keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Media19/06/2026 Documentcode: a173005
Het gebruik van sociale media door een arts

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht over het gebruik van sociale media door artsen om medische informatie te verspreiden met een pedagogisch doeleinde naar patiënten en collega’s toe.

De arts kiest een passend communicatiekanaal, rekening houdend met het doel en de inhoud van zijn publicatie. De verstrekte medische informatie moet duidelijk, objectief, zorgvuldig en genuanceerd zijn, in overeenstemming met de actuele stand van de wetenschap, en mag niet aanzetten tot het verrichten van onnodige prestaties of behandelingen.

Sociale media maken een snelle verspreiding van informatie mogelijk bij een breed publiek. Echter bieden ze doorgaans geen voorafgaande controle van de online gepubliceerde inhoud (wat betreft onder meer de methodologische kwaliteit, de wetenschappelijke nauwkeurigheid, de transparantie over eventuele belangenconflicten en de verifieerbaarheid van de verspreide informatie, enz.).

Door de stroom aan informatie van wisselende kwaliteit op sociale media is het moeilijk om te bepalen welke inhoud in overeenstemming is met de wetenschappelijke bevindingen, en blijft er verwarring bestaan over de betrouwbaarheid.

Wanneer een publicatie een educatief doel heeft en gericht is op patiënten, is het aangewezen samen te werken met instellingen of organisaties zoals ziekenhuizen, overheidsinstanties en wetenschappelijke verenigingen. Op die manier kan informatie eerst via hun website worden verspreid en vervolgens via sociale media worden gedeeld.

Wat de verspreiding van wetenschappelijke kennis onder collega’s betreft, vormen medische tijdschriften met peer review, wetenschappelijke congressen en wetenschappelijke verenigingen de meest geschikte communicatiemiddelen.

Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB)19/06/2026 Documentcode: a173006
Extern geslachtsonderzoek door het CLB of de dienst PSE – toestemming van de minderjarige leerling of de ouders

In zijn vergadering van 19 juni 2026 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag onderzocht of en volgens welke modaliteiten de arts van het CLB of de dienst PSE de toestemming van de minderjarige leerling dan wel van de ouders moet verkrijgen voor de uitvoering van het medisch extern geslachtsonderzoek (als onderdeel van de systematische contacten georganiseerd door het CLB of de verplichte individuele gezondheidsevaluaties georganiseerd door de dienst PSE).

Het CLB en de dienst PSE vervullen een belangrijke rol binnen de preventieve gezondheidszorg en de gezondheidspromotie van leerlingen en studenten. Zij hebben als wettelijk opdracht onder meer het organiseren van medische follow-ups, waarvan de frequentie en de inhoud worden bepaald door respectievelijk de Vlaamse en de Waalse regering.[1],[2],[3] De uitvoering ervan is wettelijk verplicht.

In beide landsdelen bestaat de mogelijkheid voor de ouders of de leerlingen zich te verzetten tegen de uitvoering van de medische follow-up door een arts van het centrum. In voorkomend geval moet een arts van een andere dienst of centrum, bevoegd voor de opdracht in kwestie, diezelfde medische onderzoeken uitvoeren, waarvan de resultaten moeten worden doorgegeven aan het centrum.[4],[5]

Het verplichte karakter van de medische follow-up en het recht op verzet doen geen afbreuk aan andere wettelijke en deontologische plichten van de arts en de rechten van de patiënt, zoals het recht op informatie[6], het recht op geïnformeerde toestemming[7], het recht om een tussenkomst te weigeren[8], het recht op menselijke waardigheid en zelfbeschikking[9], het recht op respect voor zijn intimiteit[10], enz.

Leerlingen en ouders moeten voorafgaand aan het onderzoek op een begrijpelijke wijze voldoende informatie ontvangen over het doel, de aard en het verloop van het medisch onderzoek.

Onderzoeken met een gevoelig karakter, zoals het onderzoek van de schaamstreek en het geslachtsonderzoek moeten voorafgaandelijk worden toegelicht en besproken. Het medisch belang voor de preventieve opsporing van bepaalde ziekten moet worden onderstreept. Het onderzoek kan namelijk pathologieën aan het licht brengen die een verdere opvolging noodzaken. Dit is het geval bij de ontdekking van een liesbreuk, een hydrocele, een varicocele, testistumoren, een toestand van pubertas praecox, e.a.

Voor elke medische handeling is de toestemming van de minderjarige leerling vereist, rekening houdend met diens leeftijd en onderscheidingsvermogen. Bij wilsonbekwaamheid van de minderjarige wordt de toestemming gegeven door de ouders.

Bij de uitvoering van het systematisch contact moet de arts overeenkomstig de regels van medische deontologie steeds empathisch, respectvol en zorgzaam omgaan met de leerling. Daarbij moet rekening worden gehouden met de leeftijd, maturiteit, persoonlijkheid en eventuele gevoeligheden van het kind.

Indien een leerling weerstand vertoont, dient de arts maximaal in te zetten op dialoog, informatieverstrekking en een respectvolle benadering, met bijzondere aandacht voor het welzijn en de waardigheid van het kind.

Alle relevante elementen worden genoteerd in het patiëntendossier (de verstrekte informatie, de toestemming, de uitgevoerde onderzoeken, een eventuele weerstand, een weigering van toestemming, enz.)

Ten slotte, acht de nationale raad het wenselijk dat de centra duidelijke en uniforme richtlijnen vaststellen betreffende de communicatie met ouders en leerlingen, evenals betreffende de praktische uitvoering van onderzoeken en gevoelige medische handelingen.

Het systematisch bespreken van het nut en de mogelijke bevindingen van een medisch onderzoek, bijvoorbeeld in de lessen maatschappelijke vorming, kan bijdragen aan het versterken van het vertrouwen van leerlingen.


[1] Art. 4, §2, lid 4, decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

[2] Art. 2, lid 1, 2° juncto art. 7, §1, decreet van 14 maart 2019 betreffende de bevordering van de gezondheid op scholen en in het hoger onderwijs buiten de universiteiten.

[3] Besluit van 13 juni 2002 van de Regering van de Franse Gemeenschap waarbij wordt geregeld hoe dikwijls, volgens welke inhoud en op welke wijze de check-ups worden verricht, bij toepassing van het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school.

[4] Art. 8, §2, besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 2018 tot operationalisering van de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

[5] Art. 8, besluit van 13 juni 2002 van de Regering van de Franse Gemeenschap waarbij wordt geregeld hoe dikwijls, volgens welke inhoud en op welke wijze de check-ups worden verricht, bij toepassing van het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school.

[6] Art. 7, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van patiënt.

[7] Art. 8, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

[8] Art. 8/1, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

[9] Art. 5, lid 2, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

[10] Art. 10, §2, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

Code van medische deontologie (Interpretatie van de-)19/06/2026 Documentcode: a173007
De deontologische regels die de arts leiden bij zijn aanvragen van laboratoriumonderzoeken

De nationale raad van de Orde der artsen wordt door de Hoge Raad van artsen-specialisten en huisartsen om advies verzocht over het toenemende gebruik van laboratoriumtesten waarvan de klinische relevantie niet is bewezen en de wetenschappelijke validatie onvoldoende of zelfs onbestaande is.

1. De vaststelling dat een aanzienlijk deel van de aanvragen voor laboratoriumtests in de ambulante zorg betrekking heeft op onderzoeken waarvoor weinig wetenschappelijk bewijs bestaat, is een van de redenen waarom het RIZIV en de FOD Volksgezondheid het platform Prescription Search Support (PSS) Klinische Biologie[1] hebben ontwikkeld.

2. De diagnostische en therapeutische vrijheid is een gereglementeerde vrijheid die aan voorwaarden is gebonden[2].

Het voorschrijven van laboratoriumonderzoek moet gebaseerd zijn op klinische gronden en wetenschappelijke redeneringen. Een arts die bij de zorgverlening afwijkt van de huidige stand van de wetenschap, moet zijn keuze op rationele wijze kunnen verantwoorden.

Een voorschrift kan niet voldoen aan de normen van goede praktijkvoering wanneer het gaat om een onvoldoende wetenschappelijk bewezen praktijk of wanneer het is ingegeven door een pseudowetenschappelijke benadering.

Het verband tussen een analyt en een klinische aandoening of fysiologische toestand moet wetenschappelijk worden onderbouwd.

3. Er mag geen misbruik worden gemaakt van het vertrouwen van de patiënt wat betreft de relevantie van een onderzoek of de betrouwbaarheid van de interpretatie van de resultaten daarvan.

Zijn angst mag niet worden uitgebuit om hem een behandeling te laten accepteren die, in voorkomend geval, buitensporig duur is, zonder dat er wetenschappelijk bewijs is voor de doeltreffendheid ervan.

4. De informatie die aan de patiënt wordt verstrekt[3] is duidelijk, objectief, voorzichtig, genuanceerd en in overeenstemming met de wetenschappelijke bevindingen en normen inzake goede medische praktijkvoering.

5. De arts onthoudt zich ervan onnodig dure of overbodige verstrekkingen ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of ten laste van de patiënt voor te schrijven, uit te voeren of te laten uitvoeren[4].

De verhouding tussen het belang en de kosten van de zorg voor de patiënt moet eveneens redelijk zijn.

6. De voorschrijvende arts behoudt zijn onafhankelijkheid door elk belangenconflict of elke belangenvermenging in zijn relaties met een laboratorium voor klinische biologie te vermijden.

7. De klinisch bioloog draagt de verantwoordelijkheid kwaliteitsvolle zorg te verstrekken. Hij weigert om een analyse uit te voeren en aan te bieden waarvan hij meent dat ze niet gerechtvaardigd is op medisch gebied en indruist tegen het belang van de patiënt, voornamelijk omwille van de hoge kostprijs en de niet-terugbetaling door de verzekering geneeskundige verzorging[5].

Hij geeft zijn collega’s advies betreffende de keuzes van laboratoriumonderzoek en de manier waarop gebruik kan worden gemaakt van de laboratoriumdiensten. Niet alle aangevraagde verrichtingen, hoewel technisch uitvoerbaar, zijn altijd zinvol. De voorschrijver moet worden gewezen op het nut van specifiek onderzoek. De klinisch biologen moeten bekend zijn met de diagnostische performantie van de analysemethoden[6].


[1]https://www.riziv.fgov.be/nl/thema-s/egezondheid/beslissingsondersteunend-platform-voor-voorschrijvers-meer-gepaste-zorg-en-minder-veiligheidsrisico-s/pss-klinische-biologie-samen-voor-efficiente-zorg - geraadpleegd op 20 april 2026

[2] Art. 73, § 1, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; art. 4 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg; art. 144, § 1 , van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen; art. 7 van de Gecommentarieerde Code van medische deontologie.

[3] Art. 8, § 2, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt bepaalt dat (…) de inlichtingen (…) minstens betrekking hebben op:
1° het doel de aard, de graad van urgentie, de duur, de frequentie;
2° de te verwachte ontwikkelingen en nazorg van de tussenkomsten;
3° de voor de patiënt relevante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico's;
4° de mogelijke alternatieven, al dan niet uitgevoerd door een andere gezondheidszorgbeoefenaar;
5° andere voor de patiënt relevante verduidelijkingen, desgevallend met inbegrip van de wettelijke bepalingen die met betrekking tot een tussenkomst dienen te worden nageleefd.

Overeenkomstig het eerst lid, informeert de gezondheidszorgbeoefenaar de patiënt over de financiële gevolgen van de tussenkomst onverminderd artikel 73, § 1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

[4] Art. 73, § 1er, 2de lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ; art. 41 van de Code van medische deontologie

[5] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 16 september 2023, ‘Weigering door klinisch bioloog van bepaalde analyses waarvan het belang op wetenschappelijk gebied in twijfel wordt getrokken en die een hoge kost voor de patiënt met zich meebrengen’, a170015.

[6] Praktijkrichtlijn voor het opzetten van een kwaliteitssysteem in de erkende laboratoria voor klinische biologie "Werkgroep Praktijkrichtlijn” van de Commissie voor klinische biologie binnen Sciensano, versie 4-2025, p. 32

Orde der artsen (Hervorming van)10/03/2026
VOORSTEL HERVORMING ORDE DER ARTSEN 2026

De Orde der artsen heeft, in overleg met haar organen, een voorstel tot hervorming uitgewerkt, dat u hierbij gevoegd vindt.

Het voorstel beoogt een constructieve bijdrage te leveren aan de hervorming die door het kabinet van de minister van Volksgezondheid zal worden voorbereid. Het legt de nadruk op de elementen die wij als Orde essentieel achten om het hoofd te bieden aan de toekomstige deontologische uitdagingen binnen het artsenkorps.

Met dit initiatief wensen wij onze expertise ter beschikking te stellen met het oog op de uitbouw van een moderne, transparante en maatschappelijk verankerde structuur, in het belang van de patiënt, de arts en de volksgezondheid.

Hierna lichten wij de krachtlijnen van het voorstel toe:

Het voorstel voorziet in een versterkte transparantie ten aanzien van zowel het publiek als de artsen.

Er zal een publiek jaarverslag worden opgesteld met informatie over de werking van de Orde en de uitvoering van haar wettelijke opdrachten.

Daarnaast zal op de website van de Orde een geanonimiseerd repertorium van de belangrijkste tuchtbeslissingen worden gepubliceerd, met respect voor de toepasselijke regelgeving inzake privacy en gegevensbescherming.

Het voorstel beoogt een vernieuwing en bredere representativiteit binnen de organen van de Orde.

Zo wordt bepaald dat een mandaat kan worden opgenomen na vijf jaar inschrijving op de lijst van de Orde, om ook jongere artsen reële kansen te bieden zich in te zetten binnen de Orde.

Met het oog op meer diversiteit en om te vermijden dat steeds dezelfde personen mandaten opnemen, wordt het aantal mandaten per persoon beperkt tot vier.

Het voorzitterschap van de federale raad wordt waargenomen door twee artsen, één uit elke taalgroep, wat een collegiaal en evenwichtig federaal bestuur moet bevorderen.

Daarnaast wordt bepaald dat vertegenwoordigers van patiëntenorganisaties kunnen deelnemen aan de vergaderingen van de federale raad, om de maatschappelijke verankering en de dialoog te versterken.

Het voorstel voorziet eveneens in een grondige hervorming van de tuchtrechtelijke organisatie, met bijzondere aandacht voor rechtszekerheid, onpartijdigheid en conformiteit met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Cassatie.

De voornaamste elementen zijn:

  • de oprichting van twee tuchtraden van eerste aanleg (één per taalgroep), om de onpartijdigheid te waarborgen en de eenheid van de rechtspraak te bevorderen;
  • de invoering van een duidelijke scheiding tussen het onderzoek, de verwijzingsbeslissing en de tuchtbeslissing;
  • de invoering van openbaarheid van de zittingen van de tuchtraden van eerste aanleg, behoudens wettelijk voorziene uitzonderingen;
  • de versterking van de positie van de klager, onder meer via een expliciet hoorrecht en een recht op informatie;
  • de verdere waarborg en explicitering van de rechten van verdediging van de betrokken arts.

Naast haar normerende en handhavende opdracht wenst de Orde haar educatieve en preventieve rol te versterken.

De federale raad krijgt de opdracht om vormende activiteiten te organiseren, zoals symposia, seminaries en debatten, om reflectie over deontologische vraagstukken in verband met maatschappelijke evoluties te bevorderen.

De Orde wil zich aldus niet enkel profileren als handhavende instantie, maar ook als een forum voor preventie, dialoog en bevordering van minnelijke conflictoplossing.

Ten slotte, wordt er bijzondere aandacht besteed aan de begeleiding van artsen met psychosociale problemen.

Patiëntenrechten27/02/2026 Documentcode: a173003
report_problem

In dit advies werd de verwijzing naar Unia, de onafhankelijke interfederale openbare instelling die discriminatie bestrijdt en gelijkheid bevordert, vervangen door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen dat bevoegd is ter zake.

Toewijzing van gemeenschappelijke kamers aan transgender of niet-genormeerde patiënten.

De nationale raad van de Orde der artsen wordt om advies verzocht of er rekening gehouden moet worden met de genderidentiteit of het toegewezen geslacht wanneer de patiënt tijdens zijn ziekenhuisopname kiest voor een gemeenschappelijke kamer.

Om zijn antwoord te onderbouwen heeft de nationale raad het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen geraadpleegd. Dit Instituut is van mening dat de patiënt een kamer moet krijgen op basis van zijn genderidentiteit (d.w.z. de persoonlijke ervaring van zijn eigen gender, die al dan niet overeenkomt met het geslacht dat bij de geboorte toegekend is of op de identiteitskaart vermeld staat).

De nationale raad herinnert eraan dat initiatieven die het welzijn en de waardigheid van de patiënt bevorderen met het oog op een humane en inclusieve geneeskunde met respect voor de individuen, bijdragen tot de toegang tot de zorg en bijgevolg tot de kwaliteit van de zorg.

Hoewel de administratieve dienst die verantwoordelijk is voor de opname doorgaans het geslacht dat in de identiteitsdocumenten vermeld staat in aanmerking neemt, moet dan ook een oplossing gezocht worden om het comfort van de patiënt te waarborgen wanneer het wettelijke geslacht niet overeenkomt met de genderidentiteit. De beleving van de genderidentiteit primeert op administratieve belangen.

De waarden van het beroep pleiten voor respect voor de persoonlijke levenssfeer, de intimiteit en de identiteit van alle patiënten (cultureel, seksueel, religieus, filosofisch, enz.). Dit houdt in dat een evenwicht gezocht moet worden tussen enerzijds de organisatorische beperkingen en de kwaliteitseisen en anderzijds de specifieke behoeften van ieder individu.

Getuigschrift27/02/2026 Documentcode: a173004
Omzichtigheid bij attestering van ‘gewichtige medische tegenindicaties’ voor vrijstelling van de gordelplicht.

De nationale raad werd geraadpleegd door de FOD Mobiliteit in verband met het stijgend aantal aanvragen voor een vrijstelling van de gordelplicht. Bij de aanvraag moet een medisch attest worden gevoegd dat voldoet aan bepaalde vormvereisten[1] en dat hoogstens 10 jaar geldig is.[2]

De stijging van het aantal aanvragen heeft wellicht te maken met recent gewijzigde regelgeving, waardoor elke verleende vrijstelling zonder geldigheidsduur die niet overeenkomt met het nieuwe model, zijn geldigheid is verloren op 1 januari 2026.[3]

De vrijstelling voor het dragen van de veiligheidsgordel moet een uitzondering blijven, aldus de FOD Mobiliteit. Hij legt de nadruk op de verkeersveiligheid en het levensreddend aspect van de veiligheidsgordel en verzoekt de nationale raad de artsen te herinneren aan de deontologische aspecten van medische attestering.

De nationale raad roept de artsen op om terughoudend te zijn bij de attestering van ‘gewichtige medische tegenindicaties’ voor het dragen van de veiligheidsgordel.

De deontologische beginselen van zorgvuldigheid, voorzichtigheid en objectiviteit moeten worden nageleefd.[4]

Subjectieve ongemakken van de patiënt bij het dragen van de veiligheidsgordel vormen in de regel geen ‘gewichtige medische tegenindicatie’.

De ‘gewichtige medische tegenindicatie’ moet concreet, individueel en proportioneel zijn, en moet gemotiveerd worden in het patiëntendossier.

De Orde der artsen roept de FOD Mobiliteit op tot het opstellen van een lijst van medische tegenindicaties die als voldoende ‘gewichtig’ kunnen worden beschouwd om een vrijstelling te rechtvaardigen, alsook zelf te voorzien in een medische dienst die de ‘gewichtige medische tegenindicaties’ beoordeelt.

Tenslotte, bij twijfel over de waarachtigheid van het medisch attest, maakt de FOD Mobiliteit het dossier over aan de bevoegde provinciale raad van inschrijving van de arts, met het oog op een passend deontologisch gevolg.


[1] Overeenkomstig artikel 4, §3, van het Ministerieel besluit van 23 januari 2022 betreffende de vrijstelling van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem, moet het medisch attest volgende gegevens bevatten:

  • naam, voornaam, stempel en handtekening van de attesterende arts;
  • naam, voornaam, geboortedatum en adres van de aanvrager;
  • datum waarop het attest wordt uitgereikt;
  • duur van de gewichtige medische tegenindicatie.

[2] Artikel 4, §2, van het Ministerieel besluit van 23 januari 2022 betreffende de vrijstelling van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem.

[3] Artikel 7, van het Ministerieel besluit van 23 januari 2022 betreffende de vrijstelling van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem.

[4] Cf. artikel 26, Code van medische deontologie; advies van de nationale raad van 19 september 2020, ‘Opstellen van medische documenten – principes en aanbevelingen’.

Telegeneeskunde23/01/2026 Documentcode: a173002
De deontologische beginselen van toepassing op telegeneeskunde


1. Inleiding

2. Definitie

3. Wettelijk kader en grensoverschrijdend karakter

4. Medische deontologie en telegeneeskunde

4.1. Zorgkwaliteit en patiëntveiligheid

4.2. Gelijke behandeling

4.3. Praktijkinformatie en publiciteit

4.3.1. Verbod op misleidende publiciteit

4.3.2. Wetenschappelijke referenties op websites

4.4. Bekwaamheid en portfolio

4.5. Kwaliteitsvol verloop van een teleconsultatie

4.6. Vrije artsenkeuze

4.7. Financiële aspecten van telegeneeskunde

4.7.1. Verbod op hoger ereloon voor urgente zorg

4.7.2. Elementaire dienstverlening kan niet worden aangerekend

4.7.3. Geen omzeiling van de wet

4.7.4. Geen louter commercieel doel

4.8. Persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid

5. Terugbetaling van telegeneeskundige verstrekkingen door de ziekte- en invaliditeitsverzekering

6. Het nut van telegeneeskunde

7. Wetenschappelijk kader

8. Specifieke toepassingen

8.1. Medische controles via telegeneeskunde

1. Inleiding

Sinds de COVID-19-pandemie heeft telegeneeskunde een opmerkelijke opgang gekend binnen de medische praktijk. De noodzaak om fysieke contacten te beperken, heeft geleid tot een versnelde digitalisering van zorgprocessen en een toegenomen gebruik van teleconsultaties. Deze ontwikkeling heeft bijgedragen tot de zorgcontinuïteit in uitzonderlijke omstandigheden.

De nationale raad wenst echter te benadrukken dat deze verschuiving niet mag uitmonden in een structurele en algemene toepassing van telegeneeskunde als standaardvorm van patiëntenzorg. Telegeneeskunde kan slechts worden verantwoord wanneer zij de nodige garanties biedt op het vlak van kwaliteit en veiligheid van de zorg.

Fysieke raadpleging blijft in de overgrote meerderheid van gevallen de meest kwaliteitsvolle en betrouwbare vorm van geneeskunde. Het directe, persoonlijke contact tussen arts en patiënt vormt immers de kern van een zorgvuldig medisch onderzoek, een correcte diagnose en een vertrouwensvolle therapeutische relatie.

2. Definitie

Zorg op afstand kan worden gedefinieerd als het verlenen van geneeskundige verstrekkingen[1] door middel van informatie- en communicatietechnologieën in situaties waarin de zorgverlener of meerdere zorgverleners en de rechthebbende zich niet op dezelfde locatie bevinden.[2]

Zorg op afstand kan verschillende vormen aannemen, onder meer raadpleging op afstand, behandeling op afstand, expertise op afstand, overleg op afstand, monitoring op afstand en advies op afstand.[3]

3. Wettelijk kader en grensoverschrijdend karakter

Telegeneeskunde is een vorm van uitoefening van de geneeskunde. Ongeacht de vorm die ze aanneemt, dient ze dan ook te voldoen aan dezelfde wettelijke vereisten als de fysieke uitoefening van de geneeskunde (beroepskwalificaties, rechten van de patiënt, bescherming van de persoonsgegevens, continuïteit van de zorg, enz.).

Bij het bepalen van de toepasselijke regelgeving moet rekening worden gehouden met landgrensoverschrijdende elementen (bijv. de patiënt en de arts wonen in verschillende landen).

Wat de Europese wetgeving betreft, bepaalt Richtlijn 2011/24/EU van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg dat in het geval van telegeneeskunde de gezondheidszorg wordt geacht te zijn verstrekt in de lidstaat waar de zorgaanbieder is gevestigd (artikel 3, d).

Een arts die ingeschreven is op de lijst van de Belgische Orde der artsen en die aan telegeneeskunde doet vanuit België, dient de patiënt erop te wijzen dat hij zich voor de uitoefening van zijn beroep dient te houden aan de regels die gelden in België.

Het grensoverschrijdende karakter van telegeneeskunde impliceert dat tevens rekening moet worden gehouden met andere relevante Europese richtlijnen en regelgeving.

In geval de gebruikte technologie een medisch hulpmiddel uitmaakt, moet dit voldoen aan de regels zoals bepaald in de Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen (…).[4]

De Verordening (EU) 2025/327 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2025 betreffende de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens en tot wijziging van Richtlijn 2011/24/EU en Verordening (EU) 2024/2847 (van toepassing met ingang van 26 maart 2027) creëert een uniforme Europese ruimte voor gezondheidsgegevens (EHDS). Dit dient om snel en eenvoudig gezondheidsgegevens grensoverschrijdend te kunnen uitwisselen, onderzoek te bevorderen en de zorg-ICT-markt beter te kunnen reguleren.

4. Medische deontologie en telegeneeskunde

De arts die in België praktiseert en zorg verstrekt via telegeneeskunde, is onderworpen aan de regels van medische deontologie zoals bepaald door de Belgische Code van medische deontologie[5], de commentaar bij de Code en de adviezen van de nationale raad.

In wat volgt worden enkele deontologische principes nader toegelicht, omdat hun toepassing in de context van telegeneeskunde in de praktijk soms aanleiding geeft tot vragen of onduidelijkheden.

4.1. Zorgkwaliteit en patiëntveiligheid

De arts draagt de verantwoordelijkheid om elke patiënt kwaliteitsvolle zorg te bieden.[6]

De kwaliteit van tussenkomst door middel van telegeneeskunde is zeer afhankelijk van het geval het een gekende patiënt betreft, het om een chronische of acute pathologie gaat en of er objectieve elementen aanwezig zijn die de diagnose kunnen staven. De Orde is van oordeel dat in geval van acute pathologie bij een ongekende patiënt het gebruik van telegeneeskunde als surrogaat van een klassieke consultatie te vermijden is.

Telegeneeskunde kan in bepaalde omstandigheden een nuttig hulpmiddel zijn voor triage.

In veel gevallen echter kan niet dezelfde zorgkwaliteit gegarandeerd worden als bij een fysieke raadpleging. Een zorgvuldig klinisch onderzoek, na een grondige anamnese en kennisname van de medische voorgeschiedenis, blijft essentieel voor een correcte diagnose en behandeling.

Om die reden roept de Orde de wetenschappelijke verenigingen van elk specialisme op om op basis van hoger opgesomde elementen richtlijnen uit te vaardigen die bepalen in welke gevallen telegeneeskunde als een kwalitatief werkinstrument kan gebruikt worden. Ook de modaliteiten voor het afleveren van getuigschriften van arbeidsongeschiktheid en het voorschrijven van medicatie dienen in deze richtlijnen opgenomen te worden.

4.2. Gelijke behandeling

Elke arts is ertoe gehouden alle patiënten even gewetensvol en zonder enige vorm van discriminatie te behandelen.[7]

Dit fundamenteel beginsel geldt onverkort, ook binnen het kader van de telegeneeskunde. Het is dan ook onaanvaardbaar dat sommige patiënten, op basis van een hogere betaling, via teleconsultaties voorrang zouden krijgen op anderen. Een dergelijke praktijk maakt misbruik van de bestaande artsenpenurie en ondermijnt de billijke toegang tot zorg, met het risico het gezondheidssysteem structureel te ontwrichten.

4.3. Praktijkinformatie en publiciteit

4.3.1. Verbod op misleidende publiciteit

Een arts die zijn medische praktijk kenbaar maakt aan het publiek, moet waarheidsgetrouwe en objectieve informatie verstrekken.[8]

Deze communicatie mag in geen geval misleidend zijn of valse verwachtingen wekken bij patiënten. Wanneer een arts telegeneeskunde aanbiedt en dit voorstelt als even kwaliteitsvol als een fysieke raadpleging, kan dit bij de patiënt verkeerde verwachtingen scheppen. Een dergelijke voorstelling miskent de beperkingen van telegeneeskunde en kan leiden tot een verkeerde inschatting van de geboden zorg, wat strijdig is met de deontologische plicht tot eerlijke en verantwoorde communicatie.

4.3.2. Wetenschappelijke referenties op websites

Websites die telegeneeskunde aanbieden en daarbij referenties vermelden, dienen erop toe te zien dat deze referenties wetenschappelijk onderbouwd en verifieerbaar zijn. De patiënt mag er immers redelijkerwijs van uitgaan dat artsen werken op basis van evidence-based geneeskunde. Het gebruik van niet-wetenschappelijke of misleidende bronnen ondermijnt het vertrouwen in de medische zorg en strookt niet met de professionele verantwoordelijkheid van de arts.

4.4. Bekwaamheid en portfolio

De arts moet beschikken over de vereiste kennis, deskundigheid en attitude om zijn beroep kwaliteitsvol uit te oefenen.[9]

In lijn met de bepalingen van de Kwaliteitswet moet de arts bekwaam zijn en beschikken over een professioneel portfolio.[10]

De patiënt heeft het recht op zijn verzoek door de arts geïnformeerd te worden over zijn beroepsbekwaamheid en beroepservaring.[11]

Wanneer consultaties via telegeneeskunde worden aangeboden, blijven deze rechten en verplichtingen onverkort van kracht. Het moet voor de patiënt duidelijk zijn over welke specialisatie en deskundigheid de arts beschikt, ook in het digitale zorgaanbod.

4.5. Kwaliteitsvol verloop van een teleconsultatie

De nationale raad heeft op 18 juni 2022 een advies opgesteld met de deontologische regels waaraan een raadpleging op afstand (telefonisch of video geassisteerd) moet voldoen om kwaliteitsvol te verlopen.[12]

Deze regels zijn nog steeds van toepassing:

  • bij de opstart van een tele- of videoconsultatie, licht de arts de patiënt in over zijn identiteit en kwalificaties en onderneemt hij volgende stappen;
  • de arts controleert de identiteit van de patiënt, de wilsbekwaamheid van de patiënt, de toestemming van de patiënt, de vrije artsenkeuze van de patiënt en er waakt er zoveel mogelijk over dat het gesprek vertrouwelijk verloopt;


Indien de therapeutische of zorgrelatie tussen de zorgbehoevende en de arts tot stand komt net voor het begin van de raadpleging op afstand, wordt de zorgbehoevende vooraf degelijk geïnformeerd over de gevolgen van de totstandkoming van deze therapeutische of zorgrelatie en wordt de therapeutische of zorgrelatie op het einde van de raadpleging op afstand beëindigd, tenzij de zorgbehoevende uitdrukkelijk aangeeft deze therapeutische of zorgrelatie te willen bestendigen.

Het einde van de therapeutische relatie ontslaat de arts niet van zijn plicht tot organisatie van de zorgcontinuïteit.

  • de patiënt wordt vóór het gebruik van het platform duidelijk ingelicht over de kritische succesfactoren en de beperkingen van een raadpleging op afstand;
  • hetzelfde geldt voor de financiële aspecten van het e-consult (kost, terugbetaling);
  • de arts zorgt voor een kwaliteitsvolle adviesverstrekking en follow-up;
  • de duurtijd en de omstandigheden van de teleconsultatie dienen afdoende te zijn om een kwaliteitsvolle zorgverlening te waarborgen;
  • de arts moet over voldoende relevante en betrouwbare gegevens van de patiënt beschikken om een medisch verantwoord individueel advies te kunnen geven;
  • de arts neemt de vakinhoudelijke regels in acht die in zijn beroepsgroep gelden voor de kwaliteit en de veiligheid van de zorg, evenals de rechten van de patiënt;
  • de arts geeft duidelijk aan dat zijn advies is gebaseerd op gegevens die de patiënt heeft verstrekt en op eventueel beschikbare dossiergegevens. Daarbij geeft de arts aan dat de patiënt contact met hem of een andere arts moet zoeken als de klachten verergeren, als daartoe aanleiding is of bij onzekerheid;
  • indien de arts niet de houder is van het globaal medisch dossier (GMD) van de zorgbehoevende, geeft hij, behoudens verzet van de zorgbehoevende, (elektronisch) feedback over de verleende zorg aan de eventuele GMD-houder en actualiseert hij indien nuttig de Sumehr en het medicatieschema van de zorgbehoevende in de gezondheidskluis[13];
  • de arts dient na te gaan of de gebruikte diensten voldoen aan onderstaande criteria wat betreft het vrijwaren van de informationele privacy[14]:
  • de ondersteuningsplatformen maken gebruik van een betrouwbaar systeem voor de authenticatie van hun identiteit; de authenticatiemiddelen met twee-factor-authenticatie (bezit en kennis) zijn in de Federal Authentication Service (FAS) geïntegreerd;
  • zonder toestemming van de patiënt en de arts, wordt de video- of audiocommunicatie niet door de deelnemers aan de communicatie opgeslagen;
  • de persoonsgegevens en de documenten uitgewisseld tijdens de raadpleging kunnen op het einde van de raadpleging ter beschikking worden gesteld van de deelnemers aan de communicatie;
  • de geneesmiddelenvoorschriften worden elektronisch aangemaakt op Recip-e en zijn raadpleegbaar door de zorgbehoevende via de Personal Health Viewer; het uniek nummer van het elektronisch voorschrift (het zogenaamde RID), dat geen persoonsgegevens bevat, kan aan de zorgbehoevende worden overgemaakt;
  • de documenten die de arts en/of de zorgbehoevende kunnen raadplegen via het e-gezondheidsportaal of de Personal Health Viewer, worden in principe daar geraadpleegd;
  • de arts maakt ter ondersteuning van de zorgverlening bij voorkeur gebruik van een bij het eHealth-platform geregistreerd softwarepakket en neemt in elk geval de relevante gegevens over de zorgverlening op in een (elektronisch) patiëntendossier;
  • een tele- of videoconsultatie brengt dezelfde verplichtingen met zich mee als een fysieke raadpleging wat betreft het opstellen, veilig bewaren en archiveren van het patiëntendossier, conform de geldende wettelijke en deontologische bepalingen. Dit geldt ook voor eventueel gedeeld foto- en beeldmateriaal.


Ten slotte, dient de zorg op afstand die aanleiding geeft tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging te voldoen aan de voorwaarden en de verplichtingen zoals bepaald in het Koninklijk besluit van 27 maart 2025 tot uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

4.6. Vrije artsenkeuze

Bij het aanbieden van telegeneeskunde moet de vrije artsenkeuze van de patiënt ten volle worden gerespecteerd.

Websites die teleconsultaties aanbieden, dienen duidelijk aan te geven welke arts de patiënt zal behandelen en over welke bekwaamheid deze beschikt.

Ook in geval van doorverwijzing, blijft de vrije artsenkeuze van toepassing.

4.7. Financiële aspecten van telegeneeskunde

De arts moet zijn ereloon op een correcte en transparante wijze vaststellen, op basis van de werkelijk geleverde prestaties.[15] De bepaling van het ereloon moet te goeder trouw gebeuren en moet eerlijk en gematigd zijn.

Bovendien is de arts verplicht de patiënt voorafgaand en duidelijk te informeren over de wijze waarop het ereloon wordt bepaald. De fundamentele principes van eerlijkheid en transparantie gelden eveneens bij het verstrekken van zorg op afstand. De patiënt wordt correct geïnformeerd over de aard van de beoogde prestatie en het bijhorend ereloon, zodat er sprake is van een geïnformeerde toestemming en een vertrouwensvolle zorgrelatie.

De arts deelt de patiënt mee of hij geconventioneerd is en of de verstrekte zorg al dan niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging.

4.7.1 Verbod op hoger ereloon voor urgente zorg

Sommige websites bieden consulten aan waarbij de prijzen variëren in functie van de urgentie van de vraag of de wachttijd voor de patiënt om een medisch advies of een behandelplan te ontvangen, bijvoorbeeld over een huidaandoening.

Bijzondere eisen van de patiënt kunnen in bepaalde gevallen een verhoging van het ereloon rechtvaardigen. Het is echter deontologisch ontoelaatbaar om een urgente vraag als een ‘bijzondere eis’ te beschouwen en op die basis een hoger ereloon aan te rekenen. In geval van een reële hoogdringende medische situatie heeft de arts immers de deontologische plicht om snel en adequaat op te treden, ongeacht de financiële draagkracht of voorkeuren van de patiënt. Het verlenen van dringende zorg mag nooit afhankelijk worden gemaakt van bijkomende ereloonvoorwaarden.

Bovendien is de patiënt in de meeste gevallen onvoldoende medisch geschoold om de dringendheid of de ernst van zijn/haar pathologie in te schatten.

Daarnaast is telegeneeskunde niet geschikt voor de evaluatie of de behandeling van urgente pathologie, behalve in het geval van triage zoals aangehaald in punt 4.1. Bij dringende medische situaties is een fysiek onderzoek doorgaans noodzakelijk om de ernst en de aard van de aandoening correct in te schatten en tijdig gepaste zorg te verlenen.

4.7.2. Elementaire dienstverlening kan niet worden aangerekend

Een telefonische tussenkomst na een fysieke raadpleging - bijvoorbeeld om een bijkomende vraag te stellen - vormt geen volwaardige raadpleging in de zin van een nieuw medisch contact met nieuwe klachten. Dergelijke korte telefoongesprekken met de patiënt zijn een verlengde van de fysieke raadpleging en kunnen niet afzonderlijk worden aangerekend aan de patiënt of de sociale zekerheid.

4.7.3. Geen omzeiling van de wet

Het kan niet de bedoeling zijn dat telegeneeskunde wordt aangewend om wettelijke ereloonbeperkingen te omzeilen die van toepassing zijn bij fysieke consultaties. In het bijzonder moet worden gewaakt over de correcte naleving van het verbod op ereloonsupplementen voor geneeskundige verzorging verleend aan rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming.[16] Telegeneeskunde mag geen achterpoortje vormen om deze beschermingsmaatregelen te ondergraven.

4.7.4. Geen louter commercieel doel

Telegeneeskunde mag niet louter commerciële voordelen beogen maar moet beantwoorden aan een medische behoefte van de patiënt en de volksgezondheid. De gebruiksvriendelijkheid vormt op zich geen afdoende rechtvaardiging. Enkel indien het ook een voordeel oplevert voor de gezondheid van de patiënt, is het gebruik gerechtvaardigd.[17]

4.8. Persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid

De informatie- en communicatietechnologieën die in de telegeneeskunde worden gebruikt, moeten de nodige garanties bieden om het beroepsgeheim en de persoonsgegevens te beschermen, overeenkomstig de AVG[18] en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.

De arts moet zich bewust zijn van de praktische implicaties van de wetgeving inzake gegevensbescherming in de context van telegeneeskunde (invullen van het verwerkingsregister, authenticatiesysteem, toegangsbeheer, beveiliging van de inhoud van uitgewisselde communicatie of documenten, beheer van de toegang tot gegevens, bewaren van gegevens, verwerkersovereenkomst, enz.).[19]

Hij informeert naar de aanbevelingen van de overheid op dit gebied.[20]

5. Terugbetaling van telegeneeskundige verstrekkingen door de ziekte- en invaliditeitsverzekering

De arts deelt aan de patiënt mee of de voorgestelde zorg al dan niet wordt terugbetaald in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering[21].

Zorg op afstand die aanleiding geeft tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging moet voldoen aan de criteria zoals bepaald door het Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (KB Zorg op afstand - Tegemoetkoming verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging).

Komen in aanmerking voor een terugbetaling, voor zover de bijzondere voorwaarden vermeld in voornoemd Koninklijk besluit worden nageleefd: de raadpleging op afstand, de behandeling op afstand, de expertise op afstand, het overleg op afstand, de monitoring op afstand en het advies op afstand.

De minister bevoegd voor Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van voornoemd Koninklijk besluit.

Meer informatie is raadpleegbaar op de website van het Riziv: Referentiekader Zorg op afstand.

6. Het nut van telegeneeskunde

Telegeneeskunde kan in bepaalde situaties een meerwaarde bieden in het belang van de patiënt.

In dergelijke gevallen is er echter nood aan de uitwerking van omkaderde zorgtrajecten, ondersteund door specifieke wetenschappelijke richtlijnen en samenwerking tussen verschillende zorgdiensten.

Telegeneeskunde wordt bij voorkeur ingezet bij gekende patiënten en in het kader van chronische zorgopvolging. Ze is daarentegen in de regel niet geschikt voor primaire diagnosestelling of acute, urgente situaties, waar een zorgvuldig klinisch onderzoek vereist is.

7. Wetenschappelijk kader

De rode draad doorheen de medische literatuur is éénduidig: telegeneeskunde zal een sleutelrol spelen in de toekomst van de gezondheidszorg, maar de technologie van telegeneeskunde moet worden toegepast in geschikte omgevingen en situaties.

Geschikte training, verbeterde documentatie, goede communicatie en het naleven van richtlijnen voor informatiebeheer zullen in belangrijke mate bijdragen aan het vermijden van valkuilen die gepaard gaan met zorg op afstand.

8. Specifieke toepassingen

8.1. Medische controles via telegeneeskunde

De nationale raad heeft op 21 februari 2025 geantwoord op de vraag of het vanuit deontologisch oogpunt is toegelaten dat een medische controle gebeurt via telegeneeskunde.[22]

De raad heeft besloten dat telegeneeskunde in de regel geen geschikte methode is voor het verrichten van medische controles.

Uitzonderlijk kan van deze regel worden afgeweken, met name:

  • Wanneer objectieve medische elementen de controle via telegeneeskunde mogelijk maken (te denken valt aan de interpretatie van een bloedonderzoek, een operatieverslag of medische beeldvorming);
  • Wanneer het mogelijk is contact op te nemen met de behandelend arts, mits toestemming van de patiënt, en deze de noodzakelijke toelichting kan verstrekken bij de arbeidsongeschiktheid.


[1] Bedoeld in artikel 34 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.

[2] Artikel 1, 1°, Koninklijk Besluit tot uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

[3] Zie onder meer artikel 2, §1, Koninklijk Besluit tot uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

[4] Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/ EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad.

[5]https://ordomedic.be/nl/code-2018.

[6] Art. 5, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

[7] Art. 30, lid 3, Code van medische deontologie.

[8] Art. 37, Code van medische deontologie.

[9] Art. 3, Code van medische deontologie.

[10] Art. 8, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.

[11] Art. 6, §2, tweede lid, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

[12] Advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 18 juni 2022, Teleconsultaties in het huidige zorglandschap – deontologische regels.

[13]https://www.ehealth.fgov.be/nl/beroepsbeoefenaars-in-de-gezondheidszorg/diensten/toegang-tot-de-gezondheidskluizen.

[14] Informatieveiligheidscomité Kamer sociale zekerheid en gezondheid. ivc/kszg/22/206: Beraadslaging nr. 20/098 van 7 april 2020, gewijzigd op 24 mei 2022, met betrekking tot de goede praktijken die toegepast dienen te worden door de platformen voor zorg op afstand.

[15] Art. 33, Code van medische deontologie.

[16] Koninklijk besluit van 12 maart 2024 tot uitvoering van hoofdstuk 2 van de wet van 29 november 2022 houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg, wat betreft de toepassing van het verbod op ereloonsupplementen voor geneeskundige verzorging verleend door artsen aan rechthebbende op de verhoogde tegemoetkoming.

[17] Zie advies van de nationale raad van de Orde der artsen van 21 september 2019, Teleconsultatie met het oog op het stellen van een diagnose en het voorstellen van een behandeling.

[18] Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming).

[19] Zie met name de website van het platform e-santewallonie(https://e-santewallonie.be/) en de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger).

[20] De website van eSanté, met informatie over aanbevolen platformen voor de uitwisseling van berichten en bestanden (https://www.ehealth.fgov.be/nl/page/task-force-data-technology-against-corona- ), de beraadslagingen van het Informatieveiligheidscomité (https://www.ehealth.fgov.be/ehealthplatform/nl/sectoraal-comite/documenten), de website van het Centrum voor Cyberveiligheid België (https://atwork.safeonweb.be/nl), de website van het Riziv (https://www.riziv.fgov.be/nl/professionals/info-voor-allen/algemene-verordening-gegevensbescherming-avg)

[21] Zie FAQ 4.3. over het ereloon van een arts, raadpleegbaar op de website van de Orde der artsen (https://ordomedic.be/nl/faq/)

[22] Advies van de nationale raad van 21 februari 2025, Medische controles via telegeneeskunde.

Overlijdensattest23/01/2026 Documentcode: a173001
Het invullen van een overlijdensattest (model III C) door de arts met wachtdienst – Mogelijkheid tot inzage in het patiëntendossier van de overledene via de uitwissingsnetwerken

De wet schrijft voor dat het overlijden van een persoon moet worden vastgesteld door een arts.

De invulling van het overlijdensattest is een taak van algemeen belang, die bij voorkeur wordt verricht door de behandelend arts van de overledene.

Indien de behandeld arts niet beschikbaar is, moet de arts met wachtdienst zich ter plaatse begeven en het overlijden vaststellen.

Omdat de arts met wachtdienst geen zorgrelatie heeft met de overleden persoon, is het niet eenvoudig voor hem het overlijdensattest in te vullen zonder te beschikken over de gezondheidsgegevens van de overledene.

Daarom wordt uitzonderlijk toegelaten dat de wachtarts die het overlijdensattest dient in te vullen maar geen therapeutische relatie heeft met de overleden persoon, conform het proportionaliteitsbeginsel, via de uitwisselingsnetwerken toegang neemt tot de gezondheidsgegevens van de overledene die relevant, pertinent en noodzakelijk zijn om te voldoen aan zijn wettelijke plicht.

De betreffende loggings worden geregistreerd en de gedeelde gezondheidsgegevens blijven niet langer beschikbaar dan 24 uur na de vaststelling van het overlijden.

(Bron: Reglement betreffende de uitwisseling van gezondheidsgegevens tussen gezondheidssystemen verbonden via het verwijzingsrepertorium van het eHealth-platform)

Chirurgie07/11/2025 Documentcode: a172013
Laattijdige annulering of niet komen opdagen voor een chirurgische ingreep.

In zijn zitting van 7 november 2025 heeft de nationale raad van de Orde der artsen een vraag onderzocht betreffende de mogelijkheid voor een arts of een ziekenhuisinrichting om aan de patiënt een schadevergoeding te vragen wanneer hij laattijdig een ingreep afzegt of niet komt opdagen.

Het is niet in strijd met de medische deontologie dat een arts of een instelling van de patiënt een vergoeding eist voor de door zijn toedoen geleden schade. Dit geldt ook in geval van late annulering of het niet verschijnen voor een geplande chirurgische ingreep.

1.De juridische geldigheid van het vragen van een schadevergoeding valt niet onder de bevoegdheid van de Orde der artsen.

De nationale raad beperkt zich tot de opmerking dat een schadevergoeding, naast een geldige overeenkomst en een fout, ofwel het bewijs vereist van de daadwerkelijk geleden schade, ofwel moet vastgelegd zijn in een geldige contractuele clausule waarvan de patiënt nauwkeurig in kennis gesteld is en die hij aanvaard heeft.

Een schadebeding moet duidelijk en in begrijpelijke taal worden opgesteld en moet wederkerig en proportioneel zijn.

Indien de clausule misleidend is in de zin van het Wetboek van economisch recht, is ze nietig[1].

Dit is bijvoorbeeld het geval indien ze bepaalt dat alleen een late annulering door de patiënt aanleiding geeft tot schadevergoeding, zonder te voorzien in wederkerigheid indien de ziekenhuisinrichting of de arts in gebreke blijft. Hetzelfde geldt indien de voorziene schadevergoeding duidelijk de omvang van de potentiële schade overschrijdt.

Het recht om af te zien van zorg[2] stelt de patiënt in staat om zijn toestemming in te trekken, maar ontslaat hem niet van een eventuele schadevergoeding als hij een fout begaat. De fout kan bestaan uit het uitblijven of de laattijdigheid van de annulering. De beoordeling van de laattijdigheid is een feitelijke kwestie. De annuleringstermijn die vastgelegd is in een schadevergoedingsclausule in geval van niet-verschijnen voor een medische ingreep moet het recht van de patiënt om af te zien van zorg eerbiedigen en overeenkomen met het moment waarop de annulering schade veroorzaakt.

Wanneer het niet nakomen van de afspraak geen fout inhoudt (bijvoorbeeld in geval van overmacht), kan aan de patiënt geen schadevergoeding gevraagd worden.

2. Op deontologisch vlak zou de problematiek van het niet verschijnen van een patiënt voor een medisch gerechtvaardigde chirurgische ingreep, waarvan de noodzaak en de voordelen hem uitgelegd werden en waarmee hij na bedenktijd vrijwillig ingestemd heeft, breder benaderd moeten worden dan alleen vanuit financieel oogpunt.

Om dit tegen te gaan, dient ongetwijfeld een reeks maatregelen genomen te worden die inspelen op de verscheidenheid van de oorzaken. Net zoals automatische herinneringen algemeen geworden zijn, kunnen ook andere structurele oplossingen ontwikkeld worden.

De financiële, professionele of familiale situatie van de patiënt kan een belemmering vormen voor de zorg. Door de toegang tot nauwkeurige informatie over de kosten van de zorg, de omvang van de verzekeringsdekking of de sociale rechten te vergemakkelijken, en door een alleenstaande patiënt door te verwijzen naar een dienst die hem kan helpen bij de thuiszorg of hem kan aflossen als hij voor een afhankelijke persoon zorgt, kunnen moeilijkheden voorkomen worden.

De arts-patiëntrelatie moet de patiënt de mogelijkheid bieden om zijn vragen, zorgen en angsten te uiten.

Ten slotte, en meer in het algemeen, moet de sensibilisering van patiënten over het belang van het nakomen van afspraken en de gevolgen van late annuleringen voor de organisatie van de zorg gepaard gaan met een eenvoudig annuleringsproces.


[1] Hoofdstuk 6 van titel 3 van boek VI van het Wetboek van economisch recht

[2] Artikel 8/1 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

Gedetineerden12/09/2025 Documentcode: a172009
Deontologische aanbevelingen voor eerbiediging van menselijke waardigheid en kwaliteitsvolle gezondheidszorg in de gevangenissen.

De nationale raad heeft in zijn vergadering van 12 september 2025 de problematiek onderzocht van het gebrek aan respect voor de menselijke waardigheid en kwaliteitsvolle gezondheidszorg in de gevangenissen.

Gedetineerden hebben het recht op gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving.[1] Zij hebben, zonder enig onderscheid op welke grond ook, tegenover de arts recht op kwaliteitsvolle zorg die beantwoordt aan hun behoeften.[2]

Artsen zijn gehouden de menselijke waardigheid en het recht op zelfbeschikking van elke patiënt te eerbiedigen en te waarborgen.[3]

Gevangenisartsen trekken aan de alarmbel omdat deze fundamentele rechten, die eveneens de kern vormen van de medische deontologie, stelselmatig worden overtreden.

De nationale raad acht het ontoelaatbaar dit probleem te negeren en richt een oproep tot de bevoegde minister om hieraan de nodige prioriteit te geven, met bijzondere aandacht voor volgende aspecten:


1/ Respect voor de naleving van de rechten van de patiënt binnen de detentiecontext

De toegankelijkheid van de gezondheidszorg in de gevangenissen dient te worden versterkt. Het feit dat een gedetineerde vanwege een complexe gezondheidsproblematiek moet worden geëxtraheerd voor behandeling buiten de inrichting mag geen aanleiding zijn tot uitstel van noodzakelijke zorgverlening.

Er dient aandacht te zijn voor het recht op privacy en het recht op intimiteit. De aanwezigheid van andere gedetineerden tijdens de raadpleging is onaanvaardbaar. Uitzonderlijk kan toezicht aanwezig zijn tijdens de raadpleging om de veiligheid van de zorgverstrekker te waarborgen.

Het beroepsgeheim geldt onverkort ten aanzien van elke patiënt. Tenzij er een wettelijke uitzondering bestaat, kan de gezondheidsinformatie van de gedetineerde die is verzameld tijdens de behandelrelatie niet doorstromen naar personen die geen therapeutische relatie hebben met de gedetineerde.

De gedetineerde dient beter geïnformeerd te worden over zijn gezondheidstoestand. De taalbarrière mag een adequate informatieverstrekking niet verhinderen.

De gedetineerde heeft het recht om gezondheidsonderzoeken te weigeren. De uitoefening van het recht op weigering mag voor de gedetineerde geen negatieve gevolgen met zich meebrengen. Enkel wanneer er een aanzienlijk risico bestaat op schade aan de gezondheid van andere gedetineerden of de volksgezondheid, kunnen proportionele maatregelen worden getroffen om deze schade te voorkomen of te beperken.

Tenslotte, mag de overbevolking in de gevangenissen, de complexiteit van de gezondheidsproblematiek van de gedetineerden en het tekort aan middelen niet worden aangewend als rechtvaardigingsgrond voor de schending van fundamentele rechten, waaronder het recht op gezondheidszorg.


2/ Verbetering van werkomstandigheden en professionele ondersteuning van gevangenisartsen

Er dient aandacht te zijn voor de nodige omkadering die de arts toelaat om kwaliteitsvolle gezondheidszorg te verrichten.

De actuele arbeidsomstandigheden van gevangenisartsen maken het onmogelijk om gezondheidszorg te verlenen die in overeenstemming is met de huidige stand van de medische wetenschap.

Er dienen ruimten en middelen ter beschikking te worden gesteld om een anamnese en een fysiek onderzoek uit te voeren. Deze vereiste hangt nauw samen met de plicht tot respect voor het recht op privacy, de intimiteit en de menselijke waardigheid van de gedetineerde.

De gedetineerde heeft, net als elke patiënt, recht op een zorgvuldig bijgehouden patiëntendossier. De gevangenisarts is de huisarts van de gedetineerde en dient de mogelijkheid te hebben gebruik te maken van een eenvormig geaccrediteerd softwarepakket voor huisartsgeneeskunde, dat gekoppeld is aan de uitwisselingsnetwerken.


3/ Implementatie van richtlijnen van goede medische praktijkvoering die een kwaliteitsvolle gezondheidszorg in detentie garanderen, met aandacht voor de medische deontologie

Er dienen richtlijnen te worden opgesteld voor goede medische praktijkvoering binnen de gevangenissen, met bijzondere aandacht voor deontologische vraagstukken die typisch binnen de detentiecontext voorkomen.

Een illustratief voorbeeld betreft de rol van de gevangenisarts bij de beslissing en uitvoering van afzonderingsmaatregelen, waarbij de arts door zijn dubbele rol - als behandelend arts van de gedetineerde en als adviserend arts - niet volledig onafhankelijk kan opereren.

De nationale raad stelt zich bereid zijn expertise aan te bieden en actief mee te werken aan de ontwikkeling van deze richtlijnen, in de overtuiging dat deze zowel een praktische leidraad zullen bieden voor gevangenisartsen als het vertrouwen in de hiërarchische structuur zullen versterken.


4/ Overdracht naar de FOD Volksgezondheid

Ten slotte, is de nationale raad van mening dat de bevoegdheid voor gezondheidszorg in de gevangenissen dient overgeheveld te worden van de FOD Justitie naar de FOD Volksgezondheid, om zo de zorg te verbeteren en te uniformeren met de zorg buiten de gevangenismuren.


[1] Art. 88, Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.

[2] Art. 5, lid 1, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

[3] Art. 5, lid 2, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.