keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Plichten van de arts (Algemeen-)24/09/2021 Documentcode: a168014
Verplichte vaccinatie van zorgpersoneel tegen SARS-CoV-2

In zijn vergadering van 18 september 2021 heeft de nationale raad het gemeenschappelijke advies van 19 juli 2021 van de Académie royale de Médecine de Belgique en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België over de verplichte vaccinatie van zorgpersoneel tegen SARS-CoV-2 onderzocht.

De nationale raad verheugt zich vooreerst over het feit dat zeer veel artsen zich hebben laten inenten op basis van “good medical practice” en dit als een morele en deontologische plicht beschouwen. Evenwel blijft een volledige bescherming van artsen en het gehele zorgpersoneel door vaccinatie noodzakelijk om de veiligheid van kwetsbare patiënten te garanderen, medewerkers te beschermen en de continuïteit van de gezondheidszorg te waarborgen.

Om deze doelstelling te bereiken lijkt, naast de reeds bestaande informatieverstrekking en de sensibiliseringscampagnes, de wettelijke verplichting onvermijdelijk. De nationale raad is van oordeel dat de uitwerking van een juridisch kader voor verplichte vaccinatie gepaard dient te gaan met het geven van een geactualiseerde informatie over de werkzaamheid van de beschikbare vaccins in een context van aanwezigheid van varianten van het virus en over hun mogelijke bijwerkingen.

De nationale raad onderschrijft het gemeenschappelijke advies van 19 juli 2021 van de Académie royale de Médecine de Belgique en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België over de verplichte vaccinatie van zorgpersoneel tegen SARS-CoV-2. De nationale raad is van oordeel dat een wettelijke verplichting voor de artsen en het gehele zorgpersoneel noodzakelijk is.

Bijlage : Gemeenschappelijk advies over de verplichte vaccinatie van zorgpersoneel tegen SARS-CoV-2

Ziekten (Overdraagbare-)25/06/2021 Documentcode: a168013
Het medisch beroepsgeheim – informatie aan de vader van een pasgeborene betreffende de behandeling die wordt voorgeschreven aan het kind omwille van de seropositiviteit van de moeder.

In zijn vergadering van 19 juni 2021 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen een vraag betreffende het informeren van de vader van een pasgeborene over de behandeling die zijn kind krijgt door de seropositiviteit van de moeder, waarvan de vader niet op de hoogte is.

De arts die wordt geconfronteerd met dergelijke situatie dient rekening te houden met meerdere juridische, ethische en deontologische beginselen.

1- De arts waakt over het welzijn van de patiënt.

Zowel moeder als kind zijn patiënten; de gezondheidstoestand van beiden vereist evenveel aandacht.

2- Bij alle beslissingen die het kind betreffen, komen de belangen van het kind op de eerste plaats. (art. 22, Grondwet; art. 3.1, Verdrag inzake de rechten van het kind, New York, 20 november 1989)

3- De vertrouwensrelatie met het zorgteam houdt in dat de patiënt hen in vertrouwen kan nemen, toegang krijgt tot de beste zorg en zich houdt aan de behandeling. In het geval van HIV-positieve patiënten leidt dit tot een aanzienlijke vermindering van het risico van overdracht.

Preventie van HIV-overdracht van moeder op kind, door de behandeling van zowel moeder als kind, is van fundamenteel belang. De moeder moet naar behoren ingelicht worden over de ernstige gevolgen voor de gezondheid van het kind indien zij zich niet houdt aan de behandeling.

4- Het pasgeboren kind van een seropositieve moeder vereist speciale zorg, preventiemaatregelen en monitoring bij de geboorte, maar ook op lange termijn, zelfs als het kind niet besmet is (met name door de blootstelling aan antiretrovirale geneesmiddelen).

Het informeren van beide ouders over deze aspecten, het goed begrijpen en naleven ervan zijn noodzakelijk voor de goede gezondheid van de baby.

5- De arts is gehouden tot het beroepsgeheim, dat niet enkel de geheimen beschermt die de patiënt hem heeft toevertrouwd, maar ook alle inlichtingen waarvan de arts kennis heeft genomen in of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep (artikel 25 van de Code van medische deontologie 2018, zie ook artikel 458 van het Strafwetboek).

De seropositiviteit van de moeder is informatie die onder het medisch geheim valt bij het gehele medische team dat zorg verstrekt aan de moeder en het kind.

7- De arts moet de ouders die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen of de voogd voorafgaand infomeren over de zorg die het kind nodig heeft en dient hun toestemming te bekomen alvorens de zorg toe te dienen. (artt. 8 en 12, §1 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en artikel 20, 1ste lid, van de Code van medische deontologie 2018).

Er bestaat een wettelijk weerlegbaar vermoeden dat inhoudt dat ten aanzien van derden die te goeder trouw handelen, elke ouder geacht wordt te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij of zij alleen een handeling stelt die verband houdt met gezag (artikel 373, 2de lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Het lid van het verzorgend team dat weet dat de vader niet op de hoogte is van de seropositiviteit van de moeder van zijn kind, kan zich niet op voormeld vermoeden beroepen om te rechtvaardigen dat de vader niet geïnformeerd wordt over de behandeling die op het kind toegepast wordt, ook al heeft de moeder daarmee ingestemd.

In het belang van het kind en teneinde elke bedreiging van zijn leven of elke ernstige aantasting van zijn gezondheid te voorkomen, wijkt de arts, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, af van de door de ouders genomen beslissing betreffende de toe te dienen zorg (artikel 15, §2 van de voornoemde wet van 22 augustus 2002).

Informatie is een recht dat verschilt van het recht om in te stemmen met een behandeling. Het feit dat de behandeling zo onontbeerlijk is dat het zorgteam deze zelfs zonder toestemming van de ouders zal toepassen om ernstige schade aan de gezondheid van het kind te voorkomen, doet geen afbreuk aan het recht van de ouders om geïnformeerd te worden over de zorg die aan hun kind verleend wordt.

8- De patiënt heeft recht op inzage in en afschrift van zijn dossier; dit recht wordt uitgeoefend door de ouders of de voogd zolang het kind minderjarig is (artikel 8 van voornoemde wet van 22 augustus 2002).

De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt kan rechtvaardigen dat de arts het verzoek van de vertegenwoordiger van de minderjarige om inzage in of afschrift van zijn dossier te krijgen, geheel of gedeeltelijk afwijst (artikel 15, § 1, van de voornoemde wet van 22 augustus 2002).

In het onderhavige geval is de toepassing van deze uitzondering betwistbaar, aangezien het niet gaat om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige ten opzichte van zijn vader, maar veeleer om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de moeder.

Advies van de Nationale Raad

De bekendmaking van iemands seropositiviteit aan zijn entourage is moeilijk.

Een zwangere vrouw, op het ogenblijk dat ze in het ongewisse verkeert omtrent de virologische overdracht naar haar baby, bevindt zich in een psychologisch kwetsbare situatie omwille van de angst voor de reactie van haar partner bij de onthulling van haar seropositiviteit.

Zodra de zwangerschap aangekondigd is, moet zij psychologische steun krijgen om haar gerust te stellen, haar tot rede te brengen en haar te helpen haar seropositiviteit aan haar partner bekend te maken en om het paar te helpen een goede relatie met hun kind te ontwikkelen, ondanks de beangstigende context.

Net als de moeder heeft de vader van een pasgeboren kind het recht om spontaan door de gezondheidswerker ingelicht te worden over de preventieve behandeling die zijn kind krijgt en over de verantwoording van de diagnostische onderzoeken die verricht worden.

Geconfronteerd met de directe vragen van de vader over de zorg, zou zijn vertrouwen in het zorgteam sterk aangetast worden door ontwijkende of zelfs valse antwoorden.

Het informeren van de vader zal hem in staat stellen de gezondheid van zijn kind actief te volgen en eraan bij te dragen, terwijl zijn onwetendheid hem zou kunnen beletten adequaat te reageren.

Het verlies van vertrouwen in de medische wereld zou zeer nadelig kunnen zijn indien hij bij toeval de reden zou vernemen van de behandeling die zijn kind ondergaat of indien zou blijken dat het kind besmet is.

Indien een antiretrovirale, profylactische behandeling aan de neonaat wordt voorgeschreven, kan de informatie die de behandeling rechtvaardigt niet onthouden worden aan de vader, die het ouderlijk gezag heeft.

Wanneer een moeder weigert haar seropositiviteit bekend te maken aan de vader van de baby, staat het gezondheidsteam voor een dilemma tussen enerzijds het respecteren van het geheim dat de patiënt in staat gesteld heeft hen in vertrouwen te nemen en toegang te krijgen tot zorg in het belang van het kind, en anderzijds het informeren van de vader over de behandelingen, opdat maatregelen kunnen worden genomen en monitoring kan gebeuren die nodig zijn om de gezondheid van het kind te beschermen vanwege het besmettingsrisico.

De nationale raad beveelt aan dat in dit geval het belang van het kind nagestreefd wordt en dat de voorkeur gegeven wordt aan de oplossing die toegang biedt tot de beste zorg en behandeling om het kind te beschermen tegen ernstige schade aan zijn gezondheid, zelfs indien dit betekent dat het risico van besmetting als gevolg van de HIV-status van de moeder onthuld moet worden.

Alvorens een beslissing te nemen, moet rekening gehouden worden met de bijzondere medische, psychologische en sociale omstandigheden. Het welzijn van het kind vereist zorg, maar ook een omgeving die bevorderlijk is voor zijn ontwikkeling. De nationale raad beveelt aan dat het besluit het resultaat is van overleg binnen een ervaren multidisciplinair team.

In zo'n moeilijke situatie moet de beslissing gepaard gaan met de nodige multidisciplinaire, medische, psychologische en sociale ondersteuning voor beide ouders en het kind.

In zijn advies van 14 januari 2006, getiteld "HIV-positieve moeder", heeft de nationale raad geoordeeld dat er voldoende dwingende wettelijke en deontologische bepalingen zijn op grond waarvan het kind behandeld kan worden zonder dat de vader in kennis gesteld hoeft te worden van de toestand van de moeder.

In het onderhavige advies heeft de nationale raad dit standpunt herzien, aangezien het behoud van de gezondheid van een kind dat blootgesteld is aan besmettingsgevaar niet alleen een medische behandeling vereist maar ook voorzorgsmaatregelen en dagelijkse controle. Het belang van het kind is het doorslaggevend element om te verantwoorden dat de vader wordt ingelicht over de zorg die aan zijn kind wordt verleend.

Beroepsgeheim25/06/2021 Documentcode: a168012
Gebruik van camera's in een ziekenhuis voor medisch toezicht of onderwijsdoeleinden

In zijn vergadering van 19 juni 2021 heeft de nationale raad van de Orde der artsen onderzocht onder welke voorwaarden het deontologisch aanvaardbaar is dat een patiënt gefilmd wordt met het oog op medisch toezicht tijdens een ziekenhuisopname of voor onderwijsdoeleinden.

De nationale raad herinnert eraan dat hij op 21 september 2019 een advies uitbracht over het installeren van een bewakingscamera in de onderzoeksruimte van een medische praktijk met als doel misdrijven te voorkomen of vast te stellen, getiteld “Bewakingscamera in een geneeskundepraktijk”.

Indien het gaat over het verwerken van beelden betreffende de gezondheid van een patiënt voor wetenschappelijk onderzoek, verwijst de nationale raad naar punt 3., B, van het document “Inleiding op de medische deontologie 2019-2020”.

1. Gebruik van camera’s voor medisch toezicht tijdens een ziekenhuisopname

Aangezien cameratoezicht een aanzienlijke aantasting van de privacy vormt, die de patiënt ook als een aantasting van zijn waardigheid kan ervaren, dient het slechts ingeschakeld te worden na een diepgaande ethische en medische reflectie. De hoofdarts, het diensthoofd en de functionaris voor gegevensbescherming (DPO) worden op de hoogte gebracht opdat de regels betreffende de gegevensbescherming worden gerespecteerd.

De gezondheidstoestand van de patiënt dient een permanent visueel toezicht te rechtvaardigen, zowel om een diagnose te stellen als om hem te verzorgen.

Het zorgteam moet ervan overtuigd zijn dat het gebruik van dit toestel bijdraagt tot de kwaliteit van de zorg en dat minder ingrijpende bewakingsapparatuur, zoals een monitoringstoestel, geen geschikt toezicht kan bieden.

Indien een beroep op cameratoezicht essentieel lijkt, moet het beperkt blijven tot wat nodig is voor de toezichtbehoeften van de patiënt. De ruimte waar gefilmd wordt, de periode gedurende welke gefilmd wordt, de noodzaak al dan niet op te nemen, de personen die de beelden kunnen bekijken, zijn allemaal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden om de inbreuk op het privéleven van de patiënt zo veel mogelijk te beperken en zijn welzijn te bevorderen.

Camera’s mogen de persoonlijke relatie tussen de leden van het zorgteam en de patiënten niet verstoren, noch door de frequentie van de contacten te verminderen, noch door de spontaniteit ervan aan te tasten. Medische onderzoeken en verzorging moeten altijd uitgevoerd worden in omstandigheden die de privacy van de betrokkene vrijwaren.

De patiënt dient vooraf ingelicht te worden over het plan camera’s in te zetten, de medische redenen ervoor en het gebruik dat gemaakt zal worden van de beelden. Hij moet, indien mogelijk, volledig ingelicht worden over de concrete modaliteiten voor het maken van beelden, de bewaring ervan, de toegang ertoe, de mogelijke alternatieven op het gebied van toezicht, enz.

De patiënt, of in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger, moet ermee instemmen gefilmd te worden met het oog op medisch toezicht. De weigering van de patiënt betekent niet dat hij geen recht meer heeft op kwaliteitsvolle verstrekkingen.

Wanneer, in spoedeisende omstandigheden, de wil van de patiënt of zijn vertegenwoordiger onzeker is, dient de zorgverstrekker onmiddellijk de nodige handelingen te stellen in het belang van de patiënt. De zorgverstrekker noteert de handeling in het patiëntendossier en tracht de toestemming van de patiënt te bekomen van zodra dit mogelijk is.

De beelden mogen enkel bekeken worden door een gezondheidszorgbe-roepsbeoefenaar, bekwaam voor het uitoefenen van medisch toezicht, die betrokken is bij de zorg en in de mate dat dit noodzakelijk is voor de de zorg waarmee hij belast is.

Het medisch beroepsgeheim, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de regels inzake de verwerking van persoonsgegevens en de rechten van de patiënt moeten gewaarborgd worden.

2. Verwerking van medische beelden met onderwijsdoeleinden – Schriftelijke en duidelijke goedkeuring

Beelden met betrekking tot de fysieke of mentale gezondheid van een identificeerbare natuurlijke persoon, met inbegrip van de toediening van gezondheidszorg, die informatie over de gezondheidstoestand van die persoon onthullen, zijn persoonsgegevens betreffende de gezondheid, waarvan de verwerking onderworpen is aan de naleving van de AVG en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.

Om beelden betreffende de gezondheid van een identificeerbare persoon rechtmatig te kunnen verwerken, moet ook toegezien worden op de naleving van de andere geldende wetgevingen, met name inzake het medisch beroepsgeheim en het recht op afbeelding.

Rekening houdend met de medische ethiek en de wet, is de nationale raad van oordeel dat persoonsgegevens (betreffende een geïdentificeerde of rechtsreeks of onrechtstreeks identificeerbare natuurlijke persoon) niet voor onderwijsdoeleinden gebruikt mogen worden zonder de voorafgaande geïnformeerde en schriftelijke toestemming van de patiënt.

Indien de patiënt met een dergelijk gebruik instemt, moeten alle nodige maatregelen genomen worden om de identificatie van de patiënt tot een minimum te beperken, bijvoorbeeld door toepassing van pseudonimisering (zoals omschreven in artikel 4, 5de lid, van de AVG).

Om een geïnformeerde toestemming te kunnen geven, moet de patiënt vooraf volledig ingelicht worden over de modaliteiten van deze verwerking van hem betreffende beelden voor onderwijsdoeleinden, zodat hij er al dan niet mee kan instemmen met kennis van zaken.

Internet04/06/2021 Documentcode: a168011
Communicatie in tijden van een gezondheidscrisis

Artsen hebben actief deelgenomen aan het openbare debat gedurende de aanpak van de door Covid-19 veroorzaakte gezondheidscrisis.

Hierbij zijn enkele vragen gerezen omtrent de vrije meningsuiting van een arts over een gezondheidsonderwerp.

De Orde der artsen meent dat het in het algemeen belang is dat artsen tijdens een gezondheidscrisis bijdragen tot informatie die de gezondheid helpt behouden en verbeteren.

Wetenschappelijke standpunten kunnen zeker bij het optreden van een nieuw ziektebeeld uiteenlopen en aanleiding geven tot wetenschappelijke discussies welke met het tijdsverloop leiden tot een voortschrijdend inzicht en uiteindelijk een gedragen universele aanpak.

Wanneer een arts uitspraken doet buiten een wetenschappelijke kring houdt hij rekening met het kennisniveau en, bijgevolg, de kritische ingesteldheid van het publiek tot wie hij zich richt. Hoe ruimer en gevarieerder het publiek, hoe meer de arts zijn woorden dient te wikken en te wegen. De verstrekte medische informatie beïnvloedt de individuele en de collectieve keuzes door het vertrouwen dat men heeft in de artsen. De arts moet zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die hij draagt en hij mag de gezondheidsbelangen die op het spel staan nooit uit het oog verliezen.

De arts laat zich bij zijn communicatie leiden door de medische deontologie en ethiek en zal in geval van gevoelige thema’s een evenwichtig kader schetsen.

De arts mag geen onjuiste informatie verstrekken die manifest ingaat tegen de huidige inzichten van de wetenschap.

Wanneer de arts het woord neemt, maakt hij een duidelijk onderscheid tussen zijn persoonlijke opvattingen en zijn medische kennis.

Zijn analyses zijn nauwkeurig en zijn bewoordingen genuanceerd. De arts argumenteert zijn medische aanpak en vermeldt de bronnen waarop hij zich baseert bij zijn advies of raad. Hij wijst op mogelijke belangenconflicten die twijfel zouden kunnen zaaien over zijn onpartijdigheid.

Indien nodig herinnert hij eraan dat bij de toepassing van een individuele behandeling op maat van een patiënt altijd rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke gezondheidssituatie.

Geneeskunde (Universitaire opleiding in de-)07/05/2021 Documentcode: a168010
Arbeidsomstandigheden van artsen in opleiding

PERSBERICHT

De Vlaamse vereniging voor arts-specialisten in opleiding (VASO) en het Comité interuniversitaire des médecins assistants candidats spécialistes (CIMACS) ondernemen actie om het uitblijven van een akkoord over de arbeidsomstandigheden en de sociale bescherming van de kandidaat-specialisten binnen de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen aan de kaak te stellen.

Het feit dat de kandidaat-specialist in opleiding is, rechtvaardigt niet dat hij geen goede arbeidsomstandigheden, onder meer inzake arbeidstijd, en geen rechtvaardige sociale zekerheid geniet.

De opleiding dient te beantwoorden aan de kwaliteitsvereisten van het onderwijs, van de zorg en van de patiëntveiligheid, zonder het welzijn van de arts zelf te verwaarlozen (artikelen 6 en 10, Code van medische deontologie 2018).

De jonge arts kan de waarden van het medische beroep, waaronder respect en empathie, ongetwijfeld beter begrijpen en in zich opnemen wanneer hij ze voor zichzelf toegepast voelt.

Collegialiteit is een plicht tegenover alle collega’s, zonder uitzondering (artikel 11, Code van medische deontologie 2018).

De stageomstandigheden moeten het de jonge arts mogelijk maken bekwaamheden te verwerven in een omgeving die gunstig is voor zijn persoonlijke en beroepsontplooiing.

Het is de plicht van de stagemeesters en van de academische overheden hierop toe te zien. De ziekenhuisbeheerders en de openbare overheden hebben, van hun kant, de verantwoordelijkheid de nodige maatregelen te nemen om dit te bereiken.

Keuze (Vrije artsen-)24/04/2021 Documentcode: a168009
Globaal Medisch Dossier (GMD) – Regelgeving en beheer

In zijn vergadering van 24 april 2021 besprak de nationale raad van de Orde der artsen de regelgeving en het beheer van het Globaal Medisch Dossier (GMD).

Dit advies vervangt het advies Het beheer van het Globaal Medisch Dossier (GMD) van 16 juli 2011 (a134010).

Het GMD is onderhevig aan talrijke evoluties sedert het ontstaan, met interacties tussen een wettelijk kader, de opeenvolgende Nationale Akkoorden Geneesheren-Ziekenfondsen en de aansluitende wijzigingen en/of aanpassingen in de RIZIV-bepalingen.

De inhoud van het GMD wordt bepaald in het koninklijk besluit van 26 januari 2017 tot wijziging van het artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen[1].

Artikel 33 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (Kwaliteitswet)[2] bepaalt de gegevens die de gezondheidszorgbeoefenaar minstens dient op te nemen in het patiëntendossier.

De arts-patiëntrelatie ontstaat uit een vrijwillig engagement tussen de patiënt en de arts met respect voor de autonomie van zowel de arts als de patiënt. Beiden kunnen die relatie toezeggen, weigeren of beëindigen. De patiënt beschikt steeds over het recht om zijn arts vrij te kiezen en om deze keuze te wijzigen. De arts kan oordelen dat hij een therapeutische relatie niet kan verderzetten of geen tussenkomst of behandeling kan verlenen. Hij verwittigt de patiënt en eventueel zijn naastbestaanden tijdig en overlegt met hen. Hij organiseert de zorgcontinuïteit en verstrekt alle nuttige inlichtingen aan de arts die zijn taak overneemt (art. 32, Code van medische deontologie).

Uit het definiëren van een therapeutische relatie[3] volgt de plicht van de arts tot en het recht van de patiënt op een zorgvuldig bijgehouden patiëntendossier[4]. Artikel 22 van de Code van medische deontologie, bepaalt: ‘De arts houdt voor elke patiënt een patiëntendossier bij, waarvan de samenstelling en de bewaring beantwoorden aan de wettelijke en deontologische vereisten. De arts beheert, met respect voor het beroepsgeheim, het patiëntendossier als werkinstrument, communicatiemiddel, kwaliteitsreferentiepunt en bewijselement’.

De huisarts kan bij een eerste raadpleging van een nieuwe patiënt vragen naar het bestaan van een GMD bij een andere huisarts. Hij kan via MyCareNet[5] controleren of de informatie die de nieuwe patiënt hem verstrekt correct is. De mogelijkheid van het opvragen van lijsten is voorzien, zowel door de huisarts (lijst van patiënten waarvoor hij GMD-houdende huisarts is) als door andere huisartsen en artsen–specialisten (raadplegen van het GMD-recht van de patiënt).

Indien het eerste contact echter in een onstabiele omstandigheid gebeurt (afwezigheid, onbereikbaarheid of verlof van de eigen vaste huisarts) of indien de patiënt gewoon een second opinion verwacht of nog geen definitieve keuze wenst te maken voor een (nieuwe) GMD-houdende huisarts, dan moet dit gerespecteerd worden en is het deontologisch fout een GMD op te dringen of te openen.

Kwaliteitsvolle gezondheidszorg is een belangrijk patiëntenrecht. De huisarts informeert de patiënt correct over het belang van het GMD als werkinstrument voor een kwaliteitsvolle zorg, over de kwalitatieve doelstellingen en de financiële draagwijdte van een GMD. Op het vrijwillig en uitdrukkelijk verzoek van de patiënt[6] en met diens geïnformeerde toestemming opent de huisarts het GMD. De arts identificeert de patiënt aan de hand van de elektronische identiteitskaart (eID). Elektronisch - sinds 1 januari 2021 de enige mogelijkheid om recht te hebben op de voordelen[7] ervan - is het eenvoudig om een GMD aan te maken. De patiënt geeft blijk van zijn toestemming door het overhandigen van zijn eID. De arts vinkt het vakje betreffende de geïnformeerde toestemming ter bevestiging aan.

Een arts-patiëntrelatie is gestoeld op wederzijds vertrouwen en respect, communicatie en participatie. Het GMD verhoogt de kwaliteit van de zorg omdat alle informatie omtrent de patiënt door de huisarts verzameld en geïntegreerd wordt in een medisch dossier. Hierdoor krijgt de GMD-houdende huisarts een totaalbeeld van de gezondheidstoestand van de patiënt.

Indien een huisarts optreedt als vervangende arts mag deze, geconsulteerd om de continuïteit van zorg te verzekeren, geen GMD openen. Dit verbod is absoluut tijdens de bevolkingswachtdienst zowel in de weekends als op feestdagen. Dit geldt ook binnen een door de huisartsen georganiseerde weekwacht. Wanneer de huisarts optreedt als vervanger van een collega (afwezigheid, verlof, ziekte) kan er evenmin een verandering worden aangebracht in de status van het GMD.

De wachtarts heeft wel toegang tot het Sumehr[8]. Dit is een extractie uit het patiëntendossier. Het Summarized Electronic Health Record betreft een elektronisch document dat de minimale gegevens bevat die een arts nodig heeft om de gezondheidstoestand van een patiënt snel in te schatten en zo de best mogelijke zorg te bieden.

Zoals het Sumehr is ook het GMD geen apart dossier. Het bevat welbepaalde elementen uit het patiëntendossier (korte inhoud met acute medische informatie, belangrijke voorgeschiedenis van de patiënt, ... )[9].

Een ander essentieel patiëntenrecht is de autonome en vrije artsenkeuze. Het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt is onmisbaar voor de uitbouw van een vertrouwensrelatie met de arts. De patiënt heeft op elk ogenblik het recht om te kiezen met welke beroepsbeoefenaar hij een therapeutische relatie wenst aan te gaan en hij is steeds vrij deze keuze te wijzigen.

Artikel 27, al. 2, van de Code van medische deontologie, bepaalt

‘De arts bezorgt op verzoek of met toestemming van de patiënt aan een andere gezondheidszorgbeoefenaar relevante informatie en gegevens’.

Overeenkomstig artikel 34 van de Kwaliteitswet houdt de gezondheidszorgbeoefenaar het patiëntendossier bij en bewaart het, vanaf een nog bij koninklijk besluit te bepalen datum, in elektronische vorm.

De artikelen 36 tot 40 van de Kwaliteitswet bepalen de voorwaarden waaraan de gezondheidszorgbeoefenaar dient te voldoen om toegang te verkrijgen tot de gezondheidsgegevens van de patiënt die worden bijgehouden en bewaard door andere gezondheidszorgbeoefenaars.

Bij verandering van behandelende huisarts deelt de arts, in het kader van de zorgcontinuïteit, binnen een redelijke termijn alle nuttige en noodzakelijke medische of farmaceutische inlichtingen betreffende de patiënt mee aan de door de patiënt aangeduide arts opdat de diagnose of de behandeling kan worden voortgezet of vervolledigd[10]. Vandaag is het gebruikelijk dat de arts een kopie van het volledige patiëntendossier[11] overdraagt aan de nieuwe huisarts via eHealth.

De patiënt kan vragen medische informatie aan zijn patiëntendossier toe te voegen of, in bepaalde gevallen, informatie te corrigeren.

De arts dient objectief vast te stellen vergissingen (bv. manifest foute diagnose, foutieve bloedgroep van de patiënt of foutieve spelling van zijn naam) kosteloos te verbeteren. De patiënt heeft in de regel echter niet het recht om relevante medische persoons- of gezondheidsgegevens uit zijn patiëntendossier te doen verwijderen. Anderzijds mag de arts niet om het even welke gegevens in het patiëntendossier opnemen. Hij moet rekening houden met de principes van minimale gegevensverwerking, proportionaliteit en noodzakelijkheid. Meer informatie hieromtrent is terug te vinden in het advies van de nationale raad van 20 maart 2021 (a168007).

In het kader van de zorgkwaliteit krijgen andere huisartsen binnen éénzelfde groepspraktijk automatisch toegang tot de GMD-gegevens van elkaars patiënten wanneer ze daartoe gemachtigd[12] zijn. De patiënt hoeft hiervoor geen bijkomende administratieve stappen te ondernemen. De patiënt kan een therapeutische relatie met een bepaalde arts van de groepspraktijk weigeren. De behandelend arts informeert de patiënt hierover op het ogenblik van de aanmaak van het GMD.

In de praktijk stelt het verdelen en toewijzen van de Globale Medische Dossiers bij dissociaties van groepspraktijken van huisartsen soms problemen. In hun samenwerkingsovereenkomst dienen de betrokken artsen hierover duidelijke afspraken vast te leggen. Wanneer een huisarts de groepspraktijk verlaat, bevestigt de patiënt wie zijn GMD-houdende arts is. De nationale raad pleit ervoor om verder na te denken over het nog beter afstemmen van het concept van de solopraktijk van de GMD-houdende huisarts op de evolutie naar de samenwerking van huisartsen binnen een groepspraktijk.

Het honorarium per GMD voor de huisarts is beperkt tot 1 maal per kalenderjaar per patiënt. Sinds 1 januari 2021[13] is er een automatische verlenging. Eén jaar op twee dient er een raadpleging van de patiënt plaats te vinden[14].

Het beheer van een GMD is voorbehouden aan erkende huisartsen. Elke huisarts die GMD's wenst te beheren moet voldoen aan de voorwaarden om die erkenning te bekomen of te behouden. Huisartsen in opleiding kunnen geen GMD openen of beheren[15].

Vroeger[16] was één van de criteria voor het behoud van de erkenning dat de huisarts zowel op huisbezoek als in de consultatieruimte zorg verstrekt. Nu bepaalt het artikel 10 van het Ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen als enige criterium voor het behoud van de erkenning van de huisarts : ‘De erkende huisarts is ertoe gehouden gedurende zijn ganse loopbaan zijn bekwaamheid te behouden en te ontwikkelen door praktische en wetenschappelijke vorming.’

De nationale raad is evenwel van mening dat een GMD-houdende huisarts de volledige huisartsenzorg voor die patiënten moet kunnen verzekeren.

De nationale raad wenst met deze analyse de huisartsen bij te staan om met de nodige zorg en eerbiediging van de deontologische voorschriften het GMD van iedere patiënt te beheren.

Praktische modaliteiten en documentatie

https://www.ehealth.fgov.be/nl/egezondheid/beroepsbeoefenaars-in-de-gezondheidszorg/globaal-medisch-dossier-gmd/algemene-voorstelling

https://www.riziv.fgov.be/nl/themas/zorgkwaliteit/e-gezondheid/Paginas/MyCareNet.aspx(laatst aangepast 13 juli 2018)

https://www.inami.fgov.be/nl/professionals/individuelezorgverleners/artsen/kwaliteit/Paginas/globaal-medisch-dossier.aspx#Beheer_van_het_GMD_via_MyCareNet%3a_het_eGMD(laatst aangepast 2 maart 2021)

http://ned.mycarenet.be/sectoren2/dokter/de-beschikbare-diensten/medisch-administratief--dokter/beheer-globaal-medisch-dossier


[1].’Art. 1. In artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 februari 2013 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de omschrijving en de toepassingsregels van de verstrekking 102771 worden als volgt vervangen :
"Beheer van het globaal medisch dossier (GMD)
[…]
Het GMD bevat de volgende gegevens die regelmatig worden bijgewerkt :
a) de sociaal-administratieve gegevens;
b) de antecedenten;
c) de problemen;
d) de verslagen van de andere zorgverleners;
e) de chronische behandelingen;
f) de preventieve maatregelen die worden genomen, rekening houdende met de leeftijd en het geslacht van de patiënt, en die minstens betrekking hebben op :
1. de levensstijl (voeding, lichaamsbeweging, tabaks- en alcoholgebruik);
2. de cardiovasculaire ziekten (anamnese, klinisch onderzoek, acetylsalicylzuur voor de risicogroepen);
3. de opsporing van colorectale kanker, borstkanker en baarmoederhalskanker;
4. de vaccinatie (difterie, tetanus, griep en pneumokokken);
5. de biologische metingen : lipiden (> 50 jaar), glycemie (> 65 jaar), creatinine en proteïnurie (voor de risicogroepen);
6. de opsporing van depressie;
7. de mondzorg;
g) voor een patiënt van 45 tot 74 jaar die het statuut chronische aandoening geniet, diverse klinische en biologische gegevens die nuttig zijn voor de evaluatie van de gezondheidstoestand van de patiënt en voor de verbetering van de kwaliteit van de zorg.’ […]

[2] De Kwaliteitswet treedt in werking op 1 juli 2021.

[3] ‘Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder therapeutische relatie verstaan een relatie tussen een patiënt en een gezondheidszorgbeoefenaar in het kader waarvan gezondheidszorg wordt verstrekt.’ (wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg ,art. 37, al. 2)

[4] wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 9, §1.

[5] MyCareNet is een gezamenlijk initiatief van het Nationaal Intermutualistisch College (NIC), van eHealth (het gezondheidsportaal van de Belgische overheid) en van het RIZIV (https://ned.mycarenet.be/secto...).

[6]art. 1, 1°, al. 2, KB van 26 januari 2017 tot wijziging van het artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen bepaalt :

Een GMD wordt geopend op verzoek van de patiënt of van zijn behoorlijk geïdentificeerd gemachtigde; dat verzoek wordt vermeld in het dossier van de patiënt.’

[7] Het Riziv actualiseerde zijn webpagina betreffende het GMD

(https://www.riziv.fgov.be/nl/professionals/individuelezorgverleners/artsen/kwaliteit/Paginas/globaal-medisch-dossier.aspx). Sinds 1 januari 2021 krijgt de huisarts enkel het honorarium voor het beheer van het GMD als hij een elektronisch medisch dossier gebruikt (EMD). Het EMD moet worden beheerd met een softwarepakket geregistreerd door het eHealth-platform.

[8] cf.

https://www.vitalink.be/beknopte-medische-dossiers-delen-sumehr

https://www.ehealth.fgov.be/standards/kmehr/en/transactions/summarised-electronic-healthcare-record-v20

https://www.ehealth.fgov.be/ehealthplatform/file/view/AWl8XKSwgwvToiwBkf81?filename=GP%20documentation%20-8th%20July%20%2020191.pdf

Het aanmaken van een Sumehr wordt door de arts aangeklikt in de software. Het bevat informatie die uit het patiëntendossier wordt gehaald. Bovendien kunnen via COZO specialistenbrieven van alle Belgische ziekenhuizen, van eraan meewerkende extra-muros specialisten, laboratoria, e.a. teruggevonden worden.

[9] art. 1, KB van 26 januari 2017 tot wijziging van het artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

[10]Code van medische deontologie, art. 26.

[11]De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, art. 9, §2, bepaalt dat de patiënt recht heeft op inzage in zijn patiëntendossier.

[12]https://www.inami.fgov.be/nl/p...

[13] Vanaf 2021 wordt de betaling van de GMD-erelonen elk jaar in februari proactief gestort. De berekening wordt gemaakt op basis van het aantal GMD’s die op 31 december van het jaar ervoor bij MyCareNet zijn geregistreerd, voor alle patiënten die in hetzelfde ziekenfonds zijn ingeschreven. Voor nieuwe patiënten die na februari een GMD wensen te openen ontvangt de arts, na notificatie bij MyCareNet, een ereloon voor dat jaar. Voor patiënten met een GMD die van arts veranderen krijgt de nieuwe arts pas het jaar nadien een ereloon.

[14] Het ereloon voor het GMD is dus niet meer gebonden aan het verplichte jaarlijkse patiëntencontact.

[15] art. 1, KB van 26 januari 2017 tot wijziging van het artikel 2, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen

[16] Het in het advies van de nationale raad van 16 juli 2011 vermelde Ministerieel besluit van 21 februari 2006 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen werd vernietigd door de raad van State. Heden is er het Ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen.

Patiëntenrechten20/03/2021 Documentcode: a168007
Recht van de patiënt betreffende de rectificatie of het wissen van gegevens in zijn medisch dossier

De nationale raad van de Orde der artsen heeft het recht van de patiënt onderzocht betreffende de rectificatie of het wissen van gegevens in zijn medisch dossier.

De patiënt heeft het recht op inzage in het hem betreffend patiëntendossier.[1] In de context van patient empowerment neemt de patiënt actiever deel aan zijn zorgproces en zal hij frequenter kennis nemen van zijn medische gegevens, onder meer via gezondheidsnetwerken.

Als gevolg hiervan krijgen meer en meer artsen de vraag van hun patiënten om bepaalde gegevens in hun medisch dossier te verbeteren en/of te wissen.

  1. Recht op rectificatie

De patiënt heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken.[2] Het recht op rectificatie is een grondrecht.[3]

Persoonsgegevens moeten juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd. Alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te corrigeren.[4]

De juistheid van de gegevens moet worden nagekeken. Slechts wanneer de arts vaststelt dat de gezondheidsgegevens onjuist of onvolledig zijn, moeten zij worden verbeterd of aangevuld.

Dit recht is er niet op gericht de inhoudelijke juistheid van een medische diagnose – die het resultaat is van een professionele beoordeling en dus een medische “opinie” uitmaakt – te kunnen betwisten.[5] Subjectieve betwistingen omtrent de diagnosestelling worden beoordeeld door de betrokken arts en worden desgevallend zonder gevolg gelaten. De arts noteert in het patiëntendossier dat de diagnose wordt betwist en door wie.

Het recht op rectificatie kan evenwel worden uitgeoefend in situaties waar vergissingen in het dossier voorkomen, als gevolg van een onjuiste verwerking van persoonsgegevens.[6] Er kan in deze context worden gedacht aan bijvoorbeeld een objectief vast te stellen foute diagnose, het foutief registreren van de bloedgroep van de patiënt[7] of een foutieve spelling van de naam van de patiënt. Objectief vast te stellen vergissingen dienen steeds kosteloos te worden verbeterd.

2. Recht op het wissen van gegevens

De patiënt heeft in bepaalde gevallen[8] het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen.[9]

Het recht op het wissen van persoons- en gezondheidsgegevens is niet van toepassing indien de verwerking noodzakelijk is om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid, voor het verstrekken van gezondheidszorg en voor zover de verwerkingsverantwoordelijke gehouden is tot het beroepsgeheim.[10]

De relevantie van het recht om gezondheidsgegevens kosteloos te laten wissen is aldus gering. De verwerking en de bewaring van gezondheidsgegevens is noodzakelijk voor het verstrekken van kwaliteitsvolle zorg. De patiënt heeft bijgevolg niet het recht om relevante medische persoons- of gezondheidsgegevens te laten verwijderen uit zijn medisch dossier. De bewaartermijn voor gezondheidsgegevens bedraagt minimum 30 jaar[11] en maximum 50 jaar te rekenen vanaf het laatste patiëntencontact.[12]

Dit betekent niet dat de arts om het even welke gegevens in het patiëntendossier mag opnemen. De arts moet rekening houden met de principes van minimale gegevensverwerking, proportionaliteit en noodzakelijkheid. Dit betekent dat de gegevensverwerking toereikend is, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.[13]

De arts dient bij de opstelling van documenten en nota’s op datum telkens de persoons- en gezondheidsgegevens na te kijken en zich te vergewissen van hun juistheid en relevantie.


[1] Artikel 9, §2, Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

[2] Artikel 16, Algemene Verordening Gegevensbescherming

[3] Hof van beroep Brussel – 2020/AR/721

[4] Artikel 5, 1, Algemene Verordening Gegevensbescherming; artikel 170, Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens

[5] Beslissing 21/2020 van 30 april 2020 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit; Hof van beroep Brussel – 2020/AR/721

[6] Beslissing 21/2020 van 30 april 2020 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit

[7] Hof van beroep Brussel – 2020/AR/721

[8] (a) de persoonsgegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt; (b) de betrokkene de toestemming, waarop de verwerking berust, intrekt en er geen andere rechtsgrond is voor de verwerking; (c) de betrokkene bezwaar maakt tegen de verwerking en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden zijn voor de verwerking; (d) de persoonsgegevens onrechtmatig verwerkt zijn; (e) de persoonsgegevens moeten worden gewist om te voldoen aan een wettelijke verplichting: (f) de persoonsgegevens zijn verzameld in verband met een aanbod van diensten van de informatiemaatschappij aan minderjarigen

[9] Artikel 17, 1 en 2, Algemene Verordening Gegevensbescherming

[10] Artikel 17, 3, Algemene Verordening Gegevensbescherming

[11] Artikel 24, Code van medische deontologie

[12] Artikel 35, Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

[13] Artikel 5, 1, c), Algemene Verordening Gegevensbescherming

Expertise20/03/2021 Documentcode: a168006
Toepassing van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking door de arts-gerechtelijk deskundige

In zijn vergadering van 20 maart 2021 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag onderzocht van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit om de deontologische aanbevelingen te kennen betreffende de toepassing vanhet evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking door de arts-gerechtsdeskundige bij het opstellen van zijn verslag.

1. Deze vraag volgt op een beslissing ten gronde 51/2020 van 27 augustus 2020 van de Geschillenkamer in een dossier tegen een arts-gerechtsdeskundige[1]. Aan deze laatste werd verweten bij zijn verslag, waartegen de partijen tegenspraak kunnen voeren, het volledige verslag van de deskundige-psychiater gevoegd te hebben dat gevoelige gegevens bevatte die de betrokken persoon niet noodzakelijk achtte voor de uitvoering van de expertiseopdracht.

In dit dossier heeft de Geschillenkamer geoordeeld dat de overmaking door de gerechtelijk deskundige van het verslag van de deskundige-psychiater aan de procespartijen de artikels 6.1 en 9 van de AVG niet schond.

Ze werpt in haar beslissing echter op : (…)de Geschillenkamer stelt vast dat in casu een groot aantal gevoelige persoonsgegevens van de klaagster alsook haar echtgenoot werden verwerkt en ter beschikking gesteld van de tegenpartij in het kader van het rechtsgeding en meer bepaald in uitvoering van een door de rechtbank bevolen medisch deskundigenonderzoek.

De Geschillenkamer stelt vast dat aldus een spanningsveld bestaat tussen, enerzijds, het beginsel van tegensprekelijkheid van gerechtelijke deskundigenonderzoeken, (…) en, anderzijds, het recht op persoonsgegevensbescherming van de bij rechtsgedingen betrokken partijen[2].

Gelet op dit spanningsveld en de toepasselijkheid van het beginsel van tegenspraak in rechtszaken, wijst de Geschillenkamer op het bijzonder belang van het waarborgen van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking ex artikel 5.1 c) AVG door deskundigen bij het uitoefenen van deskundigenonderzoeken en het opstellen van deskundigenverslagen.

(…) wijst de Geschillenkamer erop dat een voorafgaande noodzakelijkheidstoets dient te worden uitgevoerd door (medische) deskundigen belast met de uitvoering van een deskundigenonderzoek, zodat enkel die persoonsgegevens die “ter zake dienend” zijn en “beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt” in de zin van artikel 5.1 c) AVG in deskundigenverslagen worden opgenomen en aan de tegenspraak worden onderworpen en aldus de beginselen van evenredigheid en minimale gegevensverwerking worden gewaarborgd.[3]

2. De arts-gerechtelijk deskundige is gebonden aan de deontologische code van de gerechtsdeskundigen[4] en aan de code van medische deontologie (CMD 2018).

De deontologische code van de gerechtsdeskundigen schrijft voor dat de gerechtsdeskundige het inwinnen van informatie, het aantal en de kostprijs van zijn onderzoeken (…) beperkt tot hetgeen voor het volbrengen van de opdracht absoluut noodzakelijk is[5].

De CMD 2018 bepaalt in ruimere zin dat de arts-gerechtsdeskundigezich strikt houdt aan de hem toevertrouwde opdracht[6].

Ze stelt ook algemeen dat de arts de finaliteit en de proportionaliteit bij de verwerking van gezondheidsgegevens eerbiedigt[7].

Deze deontologische plichten passen met name het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van minimale gegevensverwerking toe volgens hetwelk persoonsgegevens moeten “toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt”[8].

Ze zijn ook gebaseerd op het medisch geheim waaraan de arts deskundige, zoals elke arts, gehouden is. De elementen waarvan hij in kennis gesteld werd tijdens of ter gelegenheid van het deskundigenonderzoek mogen niet openbaar gemaakt worden indien dit niet gerechtvaardigd is door de vereisten van de opdracht, of door een andere wettige reden.

Fundamenteler worden deze regels ingegeven door de bescherming van de intimiteit van de persoon.

De wet betreffende de rechten van de patiënt, die van toepassing is op de expertisegeneeskunde, herinnert dat de patiënt recht heeft op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer bij iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar en inzonderheid betreffende de informatie die verband houdt met zijn gezondheid. Geen inmenging is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover het bij wet is voorzien en nodig is voor de bescherming van de volksgezondheid of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen[9].

3. Het doel van zijn opdracht en zijn wettelijke en deontologische verplichtingen leiden de deskundige bij elke fase van zijn opdracht : bij het verzamelen van gegevens, het onderzoek van de persoon en het opstellen van het verslag.

Het komt hem toe geval per geval te oordelen hoe deze verplichtingen na te komen, zonder een daarvan te verwaarlozen.

Wanneer de deskundige zelf de persoonsgegevens van de persoon waarover de expertise gaat, verzamelt, informeert hij de persoon waartoe hij zich richt in overeenstemming met de bepalingen van de AVG. Hij vergewist zich ervan dat zijn gesprekspartner zijn hoedanigheid van gerechtsdeskundige, de opdracht waarmee hij belast is, het gebruik dat zal gemaakt worden van de gegevens (met inbegrip van de toegang ertoe) en, in voorkomend geval, de mogelijkheid te weigeren ze hem mee te delen, begrepen heeft.

Hij zorgt ervoor alleen gegevens te verzamelen die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn opdracht en die niet verder gaan dan wat nodig is om het medisch advies te geven dat hem gevraagd wordt.

Wanneer een medisch dossier in beslag genomen wordt, sluit de afgevaardigde van de provinciale raad van de Orde de stukken uit die geen verband houden met de zaak in kwestie[10].

De geneeskundige anamnese en het medisch onderzoek uitgevoerd door de deskundige dienen afgestemd te zijn op de aard van het trauma of van het te onderzoeken feit.

De deskundige onthoudt zich van elk onderzoek dat als enig doel heeft een partij tevreden te stellen. Hij behoudt zijn onafhankelijkheid.

De arts-deskundige past strikt dezelfde principes toe bij het opstellen van zijn verslag. Het komt hem toe te oordelen wat hij moet vermelden om zijn advies voldoende met redenen te omkleden en te objectiveren, meer bepaald of hij bepaalde verklaringen van de persoon moet weergeven.

Hetgeen de arts-deskundige zal onthullen, zal ter kennis gebracht worden van de procespartijen, die niet gehouden zijn door een vertrouwelijkheidsplicht.

De arts-deskundige dient toe te zien op de eerbiediging van de waardigheid en de integriteit van het individu dat onderworpen is aan zijn deskundigenonderzoek. De medisch deskundige moet in gedachten houden dat het medisch deskundigenonderzoek, of het nu fysiek of psychiatrisch is, voor de persoon die er het voorwerp van is, een intrusie is in zijn intimiteit door een arts die hij niet noodzakelijk vrij gekozen heeft[11].

Hij richt zich eerbiedvol en beleefd tot deze en ziet af van elk commentaar dat noch zijn opdracht, noch zijn bekwaamheid betreft.

Alle regels die voorafgaan zijn eveneens van toepassing op de arts-deskundige.

Indien de gerechtelijk deskundige zich vragen stelt over de toepassing van het beginsel van procedure op tegenspraak rekening houdend met het recht op eerbiediging van de private levenssfeer, kan hij zich tot de rechter wenden opdat hij het incident zou beslechten.

In een arrest van 2 november 2012 heeft het Hof van Cassatie herinnerd dat de tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek beperkt kan worden door de rechter, in dit geval rekening houdend met het recht op de eerbiediging van het privéleven, op voorwaarde dat er geen schending van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak uit voortvloeit[12].


[1]https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-51-2020.pdf

[2] Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950

[3] Punten 50, 51, 52 en 59 van de Beslissing ten gronde 51/2020 van 27 augustus 2020

[4] Koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 991quater van het gerechtelijk Wetboek werd opgeheven door de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank die een boek V toevoegde in het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek, dat de artikelen 555/6 tot 555/16 omvat, met als opschrift : "Boek V. Gerechtsdeskundigen en de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken.", zie artikel 555/9, 3°)

[5] Art. 5, lid 3, van het koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek

[6] Art. 44 CMD 2018

[7] Art. 27, §1er CMD 2018

[8] Art. 5. 1., c) AVG

[9] Art. 10, § 1, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt

[10] Advies van 14 september 2013 van de nationale raad, met als titel Code van geneeskundige plichtenleer – wijziging van artikel 66

[11] Artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat de rechter de deskundigen kan aanwijzen waarover partijen het eens zijn. Hij kan van de keuze van de partijen slechts afwijken bij een met redenen omklede beslissing.

Behoudens overeenstemming tussen de partijen, geven de deskundigen alleen advies over de in het vonnis bepaalde opdracht.

[12] Cass., 2 november 2012, nr. C.11.0018.N

Expertise20/03/2021 Documentcode: a168005
Inschakeling van een videoconferentie tijdens de gerechtelijke medische expertise

In zijn vergadering van 20 maart 2021 besprak de nationale raad van de Orde der artsen de inschakeling van een videoconferentie tijdens de gerechtelijke medische expertise in het licht van de regels van de medische deontologie.

Het onderstaande advies neemt geen standpunt in over de regelmatigheid van de gerechtelijke procedure. Het bestudeert evenmin de hypothese waarin de rechter dit punt geregeld heeft.

1. De gerechtelijke medische expertise vormt op zich een ervaring die pijnlijk kan zijn voor de persoon op wie ze betrekking heeft. Deze moet immers gevoelige aspecten van zijn privéleven blootgeven in een conflictsituatie.

De medische gerechtsdeskundige moet toezien op het welzijn van de persoon en op de eerbiediging van zijn waardigheid tijdens de expertisezittingen.

2. Een videoconferentie laat niet toe dat men controle heeft op wie deelneemt aan de vergadering (aanwezige personen aan de andere kant van het scherm) noch op het feit dat ze opgenomen wordt door een van de partijen buiten het medeweten van de andere deelnemers.

3. Tijdens de medische handelingen staat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken persoon, en zelfs van derden, onder spanning door de plicht of de wil om mee te werken aan de expertise.

Gegevens die losstaan van het voorwerp van de expertise kunnen bekendgemaakt worden door de spontane verklaringen van de onderzochte persoon die oprecht en spontaan alles ten beste geeft zonder over de medische kennis te beschikken om te weten wat relevant is en zijn uitlatingen bijgevolg te beperken.

4. Wat betreft het fysiek of psychisch onderzoek is de nationale raad gekant tegen de inschakeling van een videoconferentie, ook al wordt de persoon onderzocht in aanwezigheid van de deskundige.

Wat betreft de medische, sociale en professionele anamnese (met inbegrip van de persoonlijke en familiale voorgeschiedenis) is het niet gunstig via videoconferentie te werken.

Indien bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen gebruik te maken van een videoconferentie, moet de toegang ertoe beperkt worden tot de raadslieden (juridische en technische) van de partijen die wettelijk onderworpen zijn aan deontologische beroepsregels en aan een tuchtoverheid. Deze verbinden zich ertoe alleen deel te nemen aan de expertisehandeling en er geen enkel audio- of filmspoor van te bewaren, tenzij zij hiervoor de toestemming gekregen hebben van alle deelnemers.

De persoon die onderworpen wordt aan de expertise moet altijd in aanwezigheid zijn van de deskundige wanneer deze overgaat tot de anamnese.

De medische gerechtsdeskundigen en technische raadslieden (raadgevend artsen en bijstandsartsen) komen overeen geen rekening te houden met de gegevens die niet noodzakelijk zijn voor de expertise en waarvan geen nota genomen wordt, gelet op het beginsel van de minimale gegevensverwerking (artikelen 5.1.c) en 9 van de AVG) en de deontologische regels waaraan ze onderworpen zijn[1].

Wat betreft de discussies over de richtinggevende feiten en over het rapport van de domeindeskundigen meent de nationale raad dat een videoconferentie aanvaardbaar is.

5. De deskundige moet ernstige redenen hebben om aan te nemen dat de videoconferentie hem toelaat de regels van goede (kwaliteits)praktijkvoering na te leven. Dit moet beoordeeld worden aan de hand van alle concrete gegevens, zowel menselijke als wetenschappelijke en technologische.

Hij vergewist zich ervan dat de partijen in de mogelijkheid verkeren zich voluit uit te drukken en een beroep te doen op de bijstand van hun raadslieden in de meest optimale omstandigheden. De raadslieden van de partijen hebben ook de deontologische plicht toe te zien op dit aspect.

Er moet rekening gehouden worden met de vaardigheden van de medische gerechtsdeskundige en van de deelnemers om gebruik te maken van de technische apparatuur en om te communiceren (verhoor, beheersing van de taal, begrip van de medische en anatomische terminologie, stress, enz.).

6. Het inschakelen van een videoconferentie moet gewettigd zijn door een situatie die ertoe leidt dat de partijen meer baat hebben bij een videoconferentie dan bij een zitting met fysieke aanwezigheid. De deskundige mag de toepassing ervan niet aanmoedigen voor persoonlijk gemak.

Werken via videoconferentie kan alleen met de toestemming van alle partijen die op voorhand ingelicht zijn over onder meer de mogelijkheid om de zitting met fysieke aanwezigheid te houden en de gebruikte technologie.

De toestemming van een partij belet niet dat zij, van haar kant, fysiek aanwezig is op de zitting.

7. De medische gerechtsdeskundige weigert een videconferentie indien hij vaststelt dat ze hem verhindert zijn opdracht goed uit te voeren, om welke reden ook.

8. De nationale raad wijst erop dat, gezien de gevoelige aard van de gezondheidsgegevens, de AVG de medische gerechtsdeskundige ertoe verplicht de passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen[2].


[1] Art. 5, 3de lid van het koninklijk besluit van 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek; art. 27, § 1 en art. 44 van de CMD 2018

[2] Art. 5, § 1, f) en artikel 32 van de AVG

COVID-1920/03/2021 Documentcode: a168004
Deontologische en ethische aspecten van de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19

De nationale raad van de Orde der artsen bestudeerde op 20 maart 2021 de deontologische en ethische aspecten betreffende de doorgifte door de arts van persoonsgegevens van patiënten die in aanmerking komen voor prioritaire vaccinatie tegen COVID-19.

Bij vele artsen rees de vraag of zij in navolging van het voorliggende “Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19 informatie van hun patiënten met ernstige ziekte ter beschikking mogen stellen aan de gegevensbank met de vaccinatiecodes om voorrang te krijgen bij de vaccinatie-uitrol tegen COVID-19.

Juridische kader

Overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek zijn artsen gehouden tot het beroepsgeheim, buiten het geval dat de wet hen toelaat of verplicht om hetgeen hen is toevertrouwd bij de uitoefening van hun beroep bekend te maken. Het samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot vaccinaties tegen COVID-19, is een wetgevend instrument[1] dat de arts toelaat de strikt noodzakelijke persoonsgegevens van de patiënten waarvan men oordeelt dat zij in aanmerking komen voor een prioritaire vaccinatie door te geven aan het gemeenschappelijk informatiesysteem dat wordt opgezet voor de uitnodiging van de personen voor vaccinatie, voor de organisatie van de vaccinatie en voor de registratie van de vaccinatie.

Er wordt rekening gehouden met het principe van de minimale gegevensverwerking.[2] De arts vermeldt enkel de persoonsgegevens van zijn patiënten die in aanmerking komen voor een prioritaire vaccinatie omwille van hun gezondheidstoestand, zonder de diagnose te vermelden. De gegevensbank bevat aldus geen gegevens over de gezondheidstoestand van de patiënt, met uitzondering van de aanduiding van de vaccinatiestatus.

In verhouding tot het beroepsgeheim

De nationale raad is van oordeel dat er geen schending van het beroepsgeheim optreedt indien een arts die een zorgrelatie heeft met de betrokkene, op basis van de informatie waarover het/hij/zij beschikt over de gezondheidstoestand van een persoon, van oordeel is dat die persoon in aanmerking komt voor prioritaire vaccinatie en dit feit aanmerkt in de gegevensbank met de vaccinatiecodes, zonder dat enige onderliggende reden wordt meegegeven.

In verhouding tot de ethiek en de deontologie

De prioriteringsregels voor de vaccinatie zijn opgesteld op basis van 4 criteria: de leeftijd, de gezondheidstoestand (meer bepaald het feit of de persoon al dan niet lijdt aan bepaalde onderliggende aandoeningen zoals vastgelegd door de Hoge Gezondheidsraad), het beroep en/of de plaats van tewerkstelling van de betrokkene. Deze prioriteringsregels zijn fijnmazig opgesteld en beogen dat personen met een hoger risico vlugger aan bod komen bij de vaccinatie-uitrol. Hierdoor wordt ziekte en eventuele mortaliteit ingeperkt zeker als men rekening houdt met de relatief lange periode die nodig zal zijn om alle mensen te vaccineren. Bovendien is de prioritering van chronisch zieke patiënten een daad van solidariteit en een hart onder de riem voor mensen die omwille van hun gezondheid problemen ondervinden op fysiek, psychisch en dikwijls ook op financieel vlak.


[1] Op basis van artikel 92bis, §1 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kunnen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten samenwerkingsakkoorden sluiten die onder meer betrekking hebben op de gezamenlijke oprichting en het gezamenlijk beheer van gemeenschappelijke diensten en instellingen, op het gezamenlijk uitoefenen van eigen bevoegdheden, of op de gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven.

[2] Dit betekent dat de gegevensverwerking toereikend is, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, art. 5, 1, c), Algemene Verordening Gegevensbescherming