keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Contracten08/04/2017 Documentcode: a157004
Standaard opleidingsovereenkomst tussen de huisarts in opleiding en de praktijkopleider

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de standaard opleidingsovereenkomst tussen de huisarts in opleiding en de praktijkopleider, onderzocht.

Advies van de nationale raad :

De heer Guy Gielis
Kapucijnenvoer 33

3000 Leuven

In het antwoord verwijzen naar
Ons kenmerk : 108246/EF/EDB/fd/CNR 124 08
Geachte heer Gielis,
De nationale raad van de Orde der artsen heeft in de vergadering van 8 april 2017 uw e-mail van 1 februari 2017, met als bijlage de standaard opleidingsovereenkomst tussen de huisarts in opleiding en de praktijkopleider, besproken.
De nationale raad van de Orde der artsen adviseert om in de standaard opleidingsovereenkomst de niet-concurrentieclausule te schrappen, en dit met het oog op de bescherming van de huisarts in opleiding. De nationale raad verwijst hiervoor naar het advies "Standaardopleidingsovereenkomsten voor de huisartsen in opleiding" van 19 maart 2016.
De nationale raad erkent dat specifieke omstandigheden zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een groot aantal huisartsen in een bepaald geografisch gebied, een niet-concurrentieclausule in een opleidingsovereenkomst kunnen verantwoorden. Deze clausule dient beperkt te zijn in tijd, ruimte en aard van de activiteiten. In geval van een conflict komt het aan de rechter toe om deze aspecten te beoordelen en de clausule nietig te verklaren, indien hij deze te ruim acht. Het is de rechter eveneens toegestaan een dergelijk niet-concurrentiebeding te matigen indien uitdrukkelijk een matigingsbeding in de overeenkomst is opgenomen (1).

Hoogachtend,
voor de Nationale Raad,
E. FORRIER
Plaatsvervangend voorzitter.

1. Cass. 23 januari 2015, AR C.13.0579.N.

Contracten11/03/2017 Documentcode: a156004
Medische regularisatie - Dienst Vreemdelingenzaken - Artikel 9ter van de wet van 15 december 1980
Tussenkomst van professor Jean-Jacques Rombouts,
ondervoorzitter van de nationale raad van de Orde der artsen,
in het kader van de medische regularisatie, voor de commissie binnenlandse zaken, de algemene zaken en het openbaar ambt

Geachte Voorzitter,
Geachte dames en heren volksvertegenwoordigers,

Als afgevaardigde van de nationale raad van de Orde der artsen, wil ik strikt binnen de bevoegdheden van het orgaan dat ik vertegenwoordig blijven.

De Orde der artsen is belast met het bevorderen en controleren van de naleving van de geneeskundige plichtenleer door haar leden.

U heeft me uitgenodigd in het kader van een overdenking betreffende de toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

1°/ Om de opdracht die hem toegekend werd in toepassing van voornoemd artikel 9ter te vervullen laat de Dienst Vreemdelingenzaken door een arts beoordelen of de in België verblijvende vreemdeling op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst.

De adviserend arts van de Dienst Vreemdelingenzaken moet dus de ernst van de ziekte van de aanvrager beoordelen, hetgeen wel degelijk een medische handeling vormt en onder de geneeskunde valt.

Hierdoor is hij gebonden aan de bepalingen van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Hij moet beantwoorden aan drie voorschriften:
hij moet houder zijn van een diploma van arts;
zijn diploma moet geviseerd zijn door het Directoraat-Generaal Gezondheidszorgberoepen;
de arts moet ingeschreven zijn bij de Orde der artsen.

Het doel van deze regels is de beroepsbekwaamheid, de fysieke en mentale geschiktheid en het goede gedrag van de arts te waarborgen.

2°/ De beoordeling door de arts kan geleid worden door waarderingscriteria maar hij moet zijn volledige beroepsvrijheid en onafhankelijkheid behouden. Deze beoordelingsvrijheid en onafhankelijkheid moeten uitdrukkelijk opgetekend worden in de functiebeschrijving, zelfs als het een ambtenaar betreft.

3°/ De beoordeling dient te gebeuren op basis van relevante en toetsbare informatie.
De Orde der artsen dringt erop aan dat de artsen die geraadpleegd worden door een aanvrager en die het dossier opstellen dit zorgvuldig en objectief doen. Het dossier moet volledig en nauwkeurig zijn.

De nationale raad is van mening dat, indien de beoordelende arts niet voldoende elementen heeft om zijn beslissing te nemen, de eerste maatregel erin moet bestaan contact op te nemen met de arts van de aanvrager.

De wettekst bepaalt dat de beoordelende arts, indien hij dit nodig acht, de vreemdeling kan onderzoeken en een bijkomend advies kan inwinnen van deskundigen.

Het fysieke contact met de aanvrager is het middel om zowel de beoordeling van de toestand van de aanvrager te verfijnen als de eventuele overdrijvingen die in het ingediende dossier zouden kunnen voorkomen op te sporen.

De geneeskunde is uiteengevallen in specialismen en zelfs in subspecialismen. Het is elementair dat de beoordelaar voldoende bekwaamheid bezit in het domein waarover hij moet oordelen. Een bijkomend advies vragen aan deskundigen is noodzakelijk indien de problematiek sterk afwijkt van de beroepsopleiding van de beoefenaar, bijvoorbeeld in het geval van een orthopedist belast met het beoordelen van de ernst van een psychische aandoening.

4°/De beoordeling door de adviserend arts slaat niet alleen op de gezondheidstoestand van de aanvrager, maar ook op de mogelijkheden tot behandeling in het land van oorsprong en hun toegankelijkheid. Deze informatie valt onder een bevoegdheid in internationale volksgezondheid.

Tijdens de vorige legislatuur heeft mevrouw De Block het gebruik van het netwerk MED-COI (Medical Country of Origin Information) opgenomen in de procedure. Het is belangrijk dat de gegevens in real time bijgewerkt worden, wat, volgens ons, de medewerking van de diplomatieke diensten en de bekrachtiging door een ad hoc comité vereist.

Tot besluit:
- De nationale raad herinnert dat een ziekte beoordelen een medische handeling is die enkel mag uitgevoerd worden door artsen die gerechtigd zijn de geneeskunde uit te oefenen in België.
- De beoordelingscriteria moeten duidelijk gedefinieerd zijn, maar de arts moet volledig vrij zijn te oordelen of al dan niet aan de criteria voldaan werd.
- De beoordelende arts dient zijn opdracht volledig uit te voeren door de behandelend arts te contacteren, de patiënt te onderzoeken en een specialist te raadplegen indien nodig.
- De medische capaciteit van de derdelanden moet gekend zijn, niet alleen in theorie maar ook op basis van de reële toegankelijkheid van de zorg.

In fine stemt de nationale raad van de Orde der artsen natuurlijk in met de aanbevelingen van de federale ombudsman en staat ze ter beschikking van de bevoegde overheden om mee te werken aan hun concretisering en toepassing.

Hoofdarts21/01/2017 Documentcode: a156002
Cumulatie van de functies van hoofdarts en arts-diensthoofd in een ziekenhuisinstelling

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de vraag onderzocht betreffende de cumulatie van de functies van hoofdarts en arts-diensthoofd in een ziekenhuisinstelling.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 21 januari 2017 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag onderzocht betreffende de cumulatie van de functies van hoofdarts en arts-diensthoofd in een ziekenhuisinstelling.

De organisatie en de coördinatie van de medische activiteit in de medische instelling is als volgt gestructureerd : de hoofdarts, de arts-diensthoofd en de medische staf (artikel 18, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen).

De respectievelijke bevoegdheden van de hoofdarts en van de arts-diensthoofd zijn erop gericht de goede algemene werking van de medische afdeling en specifiek de goede werking van alle medische diensten waaruit deze is samengesteld te waarborgen.

Deze twee functies toewijzen aan eenzelfde persoon resulteert in het uitschakelen van een intern controleniveau en schept een risico op belangenconflict.

De verantwoordelijkheden van de hoofdarts en van de arts-diensthoofd, waaraan recent nog de gerichte audit werd toegevoegd, vereisen bovendien voor elk van deze functies een beschikbaarheid die ze de facto onverenigbaar maakt.

Om deze redenen, zelfs al bestaat er geen wettelijke onverenigbaarheid tussen de functies van hoofdarts en arts-diensthoofd, rechtvaardigen het risico op belangenconflict en de noodzakelijke beschikbaarheid voor elk van deze twee functies, op deontologisch vlak, dat dergelijke cumulatie verboden wordt binnen een ziekenhuis in de zin van artikelen 2 en 4 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.

Met het oog hierop dringt de nationale raad erop aan dat het reglement inzake de organisatie en coördinatie van de medische activiteit specifieke regels aangaande de benoeming van de hoofdarts, de benoeming of aanstelling van de arts-diensthoofd of de uitoefening van deze functies zou bevatten die de twee functies onverenigbaar maken.

Consent (Fully Informed-)17/12/2016 Documentcode: a155010
Omstandige geneeskundige verklaring - Recht om een patiënt te onderzoeken zonder zijn/haar toestemming, noch van diens wettelijke vertegenwoordiger

De nationale raad onderzocht de vraag of een externe arts (die geen therapeutische relatie heeft met de patiënt) in opdracht van een derde het recht heeft om in het kader van de opstelling van een omstandige geneeskundige verklaring met het oog op de aanstelling van een bewindvoerder een patiënt te onderzoeken zonder zijn/haar toestemming, noch van diens wettelijke vertegenwoordiger.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 17 december 2016 heeft de nationale raad uw brief van 4 maart 2016 onderzocht m.b.t. de vraag of een externe arts (die geen therapeutische relatie heeft met de patiënt) in opdracht van een derde het recht heeft om in het kader van de opstelling van een omstandige geneeskundige verklaring met het oog op de aanstelling van een bewindvoerder een patiënt te onderzoeken zonder zijn/haar toestemming, noch van diens wettelijke vertegenwoordiger.

Situering

Een man verblijft in een woonzorgcentrum. Eén van de kinderen vraagt een arts die niet de behandelend arts van de vader is, de vader medisch te onderzoeken met het oog op het invullen van de omstandige geneeskundige verklaring, zoals bedoeld in het artikel 1241 (1) van het Gerechtelijk Wetboek. Deze verklaring dient te worden toegevoegd aan een verzoek tot bewindvoering over de goederen en/of de persoon (2) .

1/ Recent medisch onderzoek

Overeenkomstig het artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, heeft een patiënt voor zover hij wilsbekwaam is, steeds het recht om toe te stemmen in iedere tussenkomst van een beroepsbeoefenaar. De wilsbekwaamheid van de patiënt is daarbij de maatstaf. Het verblijf van de patiënt in een woonzorgcentrum staat los van de twijfel aan de wilsbekwaamheid. De patiënt is de enige die kan toestemmen tot het medisch onderzoek dat nodig is voor het invullen van de omstandige geneeskundige verklaring.

Overeenkomstig het artikel 1241 van het Gerechtelijk Wetboek kan naast een actueel medisch onderzoek, een arts ook op basis van actuele medische gegevens uit het patiëntendossier de omstandige geneeskundige verklaring opstellen.

Opdat een externe arts dit zou kunnen doen, dient hij over het patiëntendossier te beschikken of minstens over de relevante gegevens uit het dossier. Overeenkomstig het artikel 33 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, dient de arts aan een collega-arts alle nuttige en noodzakelijke inlichtingen van geneeskundige aard mee te delen voor een verderzetting van een diagnose. Dit kan evenwel slechts indien de patiënt deze arts aanduidt en erin toestemt dat hem betreffende medische informatie doorgegeven wordt met het doel dergelijke verklaring op te stellen .

3/ Patiënt weigert

Indien de patiënt weigert om zijn toestemming te geven voor een medisch onderzoek en/of weigert dat alle nuttige en noodzakelijke inlichtingen van geneeskundige aard worden meegedeeld aan een externe arts, opdat deze de omstandige geneeskundige verklaring kan invullen, heeft het artikel 1241, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek voorzien in een alternatief systeem: "Ingeval de verzoeker in de absolute onmogelijkheid verkeert om de geneeskundige verklaring bedoeld in het eerste lid bij het verzoekschrift te voegen, geeft hij in het verzoekschrift uitdrukkelijk de redenen hiervoor aan en motiveert hij waarom een rechterlijke beschermingsmaatregel hem aangewezen lijkt. De vrederechter die bij een uitdrukkelijk met redenen omklede beschikking oordeelt dat aan het vereiste van de absolute onmogelijkheid is voldaan en dat in het verzoekschrift voldoende ernstige redenen worden opgegeven die een beschermingsmaatregel kunnen rechtvaardigen, stelt een geneesheer-deskundige aan die overeenkomstig het tweede lid advies uitbrengt over de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon."

De parlementaire voorbereiding laat er geen twijfel over bestaan dat hiermee de gevallen van weigering door de patiënt worden bedoeld (Wetsvoorstel (R.Terwingen, c.s.) tot invoering van een globaal beschermingsstatuut voor meerderjarige wilsonbekwame personen, MvT, Parl.St. Kamer 2010-11, nr 53K1009/001, 67).

4/ Patiënt is wilsonbekwaam

Indien de patiënt wilsonbekwaam is, voorziet het artikel 14 van de patiëntenrechtenwet in een systeem van vertegenwoordiging. Voor zover de patiënt toen hij nog wilsbekwaam was, geen vertegenwoordiger heeft aangeduid, zal op basis van de cascaderegeling van dit artikel 14 een vertegenwoordiger van de patiënt kunnen worden geïdentificeerd. Indien de te beschermen persoon geen samenwonende partner meer heeft, zullen alle meerderjarige kinderen bevoegd zijn om op te treden als vertegenwoordiger. Het zijn deze vertegenwoordigers van de wilsonbekwame patiënt die ook de toestemming geven hetzij voor een medisch onderzoek waartoe een derde een arts heeft belast teneinde een omstandige geneeskundige verklaring te kunnen opstellen hetzij voor het doorgeven aan de externe arts van de nuttige en noodzakelijke inlichtingen van geneeskundige aard uit het patiëntendossier.

Indien de kinderen als vertegenwoordigers optreden op basis van het vermelde cascadesysteem, behartigt de arts in geval van conflict tussen de kinderen, zo nodig in multidisciplinair overleg, de belangen van de patiënt.

Indien in casu een kind van de patiënt als vertegenwoordiger een externe arts vraagt om een medisch onderzoek uit te voeren voor het opstellen van de omstandige geneeskundige verklaring en de andere kinderen die tevens als vertegenwoordiger optreden, zijn daar niet mee akkoord, komt het aan de externe arts toe om hierover in het belang van de patiënt te oordelen.

Overeenkomstig het artikel 11 van de Code van geneeskundige plichtenleer moeten artsen goede collegiale betrekkingen met elkaar onderhouden en elkaar bijstaan. Met verwijzing naar het in artikel 14 van de patiëntenrechtenwet vermelde multidisciplinair overleg in geval van conflict tussen vertegenwoordigers van dezelfde rang, heeft de externe arts de deontologische plicht om contact op te nemen met de behandelend arts om dit conflict te bespreken. Zij nemen gezamenlijk een beslissing in het belang van de te beschermen persoon. De externe arts en behandelend arts verwijzen de persoon die een beschermingsprocedure wenst op te starten naar de toepassing van het artikel 1241, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

5/ Behandelend arts

De nationale raad herinnert aan zijn advies van 18 augustus 2001 "Omstandig geneeskundig verslag met het oog op de bescherming van de persoon van de geesteszieke", waarin wordt benadrukt dat de behandelend arts de meest geschikte persoon is om in het belang van de patiënt en met respect voor de vertrouwensrelatie het medisch onderzoek uit te voeren en de omstandige geneeskundige verklaring op een professioneel en intellectueel onafhankelijke wijze op te stellen.

De behandelend arts dient hiertoe de geïnformeerde toestemming van de patiënt of van zijn vertegenwoordiger(s) te verkrijgen.

1.Ingeval de verzoeker in de absolute onmogelijkheid verkeert om de geneeskundige verklaring bedoeld in het eerste lid bij het verzoekschrift te voegen, geeft hij in het verzoekschrift uitdrukkelijk de redenen hiervoor aan en motiveert hij waarom een rechterlijke beschermingsmaatregel hem aangewezen lijkt. De vrederechter die bij een uitdrukkelijk met redenen omklede beschikking oordeelt dat aan het vereiste van de absolute onmogelijkheid is voldaan en dat in het verzoekschrift voldoende ernstige redenen worden opgegeven die een beschermingsmaatregel kunnen rechtvaardigen, stelt een geneesheer-deskundige aan die overeenkomstig het tweede lid advies uitbrengt over de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon.]1

2.Koninklijk besluit van 31 augustus 2014 tot vaststelling van de inhoud en de vorm van het standaardformulier van omstandige geneeskundige verklaring ter uitvoering van artikel 1241, 2e en 3e lid, van het Gerechtelijk Wetboek

Beroepsgeheim17/12/2016 Documentcode: a155011
Toegang tot het medisch dossier van de overleden patiënt in geval van een testamentaire betwisting

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de vraag onderzocht van de toegang tot het medisch dossier van de overleden patiënt in geval van een testamentaire betwisting.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 17 december 2016 heeft de nationale raad van de Orde der artsen de vraag onderzocht van de toegang tot het medisch dossier van de overleden patiënt in geval van een testamentaire betwisting.

1°/ De toegang van de erfgenamen tot persoonsgegevens betreffende de gezondheid van een overleden persoon wordt geregeld door artikel 9, §4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, die aan de naasten(1) een onrechtstreeks recht op inzage geeft, onder bepaalde voorwaarden:

- de patiënt heeft zich tijdens zijn leven niet verzet tegen dergelijke inzage,
- de vraag dient uit te gaan van een naaste bedoeld in de wet,
- de vraag dient voldoende gemotiveerd en gespecificeerd te zijn,
- de toegang is onrechtstreeks, via een door de verzoeker aangewezen beroepsbeoefenaar.

Wanneer de patiënt aan de arts zijn verzet te kennen geeft tegen de raadpleging van een deel of het geheel van zijn medisch dossier na zijn overlijden, dient deze laatste dit te noteren in het medisch dossier met aanwijzing van de datum. De patiënt kan zich slechts geldig verzet hebben tegen de post mortem raadpleging als hij op het ogenblik van het verzet nog bekwaam was zijn patiëntenrechten uit te oefenen.

In geval van toegang tot het dossier van de overleden patiënt is deze beperkt tot de elementen van het dossier die relevant zijn met het oog op de door de verzoekers gegeven motivering(2). De gegevens die betrekking hebben op een derde zijn uitgesloten van inzage.

Dit recht op inzage laat niet toe kopie van de elementen van het medisch dossier te verkrijgen.

De nationale raad is van mening dat de arts aangeduid door de naaste om het dossier te raadplegen zelf overtuigd moet zijn dat de aanvraag tot raadpleging "voldoende gemotiveerd en gespecificeerd" is en dat hij over de nodige bekwaamheid beschikt om aan de verzoeker juiste informatie te geven.

Volgens het advies van de federale commissie "Rechten van de patiënt" moet de beroepsbeoefenaar(3) aangeduid door de verzoeker niet noodzakelijk een arts zijn(4). De verzoeker mag niet aanwezig zijn tijdens de uitoefening van het onrechtstreekse inzagerecht door de door hem aangeduide beroepsbeoefenaar(5).

2°/ Terwijl de andere voorwaarden objectief zijn, vereist de voorwaarde dat de vraag voldoende gemotiveerd moet zijn, dat degene die de vraag krijgt de betrokken belangen van eensdeels de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de overleden patiënt, anderdeels de gewettigde belangen van de verzoeker afweegt.

Dit systeem van afweging van de belangen onder de verantwoordelijkheid van de beroepsbeoefenaar is een antwoord van de wetgever op het initiatiefadvies van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer(6), die oordeelde dat de systemen die een onbeperkt recht van toegang geven of integendeel geen enkel recht van toegang waarborgen onbillijk zijn.

In geval van testamentaire betwisting is het belang van de verzoeker patrimoniaal, wat op zich de inzage niet uitsluit. De federale commissie "Rechten van de patiënt" vermeldt als voorbeeld van een gewettigd belang een patrimoniaal belang, zoals het zoeken naar de juiste oorzaak van het overlijden om de uitkering van een verzekering te genieten(7).

De afweging door de beroepsbeoefenaar gebeurt geval per geval door het belang van de overleden patiënt naast dat van de verzoeker te leggen om te bepalen welk belang eerst moet beschermd worden

3°/ In zijn advies van 1 september 2007 met als titel ‘Beroepsgeheim en testamentaire betwistingen', tijdschrift van de nationale raad nr. 118, p. 3, raadt de nationale raad elke arts aan overleg te plegen met het bureau van zijn provinciale raad alvorens inzage van het medisch dossier van een overleden patiënt toe te staan in geval van een betwisting van het testament.

De nationale raad handhaaft deze aanbeveling. Ze heeft tot doel de arts te helpen bij zijn beslissing. Alleen de betrokken arts kan beslissen; de provinciale raad heeft niet de bevoegdheid de inzage al dan niet toe te laten.

Deze hulp kan ook nuttig verstrekt worden door elke andere persoon die over een bijzondere bekwaamheid op dit gebied beschikt, met eerbiediging van het medisch geheim (anonimiteit).

4°/ Binnen een ziekenhuisinstelling rijst de vraag of het al dan niet aan de hoofdarts toekomt de inzage in het dossier toe te staan of te weigeren.

In tegenstelling tot zijn voornoemde advies van 1 september 2007, is de nationale raad van mening dat de hoofdarts, gezien zijn verantwoordelijkheden(8), deze beslissing mag nemen na overlegd te hebben met de arts die het dossier opgesteld heeft, althans indien deze laatste nog altijd werkzaam is in de instelling.

5°/ Dit advies vervangt de vroegere adviezen van de nationale raad betreffende dezelfde problematiek.

1.Overeenkomstig artikel 9, § 4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, zijn de naasten de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede graad van de patiënt.
2.Parl. St., Kamer, 1999-2003, doc. 50K1642/001, p. 35
3.In de zin van artikel 2, 3°, van de wet van 22 augustus betreffende de rechten van de patiënt moet verstaan worden onder beroepsbeoefenaar, de beoefenaar bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen alsmede de beroepsbeoefenaar van een niet-conventionele praktijk bedoeld in de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen.
4.De nationale raad verwijst ook naar zijn advies van 25 november 2006 met als titel ‘Inzage van het medisch dossier van een overledene door de raadgevende arts van een verzekeringsmaatschappij', tijdschrift van de nationale raad nr. 115, p. 3.
5.Advies van 21 juni 2013 met betrekking tot de modaliteiten voor het onrechtstreekse inzagerecht in het dossier van de overleden patiënt.
6.Advies uit eigen beweging aangaande het toegangsrecht tot medische gegevens van de overledene door nabestaanden (nr. 18/1000 van 25 juni 2000).
7.Advies van 23 juni 2006 betreffende de toegang tot het patiëntendossier door de nabestaanden van een overleden patiënt.
8.Artikel 25 van de wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008

Continuïteit van de zorg19/11/2016 Documentcode: a155002
Stopzetting van werkzaamheden in ziekenhuis - Mededeling van gegevens uit het ziekenhuisdossier aan de arts

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht het probleem betreffende de mededeling van gegevens uit het ziekenhuisdossier wanneer een arts zijn activiteit in een ziekenhuis stopzet en een patiënt ervoor kiest de therapeutische relatie met hem voort te zetten.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 19 november 2016 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen het probleem betreffende de mededeling van gegevens uit het ziekenhuisdossier met het oog op de continuïteit van de zorg wanneer een arts zijn activiteit stopzet in een ziekenhuis en een patiënt ervoor kiest de therapeutische relatie met hem voort te zetten.

Het ziekenhuisdossier van de patiënt, dat samengesteld is uit het medische en het verpleegkundige dossier, wordt in het ziekenhuis bewaard onder de verantwoordelijkheid van de hoofdarts (art. 25 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen).

Wanneer een arts een ziekenhuis verlaat blijft het ziekenhuisdossier dat hij deels heeft opgesteld in dat ziekenhuis.

Indien de patiënt zijn therapeutische relatie met deze arts voortzet in een ander kader (privépraktijk of ziekenhuis) rechtvaardigt de continuïteit van de zorg dat deze arts, na een verzoek aan de hoofdarts en met de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt, een afschrift ontvangt van het deel van het ziekenhuisdossier dat hij mee samengesteld heeft, alsook alle inlichtingen die nuttig en noodzakelijk zijn voor het voortzetten van de behandeling (artikel 33 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen).

Publiciteit en reclame19/11/2016 Documentcode: a155001
Platform www.wisdoc.com

De nationale raad van de Orde der artsen heeft het platform www.wisdoc.com bestudeerd.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 19 november 2016 het platform www.wisdoc.com bestudeerd. Via deze website kan de internetgebruiker een arts of een ziekenhuis opzoeken, een arts aanbevelen en aan zijn familie- of vriendenkring een specialist voor een bepaalde pathologie aanraden.
De nationale raad formuleert volgende opmerkingen:
1/ De nationale raad heeft in zijn advies van 29 oktober 2011 "Publiciteit van artsen via de website www.vlazoem.be" reeds gesteld dat ‘het voor particuliere bronnen niet mogelijk [is] de veranderingen in de praktijkvoering van een arts op de voet te volgen waardoor de consulteerbare gegevens voor de bevolking weinig bruikbaar en zelfs misleidend kunnen zijn'.

2/ De kennis, bekwaamheid en vaardigheden van een arts liggen aan de basis van diploma's die de universiteiten afleveren evenals beroepstitels en beroepsbekwaamheden die door de bevoegde gemeenschapsminister worden erkend. Artsen zijn bovendien deontologisch en wettelijk verplicht zich gedurende hun hele beroepscarrière bij te scholen teneinde steeds kwaliteitsvolle gezondheidszorg aan te bieden.

3/ Patiënten die negatieve ervaringen hebben met artsen kunnen deze via verschillende officiële kanalen (ombudsdiensten, tuchtinstanties, geschillencommissies, ...) melden zodat hieraan een passend en objectief gevolg kan worden gegeven. Beoordelingen van patiënten op fora, zoals hetwelk in dit advies wordt besproken, zijn vaak erg subjectief en niet verifieerbaar. Hierdoor kunnen de patiënten schade toebrengen aan de arts. Zij zetten het patiëntenrecht op de vrije keuze van arts onder druk.

4/ Het platform www.wisdoc.com verwerkt persoonsgegevens van artsen zonder hun medeweten en toestemming. De nationale raad is van oordeel dat artsen om die reden hun persoonsgegevens kunnen laten verwijderen van dergelijke fora, krachtens artikel 12 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens*.

*Art. 12. § 1. Eenieder is gerechtigd alle onjuiste persoonsgegevens die op hem betrekking hebben kosteloos te doen verbeteren.
(Eenieder is bovendien gerechtigd om wegens zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie, zich ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behalve wanneer de rechtmatigheid van de verwerking gesteund is op de in artikel 5, b) en c), bedoelde redenen.
Indien de persoonsgegevens verkregen worden met het oog op direct marketing mag de betrokkene zich kosteloos en zonder enige motivering tegen de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens verzetten.
In geval van gerechtvaardigd verzet mag de door de verantwoordelijke voor de verwerking verrichte verwerking niet langer op deze persoonsgegevens betrekking hebben.) <W 1998-12-11/54, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
Eenieder is tevens gerechtigd kosteloos de verwijdering van of het verbod op de aanwending van alle hem betreffende persoonsgegevens te bekomen die gelet op het doel van de verwerking, onvolledig of niet ter zake dienend zijn, of waarvan de registratie, de mededeling of de bewaring verboden zijn, of die na verloop van de toegestane duur zijn bewaard.
§ 2. Om (de in §1 bedoelde rechten) uit te oefenen dient de belanghebbende een gedagtekend en ondertekend verzoek in bij de (verantwoordelijke voor de verwerking) of bij iedere andere persoon die de Koning aanwijst. <W 1998-12-11/54, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
§ 3. (Binnen een maand te rekenen van het tijdstip van indiening van het verzoek op grond van § 2, deelt de verantwoordelijke voor de verwerking de verbeteringen of verwijderingen van gegevens, gedaan op grond van § 1, mee aan de betrokkene zelf, alsmede aan de personen aan wie de onjuiste, onvolledige of niet ter zake dienende gegevens zijn meegedeeld, voor zover hij nog kennis heeft van de bestemmelingen van de mededeling en de kennisgeving aan deze bestemmelingen niet onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost.
Indien de betrokkene zich tegen de verwerking of de voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens verzet in toepassing van § 1, tweede en derde lid, deelt de verantwoordelijke voor de verwerking aan de betrokkene binnen dezelfde termijn mee welk gevolg hij aan het verzoek heeft gegeven.) <W 1998-12-11/54, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
§ 4. (opgeheven) <W 1998-12-11/54, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2001>

Verpleegkundige prestaties19/11/2016 Documentcode: a155004
Bediening van insulinepompen door leerkrachten

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende de bediening van insulinepompen door leerkrachten.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 19 november 2016 uw vraag besproken of het ingeven van het aantal gegeten koolhydraten in een insulinepomp onder het begrip medische handeling valt en of een leerkracht jongere kinderen mag assisteren bij het ingeven van het aantal gegeten koolhydraten tijdens de schooluren.

1/ Steeds meer jonge kinderen met type 1 diabetes worden behandeld met een insulinepomp. Deze kinderen dienen bij elke maaltijd het aantal gegeten koolhydraten in te geven in hun insulinepomp, waardoor automatisch een hoeveelheid insuline geïnjecteerd wordt in het lichaam van het kind, via de insulinepomp. Hierdoor valt het inbrengen van koolhydraten in een insulinepomp indirect onder het begrip medische handeling.

Jonge kinderen kunnen het ingeven van de koolhydraten nog niet zelfstandig verrichten.

Om het recht op onderwijs van type 1 diabetes kinderen te respecteren, en ook de aanbevelingen van de Vlaamse Overheid van het M decreet te volgen, dient actueel voorzien te worden in het inschakelen van een school- of thuisverpleegkundige voor inbrengen van grammen koolhydraten in een insulinepomp tijdens verblijf van het kind op school. Teneinde deze procedure, die gepaard gaat met veel praktische belemmeringen (vb wat bij schooluitstappen), zo spoedig mogelijk te vereenvoudigen, dient de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen aangepast te worden, in concreto de regeling m.b.t. de mantelzorger.

Het artikel 124, 1°, lid 4 van de wet van 10 mei 2015 stelt in het kader van de onwettige uitoefening van de verpleegkunde "Deze is ook niet van toepassing op personen die deel uitmaken van de omgeving van de patiënt en die, buiten de uitoefening van een beroep, na een door een arts of een verpleegkundige gegeven opleiding, en in het kader van een door deze opgestelde procedure of een verpleegplan, van deze laatsten de toelating krijgen om bij deze welbepaalde patiënt één of meer in artikel 46, § 1, 2°, bedoelde technische verstrekkingen. Een door de arts of de verpleegkundige opgesteld document vermeldt de identiteit van de patiënt en van de persoon die de toelating heeft gekregen. Dit document wijst eveneens de toegelaten technische verstrekkingen, de duur van de toelating evenals de eventuele bijkomende voorwaarden aan die door de arts of de verpleegkundige gesteld worden voor het uitoefenen van de technische verstrekkingen."

Opdat een leerkracht van deze uitzondering op de uitoefening van de verpleegkunde zou gebruik kunnen maken als mantelzorger, dienen de woorden "buiten de uitoefening van een beroep" geschrapt te worden.

2/ De nationale raad verwijst tevens naar de concepten die door de minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken werden voorgesteld rond de hervorming van het KB nr. 78. Hierin wordt onder meer voorgesteld het misdrijf van onwettige uitoefening van de geneeskunde en de verpleegkunde aan te passen (www.kb78.be). Deze aanpassing zou ertoe leiden dat de leerkracht niet meer onder het toepassingsgebied van het misdrijf valt.

3/ In afwachting van een wetswijziging van de wet van 10 mei 2015 of de hervorming van het KB nr. 78 verwijst de nationale raad naar zijn advies van 9 februari 2013 "Verantwoordelijkheid van kribbepersoneel wanneer bij een kind een allergische shock zou optreden", waarin wordt gesteld: "Ouders kunnen in het verlengde van hun ouderlijk gezag aan personen die in de directe omgeving van hun kinderen verblijven, zoals personeel van scholen en (voorschoolse en buitenschoolse) kinderopvang, de schriftelijke toestemming geven om de Epipen in levensbedreigende situaties aan te wenden, mits zij een doktersvoorschrift kunnen voorleggen dat deze personen opdraagt aldus te handelen. Hiermee kan de behandeling direct worden opgestart en wordt er geen tijd verloren in afwachting van de komst van de hulpdiensten.

De beste waarborg voor een adequate aanpak wordt verkregen als de ouders samen met de behandelende arts van het kind, de medische dienst, die toezicht houdt op de kinderopvang of de school, zo uitgebreid mogelijk hierover informeren en zij samen desgewenst een opleiding voorzien waarin de preventieve maatregelen om het allergeen te vermijden, de symptomen van de anafylactische shock en de toedieningstechniek van de Epipen grondig worden uitgelegd."

Continuïteit van de zorg19/11/2016 Documentcode: a155005
Contacteren van lost to follow-up patiënten om hen te informeren over het bestaan van nieuwe behandeling

De nationale raad van de Orde der artsen heeft een vraag onderzocht i.v.m. het opsporen van lost to follow-up patiënten met als doel deze patiënten per brief te informeren over het bestaan van een nieuwe behandeling.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 19 november 2016 heeft de nationale raad van de Orde der artsen uw e-mail van 4 augustus 2016 onderzocht i.v.m. het opsporen van lost to follow-up patiënten met als doel deze patiënten per brief te informeren over het bestaan van een nieuwe behandeling.

Het huidig wettelijk kader voorziet geen regeling om een patiënt te contacteren in situaties waarin de patiënt op een bepaald ogenblik uitbehandeld is, er een tijd erna een nieuwe behandeling mogelijk is en bijgevolg de vraag rijst of de patiënt terug kan gecontacteerd worden.

1/ Recht op kwaliteitsvolle dienstverlening

Het artikel 5 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt geeft de patiënt het recht op een kwaliteitsvolle dienstverlening die beantwoordt aan zijn behoeften.

Het recht op een kwaliteitsvolle dienstverlening impliceert ook dat, indien de patiënt een bepaalde tussenkomst niet wenst voort te zetten, de rechtsverhouding tussen de patiënt en de arts niet noodzakelijk wordt beëindigd. De arts dient dan alternatieve tussenkomsten voor te stellen, eventueel in een doorverwijzing te voorzien of nog de noodzakelijke zorgen verder te zetten.

Het artikel 5 verwoordt het algemene zorgvuldigheidsbeginsel dat op elke gezondheidszorgbeoefenaar rust als een recht voor de patiënt.

Het algemeen zorgvuldigheidsbeginsel is een evolutief begrip en het recht op een kwaliteitsvolle dienstverlening evolueert bijgevolg mee. Dit heeft tot gevolg dat een recht op kwaliteitsvolle dienstverlening vandaag en in reactie op uw vraag, als volgt wordt ingevuld.

Een arts zal vandaag en in de toekomst rekening moeten houden met de snelle wijze waarop de geneeskunde evolueert. Zeker in het geval van uitbehandelde patiënten betekent dit dat de arts de patiënt vraagt of deze in de toekomst wil gecontacteerd worden wanneer een nieuwe behandeling zou gevonden worden, ook indien de therapeutische relatie tussen deze arts en de patiënt beëindigd is.

De patiënt heeft het recht "om vergeten te worden". Als de patiënt dit recht uitspreekt, dient de arts de patiënt op de hoogte te brengen van de gevolgen van deze beslissing, namelijk dat elke link tussen de arts, de patiënt en de diagnose/behandeling doorgeknipt wordt. Het zal in de toekomst onmogelijk zijn dat de patiënt door deze arts nog gecontacteerd wordt in verband met een nieuwe behandeling.

De arts en de patiënt dienen beiden overtuigd te zijn dat dit de wil is van de patiënt.

De arts maakt hiervan melding in het patiëntendossier.

2/ Nieuwe behandeling in de toekomst

a/ Na toestemming van de patiënt tot contact

De arts neemt contact op met de patiënt wanneer zich een nieuwe behandeling aandient. De arts deelt in eerste instantie enkel mee dat er een nieuwe behandeling is en vraagt of de patiënt hierover verder wil worden geïnformeerd.

- Overeenkomstig de modaliteiten van het in het artikel 7 van de wet betreffende de rechten van de patiënt gestipuleerde recht op informatie, heeft de patiënt de mogelijkheid te weigeren deze informatie te ontvangen.

De arts respecteert in geval van weigering deze beslissing en vraagt de patiënt of deze in de toekomst nog wenst gecontacteerd te worden indien andere nieuwe behandelingen zich aandienen. De arts maakt melding van de beslissing in het patiëntendossier.

- Indien de patiënt akkoord gaat om te worden geïnformeerd, nodigt de arts de patiënt uit en ontstaat er terug een therapeutische relatie tussen de arts en de patiënt.

b/ Indien de arts de toestemming van de patiënt tot contact niet heeft kunnen krijgen

- Indien de patiënt zijn recht "om vergeten te worden" heeft geëxpliciteerd, dient dit recht gerespecteerd te worden.

- Indien de arts in het verleden de patiënt nooit heeft kunnen bevragen over een contact in de toekomst, kan de arts enkel de patiënt contacteren voor zover hij, idealiter na multidisciplinair overleg en desgevallend na het ethisch comité hierover te hebben bevraagd, van mening is dat dit in het belang is van de patiënt.

Er wordt dan toepassing gemaakt van het artikel 7, §2, j), van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens dat stelt dat ‘de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid - hetgeen de naam en contactgegevens van een patiënt zijn - betreffen, is toegelaten zonder de toestemming van de patiënt wanneer de verwerking noodzakelijk is voor (...) het verstrekken van zorg of behandelingen aan de betrokkene of een verwant, of het beheer van de gezondheidsdiensten handelend in het belang van de betrokkene en de gegevens worden verwerkt onder het toezicht van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg'.

De arts deelt in eerste instantie enkel mee dat er een nieuwe behandeling is en vraagt of de patiënt hierover verder wil worden geïnformeerd.

- Overeenkomstig de modaliteiten van het in het artikel 7 van de wet betreffende de rechten van de patiënt gestipuleerde recht op informatie, heeft de patiënt de mogelijkheid te weigeren deze informatie te ontvangen.

De arts respecteert in geval van weigering deze beslissing en vraagt de patiënt of deze in de toekomst nog wenst gecontacteerd te worden indien andere nieuwe behandelingen zich aandienen. De arts maakt melding van de beslissing in het patiëntendossier.

- Indien de patiënt akkoord gaat om geïnformeerd te worden, nodigt de arts de patiënt uit en ontstaat er terug een therapeutische relatie tussen de arts en de patiënt.