keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

24

pagina

Continuïteit van de zorg19/11/2016 Documentcode: a155002
Stopzetting van werkzaamheden in ziekenhuis - Mededeling van gegevens uit het ziekenhuisdossier aan de arts

De nationale raad van de Orde der artsen onderzocht het probleem betreffende de mededeling van gegevens uit het ziekenhuisdossier wanneer een arts zijn activiteit in een ziekenhuis stopzet en een patiënt ervoor kiest de therapeutische relatie met hem voort te zetten.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 19 november 2016 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen het probleem betreffende de mededeling van gegevens uit het ziekenhuisdossier met het oog op de continuïteit van de zorg wanneer een arts zijn activiteit stopzet in een ziekenhuis en een patiënt ervoor kiest de therapeutische relatie met hem voort te zetten.

Het ziekenhuisdossier van de patiënt, dat samengesteld is uit het medische en het verpleegkundige dossier, wordt in het ziekenhuis bewaard onder de verantwoordelijkheid van de hoofdarts (art. 25 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen).

Wanneer een arts een ziekenhuis verlaat blijft het ziekenhuisdossier dat hij deels heeft opgesteld in dat ziekenhuis.

Indien de patiënt zijn therapeutische relatie met deze arts voortzet in een ander kader (privépraktijk of ziekenhuis) rechtvaardigt de continuïteit van de zorg dat deze arts, na een verzoek aan de hoofdarts en met de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt, een afschrift ontvangt van het deel van het ziekenhuisdossier dat hij mee samengesteld heeft, alsook alle inlichtingen die nuttig en noodzakelijk zijn voor het voortzetten van de behandeling (artikel 33 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen).

Verpleegkundige prestaties19/11/2016 Documentcode: a155004
Bediening van insulinepompen door leerkrachten

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende de bediening van insulinepompen door leerkrachten.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad van de Orde der artsen heeft in zijn vergadering van 19 november 2016 uw vraag besproken of het ingeven van het aantal gegeten koolhydraten in een insulinepomp onder het begrip medische handeling valt en of een leerkracht jongere kinderen mag assisteren bij het ingeven van het aantal gegeten koolhydraten tijdens de schooluren.

1/ Steeds meer jonge kinderen met type 1 diabetes worden behandeld met een insulinepomp. Deze kinderen dienen bij elke maaltijd het aantal gegeten koolhydraten in te geven in hun insulinepomp, waardoor automatisch een hoeveelheid insuline geïnjecteerd wordt in het lichaam van het kind, via de insulinepomp. Hierdoor valt het inbrengen van koolhydraten in een insulinepomp indirect onder het begrip medische handeling.

Jonge kinderen kunnen het ingeven van de koolhydraten nog niet zelfstandig verrichten.

Om het recht op onderwijs van type 1 diabetes kinderen te respecteren, en ook de aanbevelingen van de Vlaamse Overheid van het M decreet te volgen, dient actueel voorzien te worden in het inschakelen van een school- of thuisverpleegkundige voor inbrengen van grammen koolhydraten in een insulinepomp tijdens verblijf van het kind op school. Teneinde deze procedure, die gepaard gaat met veel praktische belemmeringen (vb wat bij schooluitstappen), zo spoedig mogelijk te vereenvoudigen, dient de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen aangepast te worden, in concreto de regeling m.b.t. de mantelzorger.

Het artikel 124, 1°, lid 4 van de wet van 10 mei 2015 stelt in het kader van de onwettige uitoefening van de verpleegkunde "Deze is ook niet van toepassing op personen die deel uitmaken van de omgeving van de patiënt en die, buiten de uitoefening van een beroep, na een door een arts of een verpleegkundige gegeven opleiding, en in het kader van een door deze opgestelde procedure of een verpleegplan, van deze laatsten de toelating krijgen om bij deze welbepaalde patiënt één of meer in artikel 46, § 1, 2°, bedoelde technische verstrekkingen. Een door de arts of de verpleegkundige opgesteld document vermeldt de identiteit van de patiënt en van de persoon die de toelating heeft gekregen. Dit document wijst eveneens de toegelaten technische verstrekkingen, de duur van de toelating evenals de eventuele bijkomende voorwaarden aan die door de arts of de verpleegkundige gesteld worden voor het uitoefenen van de technische verstrekkingen."

Opdat een leerkracht van deze uitzondering op de uitoefening van de verpleegkunde zou gebruik kunnen maken als mantelzorger, dienen de woorden "buiten de uitoefening van een beroep" geschrapt te worden.

2/ De nationale raad verwijst tevens naar de concepten die door de minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken werden voorgesteld rond de hervorming van het KB nr. 78. Hierin wordt onder meer voorgesteld het misdrijf van onwettige uitoefening van de geneeskunde en de verpleegkunde aan te passen (www.kb78.be). Deze aanpassing zou ertoe leiden dat de leerkracht niet meer onder het toepassingsgebied van het misdrijf valt.

3/ In afwachting van een wetswijziging van de wet van 10 mei 2015 of de hervorming van het KB nr. 78 verwijst de nationale raad naar zijn advies van 9 februari 2013 "Verantwoordelijkheid van kribbepersoneel wanneer bij een kind een allergische shock zou optreden", waarin wordt gesteld: "Ouders kunnen in het verlengde van hun ouderlijk gezag aan personen die in de directe omgeving van hun kinderen verblijven, zoals personeel van scholen en (voorschoolse en buitenschoolse) kinderopvang, de schriftelijke toestemming geven om de Epipen in levensbedreigende situaties aan te wenden, mits zij een doktersvoorschrift kunnen voorleggen dat deze personen opdraagt aldus te handelen. Hiermee kan de behandeling direct worden opgestart en wordt er geen tijd verloren in afwachting van de komst van de hulpdiensten.

De beste waarborg voor een adequate aanpak wordt verkregen als de ouders samen met de behandelende arts van het kind, de medische dienst, die toezicht houdt op de kinderopvang of de school, zo uitgebreid mogelijk hierover informeren en zij samen desgewenst een opleiding voorzien waarin de preventieve maatregelen om het allergeen te vermijden, de symptomen van de anafylactische shock en de toedieningstechniek van de Epipen grondig worden uitgelegd."

Continuïteit van de zorg19/11/2016 Documentcode: a155005
Contacteren van lost to follow-up patiënten om hen te informeren over het bestaan van nieuwe behandeling

De nationale raad van de Orde der artsen heeft een vraag onderzocht i.v.m. het opsporen van lost to follow-up patiënten met als doel deze patiënten per brief te informeren over het bestaan van een nieuwe behandeling.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 19 november 2016 heeft de nationale raad van de Orde der artsen uw e-mail van 4 augustus 2016 onderzocht i.v.m. het opsporen van lost to follow-up patiënten met als doel deze patiënten per brief te informeren over het bestaan van een nieuwe behandeling.

Het huidig wettelijk kader voorziet geen regeling om een patiënt te contacteren in situaties waarin de patiënt op een bepaald ogenblik uitbehandeld is, er een tijd erna een nieuwe behandeling mogelijk is en bijgevolg de vraag rijst of de patiënt terug kan gecontacteerd worden.

1/ Recht op kwaliteitsvolle dienstverlening

Het artikel 5 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt geeft de patiënt het recht op een kwaliteitsvolle dienstverlening die beantwoordt aan zijn behoeften.

Het recht op een kwaliteitsvolle dienstverlening impliceert ook dat, indien de patiënt een bepaalde tussenkomst niet wenst voort te zetten, de rechtsverhouding tussen de patiënt en de arts niet noodzakelijk wordt beëindigd. De arts dient dan alternatieve tussenkomsten voor te stellen, eventueel in een doorverwijzing te voorzien of nog de noodzakelijke zorgen verder te zetten.

Het artikel 5 verwoordt het algemene zorgvuldigheidsbeginsel dat op elke gezondheidszorgbeoefenaar rust als een recht voor de patiënt.

Het algemeen zorgvuldigheidsbeginsel is een evolutief begrip en het recht op een kwaliteitsvolle dienstverlening evolueert bijgevolg mee. Dit heeft tot gevolg dat een recht op kwaliteitsvolle dienstverlening vandaag en in reactie op uw vraag, als volgt wordt ingevuld.

Een arts zal vandaag en in de toekomst rekening moeten houden met de snelle wijze waarop de geneeskunde evolueert. Zeker in het geval van uitbehandelde patiënten betekent dit dat de arts de patiënt vraagt of deze in de toekomst wil gecontacteerd worden wanneer een nieuwe behandeling zou gevonden worden, ook indien de therapeutische relatie tussen deze arts en de patiënt beëindigd is.

De patiënt heeft het recht "om vergeten te worden". Als de patiënt dit recht uitspreekt, dient de arts de patiënt op de hoogte te brengen van de gevolgen van deze beslissing, namelijk dat elke link tussen de arts, de patiënt en de diagnose/behandeling doorgeknipt wordt. Het zal in de toekomst onmogelijk zijn dat de patiënt door deze arts nog gecontacteerd wordt in verband met een nieuwe behandeling.

De arts en de patiënt dienen beiden overtuigd te zijn dat dit de wil is van de patiënt.

De arts maakt hiervan melding in het patiëntendossier.

2/ Nieuwe behandeling in de toekomst

a/ Na toestemming van de patiënt tot contact

De arts neemt contact op met de patiënt wanneer zich een nieuwe behandeling aandient. De arts deelt in eerste instantie enkel mee dat er een nieuwe behandeling is en vraagt of de patiënt hierover verder wil worden geïnformeerd.

- Overeenkomstig de modaliteiten van het in het artikel 7 van de wet betreffende de rechten van de patiënt gestipuleerde recht op informatie, heeft de patiënt de mogelijkheid te weigeren deze informatie te ontvangen.

De arts respecteert in geval van weigering deze beslissing en vraagt de patiënt of deze in de toekomst nog wenst gecontacteerd te worden indien andere nieuwe behandelingen zich aandienen. De arts maakt melding van de beslissing in het patiëntendossier.

- Indien de patiënt akkoord gaat om te worden geïnformeerd, nodigt de arts de patiënt uit en ontstaat er terug een therapeutische relatie tussen de arts en de patiënt.

b/ Indien de arts de toestemming van de patiënt tot contact niet heeft kunnen krijgen

- Indien de patiënt zijn recht "om vergeten te worden" heeft geëxpliciteerd, dient dit recht gerespecteerd te worden.

- Indien de arts in het verleden de patiënt nooit heeft kunnen bevragen over een contact in de toekomst, kan de arts enkel de patiënt contacteren voor zover hij, idealiter na multidisciplinair overleg en desgevallend na het ethisch comité hierover te hebben bevraagd, van mening is dat dit in het belang is van de patiënt.

Er wordt dan toepassing gemaakt van het artikel 7, §2, j), van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens dat stelt dat ‘de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid - hetgeen de naam en contactgegevens van een patiënt zijn - betreffen, is toegelaten zonder de toestemming van de patiënt wanneer de verwerking noodzakelijk is voor (...) het verstrekken van zorg of behandelingen aan de betrokkene of een verwant, of het beheer van de gezondheidsdiensten handelend in het belang van de betrokkene en de gegevens worden verwerkt onder het toezicht van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg'.

De arts deelt in eerste instantie enkel mee dat er een nieuwe behandeling is en vraagt of de patiënt hierover verder wil worden geïnformeerd.

- Overeenkomstig de modaliteiten van het in het artikel 7 van de wet betreffende de rechten van de patiënt gestipuleerde recht op informatie, heeft de patiënt de mogelijkheid te weigeren deze informatie te ontvangen.

De arts respecteert in geval van weigering deze beslissing en vraagt de patiënt of deze in de toekomst nog wenst gecontacteerd te worden indien andere nieuwe behandelingen zich aandienen. De arts maakt melding van de beslissing in het patiëntendossier.

- Indien de patiënt akkoord gaat om geïnformeerd te worden, nodigt de arts de patiënt uit en ontstaat er terug een therapeutische relatie tussen de arts en de patiënt.


Discipline17/09/2016 Documentcode: a154013
Hervorming van de Orde der artsen – Wetsvoorstel opgesteld door de nationale raad van de Orde der artsen (17 september 2016)
De nationale raad van de Orde der artsen heeft het volgende voorstel tot hervorming van de Orde gedaan, waarvan hieronder de memorie van toelichting.
Als bijlage vindt u de integrale tekst van het wetsvoorstel.


Wetsvoorstel betreffende de Orde der artsen
TOELICHTING

De Orde der artsen werd opgericht door de wet van 25 juli 1938 tot oprichting van de Orde der geneesheren en werd hervormd door het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen. Deze wet is sindsdien nauwelijks gewijzigd.

Nochtans zijn zowel de bevolking, de politici, als de artsen vragende partij voor een grondige hervorming. Ook de Orde zelf wenst het wettelijke kader aan te passen aan de evolutie van de maatschappij.

Doorheen de jaren werden er wetsontwerpen en -voorstellen met betrekking tot de Orde ingediend. Afhankelijk van de auteur ervan beoogden ze de hervorming van de structuur van de Orde, de oprichting van een hoge raad voor deontologie van de gezondheidszorgberoepen, de modernisering van de tuchtprocedure of nog, een radicalere hervorming van de Orde wat haar rol of zelfs haar bestaan betreft.

Het is tijd om erover te overleggen en te beslissen.

Dit wetsvoorstel wil de Orde anders structureren, meer transparantie waarborgen met betrekking tot haar werking en haar opdracht moderniseren in het belang van de patiënten, de artsen en de gemeenschap.

De Orde heeft een rol te vervullen in de maatschappij. Doordat de menselijke, maatschappelijke, wettelijke en economische uitdagingen van de gezondheidszorg alsmaar complexer worden, is er meer nood aan een deontologisch kader dat de uitoefening van het beroep op een gepaste wijze reguleert.

Dit deontologisch kader dient aangepast te zijn aan de interdisciplinaire en geïntegreerde aard van de gezondheidszorgverlening. Dit wetsvoorstel bevestigt daarom dat de Orde een publiekrechtelijk orgaan is dat de morele waarde en de kwaliteit van het beroep bepaalt en toezicht houdt op de dagelijkse naleving van de waarden ervan door een adequate en open werking.

Tevens dienen nieuwe rechtsmiddelen die tot stand zijn gekomen door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Cassatie in het tuchtrecht te worden ingeschreven. Dit om de eerbiediging van de rechten van zowel de vervolgde arts als de klager te waarborgen.

De leden van de Orde blijven onderworpen aan de rechtsmacht van hoven en rechtbanken zoals iedere andere burger. Het staat de benadeelde partij, bijvoorbeeld een patiënt, dan ook vrij om, naast het neerleggen van een klacht bij de Orde, zich eveneens te wenden tot de gewone rechter. Het behoort trouwens niet tot de bevoegdheid van de Orde om een schadevergoeding toe te kennen.

De voornaamste krachtlijnen van de hervorming zijn de volgende:

1. Wettelijke grondslag van de deontologische regels

De wettelijke grondslag van de deontologische regels zal niet langer alleen bestaan in de naleving van de eer en de waardigheid van het beroep.

De Orde beoogt in het belang van de patiënt, de volksgezondheid en het algemeen welzijn te waken over de handhaving van de morele integriteit van het beroep, de correcte invulling van de professionele autonomie van de artsen, de kwaliteit van de zorg op basis van de huidige wetenschappelijke kennis en de aanbevelingen die hiermee gepaard gaan, het vertrouwen van de burger in de arts en de bijzondere vertrouwensrelatie van de arts met zijn patiënten.

De Orde moet erop toezien dat er kwalitatief hoogstaande geneeskunde in stand wordt gehouden zonder evenwel de middelen die de samenleving kan besteden uit het oog te verliezen. Dit veronderstelt van de artsen beroepsbekwaamheid, empathisch vermogen, integriteit en een verantwoordelijk gedrag in het kader van ons solidariteitsstelsel.

Hiertoe zal een nieuwe code van medische deontologie worden opgesteld.

2. Transparantere werking

Het voorstel bepaalt dat de artsen en het publiek transparanter kennis krijgen van de activiteiten en beslissingen van de Orde.


De nationale raad stelt een jaarverslag betreffende de werking van de Orde op met een overzicht van de werkzaamheden van de organen van de Orde en van het gevolg dat aan klachten wordt gegeven.

Alle organen werken op basis van een identiek huishoudelijk reglement dat werd opgesteld door de nationale raad.

Daarnaast wordt een repertorium van de deontologische adviezen van de provinciale raden en van de nationale raad bijgehouden.

Op financieel gebied zorgt de Orde voor een transparante besteding van de middelen. Met het oog op een meer evenwichtige verdeling ervan en de uniforme werking van de organen legt de nationale raad het bedrag van de bijdrage vast en int deze centraal.

3. Modernisering van de organen

Om jongere kandidaten aan te trekken voor de verschillende organen van de Orde, zal het mogelijk worden om een mandaat op te nemen nadat men slechts drie jaar is ingeschreven op de lijst van de Orde. Bovendien mag de maximumduur voor de uitoefening van verscheidene mandaten binnen eenzelfde orgaan niet meer dan twaalf jaar bedragen.

De samenstelling van elk orgaan van de Orde wordt aangepast aan zijn bevoegdheden en werklast.


Het artsenkorps verkiest rechtstreeks de artsen in de provinciale raden, de tuchtraden van eerste aanleg en de raden van beroep.


Op het moment van de kandidaatstelling voor een mandaat binnen een orgaan van de Orde, maakt de arts de mandaten bekend waardoor een belangenconflict zou kunnen ontstaan. Gedurende het mandaat dient de arts zich ervan te onthouden mandaten aan te nemen die onverenigbaar zijn met het mandaat binnen een orgaan van de Orde. Indien door het opnemen van een dergelijk mandaat, of om andere redenen, er een belangenconflict zou ontstaan, geven de magistraten van het orgaan waarin de arts zetelt, hieraan het passende gevolg.

Het voorzitterschap van de nationale raad wordt waargenomen door twee artsen, verkozen door beide afdelingen van de nationale raad.

Een Franstalige en een Nederlandstalige vertegenwoordiger van de patiëntenorganisaties kunnen deelnemen aan de vergaderingen van de nationale raad.

4. Opdrachten ten dienste van de arts in het belang van de patiënt en de gemeenschap

De bevoegdheden van de Orde beogen vooral het vervullen van opdrachten van algemeen belang.

Voor de provinciale raden, die dicht bij de artsen staan, zijn deze opdrachten voornamelijk administratief, educatief en informatief. Elke arts kan bij de provinciale raad waartoe hij behoort, terecht voor een concreet deontologisch advies op basis van de code van medische deontologie en de adviezen van de nationale raad.

De nationale raad vervult een normatieve opdracht gericht op een harmonisering van de deontologische regels en praktijken. De nationale raad verstrekt algemene adviezen op eigen initiatief of op verzoek van artsen, provinciale raden, openbare instellingen, beroepsverenigingen of andere betrokkenen en licht het publiek in over het bestaan en de draagwijdte van de deontologische regels.

Alvorens advies te verstrekken pleegt hij desgevallend multi- en interdisciplinair overleg met de betrokkenen in de gezondheidszorgsector.

Naast deze adviserende bevoegdheid krijgen zowel de provinciale raden, als de nationale raad wettelijk de opdracht om vormende activiteiten zoals symposia, seminaries en debatten te organiseren voor hun leden.

Bovendien legt het voorstel de nadruk op het belang van preventie zoals begeleiding en oriëntering van artsen, proactief aan (jonge) artsen morele ondersteuning bieden bij het uitbouwen van hun professionele carrière, begeleiding van artsen in psychische nood, enz.


5. Disciplinaire rol

De Orde behoudt haar tuchtrechtelijke bevoegdheid. Wel verleent zij zoveel mogelijk prioriteit aan de minnelijke conflictbeheersing. Wanneer de provinciale raden ambtshalve, na neerlegging van een klacht of op verzoek optreden, spelen zij een verzoenende rol.

De disciplinaire procedure wordt aangepast aan de evolutie van de maatschappij rekening houdend met het specifieke karakter van het tuchtrecht.

De belangrijkste wijzigingen zijn de volgende :
1° Met het oog op de strikte scheiding tussen het onderzoek en de tuchtbeslissing die noodzakelijk is om de onpartijdigheid te waarborgen, wordt het organigram van de Orde aangevuld met een Nederlandstalige en een Franstalige tuchtraad van eerste aanleg. Deze kunnen een tuchtsanctie uitspreken. De provinciale raden voeren enkel het onderzoek en beslissen tot verwijzing naar de tuchtraad. Het behandelen van dossiers uit verschillende provincies door één tuchtraad (per taalstelsel) verhoogt de juridische zekerheid dankzij een grotere expertise en draagt bij tot een uniforme tuchtrechtspraak.

2° Teneinde de procedure transparanter en toegankelijker te maken, bepaalt het voorstel dat ook de zittingen van de tuchtraden van eerste aanleg openbaar verlopen, zoals nu reeds het geval is bij de raden van beroep.

De Orde stelt een geanonimiseerd repertorium van de belangrijkste disciplinaire beslissingen ter beschikking.

3° De positie van de klager wordt versterkt. Hij heeft het recht om te worden gehoord en om nuttige stukken neer te leggen. Hij wordt op de hoogte gebracht van de plaats en het moment van de zitting en van de in zijn dossier genomen beslissingen.

De klager is geen partij in tuchtzaken. Bijgevolg heeft hij geen inzage in het tuchtrechtelijk dossier en kan hij geen beroep instellen tegen een beslissing van de Orde. Hij krijgt wel de mogelijkheid om zijn opmerkingen kenbaar te maken aan de voorzitters van de nationale raad die beroep kunnen aantekenen tegen beslissingen in tuchtzaken en ook de seponering van een klacht door de provinciale raad kunnen betwisten.

4° Ook de positie van de aangeklaagde arts wordt versterkt door nieuwe procedurewaarborgen. Zo kan de arts zich in alle fasen van de procedure laten bijstaan door een advocaat of een vertrouwenspersoon. Hij heeft de mogelijkheid om te worden geconfronteerd met de klager. Hij beschikt over de vrije keuze van de verdedigingsmiddelen. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn gegarandeerd doordat verschillende leden van de Orde deelnemen aan de onderzoekscommissie, desgevallend aan de bemiddelingscommissie, aan de verwijzingsbeslissing van de provinciale raad en aan de tuchtbeslissing van de tuchtraad van eerste aanleg.

Tot de modaliteiten voor de tuchtsancties behoren uitstel van uitvoering van straf of opschorting van uitspraak van sanctie evenals uitwisbaarheid van sancties en herstel in eer en rechten.

Het wetsvoorstel legt ook de verjaringstermijnen vast.

6. Dringende maatregelen

De Orde wordt bij wet gemachtigd om, met respect voor de rechten van de verdediging van de betrokkene, dringende maatregelen te treffen wanneer uit ernstige en eensluidende aanwijzingen blijkt dat de verdere beroepsuitoefening door de arts zware gevolgen kan hebben voor de patiënten of de volksgezondheid.

In geval van imminent risico kan voorlopig een schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen worden uitgesproken zonder de betrokkene te hebben gehoord.


Bijlage : Wetsvoorstel opgesteld door de nationale raad van de Orde der artsen (17 september 2016)

Hoofdarts17/09/2016 Documentcode: a154009
Evaluatie van de goede werking inzake risicobeheer en veiligheid van de patiënten

Naar aanleiding van het koninklijk besluit van 25 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen zoals gecoördineerd door het koninklijk besluit van 7 augustus 1987, actualiseert de nationale raad zijn advies ‘Taken van de hoofdarts, deontologische en juridische aspecten', 14 april 2008 (Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 120, p. 11) door invoeging van een punt ‘3.1/bis Evaluatie van de goede werking inzake risicobeheer en veiligheid van de patiënten'.

Advies van de nationale raad :

Taken van de hoofdarts, deontologische en juridische aspecten, 14 april 2008 (laatste wijziging in maart 2010), Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 120, p. 11
(Leidraad opgesteld door de Commissie "Ziekenhuisgeneeskunde" van de Nationale Raad van de Orde der artsen )


3.1/bis Evaluatie van de goede werking inzake risicobeheer en veiligheid van de patiënten
Sedert 18 augustus 2014(1) kan de hoofdarts een gerichte medische audit organiseren wanneer hij meent dat de goede werking inzake het risicobeheer en de veiligheid van de patiënt binnen het medische departement in het gedrang komt.

Dergelijke audit heeft tot doel de oorzaken van een bepaald disfunctionerend gedrag bloot te leggen en eventueel actiepunten voor een oplossing voor te stellen, in het belang van de patiënt.

Voordat de hoofdarts beslist tot een audit pleegt hij overleg met de arts-diensthoofd. Voorts adviseert de nationale raad dat de hoofdarts in dit stadium een gesprek voert met de arts die betrokken is bij het functioneringsprobleem. Tot slot brengt hij de medische raad en de algemeen directeur op de hoogte van zijn plannen en van de elementen die er de aanleiding toe geven.

De beslissing om een gerichte medische audit uit te voeren komt in alle stadia (vóór de audit, tijdens en na afloop ervan) toe aan de hoofdarts, maar de organisatie en de conclusies ervan zijn het resultaat van overleg tussen de hoofdarts en de arts-diensthoofd.

Het verloop van de audit en de resultaten ervan worden meegedeeld aan de betrokken arts, de beheerder en de medische raad.

De gerichte audit wordt op transparante wijze uitgevoerd, volgens een procedure vastgelegd in het reglement inzake de organisatie en de coördinatie van de medische activiteit van het ziekenhuis.

Om tot een nuttig resultaat te komen is het noodzakelijk dat de verschillende personen betrokken bij het functioneringsprobleem eraan meewerken, zowel de ziekenhuisarts, het ziekenhuispersoneel, de patiënt als zijn behandelende arts.

Deze samenwerking vereist een procedure die de deelnemers toelaat zich vrij uit te drukken, in een klimaat van vertrouwen en wederzijds respect, gunstig voor het bereiken van een gemeenschappelijk doel, met name de zorgkwaliteit en de veiligheid van de patiënt.

De beschrijving van de procedure in het reglement inzake de organisatie en de coördinatie van de medische activiteit van het ziekenhuis moet de volgende punten bevatten :

1° de selectie en de omschrijving van het klinische of organisatorische probleem

Om aanleiding te geven tot een gerichte audit zoals beschreven in artikel 6/1 van het koninklijk besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen zoals gecoördineerd door het koninklijk besluit van 7 augustus 1987, moet het klinische of organisatorische probleem het risicobeheer en de veiligheid van de patiënt mogelijk in gevaar brengen.

Het is echter niet omdat een klinisch of organisatorisch probleem mogelijk het risicobeheer en de veiligheid van de patiënt in het gedrang brengt dat het aanleiding moet geven tot een gerichte audit. De hoofdarts kan andere maatregelen treffen die hij in dat geval geschikter acht op grond van het reglement inzake de organisatie en de coördinatie van de medische activiteit in het ziekenhuis.

De elementen die een dergelijk probleem aan het licht brengen kunnen zowel door een gezondheidswerker als een niet-gezondheidswerker gesignaleerd worden.

Dit moet aangemoedigd en vergemakkelijkt worden door een duidelijke informatie over het nagestreefde doel, de procedure en de praktische modaliteiten. Deze informatie wordt toegankelijk gesteld voor het volledige ziekenhuispersoneel en voor de externe personen met de nadruk op het preventieve doel van dergelijk initiatief.

Wanneer deze elementen opduiken in het kader van een bemiddelingsprocedure in toepassing van de wet betreffende de rechten van de patiënt, brengt de bemiddelaar de patiënt ervan op de hoogte dat hij de feiten ook kan melden aan de hoofdarts.

Wat dat betreft verwijzen we naar het advies van de nationale raad van 6 februari 2010, met als titel "Relatie hoofdarts/ombudsfunctie", Tijdschrift van de nationale raad nr. 129, dat stelt :

In geval van herhaalde tekortkomingen door een ziekenhuisarts of van structurele nalatigheden, die de zorgverlening en de organisatie ervan ernstig in het gedrang brengen of kunnen brengen kan de ombudspersoon, in overeenstemming met artikel 11, § 2, 5°, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, de hoofdarts inlichten.

De ombudspersoon maakt zijn jaarverslag, waarin hij de nodige aanbevelingen doet, over aan de hoofdarts.

Bovendien kan de ombudspersoon, geconfronteerd met zwaarwichtige feiten die de patiënten of de goede werking van de instelling in gevaar kunnen brengen, zich beroepen op de noodtoestand om de hoofdarts in te lichten.

Het is niet uitgesloten dat de patiënt zelf zich met zijn klacht zou richten tot de hoofdarts. De patiënt kan immers rechtstreeks contact opnemen met de hoofdarts, ofwel kan de ombudspersoon, tot wie de patiënt zich eerst richtte en daarbij om tussenkomst van de hoofdarts verzocht, de patiënt meedelen dat de patiënt zelf de hoofdarts dient te contacteren.

Als de gebeurtenissen plaatsvinden in het kader van zorgverstrekking, rijst de vraag van de eerbiediging van de private levenssfeer van de betrokken patiënten.

Persoonsgegevens die de gezondheid betreffen mogen slechts verwerkt worden in de omstandigheden en hypotheses beschreven in artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens(2) . Onder die hypotheses lijken er drie de verwerking van de gegevens in de context van de gerichte audit te kunnen rechtvaardigen:

- wanneer artikel 6/1 van het koninklijk besluit van 15 december 1987 de verwerking van de gegevens noodzakelijk maakt;
- wanneer de verwerking noodzakelijk is voor het voorkomen van een concreet gevaar;
- wanneer de patiënt zijn toestemming heeft gegeven voor de verwerking.

De hoofdarts beoordeelt of hij te maken heeft met een functioneringsprobleem inzake het risicobeheer en de veiligheid van de patiënt.

Het overleg met de arts-diensthoofd helpt hem in zijn beoordeling. Hij kan ook andere meningen vragen en een gesprek voeren met de betrokken arts teneinde te beslissen een gerichte audit te organiseren.

Indien hij meent dat er een functioneringsprobleem bestaat, beschrijft hij dit in een document waarin de betrokken ziekenhuisarts en de risico's voor de veiligheid van de patiënten die er het gevolg van kunnen zijn vermeld worden en geeft hij dit document door aan de medische raad en aan de algemeen directeur.

In de veronderstelling dat het functioneringsprobleem betrekking heeft op de arts-diensthoofd zelf, meent de nationale raad dat de medische raad - op voordracht van de hoofdarts - een ervaren arts van het ziekenhuis dient aan te duiden om de rol te vervullen die aan de arts-diensthoofd toegewezen werd bij artikel 6/1 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 december 1987.

2° het vastleggen van de aard van de te verzamelen gegevens en gebeurlijk de af te toetsen standaarden conform de stand van de wetenschap

De organisatie van de audit valt onder de bevoegdheid van de hoofdarts.

Voor de uitvoering van de audit kan hij zich laten bijstaan door één of meerdere personen die hij gekwalificeerd acht, rekening houdend met hun ervaring, hun objectiviteit of het vertrouwen dat ze inboezemen. Ze kunnen extern zijn aan de instelling.

Het doel van de audit, de te voeren onderzoeken, met inbegrip van de normen die getoetst moeten worden en de gegevens die verzameld moeten worden, evenals de kalender van de verschillende procedurefasen dienen nauwkeurig weergegeven te worden.

Indien een bij de uitvoering van de audit betrokken persoon het doel van zijn opdracht of de te voeren onderzoeken onvoldoende acht, moet hij kunnen vragen dat deze uitgebreid worden. Indien dit niet kan, vermeldt hij zijn opmerkingen in het verslag.

3° verzamelen van gegevens

Wanneer deze gegevens persoonsgegevens zijn, moeten ze verzameld worden met eerbiediging van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, met name rekening houdend met de principes van finaliteit en proportionaliteit.

De verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen dient te gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de hoofdarts; de personen die ze uitvoeren zijn gebonden door het geheim.

Het verzamelen van informatie kan gerealiseerd worden door middel van het raadplegen van geschreven documenten of door verhoren.

De gehoorde persoon krijgt het verslag van zijn verhoor voor ondertekening.

De ziekenhuisarts is wettelijk verplicht mee te werken aan de audit.

De tijdens de audit verzamelde persoonsgegevens worden bewaard gedurende de tijd die nodig is voor het uitvoeren van het onder punt 4° bedoelde implementatieplan.

4° de aanduiding van de actiepunten en het overleg met de betrokken diensthoofden

Na afloop van de audit stelt de hoofdarts, in overleg met de arts-diensthoofd, een schriftelijk verslag op van het verloop ervan.

Dit verslag bevat de identiteit van de betrokken ziekenhuisarts, het functioneringsprobleem inzake risicobeheer en veiligheid van de patiënt dat aanleiding gaf tot de audit, de planning en het verloop van de werkzaamheden van de audit, de conclusie betreffende het al dan niet gegrond zijn van het probleem en, in voorkomend geval, de voorgestelde oplossingen (actiepunten).

De betrokken ziekenhuisarts ontvangt kopie van dit verslag en heeft de mogelijkheid erop te reageren.

De resultaten van de gerichte medische audit worden doorgegeven aan de medische raad. Enkel de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de medische raad worden doorgegeven.

De hoofdarts geeft een mondelinge uitleg aan de beheerder en overhandigt hem het schriftelijk verslag van het verloop waarin de persoonsgegevens betreffende de patiënten anoniem gemaakt zijn.

De hoofdarts stelt, in samenwerking met de betrokken arts-diensthoofd, een implementatieplan met actiepunten op en evalueert de uitvoering van deze actiepunten.

Bij het onderzoek van het resultaat van de gerichte medische audit binnen het orgaan dat, volgens het juridisch statuut van het ziekenhuis, belast is met het beheer van de exploitatie van het ziekenhuis, geven de hoofdarts en de betrokken ziekenhuisartsen commentaar als hen dat gevraagd wordt.

1.Datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 december 1987 houdende uitvoering van de artikels 13 tot en met 17 van de wet op de ziekenhuizen zoals gecoördineerd door het koninklijk besluit van 7 augustus 1987
2.Zie o.m. het advies van 30 mei 2009 van de nationale raad, met als titel «Inzage van het medisch dossier door de hoofdarts van het ziekenhuis», Tijdschrift van de nationale raad, nr. 126.

Archief (Medisch-)17/09/2016 Documentcode: a154010
report_problem

cf. advies NR 14 oktober 2023, a170018.

Bewaartermijn van de coupes en paraffineblokken voor de anatoompathologie

De nationale raad heeft een vraag tot aanpassing van zijn advies van 13 december 1986 betreffende de anatoom-pathologische coupes onderzocht.

Advies van de nationale raad :

De nationale raad heeft in zijn vergadering van 17 september 2016 uw vraag besproken of uit het advies van 20 januari 2001 (a092001) betreffende de bewaartermijn van de radiografieën en elektro-encefalografische tracés volgt dat de bewaartermijn van de coupes en paraffineblokken voor de anatoompathologie van 30 naar 20 jaar kan worden teruggebracht, zodat het advies van 13 december 1986 (a036004) betreffende de anatoom-pathologische coupes best wordt aangepast.

1. Het advies van 13 december 1986 (a036004) stelt dat zowel de coupes (draagglaasjes met gekleurde weefselsneden voor microscopisch onderzoek) als paraffineblokken (in paraffine ingebedde biopten waarvan coupes worden vervaardigd) even lang als het protocol (rapport van de anatoom-pathologische vaststellingen en diagnose) moeten worden bewaard, omdat het protocol aanleiding kan geven tot discussie. Zowel protocol, coupes als paraffineblokken maken derhalve deel uit van het medisch dossier waarvoor de wettelijke bewaartermijn van minstens 30 jaar van toepassing is(1) . Deze termijn neemt een aanvang vanaf het laatste contact met de patiënt(2) .

2. Het advies van 20 januari 2001 behandelt daarentegen de vraag hoelang de huisarts medische documenten moet bewaren.

Het advies stelt niet dat de radiologische clichés slechts aan een bewaartermijn van 20 jaar zouden zijn onderworpen. Het advies stelt enkel dat de medische documenten bij de huisarts naar analogie met de bewaartermijn die voor het medisch (ziekenhuis)dossier geldt, gedurende een periode van 30 jaar dienen te worden bewaard.

Verder legt het advies een bijkomende deontologische voorzorgsmaatregel op, op grond van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bij (persoonlijke) rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid. De wet bepaalt dat voor schade veroorzaakt vanaf 27 juli 1998 een verjaringstermijn van 20 jaar geldt(3) . Hieruit leidt het advies af dat de arts, naast de bewaarplicht van het medisch dossier gedurende een termijn van 30 jaar, ook best de documenten die betrekking hebben op een mogelijk schadeverwekkend feit, bewaart gedurende 20 jaar van zodra er een rechtsvordering is ingesteld voor dit feit. Het betreft bijgevolg een bijkomende zorgvuldigheidsplicht bovenop de bewaartermijn van 30 jaar voor het medisch dossier.

3. Derhalve is de nationale raad van oordeel dat noch de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, noch het advies van 20 januari 2001 (a093001) noopt tot wijziging van het advies van 13 december 1986 (a036004). De bewaartermijn van 30 jaar voor coupes en paraffinneblokken blijft dienvolgens onverkort van toepassing.

1.Artikel 1 § 3 van het koninklijk besluit d.d. 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waarvan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen.
2.Artikel 46 van de Code van geneeskundige plichtenleer.
3.Artikel 5 van de wet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring d.d. 10 juni 1998.

Arts (Buitenlandse-) (EU en andere)17/09/2016 Documentcode: a154007
Toegang tot de uitoefening van de geneeskunde in België voor artsen afkomstig van en met een diploma van buiten de EER/EU

Mevrouw DE BLOCK, minister van Volksgezondheid vraagt de nationale raad advies betreffende de toegang tot de uitoefening van de geneeskunde in België voor artsen van buiten de Europese Economische Ruimte / Europese Unie (EER/EU) die beschikken over een buiten de EER/EU verkregen beroepskwalificatie of die tijdelijk een klinische opleiding volgen in het raam van de medische en wetenschappelijke samenwerking.

Advies van de nationale raad :

In zijn vergadering van 17 september 2016 onderzocht de nationale raad van de Orde der artsen uw verzoek om aanbevelingen betreffende de toegang tot de uitoefening van de geneeskunde in België voor artsen van buiten de Europese Economische Ruimte / Europese Unie (EER/EU) die beschikken over een buiten de EER/EU verkregen beroepskwalificatie of die tijdelijk een klinische opleiding volgen in het raam van de medische en wetenschappelijke samenwerking.

1° Om de kwaliteit van de zorg en de veiligheid van de patiënten te waarborgen, dient de toegang tot de uitoefening van de geneeskunde in België voor artsen van buiten de Europese Economische Ruimte / Europese Unie (EER/EU) die beschikken over een buiten de EER/EU verkregen beroepskwalificatie, onderworpen te worden aan een strikte evaluatie.

De kwaliteit van de beroepscompetenties die verworven zijn door de opleidingen geneeskunde buiten de EER/EU, loopt immers sterk uiteen.

De opleidingstitel zelf kan vragen oproepen met betrekking tot het feit dat hij toegang geeft tot het beroep in het land van oorsprong, de wettelijke bevoegdheid van de structuur die hem uitgereikt heeft, of zelfs de authenticiteit ervan.

Er dient nagegaan te worden hoe de arts zich gedroeg in zijn land van oorsprong of in een ander land.

Ook dient aandacht geschonken te worden aan zijn fysieke en psychische geschiktheid.
Tot slot dient de vraag bekeken te worden van de geschiktheid om de geneeskunde uit te oefenen in de Belgische context.

2° Indien uw kabinet het wettelijk kader wenst te herzien, is het volgens de nationale raad belangrijk zich te buigen over de evaluatiesystemen die toegepast worden in de andere landen, ongeacht of ze al dan niet lid zijn van de Europese Unie.

De nationale raad meent met name dat de geschiktheidsproeven die van toepassing zijn in bepaalde landen (‘Professional and Linguistic Assessments Board (PLAB)' in het Verenigd Koninkrijk, ‘Algemene kennis- en vaardigheidstoets (AKV) en de Beroepsinhoudelijke toets' in Nederland, de ‘Epreuves de vérification des connaissances' in Frankrijk, ‘Educational commission for foreign medical graduates certification' (ECFMG) in de Verenigde Staten,...) uw aandacht vergen.

3° Bij een dergelijke evaluatie gaat het erom criteria te eerbiedigen zoals objectiviteit (bijvoorbeeld door een anonieme evaluatie) en relevantie, zowel wat het onderwerp als de methode van evaluatie betreft.

Met betrekking tot het onderwerp van de evaluatie dient de wetenschappelijke kennis getoetst te worden, uitgaande van de inhoud van de in België verstrekte opleidingen die toegang geven tot de uitoefening van de geneeskunde en rekening houdend met het beoefende specialisme.

Er zijn nog andere gegevens die bijdragen tot de beroepsbekwaamheid van de arts die de geneeskunde uitoefent in België, met name : kennis van de regelgevende context (patiëntenrechten, ziekte-en invaliditeitsverzekering,...), van de Code van geneeskundige plichtenleer, van de regels inzake goede praktijk, en kennis van de taal.

De inhoud van deze evaluaties dient vastgelegd te worden met de betrokken bevoegde nationale instanties, waaronder de Orde der artsen voor de kennis van de regels van geneeskundige plichtenleer.

Aangezien de toelating om de geneeskunde uit te oefenen geldt voor het hele grondgebied, dienen de evaluatie en andere voorafgaande controles bovendien redelijkerwijze eenvormig vastgelegd en uitgevoerd te worden in België, ongeacht de instantie die ze verricht.

Tot slot, zoals hierboven reeds aangestipt, dient naast de evaluatie van de geschiktheid een controle uitgevoerd te worden naar het gedrag en de eerbaarheid van de arts in de landen waarin hij reeds gepraktiseerd zou hebben. Deze controle dient gericht te zijn op het bestaan van beslissingen van juridische, administratieve of tuchtrechtelijke aard in verband met de uitoefening van het beroep.

4°/Wat in het bijzonder de mogelijkheid betreft voor een arts van buiten de Europese Economische Ruimte / Europese Unie (EER/EU) om tijdelijk een klinische opleiding te volgen in het raam van de medische en wetenschappelijke samenwerking, formuleert de nationale raad de volgende bemerkingen.

Hij acht het onontbeerlijk dat dergelijke opleiding berust op een samenwerkingsakkoord tussen het orgaan dat de opleiding verzorgt in het land van oorsprong en de bevoegde Belgische instanties, en niet op een individueel akkoord tussen België en de arts in opleiding.

Het model van een dergelijk akkoord, met inbegrip van de voorwaarden waaraan een arts in opleiding moet voldoen om er gebruik van te kunnen maken, zou het resultaat moeten zijn van overleg op nationaal niveau.

Dit samenwerkingsakkoord dient duidelijk te vermelden dat het orgaan dat de opleiding van de kandidaat verzorgt in het land van oorsprong een deel van de opleiding delegeert aan een structuur in België, maar als enige gemachtigd blijft om de bekwaamheid van de arts in opleiding te certificeren.

In het kader van een dergelijke opleiding kan de arts, na een evaluatie van zijn geschiktheid, toelating krijgen om bepaalde handelingen van de geneeskunde uit te voeren onder de verantwoordelijkheid van een arts die gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen in België.

De nationale raad staat tot uw verdere beschikking.

Cc. Koninklijke Academie voor Geneeskunde

Vorige pagina

24

pagina