Resultaten
Resultaten
Laattijdige annulering of niet komen opdagen voor een chirurgische ingreep.
In zijn zitting van 7 november 2025 heeft de nationale raad van de Orde der artsen een vraag onderzocht betreffende de mogelijkheid voor een arts of een ziekenhuisinrichting om aan de patiënt een schadevergoeding te vragen wanneer hij laattijdig een ingreep afzegt of niet komt opdagen.
Het is niet in strijd met de medische deontologie dat een arts of een instelling van de patiënt een vergoeding eist voor de door zijn toedoen geleden schade. Dit geldt ook in geval van late annulering of het niet verschijnen voor een geplande chirurgische ingreep.
1.De juridische geldigheid van het vragen van een schadevergoeding valt niet onder de bevoegdheid van de Orde der artsen.
De nationale raad beperkt zich tot de opmerking dat een schadevergoeding, naast een geldige overeenkomst en een fout, ofwel het bewijs vereist van de daadwerkelijk geleden schade, ofwel moet vastgelegd zijn in een geldige contractuele clausule waarvan de patiënt nauwkeurig in kennis gesteld is en die hij aanvaard heeft.
Een schadebeding moet duidelijk en in begrijpelijke taal worden opgesteld en moet wederkerig en proportioneel zijn.
Indien de clausule misleidend is in de zin van het Wetboek van economisch recht, is ze nietig[1].
Dit is bijvoorbeeld het geval indien ze bepaalt dat alleen een late annulering door de patiënt aanleiding geeft tot schadevergoeding, zonder te voorzien in wederkerigheid indien de ziekenhuisinrichting of de arts in gebreke blijft. Hetzelfde geldt indien de voorziene schadevergoeding duidelijk de omvang van de potentiële schade overschrijdt.
Het recht om af te zien van zorg[2] stelt de patiënt in staat om zijn toestemming in te trekken, maar ontslaat hem niet van een eventuele schadevergoeding als hij een fout begaat. De fout kan bestaan uit het uitblijven of de laattijdigheid van de annulering. De beoordeling van de laattijdigheid is een feitelijke kwestie. De annuleringstermijn die vastgelegd is in een schadevergoedingsclausule in geval van niet-verschijnen voor een medische ingreep moet het recht van de patiënt om af te zien van zorg eerbiedigen en overeenkomen met het moment waarop de annulering schade veroorzaakt.
Wanneer het niet nakomen van de afspraak geen fout inhoudt (bijvoorbeeld in geval van overmacht), kan aan de patiënt geen schadevergoeding gevraagd worden.
2. Op deontologisch vlak zou de problematiek van het niet verschijnen van een patiënt voor een medisch gerechtvaardigde chirurgische ingreep, waarvan de noodzaak en de voordelen hem uitgelegd werden en waarmee hij na bedenktijd vrijwillig ingestemd heeft, breder benaderd moeten worden dan alleen vanuit financieel oogpunt.
Om dit tegen te gaan, dient ongetwijfeld een reeks maatregelen genomen te worden die inspelen op de verscheidenheid van de oorzaken. Net zoals automatische herinneringen algemeen geworden zijn, kunnen ook andere structurele oplossingen ontwikkeld worden.
De financiële, professionele of familiale situatie van de patiënt kan een belemmering vormen voor de zorg. Door de toegang tot nauwkeurige informatie over de kosten van de zorg, de omvang van de verzekeringsdekking of de sociale rechten te vergemakkelijken, en door een alleenstaande patiënt door te verwijzen naar een dienst die hem kan helpen bij de thuiszorg of hem kan aflossen als hij voor een afhankelijke persoon zorgt, kunnen moeilijkheden voorkomen worden.
De arts-patiëntrelatie moet de patiënt de mogelijkheid bieden om zijn vragen, zorgen en angsten te uiten.
Ten slotte, en meer in het algemeen, moet de sensibilisering van patiënten over het belang van het nakomen van afspraken en de gevolgen van late annuleringen voor de organisatie van de zorg gepaard gaan met een eenvoudig annuleringsproces.
[1] Hoofdstuk 6 van titel 3 van boek VI van het Wetboek van economisch recht
[2] Artikel 8/1 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt
Inzage in het patiëntendossier door de arts die het omstandig geneeskundig verslag opstelt in het kader van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 12 september 2025 de vraag onderzocht of de arts die belast is met het opstellen van een omstandig geneeskundig verslag in het kader van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening inzage mag nemen in het patiëntendossier van de te onderzoeken persoon.
1/ Voorafgaand
De wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening werd recentelijk gewijzigd.[1]
De wijzigingen beogen verschillende doelstellingen: meer aandacht voor zorg, minder gebruik van dwang, respectvoller omgaan met de rechten van de patiënt, gebruik van kwaliteitsvolle medische verslagen, aandacht voor de omgeving van de patiënt, enz.[2]
Tot de belangrijkste wijzigingen behoren de invoering van een wettelijke definitie van ‘psychiatrische aandoening’, (in het kader van de spoedprocedure) de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur alvorens wordt besloten om al dan niet een beschermingsmaatregel op te leggen, en de invoering van een vrijwillige behandeling onder voorwaarden als nieuwe beschermingsmaatregel.
Zowel in de gewone procedure als in spoedeisende gevallen kan de rechter, in voorkomend geval de procureur des Konings, slechts een beschermingsmaatregel opleggen onder voorbehoud van de tussenkomst van een arts die de gezondheidstoestand van de betrokkene onderzoekt.
De arts beoordeelt vanuit medisch oogpunt of de te onderzoeken persoon een psychiatrische aandoening heeft overeenkomstig de wettelijke definitie. Onder ‘psychiatrische aandoening’ wordt verstaan een volgens de huidige stand van de wetenschap als zodanig omschreven aandoening die de realiteitsperceptie, het oordeelsvermogen, de denkprocessen, de stemming of de controle over diens daden ernstig kan verstoren.[3] Daarnaast beoordeelt de arts in hoeverre deze aandoening de gezondheid van de persoon ernstig in gevaar brengt of een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit, en in welke mate deze gezondheidstoestand een beschermingsmaatregel vereist.
Bij Koninklijk Besluit van 12 december 2024 is een model van omstandig geneeskundig verslag vastgesteld: FAQ-4-4-Bijlage-III-Omstandig-geneeskundig-verslag.docx.
Het omstandig geneeskundig verslag mag niet worden opgesteld door de arts die om de maatregel verzoekt of door de arts die een bloed- of aanverwant tot de vierde graad van de verzoeker of van de persoon met een psychiatrische aandoening is.[4]
Het is niet verboden dat het verslag wordt opgesteld door de behandelend arts van de persoon met een psychiatrische aandoening.
Het zijn hoofdzakelijk urgentieartsen die moeilijkheden ondervinden bij het opstellen van dergelijk verslag voor patiënten waarvan zij de medische voorgeschiedenis niet kennen. Zij stellen de vraag of zij – al dan niet via de uitwisselingsnetwerken – inzage mogen nemen in het patiëntendossier van de te onderzoeken persoon om het omstandig geneeskundig verslag zorgvuldig te kunnen invullen.
2/ Op wettelijk vlak
De arts heeft toegang tot gezondheidsgegevens van de patiënt die worden bijgehouden en bewaard door andere gezondheidszorgbeoefenaars op voorwaarde dat de patiënt voorafgaand zijn geïnformeerde toestemming tot deze toegang gaf.[5]
De arts heeft enkel toegang tot de gezondheidsgegevens van een patiënt waarmee hij een therapeutische relatie heeft.[6]
De arts die een therapeutische relatie heeft met de patiënt, heeft enkel toegang tot de gezondheidsgegevens van de patiënt indien de finaliteit van de toegang bestaat uit het verstrekken van zorg, de toegang noodzakelijk is voor de continuïteit en de kwaliteit van de zorgverstrekking, en de toegang zich beperkt tot de gegevens die dienstig en pertinent zijn binnen dit kader.[7]
Bijgevolg, mag de arts die belast is met het opstellen van het omstandig geneeskundig verslag slechts inzage nemen in de relevante stukken van het patiëntendossier mits de voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de te onderzoeken persoon, of diens vertegenwoordiger.
Zonder specifiek wettelijk kader is het uitgesloten dat artsen die belast zijn met het onderzoek van de patiënt zonder het oogmerk om de gezondheid van de patiënt te behouden, herstellen of verbeteren, gebruik maken van de uitwisselingsnetwerken om inzage te nemen in de gezondheidsgegevens van de te onderzoeken persoon.[8]
3/ Op deontologisch vlak
Van de arts wordt verwacht dat hij vanuit medisch oogpunt vaststellingen verricht over de psychiatrische gezondheidstoestand van de patiënt en daartoe passende maatregelen of behandelalternatieven adviseert.
De arts beoordeelt de medische situatie op het ogenblik van het onderzoek, zonder dat hiervoor noodzakelijkerwijs kennis van de volledige medische voorgeschiedenis is vereist.
Er dient in gedachten te worden gehouden dat de wet niet primair gericht is op bestraffing, maar op bescherming en hulpverlening. Binnen dit kader voorziet de wet in alternatieven voor de beschermende observatiemaatregel (vroeger: gedwongen opname), zoals de vrijwillige behandeling onder voorwaarden.
Daarnaast is voorzien in de mogelijkheid tot een klinische evaluatie van maximaal 48 uur alvorens wordt besloten om al dan niet een beschermingsmaatregel op te leggen. Deze evaluatie laat toe om – in spoedeisende gevallen – de gezondheidstoestand grondiger te onderzoeken, zonder daarbij onmiddellijk over te gaan tot ingrijpende dwangmaatregelen.
Op deontologisch vlak heeft de arts de taak de patiënt gerust te stellen en te informeren over de mogelijke behandelingsalternatieven. Zowel de ratio van de wet als de principes van de medische deontologie zijn erop gericht dat het behandeltraject in maximale mate door de patiënt wordt gedragen.
De arts dient zijn beoordeling volledig onafhankelijk en zonder enige druk van justitiële diensten uit te voeren, met aandacht voor het belang van de patiënt en de maatschappij.
Tenslotte is een dialoog tussen de medische wereld en justitie noodzakelijk om een optimale toepassing van de wet te verzekeren en, waar aangewezen, te komen tot de uitwerking van praktisch toepasbare procedures.
[1] Wijziging bij wet van 16 mei 2024 houdende diverse bepalingen betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
[2]Bescherming personen met geestesziekte wijzigt op 1 januari | Federale Overheidsdienst Justitie.
[3] Art. 1/1, lid 1, wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.
[4] Art. 5, §2, lid 2, wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening.
[5] Art. 36, lid 1, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
[6] Art. 37, lid 1, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
[7] Art. 38, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.
[8] Art. 3, Koninklijk Besluit van 15 december 2024 over de toegang tot gezondheidsgegevens.
Deontologische aanbevelingen voor eerbiediging van menselijke waardigheid en kwaliteitsvolle gezondheidszorg in de gevangenissen.
De nationale raad heeft in zijn vergadering van 12 september 2025 de problematiek onderzocht van het gebrek aan respect voor de menselijke waardigheid en kwaliteitsvolle gezondheidszorg in de gevangenissen.
Gedetineerden hebben het recht op gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving.[1] Zij hebben, zonder enig onderscheid op welke grond ook, tegenover de arts recht op kwaliteitsvolle zorg die beantwoordt aan hun behoeften.[2]
Artsen zijn gehouden de menselijke waardigheid en het recht op zelfbeschikking van elke patiënt te eerbiedigen en te waarborgen.[3]
Gevangenisartsen trekken aan de alarmbel omdat deze fundamentele rechten, die eveneens de kern vormen van de medische deontologie, stelselmatig worden overtreden.
De nationale raad acht het ontoelaatbaar dit probleem te negeren en richt een oproep tot de bevoegde minister om hieraan de nodige prioriteit te geven, met bijzondere aandacht voor volgende aspecten:
1/ Respect voor de naleving van de rechten van de patiënt binnen de detentiecontext
De toegankelijkheid van de gezondheidszorg in de gevangenissen dient te worden versterkt. Het feit dat een gedetineerde vanwege een complexe gezondheidsproblematiek moet worden geëxtraheerd voor behandeling buiten de inrichting mag geen aanleiding zijn tot uitstel van noodzakelijke zorgverlening.
Er dient aandacht te zijn voor het recht op privacy en het recht op intimiteit. De aanwezigheid van andere gedetineerden tijdens de raadpleging is onaanvaardbaar. Uitzonderlijk kan toezicht aanwezig zijn tijdens de raadpleging om de veiligheid van de zorgverstrekker te waarborgen.
Het beroepsgeheim geldt onverkort ten aanzien van elke patiënt. Tenzij er een wettelijke uitzondering bestaat, kan de gezondheidsinformatie van de gedetineerde die is verzameld tijdens de behandelrelatie niet doorstromen naar personen die geen therapeutische relatie hebben met de gedetineerde.
De gedetineerde dient beter geïnformeerd te worden over zijn gezondheidstoestand. De taalbarrière mag een adequate informatieverstrekking niet verhinderen.
De gedetineerde heeft het recht om gezondheidsonderzoeken te weigeren. De uitoefening van het recht op weigering mag voor de gedetineerde geen negatieve gevolgen met zich meebrengen. Enkel wanneer er een aanzienlijk risico bestaat op schade aan de gezondheid van andere gedetineerden of de volksgezondheid, kunnen proportionele maatregelen worden getroffen om deze schade te voorkomen of te beperken.
Tenslotte, mag de overbevolking in de gevangenissen, de complexiteit van de gezondheidsproblematiek van de gedetineerden en het tekort aan middelen niet worden aangewend als rechtvaardigingsgrond voor de schending van fundamentele rechten, waaronder het recht op gezondheidszorg.
2/ Verbetering van werkomstandigheden en professionele ondersteuning van gevangenisartsen
Er dient aandacht te zijn voor de nodige omkadering die de arts toelaat om kwaliteitsvolle gezondheidszorg te verrichten.
De actuele arbeidsomstandigheden van gevangenisartsen maken het onmogelijk om gezondheidszorg te verlenen die in overeenstemming is met de huidige stand van de medische wetenschap.
Er dienen ruimten en middelen ter beschikking te worden gesteld om een anamnese en een fysiek onderzoek uit te voeren. Deze vereiste hangt nauw samen met de plicht tot respect voor het recht op privacy, de intimiteit en de menselijke waardigheid van de gedetineerde.
De gedetineerde heeft, net als elke patiënt, recht op een zorgvuldig bijgehouden patiëntendossier. De gevangenisarts is de huisarts van de gedetineerde en dient de mogelijkheid te hebben gebruik te maken van een eenvormig geaccrediteerd softwarepakket voor huisartsgeneeskunde, dat gekoppeld is aan de uitwisselingsnetwerken.
3/ Implementatie van richtlijnen van goede medische praktijkvoering die een kwaliteitsvolle gezondheidszorg in detentie garanderen, met aandacht voor de medische deontologie
Er dienen richtlijnen te worden opgesteld voor goede medische praktijkvoering binnen de gevangenissen, met bijzondere aandacht voor deontologische vraagstukken die typisch binnen de detentiecontext voorkomen.
Een illustratief voorbeeld betreft de rol van de gevangenisarts bij de beslissing en uitvoering van afzonderingsmaatregelen, waarbij de arts door zijn dubbele rol - als behandelend arts van de gedetineerde en als adviserend arts - niet volledig onafhankelijk kan opereren.
De nationale raad stelt zich bereid zijn expertise aan te bieden en actief mee te werken aan de ontwikkeling van deze richtlijnen, in de overtuiging dat deze zowel een praktische leidraad zullen bieden voor gevangenisartsen als het vertrouwen in de hiërarchische structuur zullen versterken.
4/ Overdracht naar de FOD Volksgezondheid
Ten slotte, is de nationale raad van mening dat de bevoegdheid voor gezondheidszorg in de gevangenissen dient overgeheveld te worden van de FOD Justitie naar de FOD Volksgezondheid, om zo de zorg te verbeteren en te uniformeren met de zorg buiten de gevangenismuren.
[1] Art. 88, Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.
[2] Art. 5, lid 1, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
[3] Art. 5, lid 2, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
Handelwijze van artsen bij de kamerkeuze van de patiënt bij een ziekenhuisopname.
In zijn vergadering van 25 april 2025 bestudeerde de nationale raad van de Orde der artsen de handelwijze van artsen bij de kamerkeuze van de patiënt in het kader van een ziekenhuisopname.
De raad heeft vernomen dat sommige ziekenhuisartsen patiënten financieel onder druk zetten om te kiezen voor een individuele kamer. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de aanrekening van extra ereloonsupplementen voor de postoperatieve raadpleging als drukmiddel wordt aangewend wanneer de patiënt opteert voor een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer. Indien daarentegen gekozen wordt voor een individuele kamer, zou voor de postoperatieve raadpleging het verbintenistarief worden toegepast.
Deze praktijk omzeilt de wettelijke beperking op de vrije bepaling van het honorarium wanneer de patiënt kiest voor een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer. De ereloonsupplementen die niet kunnen worden aangerekend omwille van deze kamerkeuze, worden achteraf aangerekend tijdens de ambulante nazorg.
Op wettelijk vlak geldt een verbod om ereloonsupplementen te vragen bij een opname in een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer.[1] De vrije bepaling van het honorarium van de arts geldt nog wel ten aanzien van patiënten die kiezen voor een individuele kamer, maar ook daar voorziet de wet in bepaalde uitzonderingen.[2]
Ongeacht de kamerkeuze heeft de patiënt steeds het recht op hetzelfde aanbod aan kwaliteitsvolle gezondheidszorg. Dit aanbod betreft de verstrekkingen die in het ziekenhuis worden aangeboden, de termijn waarbinnen deze worden aangeboden en de artsen die in het ziekenhuis werkzaam zijn.[3] De ziekenhuiswet verbindt een strafsanctie aan hij die met overtreding van deze regel patiënten ongelijk behandelt.[4]
De regel dat het verbintenistarief moet worden toegepast in een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer en in sommige gevallen ook in een individuele kamer, is van openbare orde.[5]
De wetgever beoogde met deze regel de toegang van alle patiënten tot een kwaliteitsvolle zorgverstrekking in de ziekenhuizen te waarborgen. Het omzeilen van voornoemde regel door extra ereloonsupplementen aan te rekenen tijdens de ambulante nazorg indien de patiënt kiest voor een tweepatiëntenkamer of een gemeenschappelijke kamer, strookt niet met de ratio van de wet.
Op deontologisch vlak heeft de nationale raad zich eerder uitgesproken over de handelwijze van artsen bij de kamerkeuze van een patiënt.[6] De eerdere adviezen van de nationale raad leggen de nadruk op de vrije artsenkeuze, de deontologische plicht van de arts alle patiënten even gewetensvol te behandelen[7] en de ontoelaatbaarheid om zorg te weigeren enkel omdat de patiënt geen individuele kamer kiest, in het bijzonder indien de ziekenhuisopname gebeurt in het kader van een lopende medische behandeling of de opvolging van een langdurige aandoening.
De raad voegt hieraan toe dat het deontologisch ontoelaatbaar is de patiënt financieel onder druk te zetten om te kiezen voor een individuele kamer.
De kamerkeuze moet volledig vrij kunnen gebeuren.
Ten slotte, herhaalt de raad dat de arts zijn ereloon te goeder trouw moet bepalen, waarbij eerlijkheid en gematigdheid centraal staan.[8] De arts heeft de wettelijke en deontologische plicht de patiënt voorafgaand en duidelijk te informeren over de bepaling van zijn ereloon.[9]
De tuchtraden van de Orde der artsen hebben de bevoegdheid controle uit te oefenen en misbruiken op de vrije bepaling van het ereloon tuchtrechtelijk te sanctioneren.
[1] Art. 152, §2, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.
[2] Art. 97; §2, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.
[3] Art. 29/1, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.
[4] Art. 128, 13°, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.
[5] Cass. 4 mei 2020, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200504.2
[6] Cf. advies van de nationale raad van 24 februari 2018, “Weigeren van zorg voor een patiënt enkel omdat deze geen individuele kamer kiest”; advies van de nationale raad van 20 februari 2016, “Handelwijze van bepaalde artsen die aan een patiënt opdringen een eenpersoonskamer te kiezen als voorwaarde om door hen in behandeling genomen te worden tijdens een ziekenhuisopname”; advies van de nationale raad van 22 februari 2014, “Vrije artsenkeuze door de patiënt die ervoor kiest te worden opgenomen in een tweepersoonskamer of gemeenschappelijke kamer”.
[7] Art. 30, lid 3, Code van medische deontologie.
[8] Commentaar bij art. 33, Code van medische deontologie.
[9] Art. 8, §1 en §2, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 33, lid 2, Code van medische deontologie.
De hervorming van het beroepsgeheim in het federaal regeerakkoord
De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde in zijn vergadering van 25 april 2025 op verzoek van de “Fédération des équipes SOS Enfants” (Franstalige equivalent van de Vertrouwenscentra Kindermishandeling) de evenwichtsoefening tussen het beroepsgeheim en de meldingsplicht ingeval van kindermishandeling. Deze bespreking kadert in de voorziene aanpassingen van de wetgeving hieromtrent in het federaal regeerakkoord[1].
De Orde der artsen wordt regelmatig geraadpleegd door artsen en andere personen die een vertrouwensfunctie bekleden met de vraag hoe zij moeten omgaan met hun beroepsgeheim in het geval van vermoeden van kindermishandeling of mishandeling van kwetsbare personen. Uit deze contacten komen verschillende knelpunten aan het licht: het gebrek aan kennis van de materie zowel binnen het artsenkorps als binnen de algemene bevolking; het gebrek aan exact cijfermateriaal; de nood aan permanente beschikbaarheid van experten om het werkveld te ondersteunen in crisissituaties en de angst voor eventuele strafvervolging. Om hieraan tegemoet te komen heeft de Orde der artsen deontologische handvatten aangereikt in verschillende adviezen en ook de formulering van het artikel 458bis Sw. herwerkt naar een leesbare en bruikbare tekst (cf. artikel 29, Code van medische deontologie).
De omzetting van het huidige meldingsrecht aan de procureur des Koning naar een meldingsplicht zou een duidelijker kader moeten scheppen voor de geheimhouders. Evenwel afgaande op de praktijkervaring is deze omzetting enkel te verantwoorden in geval van extra-familiaal geweld. In geval van intra-familiaal geweld zou een meldingsplicht aan de procureur des Konings nadelige en zelfs averechtse gevolgen kunnen hebben:
- de mishandelende ouders zouden hun kind niet meer laten verzorgen omdat ze geen garantie hebben op geheimhouding;
- de mishandelde kinderen zouden zich niet tot de hulpverleners durven wenden uit vrees dat hun ouders vervolgd zouden worden.
Vele artsen, pediaters en kinderpsychiaters in het bijzonder hebben met succes geijverd om de problematiek van intra-familiaal geweld aan het gerecht te onttrekken en bijgevolg de drempel naar de hulpverlening te verlagen, voor zover de “daders” het opgelegde zorgtraject strikt naleven. Voor intra-familiaal geweld zou de invoering van een meldingsplicht aan een structuur equivalent aan de huidige Vertrouwenscentra Kindermishandeling een oplossing kunnen bieden mits de nodige aanpassingen:
- permanente beschikbaarheid voor advies en opvang van de meldingen;
- oprichting van een “kenniscentrum” voor opleiding;
- permanente opvolging van gedane meldingen over het gehele grondgebied op een sterk beveiligd hiervoor opgericht platform waardoor een exacte inschatting van de problematiek en bijsturing mogelijk wordt.
De nationale raad is vragende partij om mee te werken om klaarheid te scheppen in de actuele onduidelijkheid over de verhouding tussen het beroepsgeheim en de meldingsplicht in geval van kindermishandeling. Het beroepsgeheim mag enerzijds geen obstakel vormen om schrijnende situaties te melden en anderzijds blijft het de hoeksteen van de vertrouwensband tussen de arts en de patiënt. De hoger voorgestelde aanzet tot oplossing voorziet in een meldingsplicht binnen de zorg voor intra-familiaal geweld en aan de procureur des Koning voor extra-familiaal geweld.
De aandacht voor zorg in de gevangenis – de behandeling van hepatitis C.
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 21 februari 2025 de problematiek onderzocht met betrekking tot het gebrek aan behandeling van hepatitis C bij gedetineerden die voor een korte periode in de gevangenis verblijven.
Op heden wordt de behandeling van hepatitis C bij een gedetineerde slechts opgestart wanneer hij minimaal drie maanden in de gevangenis verblijft.
De keuze om uitsluitend gedetineerden te behandelen die gedurende het volledige behandeltraject in de gevangenis verblijven, is gebaseerd op een tekort aan middelen, de veronderstelling dat de behandeling na vrijlating niet wordt voortgezet en de niet-dringende aard van de pathologie.
Het onderscheid in behandeling naargelang de duur van de detentieperiode is vanuit deontologisch oogpunt onverdedigbaar. Overeenkomstig de Code van medische deontologie verzorgt de arts alle patiënten even gewetensvol en zonder discriminatie.[1]
Een verantwoord beheer van de middelen van de gemeenschap mag er niet toe leiden dat een bepaalde bevolkingsgroep geen toegang krijgt tot gezondheidszorg, te meer omdat de behandeling zeer toegankelijk is.
De behandeling van elke gedetineerde sluit bovendien aan bij de mondiale hepatitisstrategie van de Wereldgezondheidsorganisatie, die door België werd goedgekeurd en tot doel heeft het aantal nieuwe hepatitisinfecties tussen 2016 en 2030 met negentig procent te verminderen.[2]
Het behandelen van zoveel mogelijk gedetineerden is niet alleen van belang voor de gezondheid van de gedetineerde zelf, maar ook voor de samenleving. Een onbehandelde gedetineerde kan immers na vrijlating anderen besmetten buiten de gevangenismuren.
De gevangenisarts heeft de taak mee in te staan voor gezondheidspreventie, - bescherming en promotie.[3] Vroegtijdig testen en informeren over de besmettingsrisico’s maken deel uit van een zorgvuldig hepatitisbeleid.
Ten slotte is het ongerijmd om vooraf te veronderstellen dat de gedetineerde de behandeling na vrijlating niet zal voortzetten. De gevangenisarts speelt hierin een cruciale rol: hij moet de gedetineerde informeren over de risico's van de aandoening en, met het oog op de zorgcontinuïteit, de patiënt overtuigen de behandeling voort te zetten en hem of haar informeren over de centra die kunnen instaan voor de verdere zorg.
[1] Art. 30, lid 3, Code van medische deontologie.
[2]Elimination of hepatitis by 2030.
[3] Art. 5, Code van medische deontologie.