keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Internet19/11/2022 Documentcode: a169022
Dixit-attest binnen de context van het onderwijs

Persbericht – Dixit-attest binnen de context van het onderwijs

Ondanks de inspanningen van de Orde der artsen om de deontologische regels in verband met het opstellen van medische attesten toe te lichten (artikel 26, Code van medische deontologie), stelt de nationale raad vast dat de bijzondere toepassing van het dixit-attest binnen de context van het onderwijs nog steeds voor verwarring zorgt bij sommige artsen.

De arts mag nooit een geneeskundig getuigschrift voor schoolverzuim opstellen om niet-medische redenen (familievakantie, problemen transport, enz.).

Onder meer binnen de context van het onderwijs, kan de arts uitzonderlijk een dixit-attest opstellen omwille van gezondheidsredenen die niet of niet meer objectief kunnen worden vastgesteld.

Het dixit-attest vermeldt uitdrukkelijk dat het attest uitsluitend is gebaseerd op de verklaringen van de betrokkene en niet op de eigen medische vaststellingen van de arts.

De nationale raad heeft volgend model van dixit-attesten goedgekeurd, opgesteld in overleg met het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap:

https://ordomedic.be/nl/adviezen/professionele-samenwerking/centra-voor-leerlingenbegeleiding-clb/nieuwe-model-dixit-attesten

Meer informatie over de deontologische regels die verband houden met het opstellen van medische attesten, kan u hier raadplegen:

https://ordomedic.be/nl/adviezen/deontologie/discipline/beleidsvisie-inzake-wellwillendheidsattesten

https://ordomedic.be/nl/adviezen/attesten/getuigschrift/opstellen-van-medische-documenten-principes-en-aanbevelingen

Discipline19/11/2022 Documentcode: a169023
report_problem

Dit advies vervangt het advies a097006 van 25 mei 2002.

Gebruik door de in verdenking gestelde arts van de tuchtbeslissing en de stukken uit het tuchtdossier voor andere doeleinden dan de procedure voor de Orde der artsen

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 19 november 2022 de kwestie onderzocht van het gebruik door de betrokken arts van de tuchtbeslissing en de stukken uit het tuchtdossier voor andere doeleinden dan de procedure voor de Orde der artsen.

Artikel 30 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen dat geheimhouding oplegt aan de leden van de organen van de Orde is niet van toepassing op een arts tegen wie een tuchtvordering ingesteld is.

De betrokken arts moet echter rekening houden met de geheimhouding waartoe hijzelf verplicht is krachtens artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 25 van de Code van medische deontologie 2018, wanneer de dossierstukken gegevens bevatten die onder het beroepsgeheim vallen.

Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat : « het beroepsgeheim niet absoluut is maar kan worden verbroken, met name wanneer de door het beroepsgeheim gebonden persoon zich in rechte moet verdedigen; in dat geval moet de regel van het beroepsgeheim wijken, doch enkel wanneer een hogere waarde daarmee in conflict komt, zodat van die regel enkel wordt afgeweken voor zover dat voor de verdediging van de respectieve rechten van de partijen in de zaak noodzakelijk is » (arrest nr. N-20170118-3 (P.16.0626.F) dd. 18 januari 2017). De maatregel die noodzakelijk is voor de verdediging van de respectieve rechten van de partijen in de zaak impliceert dat het Hof de rechten van verdediging van zowel de eiser als de verweerder voor ogen houdt.

De noodzakelijkheids- en proportionaliteitsbeginselen zijn fundamenteel.

De arts moet er eveneens rekening mee houden dat de verwerking van alle persoonsgegevens, zijnde alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, onder de wetgeving betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer valt. Deze bescherming is niet beperkt tot de bescherming van de gezondheidsgegevens van een persoon, waarvoor een verhoogde bescherming geldt.

De beginselen inzake gegevensbescherming, waaronder de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie, doelbinding en minimale gegevensverwerking, moeten correct begrepen en toegepast worden door de arts, ongeacht of de gegevens betrekking hebben op de klager of op derden.

De arts die het tuchtdossier of de tuchtbeslissing gebruikt buiten de tuchtprocedure is zich bewust van zijn verantwoordelijkheid. Hij gaat voorzichtig en weloverwogen te werk nadat hij zich heeft vergewist van de rechtmatigheid van het door hem beoogde gebruik van (niet-geanonimiseerde) documenten die de identiteit van derden onthullen, ongeacht of ze al dan niet onder het beroepsgeheim vallen. Hij gebruikt enkel persoonsgegevens die adequaat, relevant en beperkt zijn tot wat nodig is voor het rechtmatige doel dat hij nastreeft.

Om zijn professionele betrouwbaarheid te bewijzen, met andere woorden aan te tonen dat hij geen tuchtantecedenten heeft, kan de arts de provinciale raad op wiens lijst hij ingeschreven is steeds verzoeken hem een attest van goed gedrag te bezorgen.

Dit advies vervangt het advies a097006 van 25 mei 2002.

Associaties en contracten tussen artsen19/11/2022 Documentcode: a169024
FAQ : CONTRACTEN EN STATUTEN - artikel 12 CMD 2018

FAQ

CONTRACTEN EN STATUTEN - artikel 12 CMD 2018

De arts kan voor zijn beroepsuitoefening samenwerkingsovereenkomsten afsluiten.

De arts vermijdt elke vorm van collusie.

De arts is steeds persoonlijk verantwoordelijk voor zijn medisch handelen.

De arts zorgt ervoor dat zijn beroepsuitoefening en de organisatie van de professionele samenwerking stroken met de bepalingen van de medische deontologie. Hij legt die afspraken schriftelijk vast.

Voor verdere informatie, raadpleeg de commentaar bij artikel 12 van de Code van medische deontologie

Overeenstemming van de contracten en statuten met de medische deontologie

1. Richtlijnen

De nationale raad heeft op 15 september 2018 een leidraad “Contracten en vennootschappen” opgesteld. Deze bevat de voornaamste deontologische bepalingen in verband met overeenkomsten. U kan hem hier raadplegen.

De contracten, statuten en overeenkomsten die de arts sluit in het kader van zijn beroep mogen niet tot gevolg hebben dat hij zelf of zijn collega’s in strijd handelen met de regels van de medische deontologie.

De arts moet zich bij de keuzes die hij maakt in het kader van zijn beroepsactiviteit, met inbegrip van het opstellen van alle juridische aktes die hij ondertekent, laten leiden door zijn plicht om de geneeskunde uit te oefenen overeenkomstig de wet, de ethiek en de regels van de Code van medische deontologie 2018 ten voordele van de patiënt en in het belang van de gemeenschap.

Het valt onder de verantwoordelijkheid van de arts de toepasselijke wetgeving na te leven, waaronder het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en het Wetboek van economisch recht, en de ontwikkelingen ervan te volgen[1].

2. Adviezen van de nationale raad van vóór 2018

De Code van medische deontologie werd in mei 2018 geactualiseerd ; elk artikel gaat gepaard met een commentaar opgesteld vanuit een dynamisch perspectief (https://ordomedic.be/nl/code-2018).

De adviezen en richtlijnen die de nationale raad en de provinciale raden uitbrachten vóór mei 2018 en gebaseerd zijn op de verplichtingen van de Code van geneeskundige plichtenleer van 1975 die niet meer voorkomen in de Code van medische deontologie 2018 en zijn commentaar, zijn niet meer van toepassing.

Op wettelijk vlak dient bij het lezen van de vroegere adviezen met name rekening gehouden te worden met de evolutie van het Wetboek van economisch recht en van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019.

3. Rol van de Orde der artsen

De arts is niet meer verplicht om de ontwerpen van statuten, huishoudelijk reglement, oprichtingsakte van een vennootschap, of elk ontwerp van overeenkomst in verband met zijn beroepsactiviteit voor te leggen aan zijn provinciale raad. Hetzelfde geldt voor elk ontwerp tot wijziging van een van deze documenten. Hij hoeft ook niet aan de provinciale raad een afschrift te bezorgen van deze documenten wanneer ze definitief geworden zijn. Indien de voorgaande documenten dergelijke verplichting bevatten, is het raadzaam deze te schrappen.

Op verzoek van de arts verstrekt de Orde enkel advies over een specifieke vraag in verband met de medische deontologie.

De Orde stelt geen enkel model van overeenkomst, statuten, huishoudelijk reglement, enz. voor.

De Orde is niet bevoegd om juridisch advies te geven aan haar leden. De contractencommissies van de provinciale raden werden afgeschaft.

4. Multidisciplinaire samenwerking

De Code van medische deontologie 2018 schrijft niet langer voor dat de vennoten van een professionele vennootschap uitsluitend artsen moeten zijn.

Het voorwerp en de vorm van de samenwerking moeten in overeenstemming zijn met de wettelijke en deontologische regels. Onder deze voorwaarden bestaat er geen deontologisch bezwaar tegen de multidisciplinaire vennootschap waarbinnen de arts en andere collega’s of gezondheidsberoepsbeoefenaars hun beroepsactiviteiten uitoefenen.

De arts ziet erop toe dat de organisatie van zijn beroep, de juridische structuur waarbinnen hij het uitoefent en de samenwerkingsovereenkomsten die hij sluit, hem in staat stellen te voldoen aan de fundamentele eisen van professionele onafhankelijkheid (artikelen 7 en 36 CMD 2018), therapeutische vrijheid (artikelen 4 en 7 CMD 2018), vrije artsenkeuze door de patiënt (artikel 15 CMD 2018), kwaliteit van de zorg (artikel 8 CMD 2018)[2], continuïteit van de zorg (artikelen 8 en 13 CMD 2018), eerbiediging van het beroepsgeheim (artikel 25 CMD 2018) en het verbod op collusie of dichotomie (artikelen 12 en 34 CMD 2018). De arts stelt de belangen van de patiënt en van de gemeenschap boven zijn eigen financiële belangen (artikel 34 CMD 2018). De arts vergewist zich ervan dat de inzage, de verwerking en de bewaring van de medische dossiers in alle omstandigheden in overeenstemming zijn met de wettelijke[3] en deontologische vereisten (artikelen 22, 23, 24 en 35 CMD 2018).

De voorwaarden betreffende het nemen van een beslissing (meerderheid), het overdragen van aandelen, het uitsluiten van een vennoot en het verlaten van de vennootschap mogen geen belemmering voor deze vereisten vormen.

De professionele samenwerking mag geen afbreuk doen aan de rechten van de patiënt[4].

Bij de organisatie en de uitoefening van zijn medische activiteit mag de arts zich niet laten beïnvloeden, of er de schijn van wekken, door een ander doel dan de gezondheid van de patiënt. Hij verstrekt alleen zorg in samenwerking met personen die de wettelijk vereiste beroepskwalificaties bezitten.

5. Relatie met een niet-arts in het kader van de geneeskundepraktijk

De medewerking van een niet-arts in een vennootschap waarbinnen de arts zijn beroepsactiviteit uitoefent, bijvoorbeeld om redenen van huwelijksvermogen of erfrechtelijke redenen, mag geen invloed hebben op de goede uitoefening en de waardigheid van het artsenberoep in een aangepaste omgeving noch inmenging in het beroep van de arts mogelijk maken. Respect voor de medische deontologie, in het bijzonder de professionele onafhankelijkheid van de arts, moet gewaarborgd zijn.

De arts ziet erop toe dat de aan zijn geneeskundepraktijk inherente financiële aspecten, waaronder zijn financieringsbronnen, in overeenstemming zijn met de wet, met name met artikel 38, §2, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, en geen afbreuk doen aan de eer en de waardigheid van het beroep en de uitoefening ervan conform de medische deontologie (artikel 34 CMD 2018).

De arts zorgt ervoor statutaire of contractuele bedingen weg te laten die hem, met name door regels inzake meerderheid, zouden beletten zijn wettelijke en deontologische verplichtingen na te komen.

6. Beroepsaansprakelijkheid

De uitoefening van het beroep via een rechtspersoon heeft geen weerslag op de individuele aansprakelijkheid van de arts voor zijn medische handelingen.

De arts moet afdoend voor zijn beroepsaansprakelijkheid verzekerd zijn (artikel 9 CMD 2018).

7. Vorm van de vennootschap

De arts kiest een juridische structuur die waarborgt dat de uitoefening van de geneeskunde in België in overeenstemming is met de wettelijke en deontologische regels die er van kracht zijn.

8. Voorwerp van de vennootschap

Het voorwerp van de vennootschap waarmee de arts zijn beroepsactiviteit uitoefent moet verenigbaar zijn met de uitoefening van de geneeskunde zoals ze opgevat is in de wet, onder meer de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, en in de medische deontologie.

De uitoefening van de geneeskunde is voorbehouden aan de natuurlijke persoon die houder is van het diploma van arts (artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidzorgberoepen).

9. Zetel van de vennootschap

De zetel van de vennootschap mag geen invloed uitoefenen op de naleving van de wettelijke en deontologische vereisten die van toepassing zijn op de uitoefening van de geneeskunde in België.

10. Naam van de vennootschap

De arts kiest, voor de juridische structuur waarbinnen hij zijn activiteit uitoefent, een objectieve, discrete en niet-misleidende benaming, die geen oneerlijke concurrentie teweeg brengt.

11. Niet-concurrentiebeding

Het is in strijd met de medische deontologie een niet-vestigingsbeding (niet-concurrentiebeding) op te nemen in een opleidingsovereenkomst.

In de andere overeenkomsten moet dergelijk beding niet alleen in overeenstemming zijn met de wet, maar ook gematigd zijn, dit wil zeggen beperkt in tijd, ruimte en voorwerp (i.e. wat de verboden activiteit betreft).


[1] Hier volgen enkele voorbeelden van wettelijke regels eigen aan de geneeskunde : bepalingen in door een arts gesloten overeenkomsten die zijn therapeutische en diagnostische keuzevrijheid schenden, worden als niet geschreven beschouwd (artikel 7 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg) ; de koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot de structuur en organisatie van de praktijk van de individuele gezondheidszorgbeoefenaar en van de samenwerkingsverbanden tussen gezondheidszorgbeoefenaars (artikel 32 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg) ; het verbod op illegale verrijking van gezondheidszorgbeoefenaars door overeenkomsten in verband met hun beroep afgesloten met andere gezondheidszorgbeoefenaars of met derden (artikel 38 van de Gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen).

[2] Wet van 22 april 2019 wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg - deontologische knelpunten en bekommernissen (Advies van 23 april 2022 van de nationale raad, a169009)

[3] Artikelen 20 en 33-35, van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

[4] Zoals ze vastgelegd zijn in de wet van 22 augustus 2022 betreffende de rechten van de patiënt.

Keuze (Vrije artsen-)19/11/2022 Documentcode: a169025
SECOND OPINION – initiatief van een verzekeringsmaatschappij

De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde in zijn vergadering van 19 november 2022 het initiatief “Second Medical Opinion”, een dienst die een verzekeringsmaatschappij wenst aan te bieden in het kader van haar gezondheidsverzekering.

Om dit initiatief te concretiseren, is de verzekeringsmaatschappij zinnens artsen aan te stellen die in een eerste fase het medisch dossier van de patiënt voorbereiden en dit na fysiek of digitaal contact. In een tweede fase kiest de patiënt een specialist die voorkomt op een lijst aangeboden door de ziekenhuizen die bereid zijn mee te werken aan dit initiatief. Deze specialist brengt - doorgaans na fysiek contact met de patiënt - het tweede advies uit.

Op basis van de toestemming van de patiënt en de alzo ontstane therapeutische relatie claimt de verzekeringsmaatschappij in de voorbereidende stukken dat haar aangestelde artsen toegang verkrijgen tot al diens medische gegevens via het eHealth-platform.

De nationale raad onderschrijft het belang van een second opinion, zeker in het geval van complexe en ernstige ziektebeelden.

De nationale raad heeft evenwel enkele deontologische bezwaren bij het voorgestelde initiatief:

  1. De huisarts van de patiënt wordt in dit initiatief niet betrokken, hoewel deze het best geplaatst is om in de eerste fase de patiënt te informeren en de triage te maken van relevante en noodzakelijke medische gegevens die moeten worden aangeleverd. Ook na het uitbrengen van een second opinion is de huisarts de meest aangewezen persoon om de patiënt te begeleiden bij het nemen van een beslissing.
  2. De toegang via het eHealth-platform tot alle medische stukken door artsen aangesteld door de verzekeringsmaatschappij staat haaks op de nota van het Informatieveiligheidscomité die een therapeutische en een zorgrelatie beschrijft.[1] Deze nota stipuleert dat “voor zover een uitwisselingsnetwerk wordt geconcipieerd met als doeleinde de diagnostische, preventieve of zorgverlenende behandeling van de patiënt, dienen de verzekeringsgeneeskunde, de controlegeneeskunde en de gerechtelijke geneeskunde in principe te worden uitgesloten”. Bovendien strookt de toegang tot alle medische stukken via het eHealth-platform niet met de basisbeginselen van de privacyregelgeving, met name de finaliteit en de proportionaliteit. Ook het artikel 38 van de Kwaliteitswet[2] stelt uitdrukkelijk dat, zelfs mits het bestaan van een therapeutische relatie, de toegang zich beperkt tot de gegevens die dienstig en pertinent zijn in het kader van het verstrekken van gezondheidszorg.

Om hoger vernoemde redenen, verzoekt de nationale raad de verzekeringsmaatschappij hun toekomstig product in die zin bij te sturen alvorens het aan hun verzekerden aan te bieden.


[1] Nota betreffende de elektronische bewijsmiddelen van een therapeutische relatie en een zorgrelatie https://www.ehealth.fgov.be/ehealthplatform/file/view/AWdem6oKkOz9DrMX5-eO?filename=nota-therapeutische-relatie.pdf

[2] Wet inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg van 22 april 2019.

Beroepsgeheim19/11/2022 Documentcode: a169026
Het medisch beroepsgeheim van de arts ondervraagd door een justitieassistent

De nationale raad van de Orde der artsen wordt ondervraagd over de eerbiediging van het medisch geheim door de behandelend arts, die niet optreedt in het kader van een dienst voor justitieel welzijnswerk, ten opzichte van een justitieassistent die gemandateerd is om de naleving van de voorwaarden opgelegd door een gerechtelijke overheid aan een patiënt na te gaan.

1- De justitieassistent kan belast worden met het toezicht op de naleving van de voorwaarden van een medische of therapeutische begeleiding waaraan de justitiabele onderworpen is om recidive te voorkomen.

In deze context kan hij contact opnemen met de behandelend arts met name om door de justitiabele gemelde elementen te controleren (therapieopvolging, enz.), de verificaties gevraagd door de opdrachtgevende overheid uit te voeren of nog wanneer hij bijkomende informatie nodig acht.

Er kunnen zich ook andere situaties voordoen, zoals bij de behandelend arts nagaan of er werkelijk sprake is van een arbeidsongeschiktheid bij de controle van de correcte uitvoering van een werkstraf.

De justitieassistent heeft de toestemming van de justitiabele niet nodig om diens arts te contacteren.

De gecontacteerde arts moet door de justitieassistent ingelicht worden over de omvang en de inhoud van zijn opdracht.

De behandelend arts is gehouden tot het medisch geheim. Het feit dat de justitieassistent ook gehouden is aan het beroepsgeheim volstaat voor de arts niet om hem gegevens gedekt door het medisch geheim toe te vertrouwen. De arts heft het geheim op indien de patiënt, die moet bewijzen dat hij aan de hem opgelegde voorwaarden voldoet, hem dit toelaat en indien de gevraagde informatie relevant is en in verhouding staat tot het mandaat van de justitieassistent.

De nationale raad beveelt aan dat de arts een antwoord verschaft aan de justitieassistent in aanwezigheid van zijn patiënt of door zijn tussenkomst(wanneer het medische verslagen, getuigschriften, enz. betreft).

De justitieassistent heeft geen geheimhoudingsplicht ten opzichte van de overheid die hem zijn opdracht gaf en waaraan hij verslag uitbrengt over de uitvoering van zijn taken en de relevante elementen doorgeeft in het licht van het mandaat dat hij heeft ontvangen.

2- Aan de behandelend arts kan ook gevraagd worden zich te verbinden ten opzichte van de gerechtelijke overheid tot het opvolgen van de medische behandeling en het verschaffen van informatie aan het gerecht (verslagen over de aanwezigheid van de betrokkene, zijn ongerechtvaardigde afwezigheid, de eenzijdige onderbreking van de behandeling, de problemen die zich voordeden tijdens de behandeling, de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden, enz.)[1].

Artikel 43 CMD 2018 stelt dat de opdracht van deskundige voor rekening van een derde niet verenigbaar is met die van behandelend arts.

De medische deontologie verbiedt om de rol van zorgverlener met een therapeutische relatie en de beoordeling van de gezondheidstoestand van eenzelfde patiënt tegelijk te vervullen wanneer deze aanvraag uitgaat van een derde. De finaliteit van de zorg die het verkrijgen van persoonsgegevens tijdens een therapeutische relatie rechtvaardigt is niet verenigbaar met een beoordeling van de gezondheidstoestand van de patiënt in opdracht van een derde.

Een behandelingsopdracht verschilt van een deskundigenonderzoek in die zin dat ze een medische begeleiding door de arts inhoudt.

Indien de patiënt aan wie een sociale begeleiding of een medische behandeling wordt opgelegd deze wenst te volgen bij zijn behandelend arts, de justitieassistent en de gerechtelijke overheid met deze keuze akkoord gaan en de betrokken arts meent over de nodige onafhankelijkheid en objectiviteit te beschikken om hierop in te gaan, kan hij dergelijke opdracht aanvaarden. Alvorens de behandelend arts deze opdracht aanvaardt, verzekert hij zich ervan dat de patiënt begrijpt dat alle noodzakelijke informatie zal worden gecommuniceerd aan de opdrachtgevende overheid.


[1] Zie met name artikel 9bis van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie; artikel 35, §6, van de wet van 20 juli betreffende de voorlopige hechtenis; artikel 62, §4, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.

Lijst van de Orde15/10/2022 Documentcode: a169020
Voorlegging van een uittreksel uit het strafregister bij de aanwerving van een ziekenhuisarts

Een ziekenhuisinstelling stelde de vraag of zij het recht heeft een uittreksel uit het strafregister te vragen aan een arts als voorwaarde voor de aanwerving.

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 15 oktober 2022 onderzocht of een arts de deontologische plicht heeft een uittreksel uit zijn strafregister voor te leggen op vraag van de medische directie van een ziekenhuisinstelling als voorwaarde voor de aanwerving.

  1. Inleiding – juridisch kader

1/ De wetgeving geeft geen sluitend antwoord op de vragen of een ziekenhuisinstelling bij de aanwervingsprocedure het recht heeft om het gerechtelijk verleden van de arts na te gaan, dan wel of de arts wettelijk verplicht is een uittreksel uit zijn strafregister over te maken.

Het algemeen principe bestaat erin dat het een werkgever is verboden om vragen te stellen over het gerechtelijk verleden van een sollicitant.

De Algemene Verordening Gegevensbescherming[1] bepaalt dat persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten (…) alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid.

Waar de opvraging van een uittreksel uit het strafregister bij een aanwervingsprocedure in beginsel aldus verboden is, kan van dit principe worden afgeweken bij wet.

2/ Vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (hierna: Kwaliteitswet), was het de taak van de provinciale geneeskundige commissies om de belanghebbende personen in te lichten omtrent genomen beslissingen door de rechtbanken, inzake de uitoefening van de activiteit van de arts.[2] Zo werd onder meer de hoofdarts van de instelling waarin de betrokkene als arts-specialist werkzaam is in kennis gesteld van deze beslissingen.[3] In die zin bestond er een discrepantie tussen enerzijds een arts-specialist die nog niet was aangeworven in een ziekenhuisinstelling en anderzijds een arts-specialist die er reeds werkzaam was. Omdat hiervoor geen logische verklaring is, kan worden aangenomen dat de hoofdarts van de ziekenhuisinstelling ook gerechtigd was om het gerechtelijk verleden van de solliciterende arts-specialist na te gaan, minstens de provinciale geneeskundige commissies te ondervragen over de beslissingen door de rechtbanken waarvan zij kennis hadden.

Sinds de inwerkingtreding van de Kwaliteitswet, die de provinciale geneeskundige commissies heeft afgeschaft, wordt deze communicatie van beslissingen door rechtbanken niet meer gegarandeerd. De Kwaliteitswet voorziet slechts in een communicatie van de door de Toezichtcommissie genomen maatregelen aan het FAGG, het RIZIV, en desgevallend de patiënt, de gezondheidszorgbeoefenaar of de instantie die een klacht indiende en andere belanghebbende personen en instanties. De Koning kan nog andere instanties aanwijzen die op de hoogte moeten worden gebracht.[4] Volgens de nationale raad is het aangewezen dat ook de ziekenhuisinstellingen waar de arts werkzaam is op de hoogte worden gebracht van de genomen maatregelen.

3/ De omzendbrief nr. 08/2014 van het College van Procureurs-generaal bij de hoven van beroep van 9 januari 2020 bepaalt de voorwaarden voor het openbaar ministerie om veroordelingen van o.m. aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, het bezit van kinderporno en mishandeling van een kwetsbare persoon, mede te delen aan de gezondheidszorginstelling waar de veroordeelde arts werkzaam is. Naar analogie, is de nationale raad van mening dat de ziekeninstelling eveneens van de genoemde veroordelingen op de hoogte moet worden gesteld tijdens de procedure van aanwerving.

4/ De wetgeving[5] in verband met de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister, model art. 596.2 (minderjarigenmodel), te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, kan binnen de context van de ziekenhuisinstelling in die zin worden geïnterpreteerd dat bij de aanwerving van een nieuwe arts moet worden nagegaan of deze van onberispelijk gedrag is in de omgang met minderjarigen zoals blijkt uit het uittreksel uit het strafregister, model art. 596.2[6]. Elke ziekenhuisinstelling is onder meer verantwoordelijk voor de medische begeleiding van minderjarigen.

Wat betreft de opvraging van een uittreksel uit het strafregister, model art. 595[7] (algemeen model), bestaat er geen bijzondere wetgeving die een ziekenhuisinstelling toelaat de voorlegging van dit document op te eisen bij de aanwerving van een nieuwe arts.

5/ Bij de aanvraag tot inschrijving op de lijst van de Orde der artsen heeft de arts de verplichting een uittreksel uit het strafregister te voegen dat niet meer dan drie maanden terug gedagtekend is.[8] Deze bepaling strekt ertoe om als Orde te kunnen nagaan of de inschrijvende arts een strafrechtelijk verleden heeft dat niet strookt met de eer en de waardigheid van het artsenberoep. Er kan worden aangenomen dat ook een ziekenhuisinstelling de mogelijkheid heeft om bij de aanwerving het gedrag van een arts te controleren ter garantie van de kwaliteit en integriteit van de instelling.

  1. Deontologisch kader

Niettegenstaande de juridische betwistbaarheid betreffende het recht of de plicht van een ziekenhuisinstelling een uittreksel uit het strafregister op te vragen bij de aanwerving van een nieuwe arts, heeft elke arts de deontologische plicht een uittreksel uit het strafregister, model art. 595 en model art. 596.2, af te leveren op vraag van de medische directie van de ziekenhuisinstelling.

De Code van medische deontologie[9] bepaalt dat de arts de collega’s waarmee hij samenwerkt, alle disciplinaire, burgerrechtelijke, strafrechtelijke of administratieve beslissingen meedeelt die een weerslag kunnen hebben op hun professionele relatie. Dit principe is ook van toepassing op toekomstige professionele relaties.

Artsen hebben de deontologische plicht, omwille van de verantwoordelijkheden die gepaard gaan met de uitoefening van hun functie, van onberispelijk gedrag te zijn en dienen te beantwoorden aan de legitieme verwachtingen en het vertrouwen dat de patiënt in hem stelt of moet kunnen stellen.

De controle via een uittreksel uit het strafregister stelt de ziekenhuisinstelling in de mogelijkheid om de kwaliteit van de zorg, de veiligheid van de patiënt, de integriteit en de goede naam van de ziekenhuisinstelling, en de bescherming van derden te garanderen.

Solliciterende artsen hebben bovendien de deontologische plicht mee te werken aan het risico- en voorzichtigheidsprincipe dat de ziekenhuisinstelling in acht dient te nemen bij de selectieprocedure van het artsenkorps.

Er dient evenwel te worden opgemerkt dat de arts die in het verleden een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen, niet stelselmatig mag worden geweigerd. Geval per geval moet worden afgewogen of een weigering opportuun is, rekening houdend met de beginselen van medische deontologie.

Tenslotte, dient de ziekenhuisinstelling garant te staan voor de rechten inzake privacy van de solliciterende arts. In de algemene regeling van het ziekenhuis moeten minstens de voorwaarden van aanwerving worden opgenomen.[10] Zodoende moet op een duidelijke wijze worden bepaald:

  • of een uittreksel uit het strafregister zal worden opgevraagd bij de aanwerving;
  • wat de beweegredenen hiervoor zijn;
  • welke veroordelingen de basis kunnen vormen van een weigering;
  • hoe het beoordelingsproces verloopt, dat niet discriminerend mag zijn;
  • wie inzage heeft tot deze persoonsgegevens;
  • hoelang deze persoonsgegevens worden bewaard, hetgeen niet langer mag zijn dan de duur van de aanwervingsprocedure.
  • Besluit

De solliciterende ziekenhuisarts heeft de deontologische plicht om tijdens de aanwervingsprocedure een uittreksel uit zijn strafregister, model art. 595 en model art. 596.2, af te leveren, indien dit door de medische directie van de ziekenhuisinstelling wordt opgevraagd, ter waarborg van de principes van medische deontologie. De ziekenhuisinstelling dient de persoonsgegevens van de betrokken arts te verwerken met respect voor de beginselen inzake privacy en non-discriminatie.


[1] Art. 10, Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG

[2] Art. 119, §1, 2°, c), 2., e), gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, opgeheven door art. 82, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

[3] Art. 30bis, 6°, koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies

[4] Art. 61, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

[5] Art. 596, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; Decreet van de Vlaamse overheid 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers

[6]Uittreksel strafregister - Federale overheidsdienst justitie (belgium.be)

[8] art. 21, §1, lid 2, 3., koninklijk besluit van 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren

[9] Art. 14, tweede lid, Code van medische deontologie

[10] Art. 144, §3, 1°, Gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen

Relatie arts-patiënt15/10/2022 Documentcode: a169021
Addicties - Overleg over de gezondheidstoestand van de patiënt tussen behandelende artsen

De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde in zijn vergadering van 15 oktober 2022 de vraag of een arts de ernstige verslavingsproblematiek van een patiënte mag melden aan een gynaecoloog in de context van de opstart van een fertiliteitsbehandeling.

Het staat wetenschappelijk vast dat het gebruik van alcohol en andere verslavende middelen vanaf de conceptie en gedurende de gehele zwangerschap een zeer nefaste invloed heeft op de ontwikkeling van de vrucht. Het foetaal alcoholsyndroom bij wijze van voorbeeld kenmerkt zich door zeer ernstige afwijkingen[1] waardoor de toekomstsmogelijkheden van het kind zwaar gehypothekeerd worden.

De nationale raad is van oordeel dat in ernstige en bewezen gevallen van ethylisme en/of het gebruik van andere verslavende middelen, nadat de moeder meermaals gewezen werd op de gevaren voor haarzelf en de toekomstige baby, het beroepsgeheim kan wijken om een hoger belang te dienen, namelijk het vrijwaren van de fysieke en psychische integriteit van het ongeboren kind.


[1] Kenmerken van het foetaal alcoholsyndroom

Bij de geboorte

Groeiachterstand
Afwijkende gelaatskenmerken
Neurologische afwijkingen

• slechte spiercoördinatie,
• slechte zuigreflex, kauwproblemen,
• overgevoeligheid voor geluid en/of fel licht,
• slaapproblemen,
• aandacht- en geheugenstoornissen,
• spraakstoornissen,
• aantasting van het gezichtsvermogen,
• leer- en gedragsproblemen, hyperactiviteit, autistisch gedrag,
• mentale achterstand (gemiddeld IQ van 60).
Andere mogelijke afwijkingen
• hartproblemen
• misvormingen aan skelet en interne organen (bv. nieren, lever, geslachtsorganen)
• gehoorproblemen
• misvormingen in heupgewricht
• scoliose
• te hoge of te lage spierspanning
• verstoorde motoriek (fijne bewegingen)
• verhoogde kans op oor- en longontsteking
• beven
• prikkelbaarheid
• impulsief gedrag
• epilepsie
• evenwichtsstoornissen.

Veel voorkomende problemen bij kinderen en volwassenen

• Psychische klachten, psychiatrische problemen (zoals depressie)
• Leerproblemen, slechte schoolprestaties, problemen op het werk
• Gedragsproblemen, crimineel gedrag
• Onaangepast seksueel gedrag
• Alcohol- en drugsproblemen
• Sociaal isolement

Provinciale Geneeskundige Commissie17/09/2022 Documentcode: a169016
Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Gewijzigde artikelen 44 tot 63 met betrekking tot deToezichtcommissie

De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde, op basis van een grondige analyse, de geconsolideerde versie van de artikelen 44 tot 63 met betrekking tot de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg (Toezichtcommissie), gewijzigd door de wet van 30 juli 2022 tot wijziging van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (BS, 8 augustus 2022).

Brief aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Geachte heer minister,

De nationale raad van de Orde der artsen nam met belangstelling kennis van de wet van 30 juli 2022 tot wijziging van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (BS, 8 augustus 2022).

De artikelen 2 tot 21 (hoofdstuk 2) van deze wet brengen ingrijpende wijzigingen en aanvullingen aan in de op 1 juli 2022 in werking getreden artikelen 44 tot 63 (hoofdstuk 4) van de Kwaliteitswet, wat betreft de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg (Toezichtcommissie).

Na grondige analyse van de geconsolideerde versie van de artikelen 44 tot 63 van de Kwaliteitswet vanuit deontologisch, juridisch en medisch oogpunt, is de nationale raad verheugd vast te stellen dat een aanzienlijk aantal bepalingen werden verfijnd, gepreciseerd en vernieuwd en dat lacunes werden opgevuld, rekening houdend met o.m. de door de Orde der artsen geformuleerde deontologische knelpunten en bekommernissen in zijn advies (a169009) van 23 april 2022 (cf. bijlagen).

Heel wat aangekaarte punten, zowel wat betreft de opdracht van de Toezichtcommissie, de samenstelling, de organisatie en werking, de toezichtprocedure als de mogelijk opgelegde maatregelen en sancties, werden in aanmerking genomen. Het is positief dat de toezichtprocedure werd vereenvoudigd met een centrale rol voor de Toezichtcommissie bij klachten en tekortkomingen.

Toch blijven er enkele leemtes, af te lijnen bepalingen en knelpunten.

De nationale raad is van mening dat de volgende deontologische knelpunten de nodige aandacht vereisen alvorens de bevoegde kamers van de Toezichtcommissie daadwerkelijk worden samengesteld en zij hun wettelijk opgelegde taken zullen kunnen opnemen.


(1) Een eerste aandachtspunt betreft de samenstelling van de kamers van de Toezichtcommissie die in de gewijzigde Kwaliteitswet niet meer is vastgelegd.

Overeenkomstig het nieuwe artikel 46, §2, bepaalt de Koning[1] de samenstelling van de kamers van de Toezichtcommissie[2].

Welke leden-gezondheidszorgbeoefenaars andere beroepen in de praktijk zullen beoordelen, algemeen en ad hoc in ieder dossier[3], dient duidelijk te worden ingevuld door uitvoeringsbesluiten. Het initiële artikel 59 van de Kwaliteitswet toonde de intentie om gezondheidszorgbeoefenaars (in belangrijke mate) te laten beoordelen door leden van de betrokken beroepsgroep. Dit spoor lijkt moeilijk terug te vinden in de wet van 30 juli 2022.

Ook de samenstelling van de werkgroepen, bestaande uit leden van de betrokken kamer van de Toezichtcommissie, en de uitbreiding met uitgenodigde experten, die geen deel uitmaken van de multidisciplinaire kamer, verdienen precieze regels met het oog op een objectief en uniform optreden[4] met de vereiste kennis van zaken.

(2) Een andere bezorgdheid betreft de hoedanigheid en de rol van de inspecteurs.

De kamers van de Toezichtcommissie hebben nu de bevoegdheid rechtstreeks aan een inspecteur de instructies te geven voor het uitvoeren van een concreet toezicht op het terrein en de inspecteurs bezorgen hun proces-verbaal aan de bevoegde kamer.

De inspecteurs krijgen nu ook zelf, ‘op eigen initiatief’[5], zonder tussenkomst van de kamer[6] de mogelijkheid een dossier te onderzoeken wat betreft alle vijf in artikel 45, tweede lid, van de Kwaliteitswet genoemde mogelijke tekortkomingen : de fysieke en psychische geschiktheid van de gezondheidszorgbeoefenaar (1°), de naleving van de Kwaliteitswet (2°), de wettige uitoefening van een gezondheidszorgberoep (3°), de naleving van de wet patiëntenrechten (4°) en verdere praktijkvoering die zware gevolgen doet vrezen (5°).

De vraag rijst hoe de bepaling ‘wanneer ze kennis hebben van ernstige en aanhoudende aanwijzingen dat er vermoedelijk sprake is van een tekortkoming ...’ in de praktijk objectief en uniform zal worden geïnterpreteerd en toegepast. De nationale raad is van mening dat bij een dergelijk initiatief heel strikte regels en een verantwoording aan de bevoegde kamer van de Toezichtcommissie dienen te worden vastgelegd.

Het artikel 49 concretiseert welke personen de functie van inspecteur kunnen opnemen, met het oog op de inhoud van de dossiers, de verwachte werklast voor de inspecteurs, hun (ontoereikend) aantal[7] en hun kwalificaties. Wat dit laatste betreft, vraagt de nationale raad, op basis van de toelichting[8], meer garanties.

De Kwaliteitswet hanteert ‘bekwaamheid’ als maatstaf voor kwaliteitsvol handelen. De nationale raad argumenteert opnieuw de noodzaak van een helder afgelijnde definitie van dit begrip en bevestigt zijn standpunt ‘De nationale raad pleit er in deze context voor dat de bekwaamheid van de arts binnen de Toezichtcommissie wordt beoordeeld door “peers”.’[9]. Ook de bekwaamheid van de inspecteurs dient duidelijk te worden gedefinieerd om mogelijk arbitraire beoordelingen ten koste van de zorgkwaliteit en de patiëntveiligheid te vermijden. Hoe zullen de inspecteurs in staat zijn met een adequate kennis van de specifieke problematiek in ieder dossier op te treden?

(3) Een bijzondere bekommernis van de Orde der artsen gaat uit naar de beoordeling van de fysieke en psychische geschiktheid van de gezondheidszorgbeoefenaars om zonder risico's de uitoefening van hun beroep voort te zetten. Tot de inwerkingtreding van de Kwaliteitswet stelde de nationale raad, overeenkomstig zijn bevoegdheid[10], gedurende de laatste decennia onverwijld met zorg, op ieder verzoek van de provinciale geneeskundige commissies, colleges van deskundige artsen samen.

Deze opdracht van de Orde is sinds de inwerkingtreding van het hoofdstuk 4 van de Kwaliteitswet op 1 juli 2022 weggevallen. Zullen de werkgroepen binnen de kamer van de Toezichtcommissie, desgevallend aangevuld met externe experten, de rol van de door de Orde der artsen aangeduide colleges van deskundigen overnemen wat betreft het beoordelen van de fysieke en psychische geschiktheid van de (alle?) gezondheidszorgbeoefenaars? Of is het de bedoeling dat (een groter aantal?) inspecteurs deze taak op zich nemen?

De nationale raad onderstreept dat deze beoordeling door de Toezichtcommissie een bekwaamheid tot diagnosestelling inhoudt en dat bijgevolg een wettelijke garantie dient te worden vastgelegd dat artsen, hetzij als inspecteurs hetzij als experten, worden betrokken bij dergelijke voor de gezondheidszorgbeoefenaars voor hun beroepsuitoefening cruciale beslissingen. Een verbeterplan laat de verdere uitoefening van het beroep toe. Zonder geldig visum als licence to practise kan de beroepsbeoefenaar daarentegen (tijdelijk) zijn beroepsactiviteit niet verder uitoefenen.

De nationale raad dringt erop aan met spoed te vernemen welke uitkomst in de praktijk wat betreft dit toezicht zal worden gegeven, hoe de continuïteit van het toezicht op de momenteel lopende geschorste of ingetrokken visa van de gezondheidszorgbeoefenaars wordt verzekerd en welke richtlijnen de Orde der artsen dient te respecteren wat betreft de actuele vragen omtrent de fysieke en psychische geschiktheid van gezondheidszorgbeoefenaars, zolang de bevoegde kamers van de Toezichtcommissie niet zijn samengesteld en het nodige aantal inspecteurs niet in dienst zijn getreden.

(4) De nationale raad onderschrijft de belangrijke preciseringen en garanties in de wijzigingswet van 30 juli 2022 met betrekking tot de rechten van de verdediging van de gezondheidszorgbeoefenaar, o.m. in het nieuwe artikel 54 van de Kwaliteitswet.

De nationale raad stelt echter vast dat het fundamentele recht van de gezondheidszorgbeoefenaar op de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen een beslissing van de bevoegde kamer van de Toezichtcommissie tot het opleggen van een verbeterplan of het intrekken/schorsen van visum ontbreekt in de Kwaliteitswet. De memorie van toelichting maakt evenmin melding van een beroepsmogelijkheid, noch van de creatie van een beroepsinstantie.

De nationale raad noteert dat tegen het opleggen van een administratieve boete daarentegen wel een beroepsmogelijkheid is voorzien (art. 58/1, §4, 4°).

De mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde kamer van de geneeskundige kamer van beroep was wettelijk vastgelegd bij de beslissingen van de provinciale geneeskundige commissies wat betreft de beoordeling van de vereiste fysieke en psychische geschiktheid van een arts, apotheker, verpleegkundige, een dierenarts of een lid van een paramedisch beroep om zonder risico's de uitoefening van zijn beroep voort te zetten[11].

In de memorie van toelichting bij het initiële artikel 56 van de Kwaliteitswet merken de opstellers op dat ‘Tegen de uiteindelijke beslissing genomen door de minister kan de gezondheidszorgbeoefenaar eventueel in beroep gaan bij de Raad van State’[12]. Dient mutatis mutandis de minister te worden vervangen door de bevoegde kamer van de Toezichtcommissie die in de gewijzigde Kwaliteitswet nu beslist?

(5) Het ingevoegde artikel 58/1 bepaalt uitgebreid de modaliteiten van het geheel nieuwe concept van de administratieve boete die kan worden opgelegd (art. 56, al. 1, 1°, b) en 2°, c)). Deze boete is geen sanctie op zich, naast het verbeterplan en het intrekken of schorsen van het visum, maar vormt een stok achter de deur wanneer de beroepsbeoefenaar de maatregelen niet naleeft of niet uitvoert.

Dit artikel besteedt ruime aandacht aan de rechten van de verdediging waaronder de garantie op een duidelijke communicatie met de gezondheidszorgbeoefenaar en op een, in dit geval wel voorziene, beroepsmogelijkheid (cf. supra art. 58/1, §4, 4°). Bij welke instantie de beroepsbeoefenaar hiervoor terecht kan, wordt nergens vermeld.

Bijzonder zorgwekkend volgens de nationale raad is de toegevoegde derde reden waarvoor een administratieve boete kan worden opgelegd in artikel 58/1, §1, tweede lid : ‘Tevens kan een administratieve boete zoals bedoeld in het eerste lid worden opgelegd aan de gezondheidszorgbeoefenaar die weigert zijn medewerking te verlenen aan de onderzoeksdaden bedoeld in artikel 52.’

Een boete omwille van niet-medewerking aan de onderzoeksdaden door de kamer van de Toezichtcommissie vraagt om verdere studie wat betreft het recht op verdediging in het licht van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, artikel 6.1, E.V.R.M. en 14, 3, g, IVBPR.

Over de verplichte medewerking van de arts aan het tuchtonderzoek door de Orde[13], werd binnen de nationale raad grondig gereflecteerd o.m. bij de redactie van zijn hervormingsvoorstellen (2016) evenals van de vernieuwde Code van medische deontologie (2018) en zijn commentaar (2019). Dergelijke bepaling is overeenkomstig de door o.m. internationaalrechtelijke regels gewaarborgde rechten van de verdediging niet meer opgenomen als deontologische verplichting.

De nationale raad acht het raadzaam om, analoog met de tuchtprocedure door de deontologische Ordes, te onderzoeken of de Toezichtcommissie, op straffe van een administratieve boete, een gezondheidszorgbeoefenaar legitiem het recht kan ontnemen niet verplicht te zijn bij te dragen tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten en mee te werken aan zijn veroordeling.

De restrictie ‘De beroepsbeoefenaar heeft niet de vrijheid om zich aan het onderzoek door de deskundigen te onttrekken.’ in het opgeheven[14] artikel 119, §1, 2°, b), tweede lid, WUG, wat betreft de beoordeling van de fysieke en psychische geschiktheid van de gezondheidszorgbeoefenaar, rechtvaardigt geenszins de genoemde bepaling in het artikel 58/1, §1, tweede lid, van de Kwaliteitswet.

(6) De bepalingen betreffende een door hem op te stellen huishoudelijk reglement (art. 59/1) concretiseren de werking van de Toezichtcommissie. Wat betreft de informatie over de andere mogelijkheden voor de afhandeling van de klacht (art. 59/1, tweede lid, 2°)[15], ondersteunt de nationale raad de verwijzing van de opstellers[16] naar ‘verschillende instanties’ voor ‘vaak verschillende aspecten’ bij ‘eenzelfde gedraging van de gezondheidszorgbeoefenaar’ maar merkt op dat de vermelding van de deontologische organen (Orde der artsen, …) hier ontbreekt. De Orde der artsen zet, in het licht van de positieve deontologie, steeds meer in op bemiddeling, overleg en preventie alvorens sanctionerend op te treden.

(7) Wat betreft de communicatie van de door hem opgelegde maatregelen en sancties door de Toezichtcommissie, herhaalt de nationale raad de bekommernissen die de Orde formuleerde in zijn analyse van 23 april 2022 (p. 75).

Met het oog op een veilige en loyale beroepsuitoefening door alle gezondheidszorgbeoefenaars stelt de nationale raad verder zijn expertise ter beschikking, in het belang van een kwaliteitsvolle zorg voor de patiënt en de volksgezondheid.

Met de meeste hoogachting,

voor de nationale raad,

B. DEJEMEPPE,

Voorzitter.

BIJLAGEN

  • Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Deontologische knelpunten en bekommernissen’ (advies nationale raad, 23 april 2022, a169009)
  • integrale analyse van de Kwaliteitswet (bijlage bij advies nationale raad, 23 april 2022, a169009)


[1]‘De minimale criteria inzake samenstelling van de kamers worden in de wet geregeld. Verdere normen inzake samenstelling, zoals het aantal leden, zullen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden bepaald.’ (memorie van toelichting, p. 9)

[2]Enkel wat betreft het nemen van een dringende voorlopige maatregel is een beperkte samenstelling van ‘de kamer samengesteld uit de voorzitter en twee leden’ (art. 57, eerste lid) bepaald, in het geval er bij verdere praktijkvoering voor zware en imminente gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid wordt gevreesd. Er wordt niet vermeld of leden van de betrokken beroepsgroep worden bedoeld..

[3]De opstellers bij de initiële Kwaliteitswet dachten hier zelfs aan ‘bijvoorbeeld regels [...] voor de samenstelling van de kamers indien een persoon beschikt over een titel van verschillende gezondheidszorgberoepen of indien er verschillende gezondheidszorgbeoefenaars betrokken zijn bij eenzelfde dossier...’.

[4]art. 59/1, tweede lid, 4°.

[5]art. 45, tweede lid, b) (cf. memorie van toelichting p. 8) en art. 51, tweede lid.

[6]memorie van toelichting, p. 13.

[7]‘Bovendien zullen budgettair de nodige middelen worden vrijgemaakt om meerdere inspecteurs aan te werven.’ (memorie van toelichting, p. 5)

[8]Volgende wijzigingen worden aangebracht:

— […] Idealiter zijn de inspecteurs gezondheidszorgbeoefenaars maar dat is geen vereiste. Bedoeling is dat voor de voorbereiding van de dossiers beroep kan worden gedaan op inspecteurs met verschillende profielen. De Kamers die zijn samengesteld uit gezondheidszorgbeoefenaars en die de inspecteurs aansturen, zullen in functie van de kenmerken van elk dossier de meest geschikte en competente inspecteur inzetten. Dat zal indien de inspecteur een gezondheidszorgbeoefenaar is niet noodzakelijk een gezondheidszorgbeoefenaar van dezelfde categorie als de geïnspecteerde zijn. De Kamers zullen evenwel steeds waken over de gelijkheid tussen de inspecteur en de gezondheidszorgbeoefenaar die wordt geïnspecteerd. Er bestaat geen twijfel over dat elke inspectie zeer gegrond moet worden uitgevoerd. Het is dan ook niet uitgesloten dat een Kamer die van oordeel is dat een inspectie niet behoorlijk werd uitgevoerd een tweede inspectie desgevallend door een andere inspecteur beveelt;[…]

— indien de inspecteurs geen gezondheidszorgbeoefenaar zijn moeten zij een specifieke opleiding volgen met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de Toezichtcommissie bevoegd is. Ook inspecteurs die wel gezondheidszorgbeoefenaar zijn zullen een specifieke opleiding moeten volgen voor de aangelegenheden waarin zij geen inzicht hebben op basis van hun specifiek gezondheidszorgberoep. (nieuwe § 2/2) Dergelijke opleiding draagt bij aan een degelijke voorbereiding van de dossiers door competente inspecteurs. Deze vereiste inzake opleiding heeft ook betrekking op de inspecteurs van het FAGG en het RIZIV zoals bedoeld in paragraaf 2.

Bij koninklijk besluit kan worden bepaald waaraan deopleiding telkens moet voldoen. (wijziging § 3)’

(memorie van toelichting, p. 12).

[9]cf. integrale analyse Kwaliteitswet, bijlage bij ‘Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Deontologische knelpunten en bekommernissen’ (advies NR, 23 april 2022, a169009), pp. 12-14.

[10]cf. Koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies, artt. 11 e.v.

[11]cf. Koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies, artt. 24 tot 30.

[12]cf. integrale analyse Kwaliteitswet, bijlage bij ‘Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg – Deontologische knelpunten en bekommernissen’ (advies NR, 23 april 2022, a169009), p. 73.

[13]opgelegd door het voormalige artikel 69 van de Code van geneeskundige plichtenleer (1975).

[14]door art. 82 van de Kwaliteitswet.

[15]In dit verband herinnert de nationale raad aan zijn vraag betreffende het principe non bis in idem in zijn analyse van 23 april 2022 (p. 76).

[16]memorie van toelichting, p. 21.

Getuigschrift van arbeidsongeschiktheid17/09/2022 Documentcode: a169017
Mogelijkheid voor een arts om een ongeschiktheidsattest te verstrekken na afloop van een raadpleging op afstand.

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht of een arts een getuigschrift van ongeschiktheid kan verstrekken na afloop van een raadpleging op afstand.

Voor het opstellen van een getuigschrift van ongeschiktheid gelden dezelfde deontologische regels, ongeacht of het opstellen gebeurt na afloop van een raadpleging op afstand of na een fysieke raadpleging.

De medische deontologie bepaalt dat de arts die een medisch feit beschrijft of vaststelt, moet waarheidsgetrouw, objectief en voorzichtig te werk gaan (artikel 26 CMD 2018; advies van 19 september van de nationale raad, ‘Opstellen van medische documenten : principes en aanbevelingen’, a167021).

De arts baseert zich op medische feiten die hij zelf vastgesteld heeft om objectief een medisch gegrond advies uit te brengen over de geschiktheid van de patiënt om een bepaalde activiteit te verrichten.

Momenteel verlopen de meeste raadplegingen op afstand via telefoon of video, zonder aanwezigheid van geavanceerde technologische middelen of zonder bijstand van een zorgberoepsbeoefenaar aan de patiënt.

In deze omstandigheden, kan een getuigschrift van ongeschiktheid slechts worden verstrekt na afloop van een raadpleging op afstand indien een fysiek onderzoek niet vereist is en indien de anamnese of de gegevens in het patiëntendossier voldoende objectieve gegevens bevatten om te beoordelen of de patiënt geschikt is om een bepaalde activiteit te verrichten. Deze situaties zijn uitzonderlijk en, behalve in bijzondere omstandigheden, zijn een goede kennis van de medische situatie van de patiënt (bijvoorbeeld bij een chronische ziekte) en toegang tot zijn gezondheidsgegevens vereist.

De beroepsverenigingen dienen, per specialisme, richtlijnen uit te werken in verband met het inzetten van raadplegingen op afstand en de opportuniteit om geneesmiddelen voor te schrijven en medische documenten te verstrekken.

Indien de arts over onvoldoende objectieve gegevens beschikt om een ongeschiktheid te attesteren, stelt hij de patiënt een fysieke raadpleging voor.

Net als bij een fysieke raadpleging, moet elke raadpleging op afstand geregistreerd worden in het medisch dossier, alsook de eventuele afgifte van documenten.

De arts is voorzichtig en nauwkeurig bij het opstellen van een getuigschrift. Hij vermeldt niet op het getuigschrift dat hij de patiënt fysiek onderzocht heeft indien dit niet het geval is.

De deontologische regels die nageleefd moeten worden bij een medische raadpleging op afstand zijn uiteengezet in het advies van 18 juni 2022 van de nationale raad, ‘Teleconsultaties in het huidige zorglandschap – deontologische

Regels’, a169012. Ze preciseren met name dat de patiënt gewezen dient te worden op de grenzen van een raadpleging op afstand en van het verstrekken van een getuigschrift van ongeschiktheid.

Iedere arts draagt de verantwoordelijkheid om op een correcte wijze gebruik te maken van raadplegingen op afstand, die een nuttige en in bepaalde situaties noodzakelijke aanvulling kunnen zijn, met het oog op een kwaliteitsvolle geneeskunde in het voordeel van de patiënt en in het belang van de gemeenschap.

Sedert 1 augustus 2022 bestaat er een nieuw kader voor de terugbetaling van medische teleconsultaties, dat raadpleegbaar is op de website van het Riziv

https://www.riziv.fgov.be/nl/themas/kost-terugbetaling/door-ziekenfonds/Verstrekkingen-op-afstand-artsen/Paginas/default.aspx (geraadpleegd op 14 september 2022).

COVID-1917/09/2022 Documentcode: a169019
Deontologische plicht van de arts tot het dragen van een mondmasker in zijn medisch kabinet als preventiemaatregel om de verdere circulatie van het Coronavirus te verhinderen

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 17 september 2022 de vraag onderzocht of de arts deontologisch verplicht is een mondmasker te dragen in zijn dokterspraktijk (inclusief de wachtzaal).

In de ziekenhuizen en de zorginstellingen is elke arts wettelijk verplicht een mondmasker te dragen. Deze regelgeving geldt voor het hele Belgische grondgebied.[1]

Daarnaast, zijn de huisarts en de arts-specialist met een privépraktijk, werkzaam in Wallonië en Brussel, wettelijk verplicht een mondmasker te dragen in hun dokterskabinet.[2] In Vlaanderen geldt deze wettelijke verplichting niet.

Het wettelijk beleid omtrent de verplichting tot het dragen van een mondmasker voor de huisarts en de arts-specialist met een privépraktijk verschilt aldus naargelang de regio. Nochtans, gaat dit verschil in beleid niet samen met de incidentie van het aantal gevallen per regio. De nationale raad pleit bijgevolg voor één uniform beleid voor gans België.

Los van de wettelijke verplichting, behoort de preventiemaatregel van het dragen van een mondmasker in het medisch kabinet ook tot één van de plichten van medische deontologie. De aandacht voor het Coronavirus mag maatschappelijk dan wel sterk gedaald zijn, evenals de vele maatregelen rond de beperking van contacten en quarantaine, het virus circuleert nog steeds en het blijft de taak van de arts om waakzaam te zijn en de gezondheid van elke patiënt te beschermen.

Zolang de wetenschappelijke instanties het dragen van het mondmasker in het dokterskabinet aanbevelen[3], heeft elke arts de deontologische plicht deze maatregel op te volgen, op basis van de Code van medische deontologie.

De preventiemaatregel van het dragen van een mondmasker draagt bij tot:

- de bescherming van de gezondheid van de patiënt, in het bijzonder de patiënt die tot de risicogroep behoort door hoge leeftijd of onderliggende aandoening (art. 5, Code van medische deontologie);

- de bescherming van de gezondheid van de arts, die dient in te staan voor de continuïteit van de zorg (artt. 8, 10 en 13, Code van medische deontologie);

- de kwaliteit van de zorg (artt. 3 en 8, Code van medische deontologie);

- de veiligheid van de patiënt (artt. 9 en 39, Code van medische deontologie);

- en de verhindering van de verdere circulatie van het Coronavirus (artt. 4 en 5, Code van medische deontologie).

Deze maatregel wordt door de nationale raad geacht proportioneel te zijn aan het beoogde doel.

De arts mag daarnaast, ter bescherming van de andere patiënten en zijn eigen gezondheid, vragen aan de patiënt om eveneens een mondmasker te dragen wanneer deze laatste de praktijk betreedt.


[1] Art. 8, §1, 13°, Decreet van 21 oktober 2021 van de Waalse overheid betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht; art. 3, §1, Besluit van 11 maart 2022 van de Vlaamse regering over een mondmaskerplicht in het openbaar vervoer en in de zorginstellingen; art. 2, §1, Besluit van 22 mei 2022 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de mondmaskerplicht in zorginstellingen en tot opheffing van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijk Gemeenschapscommissie van 22 april 2022 betreffende de mondmaskerplicht in het openbaar vervoer en in zorginstellingen.

[2] Art. 8, §1, 13°, Decreet van 21 oktober 2021 van de Waalse overheid betreffende het gebruik van het COVID Safe Ticket en de mondmaskerplicht; art. 2, §1, Besluit van 22 mei 2022 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de mondmaskerplicht in zorginstellingen en tot opheffing van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijk Gemeenschapscommissie van 22 april 2022 betreffende de mondmaskerplicht in het openbaar vervoer en in zorginstellingen.

[3]Mondmaskers | Coronavirus Covid-19 (sciensano.be)