts of derden. (art. 32, Code van medische deontologie; Commentaar bij art. 32, Code van medische deontologie; art. 39, Code van medische deontologie)

De weigering van de patiënt om zich te laten vaccineren kan aldus in sommige omstandigheden de weigering van een medische handeling tot gevolg hebben.

De arts die weigert een patiënt te verzorgen moet nagaan of er geen urgente pathologie aanwezig is. Er dient in eer en geweten te worden geoordeeld, rekening houdend met de globale context. De arts dient te overleggen met de patiënt en in te staan voor de continuïteit van de zorg. (Commentaar bij art. 32, Code van medische deontologie)

Het overleg met de patiënt is een gelegenheid voor de arts om na te gaan waarom de patiënt weigert zich te laten vaccineren en om hem, op basis van wetenschappelijke argumenten en rekening houdend met zijn persoonlijke gezondheidssituatie, te overtuigen zich alsnog te laten vaccineren.

Indien de patiënt niet is gevaccineerd, verzoekt de arts de patiënt om extra beschermingsmaatregelen te volgen en dient hij zelf de nodige voorzorgen te nemen.

Controle (Medische-)16/10/2021 Documentcode: a168016
Controlegeneeskunde – Deontologische richtlijnen

In zijn vergadering van 16 oktober 2021 besprak de nationale raad van de Orde der artsen de problematiek van de controlegeneeskunde.

Dit advies betreft een overzicht van de actuele deontologische richtlijnen voor de controleartsen en, in geval van betwisting, de arbitrageartsen in de private sector zoals bedoeld in de definities en het toepassingsgebied van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde (cf. hieronder). Er wordt ook rekening gehouden met de nieuwe bevoegdheid van de Orde der artsen ingevolge het koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanduiding van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure. In de openbare sector gelden in bepaalde gevallen specifieke regels. Deze kunnen in een later advies van de nationale raad aan bod komen.

Definities en toepassingsgebied

De wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde omschrijft de controlegeneeskunde als ‘de medische activiteit die door een arts wordt verricht in opdracht van een werkgever om de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval van een werknemer te controleren’ (art. 2, 1°)[1].

Dat ook de controlegeneeskunde onder het toepassingsgebied van de wet van 22 augustus 2002betreffende de rechten van de patiënt valt, concludeerde de nationale raad in zijn advies van 24 oktober 2009[2]. De memorie van toelichting (doc 50, 1642/001, p. 15) bij de patiëntenrechtenwet vermeldt dat onder het ‘vaststellen van de gezondheidstoestand’ van een patiënt ook het onderzoek op verzoek van een derde valt, zoals een medisch onderzoek door de controlearts. Dit werd bevestigd in 2013 door de federale commissie ‘Rechten van de patiënt’ in zijn advies op vraag van de Orde der artsen via de minister van Volksgezondheid[3].

De patiënt heeft aldus onder meer recht op een kwaliteitsvolle dienstverstrekking, op informatie (hoedanigheid van de arts, zijn opdracht, reden tot extra onderzoeken, ...) en op inzage in het hem betreffende medisch dossier[4] van de controlearts en dat van de arbitragearts. Wat dit laatste recht betreft, stelt de federale commissie dat ‘elke beoordeling van een raadgeneesheer/controleur/expert, zij het voorlopig, [...] deel uitmaakt van het patiëntendossier; ze moet dus toegankelijk zijn voor de patiënt volgens artikel 9 van de wet betreffende de rechten van de patiënt’.

Ook de aanwezigheid van een vertrouwenspersoon, al dan niet een verwant van de patiënt, bij het onderzoek behoort tot de rechten van de patiënt. De controlearts mag dit niet weigeren, behalve indien deze aanwezigheid storend is voor de relatie controlearts-patiënt. In dat geval informeert de controlearts de patiënt omtrent het motief van de weigering en noteert dit in het medisch dossier[5].

Opdracht van de controlearts

De controlearts handelt in opdracht van de werkgever, die zelf of via een controleorganisme een medische controle vraagt. Doel is misbruiken op ziekteverzuim tegen te gaan. Wanneer een werknemer door ziekte of ongeval in de onmogelijkheid verkeert om zijn werk te verrichten dient hij, op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement of op verzoek van de werkgever een geneeskundig getuigschrift voor te leggen[6].

Doorgaans sturen werkgevers enkel gedurende de periode waarin de werknemer recht heeft op gewaarborgd loon een controlearts. Daarna betaalt het ziekenfonds de werknemer een uitkering arbeidsongeschiktheid. Vanaf dan oordeelt de adviserend arts van het ziekenfonds of de arbeidsongeschiktheid gerechtvaardigd is. Hiervoor geldt een specifieke wetgeving.

Bij een langdurige arbeidsongeschiktheid kan de controlearts tussenkomen maar de beoordeling of een werknemer geschikt is om terug te keren naar de werkvloer zonder opnieuw ziek te vallen met recht op gewaarborgd loon wordt in de praktijk aan de arbeidsarts toevertrouwd. De werkgever en de werknemer kunnen ook overeenkomen om de werknemer, al dan niet tijdelijk, aangepast of ander werk te laten uitvoeren[7].

De controlearts stelt geen diagnose als dusdanig en schrijft geen medicatie of extra ziektedagen voor. Zijn opdracht luidt ‘De controlearts gaat na of de werknemer werkelijk arbeidsongeschikt is, verifieert de waarschijnlijke duur van de arbeidsongeschiktheid en, in voorkomend geval, de andere medische gegevens voorzover die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen van deze wet; alle andere vaststellingen blijven onder het beroepsgeheim.’ (art. 31, §3, 3de lid, wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna : arbeidsovereenkomstenwet)).

Soms tracht een werknemer een attest van arbeidsongeschiktheid te verkrijgen van zijn behandelende arts omwille van een conflict met de werkgever. Dit is deontologisch ontoelaatbaar. De behandelende arts en desgevallend de controlearts hebben de taak om de patiënt/werknemer duidelijk te maken dat een arbeidsongeschiktheid geen oplossing zal bieden. Zij kunnen de patiënt de weg wijzen naar bijvoorbeeld zijn syndicaat of een gepaste hulpverlening en ondersteuning.

De nationale raad herhaalt zijn standpunt ‘De inschatting van het verband tussen werkmilieu en ziekte is de taak van de behandelend arts, die het best geplaatst is om over deze delicate materie te oordelen. […] Deze strikt persoonlijke belevingen en ervaringen worden door de patiënt-werknemer bij voorkeur besproken binnen de vertrouwelijke sfeer van een arts-patiëntrelatie, waar alle garanties betreffende zwijgplicht aanwezig zijn. In overleg met de patiënt kan de behandelend geneesheer zo nodig contact nemen met de arbeidsgeneesheer om een oplossing te zoeken voor de bestaande problematiek.’[8]

De controlearts moet zich beperken tot de medische controle van de patiënt. Hoewel hij van mening kan verschillen, geeft hij geen oordeel over de behandeling en de zorgkwaliteit van de behandelende arts.

De controlearts heeft de deontologische plicht om, zonder onderscheid, een empathische, toegewijde en respectvolle houding tegenover iedere patiënt aan te nemen (artt. 16 en 30, Code van medische deontologie (hierna : CMD)). Hij communiceert op een correcte en begrijpelijke manier met hem (art. 19, CMD). De provinciale raden van de Orde der artsen zijn bevoegd om desgevallend tuchtrechtelijk op te treden in geval van deontologische klachten tegen controleartsen.

Sinds kort behoort eveneens het beoordelen van ’elke klacht betreffende de organisatie van de controle, de bevoegdheid, een gebrek aan onafhankelijkheid of een beroepsfout van een controlearts of een arts-scheidsrechter‘ tot de bevoegdheid van de Orde der artsen[9].

Verloop van het controleonderzoek

Een werknemer mag niet weigeren een door de werkgever gemachtigd en betaald controlearts te ontvangen, noch zich door hem te laten onderzoeken. Hij moet zich, indien de controlearts het vraagt, in het kabinet van de controlearts aanbieden, behalve wanneer zijn behandelende arts op het ziekteattest heeft vermeld dat zijn gezondheidstoestand het niet toelaat dat hij zich naar een andere plaats begeeft[10].

Indien de werknemer zich zonder wettige reden aan de controle onttrekt, riskeert hij voor de arbeidsongeschikte dagen zijn recht op loon te verliezen[11]. Ook voor de periode van arbeidsongeschiktheid die door de controlearts wordt betwist, kan hij zijn loon verliezen.

De controlearts kan een medisch onderzoek uitvoeren. Hij noteert schriftelijk zijn medische vaststellingen. Hij velt, zoals hoger vermeld, geen oordeel over de behandeling van de patiënt. Na de controle overhandigt hij aan de patiënt een document[12] met zijn bevindingen[13]. Het is gebruikelijk dat hij de patiënt vraagt dit document voor ontvangst te ondertekenen. Indien de patiënt op dat ogenblik niet akkoord gaat met de bevindingen van de controlearts, noteert de arts dat op dit document[14].

De controlearts deelt zijn conclusies mee aan de werkgever, desgevallend via het controleorganisme dat de controle organiseert. Overeenkomstig zijn opdracht (art. 31, §3, 3de lid, arbeidsovereenkomstenwet) rapporteert hij zelf of via het controleorganisme aan de werkgever enkel of de werknemer al dan niet arbeidsongeschikt is en of hij akkoord gaat met de vermoedelijke duur van de door de behandelende arts voorgeschreven arbeidsongeschiktheid. Hij vermeldt ten aanzien van de werkgever geen diagnose noch medische vaststellingen[15], evenmin de vermoedelijke evolutie van de ziekte noch enige andere mededeling. Ook niet-medische gegevens (bv. ontevredenheid over of conflicten binnen de werksituatie, familiale problemen) vallen onder het beroepsgeheim.

Evenzeer ten opzichte van het controleorganisme dat de medische controles organiseert geldt het beroepsgeheim, met inbegrip van de hoofdarts van de controleorganiserende maatschappij. Deze laatsten stellen soms statistieken op. De nationale raad herhaalt in dit verband dat de betrokken verantwoordelijke arts ‘(1) uitsluitend optreedt in opdracht en in het belang van de controleorganiserende maatschappij en bijgevolg steeds als tegenpartij van de gecontroleerde werknemer fungeert; (2) geen enkele inspraak heeft noch bij de beslissing van de controlearts, die volledig autonoom optreedt, noch bij de behandeling van de werknemer, die uitsluitend bij de behandelende arts berust; (3) een administratieve taak en functie uitoefent in het kader van een louter commercieel optredende maatschappij ten dienste van de werkgever; (4) elke statistische verwerking omtrent het absenteïsme ter informatie van de werkgever kan invullen op basis van niet-gepersonifieerde medische gegevens, verstrekt door de controleartsen, en dat de daarvan gescheiden louter administratieve elementen hem toelaten controle uit te oefenen over de contractuele conformiteit van de uitgevoerde controleopdrachten’.[16]

De nationale raad bevestigt zijn standpunt ‘dat geglobaliseerde gegevens met anonimiteitswaarborg zouden worden overgemaakt aan de arbeidsgeneesheer of aan de werkgever van het desbetreffende bedrijf, teneinde aan de hand van statistische gegevens de werkomstandigheden in dit bedrijf te verbeteren in het kader van het algemeen belang van de veiligheid en de gezondheid.’[17] De verwerking van de gegevens dient te gebeuren overeenkomstig de Algemene Verordening Gegevensbescherming[18].

Overleg met de behandelende arts

Hoewel hiertoe geen strikt wettelijke verplichting bestaat[19], handhaaft de nationale raad zijn standpunt dat de controlearts, in het belang van de patiënt, contact moet opnemen met de behandelende arts of desgevallend met zijn plaatsvervanger[20] alvorens de periode van arbeidsongeschiktheid te wijzigen[21]. Dit contact dient rechtstreeks tussen de betrokken artsen te verlopen, niet via tussenkomst van de patiënt[22]. Deze deontologische verplichting volgt uit het feit dat de arbeidsongeschiktheid een essentieel element uitmaakt van de behandeling. Enkel de behandelende arts kent de behandelingscontext van zijn patiënt. Bijgevolg dient de controlerende arts de nodige bijkomende informatie in te winnen voor hij een beslissing neemt die deze van de behandelende arts wijzigt. Ook de voorschrijvende arts draagt verantwoordelijkheid om bereikbaar te zijn voor de controlearts. De Orde ontvangt geregeld klachten over controleartsen die geen contact opnemen met de behandelende arts of dit pas doen na het nemen van hun beslissing en over behandelend artsen die moeilijk of zelfs niet bereikbaar zijn.

Beroepsgeheim van de controlearts

De controlearts en de behandelende arts zijn beiden gebonden door hun beroepsgeheim. De controlearts dient wel over voldoende elementen te beschikken om zijn opdracht uit te voeren. In het belang van de patiënt respecteren de behandelende arts en de controlearts de finaliteit en de proportionaliteit bij het doorgeven van informatie over de patiënt. De grondslag van de therapeutische arts-patiëntrelatie is het vertrouwen. Door van de patiënt vernomen mededelingen en andere vertrouwelijke inlichtingen die niet dienend zijn door te geven voor een beoordeling in opdracht van een derde, beschaamt de behandelende arts dit vertrouwen[23].

Ook de betrokken arbeidsarts en de controlearts hebben de wettelijke en deontologische plicht hun wederzijds beroepsgeheim te respecteren. Wel kan de controlearts, mits toestemming van de patiënt, contact opnemen met de arbeidsarts.

Zoals elke arts kan de controlearts, die zijn beroepsgeheim schendt, hiervoor strafrechtelijk en disciplinair worden vervolgd.

Betwisting van de beslissing van de controlearts

Bij elke onenigheid over de arbeidsongeschiktheid, streven de controlearts, de patiënt en de behandelende arts in de eerste plaats ernaar om te overleggen en tot een consensus te komen.

Wanneer de werknemer de beslissing van de controlearts betwist, kan binnen twee werkdagen na het verslag van de controlearts aan de werkgever in eerste instantie in collegiaal overleg een arts-scheidsrechter worden aangeduid. Indien dit niet gebeurt, komt het de meest gerede partij (hetzij werkgever, hetzij werknemer) toe eigenmachtig een arts-scheidsrechter aan te wijzen uit de daartoe beschikbare lijst[24]. Een arts kan niet de functie van controlearts en arts-scheidsrechter in éénzelfde zaak cumuleren[25]. Evenmin kan een arts-scheidsrechter omwille van zijn onafhankelijkheid, controleopdrachten aanvaarden[26].

Op 18 juni 2021 werd het koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanduiding van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure[27]bekendgemaakt. Dit KB hevelt twee bevoegdheden over naar de Orde der artsen, nl. het bijhouden van de lijst van artsen-scheidsrechters voor de controlegeneeskunde en het behandelen van de klachten betreffende de organisatie van de controle, de bevoegdheid of de onafhankelijkheid van de controleartsen en de artsen-scheidsrechters[28]. Dit koninklijk besluit trad in werking op 1 augustus 2021.

Wat betreft de opdracht van de arbitragearts bepaalt het artikel 31, §5, van de arbeidsovereenkomstenwet ‘De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Alle andere vaststellingen blijven onder het beroepsgeheim.

De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de werknemer, vallen ten laste van de verliezende partij. [...]

De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de controlearts op de hoogte van zijn beslissing. De werkgever en de werknemer worden schriftelijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd.’

De beslissing van de arbitragearts is bindend. Wanneer de patiënt niet akkoord gaat met de beslissing van de arts-scheidsrechter, kan hij de zaak alsnog laten beslechten door de arbeidsrechtbank.

Tijdstip van de controle

Wat betreft het tijdstip van de controle voorziet de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde geen bepalingen. Zodra de arbeidsongeschiktheid door de werknemer wordt gemeld, kan de werkgever een controlearts sturen, dus ook vooraleer de patiënt zijn behandelende arts heeft geraadpleegd of eveneens in die gevallen waarbij de wet, de cao, de arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement een dag arbeidsongeschiktheid zonder verplicht ziekteattest mogelijk maakt. In dit geval formuleert de controlearts een voorstel over de duur van een eventuele arbeidsongeschiktheid. De controlearts verzoekt de behandelende arts, bij middel van een schriftelijk bericht, te overhandigen aan de patiënt, hem binnen de 24 uur te contacteren teneinde overleg te plegen over een mogelijke arbeidsongeschiktheid.[29]

De controlearts komt bij de patiënt thuis om de controle uit te voeren. Dit kan ook buiten de kantooruren, op een aanvaardbaar uur (tussen 8u en 21u) en op zon- en feestdagen.

Bij afwezigheid van de patiënt op het tijdstip waarop hij bij hem langskomt, steekt de controlearts een bericht in de brievenbus waarin hij de patiënt vraagt zich aan te melden op zijn kabinet op de door hem vastgestelde dag en uur. Dit laatste dient redelijk te zijn. De controlearts kan niet verwachten dat de patiënt de hele dag door zijn brievenbus controleert. De nationale raad aanvaardt ook de mogelijkheid om contact op te nemen met de patiënt via andere communicatiemiddelen (sms, mail, telefoon, ...). Het zou wenselijk zijn dat de werkgever de verschillende communicatiemogelijkheden bezorgt aan de controlearts.

Welke artsen oefenen de controlegeneeskunde uit?

Artikel 3, §1, van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde bepaalt ‘De controlegeneeskunde mag enkel worden verricht door een arts die gerechtigd is de geneeskunde uit te oefenen en vijf jaar ervaring heeft als huisarts of een daarmee vergelijkbare praktijk’.

De controlearts waakt erover dat zijn opdracht niet onverenigbaar is met andere opdrachten en dat hij onafhankelijk kan optreden (cf. de titels hieronder).

Onverenigbaarheid met andere opdrachten

De controlearts is zoals alle artsen gehouden tot de regels van de medische deontologie. Het artikel 43 van de Code van medische deontologie bepaalt:

‘De arts met een deskundige, adviserende of controlerende opdracht voert deze uit volgens de wettelijke regels, de deontologische principes, met respect voor de betrokkene en met inachtneming van de beperkingen eigen aan zijn opdracht en functie. Deze opdrachten zijn onverenigbaar met die van behandelend arts.

De behandelende arts kan zijn patiënt in deze procedures bijstaan als persoonlijke raadgever.

De arts deelt de betrokkene vooraf de hoedanigheid mee waarin hij optreedt.’

In de commentaar op artikel 43 van de Code van medische deontologie bevestigt de nationale raad dat de beoordeling van de gezondheidstoestand van een persoon behoort tot de uitoefening van de geneeskunde. Elke behandelende arts die een medisch getuigschrift opstelt voor het verkrijgen van een sociaal voordeel voert strictu sensu een medische beoordeling uit (art. 26, CMD).

De controlearts heeft niet dezelfde vertrouwensrelatie met de patiënt als de behandelende arts. ‘De arts die belast is met een beoordelingsopdracht, moet vooraf aan de patiënt meedelen in welke hoedanigheid hij optreedt, welke opdracht hij heeft en wie toegang zal hebben tot de gegevens die hij zal verkrijgen.’ (commentaar art. 43, CMD).

Onafhankelijkheid van de controlearts

Artikel 3, §2, van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde bepaalt: ‘Bij elke opdracht moet de controlearts een verklaring van onafhankelijkheid ondertekenen die dient als garantie dat de controlearts volledig onafhankelijk is van de betrokken werkgever en werknemer ten aanzien van wie hij de controlegeneeskunde uitoefent. Hij is ook niet de preventie-adviseur-arbeidsgeneesheer van de onderneming.’

De onafhankelijkheidsverklaring dient in tweevoud te worden opgesteld overeenkomstig het model dat als bijlage I bij het koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanduiding van de controleartsen en artsen-scheidsrechters is gevoegd. Na ondertekening overhandigt de controlearts een exemplaar samen met zijn schriftelijke bevindingen aan de patiënt/werknemer. Het tweede exemplaar van de onafhankelijkheidsverklaring bezorgt hij samen met zijn besluit aan de werkgever, desgevallend via het controleorganisme[30].

De commentaar op artikel 43 van de Code van medische deontologie onderstreept evenzeer de onafhankelijkheid van de arts bij een controleopdracht ‘De arts dient zijn opdracht altijd onafhankelijk en objectief te vervullen. Hij stelt zijn medische besluiten op in vrijheid en volgens zijn geweten.’

De controlearts mag geen enkele band hebben of gehad hebben met de werkgever, noch met de patiënt/werknemer[31]. Ook bestaat er een wettelijke onverenigbaarheid tussen de functie van controlearts en deze van preventie-adviseur-arbeidsarts van de onderneming[32].

Bij re-integratie van de patiënt na een langdurige arbeidsongeschiktheid dienen de adviserende arts van het ziekenfonds en de arbeidsarts wel contact op te nemen. Hier geldt een specifieke wetgeving. Ook de arbeidsarts en de behandelende arts kunnen contact opnemen.

De controlearts dient erover te waken geen overeenkomsten te ondertekenen waarin bepalingen zijn opgenomen die zijn onafhankelijkheid op de helling zetten. Zo is het o.m. deontologisch onaanvaardbaar dat de samenwerkingsovereenkomst tussen het controleorganisme en de controlerende arts een supplementair honorarium voorziet bij een beslissing tot vervroegde werkhervatting door de werknemer[33].

Omwille van de onafhankelijkheid houdt de nationale raad, ondanks het ontbreken van een wettelijk verbod, vast aan het principe dat het niet wenselijk is dat een huisarts controles uitvoert in de regio waar hij de huisartsgeneeskunde uitoefent. Ingeval een arts enkel medische controles uitvoert, is er geen beperking[34].

Onverenigbaarheid tussen de rol van zorgverlener met een controleopdracht

‘De medische deontologie verbiedt om de rol van zorgverlener met een therapeutische relatie en de beoordeling van de gezondheidstoestand van eenzelfde patiënt tegelijk te vervullen wanneer deze aanvraag uitgaat van een derde. De finaliteit van de zorg die het verkrijgen van persoonsgegevens tijdens een therapeutische relatie rechtvaardigt, is niet verenigbaar met een beoordeling van de gezondheidstoestand van de patiënt in opdracht van een derde. Deze beoordeling kan slechts gebeuren wanneer de patiënt ermee instemt of wanneer ze is gebaseerd op de wet. De grondslag van de therapeutische relatie is het vertrouwen. Door de vertrouwelijke mededelingen van zijn patiënt en de inlichtingen vernomen tijdens de therapeutische relatie te gebruiken voor een beoordeling in opdracht van een derde, beschaamt de arts dit vertrouwen. [...]’ (commentaar art. 43, CMD)

De nationale raad herhaalt dat de rol van de arts als zorgverlener met een therapeutische arts-patiëntrelatie onverenigbaar is met deze van adviseur, controleur of deskundige[35]. Het is evident dat een huisarts bijgevolg niet kan optreden als controlearts voor zijn eigen patiënt[36].


[1]Artikel 2 bevat eveneens de definities voor de begrippen :

controlearts : een persoon die controlegeneeskunde verricht als bedoeld onder 1°;

arts-scheidsrechter : een persoon die als scheidsrechter optreedt in de scheidsrechterlijke procedure zoals voorzien in artikel 31 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.’

[2]Arbeidsgeneeskunde – Controlegeneeskunde – Wet betreffende de rechten van de patiënt (advies NR, 24 oktober 2009, a127019).

[3]Advies van de federale commissie “Rechten van de patiënt”, “Controle- en expertisegeneeskunde”, 21 juni 2013. In dit advies, vraag C.1., verwijst de federale commissie naar de intentie van de wetgever om de expertise- en controlegeneeskunde binnen het toepassingsgebied van de patiëntenwet te houden (Parl. St. Kamer 2001-2002, nr. 1642/012, p. 54 en 57).

[4] cf. Bewaartermijn van patiëntendossiers (https://ordomedic.be/nl/faq).

[5]Onderzoek door controlearts – Aanwezigheid van de vertrouwenspersoon (advies NR, 24 oktober 2009, a127018) en Arbeidsgeneeskunde – Controlegeneeskunde – Wet betreffende de rechten van de patiënt (advies NR, 24 oktober 2009, a127019).

[6]art. 31, §2, arbeidsovereenkomstenwet.

[7]art. 31/1, arbeidsovereenkomstenwet.

[8]Geïntegreerd gezondheidsbeleid in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (advies NR, 14 november 1998, a083008).

[9]artt. 9 tot 11, koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanduiding van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure.

cf. Controlegeneeskunde – Bevoegdheid van de Orde der artsen (https://ordomedic.be/nl/faq).

[10]art. 31, §3, arbeidsovereenkomstenwet.

Cf. ook Advies van 5 april 2008 betreffende medische controle – Privésector (advies NR, 9 mei 2009, a126009), Medische controle bij een afwezige patiënt – Toelichting bij het advies van 1 september 2007 (advies NR, 5 april 2008, a120006) en Patiënt afwezig op het ogenblik van een medische controle (advies NR, 1 september 2007, a118004)

[11]art. 31, §3/1, arbeidsovereenkomstenwet.

[12]Er bestaat geen wettelijke regeling die de inhoud bepaalt van het attest betreffende de medische controle door de controlearts.

Gebruikelijk worden de volgende gegevens vermeld: (1) de verklaring van onafhankelijkheid van de controlearts zoals bepaald door Bijlage I van het koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanduiding van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure; (2) de begin- en einddatum van de ongeschiktheid; (3) de reden van ongeschiktheid (ziekte, beroepsziekte, arbeidsongeval, of andere); (4) de naam van de behandelende arts die de ongeschiktheid heeft vastgesteld; (5) de datum waarop de controle wordt uitgevoerd; (6) de uitkomst van de controle; (7) het feit of de patiënt op het ogenblik van de controle akkoord gaat met de bevindingen van de controlearts en (8) de handtekening van de controlearts en eventueel van de patiënt. De ontstentenis van één van deze gegevens heeft niet automatisch de ongeldigheid tot gevolg.

[13]De controlearts verklaart in dit document enkel of hij al dan niet de voorgeschreven arbeidsongeschiktheid bevestigt en noteert desgevallend de vroegere datum waarop het werk dient te worden hervat. Er worden geen medische gegevens of diagnose vermeld.

[14]art. 31, §4, arbeidsovereenkomstenwet.

[15]Controlegeneeskunde – Overmaken van niet-medische gegevens (advies NR, 21 februari 2009, a125009).

[16]Medische controle - Beroepsgeheim (advies NR, 19 maart 1994, a064014) en Medische controle (advies NR, 20 juni 1992, a057013).

[17]Beroepsgeheim – Medische controle (advies NR, 20 maart 1993, a060011) en Beroepsgeheim Medische controle (Advies NR, 20 oktober1990, a051005).

[18]VERORDENING (EU) 2016/679 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)

[19]De controlearts overhandigt zo spoedig mogelijk, eventueel na raadpleging van diegene die het in § 2 bedoelde geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, zijn bevindingen schriftelijk aan de werknemer. Indien de werknemer op dat ogenblik kenbaar maakt dat hij niet akkoord gaat met de bevindingen van de controlearts, wordt dit door deze laatste vermeld op voornoemd geschrift. [...] (art. 31, §4, arbeidsovereenkomstenwet).

[20]cf. Controlegeneeskunde – Arbitrage (advies NR, 17 juli 2004, a106004. De in dit advies vermelde taak van de opvolgingscommissie werd met het koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanduiding van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure toegekend aan de Orde der artsen.

[21]cf. o.m. Mensura - Contact tussen controlearts en behandelend arts (advies NR, 2 april 2011, a133014-R), Controlegeneeskunde (advies NR, 18 januari 2003, a100001) en eerdere adviezen, o.m. Getuigschrift van arbeidsongeschiktheid (advies NR, 14 juli 1979, a028038).

[22]Medische controle (advies NR, 20 juni 1992, a057013).

[23]Onverenigbaarheid tussen de rol van zorgverlener met een therapeutische relatie en de rol van adviseur, controleur of deskundige (advies NR, 8 april 2017, a157002).

[24]Controlegeneeskunde – Arbitrage (advies NR, 17 juli 2004, a106004).

Dit advies vermeldt : ‘In onderling akkoord kan de arts-scheidsrechter aangewezen worden buiten de officiële lijst zoals blijkt uit de inleidende uiteenzetting van de minister van Tewerkstelling en Arbeid bij het wetsontwerp betreffende de controlegeneeskunde (Parl. Doc. Kamer, Gewone zitting 1998-1999, nr. 2106/4, p. 3) en uit het advies nr. 1244 van de Nationale Arbeidsraad van 6 oktober 1998.’

[25]Cumuleren van de functies van huisarts, controlearts en arts-scheidsrechter (advies NR, 5 september 2009, a127006).

[26]Controlegeneeskunde - Scheidsrechterlijke procedure (advies NR, 15 juni 1991, a053010).

[27]Dit KB heft het koninklijk besluit van 18 juli 2001 betreffende de controleartsen en de artsen-scheidsrechters op, evenals de wijzigingen in de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde door de wet van 15 januari 2018 houdende diverse bepalingen inzake werk.

[28] cf. Controlegeneeskunde – Bevoegdheid van de Orde der artsen (https://ordomedic.be/nl/faq).

[29]Controle vóór het uitschrijven van een arbeidsongeschiktheidsattest (advies NR, 26 juni 2004, a105004),

[30]art.1, koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanduiding van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure.

[31]Controlegeneeskunde (advies NR, 1 januari 1980, a028028).

[32]art. 3, §2, 2de lid, wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde.

[33]Supplementair honorarium voorzien in een samenwerkingsovereenkomst tussen een vzw en de controlearts (advies NR, 26 november 2011, a136005-R) en Supplementair honorarium voorzien in een samenwerkingsovereenkomst tussen een vzw en de controlearts (advies NR, 3 maart 2012, a137019).

[34]Medische controle (advies NR, 11 mei 1980, a029005).

[35]Onverenigbaarheid tussen de rol van zorgverlener met een therapeutische relatie en de rol van adviseur, controleur of deskundige (advies NR, 8 april 2017, a157002).

[36]Cumuleren van de functies van huisarts, controlearts en arts-scheidsrechter (advies NR, 5 september 2009, a127006).

Transseksualiteit16/10/2021 Documentcode: a168019
Gender en gezondheidszorg

In zijn vergadering van 16 oktober 2021 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de ontvangst en de behandeling van LGBT+-patiënten door artsen besproken.

Stereotypen en vooroordelen die worden geuit door de arts over genderrollen, genderidentiteit en seksualiteit zetten een rem op de toegang tot en de kwaliteit van de zorg.

Deze brengen bij de patiënt het gevoel teweeg uitgesloten of niet gerespecteerd te worden, hetgeen in strijd is met de Hippocratische waarden.

Deze stereotypen en vooroordelen leiden ertoe dat de patiënt zich in zichzelf keert, het gevoel heeft onzichtbaar te zijn, zorg vermijdt die nochtans noodzakelijk is en aan zelfcensuur doet door vrijwillig informatie te verzwijgen uit vrees voor vooroordelen. Daardoor wordt niet alleen het welzijn van het individu negatief beïnvloed maar krijgt hij ook niet de zorg die zijn toestand vergt.

Door gebruik te maken van een neutrale taal, niet-geslachtsgebonden formuleringen en open vragen met meer antwoordmogelijkheden, geeft de arts de patiënt de kans zich vrijer uit te drukken en toegang te krijgen tot zorg die aangepast is aan zijn persoonlijke situatie.

Tekenen van openheid zoals een brochure of een logo in de wachtkamer kunnen de patiënt vertrouwen geven dat de arts met hem begaan is.

De nationale raad spoort de universiteiten en artsen ertoe aan hun kennis te ontwikkelen en te onderhouden met oog voor de diversiteit van genderidentiteiten en seksuele geaardheden.

Twijfels over genderidentiteit of seksualiteit, in het bijzonder bij adolescenten, het worstelen met de identiteit en de stress en het psychisch lijden in verband met het verzwijgen zijn gezondheidskwesties die meer aandacht moeten krijgen van artsen, vooral in de eerstelijnszorg.