keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167034
Beroepsgeheim – Meedelen van de COVID-19-diagnose door de arts

De nationale raad beantwoordde meerdere vragen wat betreft het meedelen van de COVID-19-diagnose door de arts (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Wat betreft de vraag of een arts de diagnose van een overleden patiënt mag meedelen aan het mortuarium en de begrafenisondernemer ingeval het gaat om een COVID-19-patiënt, verwijst de nationale raad o.a. naar de aanbevelingen van Sciensano, "Procedure voor het beheer van een overlijden van een patiënt met Covid-19", versie van 30 april 2020, https://epidemio.wiv-isp.be/ID/Documents/Covid19/COVID-19_procedure_deaths_NL.pdf.

Uit punt 3 "Informatieoverdracht" blijkt uitdrukkelijk dat personeel van het mortuarium en de begrafenisondernemers op de hoogte moeten worden gebracht van een (mogelijk) overlijden door COVID-19, via strook A van het overlijdensattest (Model IIIC en IIID).

Punt 10 "Administratieve bepalingen", preciseert het volgende:
"Op het overlijdensattest (Model IIIC of IIID) moet de arts bij het overlijden van een patiënt die COVID-19 positief testte of bij een klinisch vermoeden dat deze COVID-19 positief is, maar geen test werd uitgevoerd (mogelijk geval) op strook A bij rubrieken ‘bezwaar tegen schenking lichaam(2)': ja aankruisen en bij ‘bezwaar tegen eventueel vervoer zonder kist(6)': neen.
(...)
Op de strook A moet gespecifieerd worden dat het gaat om een (mogelijk) overlijden aan COVID-19.
COVID-19 is geen tegenindicatie voor crematie."

Wat betreft de vermelding van de diagnose van COVID-19 op het geneesmiddelenvoorschrift ter bescherming van de apotheker die het geneesmiddel aflevert, is de nationale raad van mening dat het beroepsgeheim van toepassing blijft.
De diagnose van de patiënt moet niet worden vermeld op het geneesmiddelenvoorschrift.

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167035
Vroegtijdig verlaten van ziekenhuis door COVID-19-patiënt - Verantwoordelijkheid van de arts

De nationale raad beraadde zich over de vraag wat de arts mag ondernemen indien de patiënt het zorgcentrum/ziekenhuis verlaat en hierdoor de maatregelen overtreedt en andere personen in gevaar brengt (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Een zorgcentrum/ziekenhuis dat instaat voor de zorg aan COVID-19-patiënten heeft niet de wettelijke bevoegdheid patiënten te verhinderen de zorginstelling te verlaten.

De zorgverleners binnen de zorginstelling zijn gehouden tot het beroepsgeheim. Evenwel kunnen zij zich, na een afweging tussen het belang van het beroepsgeheim en het risico op besmetting en het gevaar voor de volksgezondheid, beroepen op de noodtoestand en de bevoegde instanties of personen op de hoogte brengen van de problematiek, bijvoorbeeld de nachtopvangdiensten, de naasten van de patiënt of de dienst infectiebestrijding.

Het is van belang om, in eerste instantie, goed te communiceren met de patiënt, de maatregelen op een duidelijke manier uit te leggen, alsook de gevolgen die de patiënt veroorzaakt door het vroegtijdig verlaten van de instelling.

De nationale raad verwijst tevens naar zijn advies Hoe de arts dient te handelen indien een patiënt weigert zich te laten testen op COVID-19 of weigert de verplichte maatregel van quarantaine na te leven van 19 september 2020 (a167027).

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167028
Teleconsultatie en telefonische triage in de context van de COVID-19-pandemie

De nationale raad formuleerde in zijn vergadering van 17 oktober 2020 een advies betreffende teleconsultatie en telefonische triage in de context van de COVID-19-pandemie, op basis van de Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19.

Het Franstalige College voor huisartsgeneeskunde van België (CMG) en Domus Medica raden een telefonische triage aan van patiënten die symptomen vertonen van besmetting met COVID-19.

Wat betreft de deontologische beginselen bij de behandeling van een patiënt zonder rechtstreeks fysiek contact met hem en de grenzen en de mogelijkheden van teleconsultatie, verwijst de nationale raad naar zijn advies van 21 september 2019 over de teleconsultatie met het oog op het stellen van een diagnose en het voorstellen van een behandeling (a166007).

Het volgende werd daarbij in herinnering gebracht: "Een raadpleging op afstand heeft, ook al blijkt ze gebruiksvriendelijk voor de patiënt, niet dezelfde nauwkeurigheid als een raadpleging in aanwezigheid van de patiënt en de arts. Teleconsultatie biedt dan ook niet dezelfde veiligheid op het vlak van de diagnose en van het voorschrijven van geneesmiddelen. Teleconsultatie kan de klassieke face-to-face raadpleging slechts vervangen indien een bijzondere situatie dit rechtvaardigt."

In de huidige omstandigheden gaat het wel degelijk over een bijzondere situatie gezien de pandemiecontext vergt dat maatregelen genomen worden op het gebied van de volksgezondheid om de risico's op verspreiding in te perken. Verplaatsingen van besmette patiënten of van patiënten van wie vermoed wordt dat ze besmet zijn met het virus zo veel mogelijk beperken, is een prioritaire maatregel bij deze pandemie.

Om een telefonisch advies te verstrekken moet de arts een volledige anamnese uitvoeren rekening houdend met de risicofactoren die inherent zijn aan de pathologie ("red flags"), met de antecedenten van de patiënt en met zijn andere acute of chronische aandoeningen die hem kwetsbaarder kunnen maken. De eerstelijnsartsen verwachten van de wetenschappelijke en gezondheidsautoriteiten dat zij de alarmtekens ("red flags") die inherent zijn aan deze pathologie preciseren en actualiseren. De gevolgen van dergelijke besmetting zijn nog steeds onvoldoende gekend, kunnen een atypisch ziektebeeld geven en een bepaald percentage van patiënten ontwikkelt een ernstige longaandoening die levensbedreigend kan zijn.

De minimumvoorwaarden opdat de organisatie van teleconsultaties via videobeelden aanvaardbaar is, houden in dat de arts a) de patiënt en zijn antecedenten goed kent, b) inzage heeft in de medische informatie betreffende de patiënt (medisch dossier) en c) in staat is de continuïteit van de zorg te waarborgen (Persbericht van de nationale raad van 10 maart 2020 (a167005).

Ingeval er geen dossier bestaat of de toegang ertoe onmogelijk is, moet de arts de antecedenten en de medische situatie van de patiënt kunnen begrijpen door een zorgvuldige en volledige anamnese die voornamelijk betrekking heeft op de huidige medicamenteuze behandelingen.

De richtlijnen van het RIZIV zijn te vinden op https://www.inami.fgov.be/nl/nieuws/Paginas/zorgverlenen-afstand-covid19-globale-aanpak-meerdere-zorgberoepen.aspx.

De arts die telefonisch gecontacteerd wordt, moet de risico's voor de patiënt en voor de gemeenschap afwegen tussen een telefonisch advies, een face-to-face raadpleging, een huisbezoek en doorverwijzing naar een structuur (al dan niet ziekenhuisgebonden) die instaat voor de opsporing en de behandeling van patiënten die besmet zijn of van wie vermoed wordt dat ze besmet zijn met COVID-19.

Sciensano actualiseert regelmatig zijn aanbevelingen aan de artsen betreffende de procedure die dient te worden gevolgd bij patiënten van wie wordt vermoed dat ze besmet zijn met COVID-19 (https://covid-19.sciensano.be/nl/covid-19-procedures).

Wanneer een arts gebruikt maakt van teleconsultatie voor patiënten die vermoedelijk niet besmet zijn met COVID-19 is eveneens het genoemde advies van de nationale raad van 21 september 2019 (a166007) van toepassing. De coronaviruspandemie is een bijzondere situatie waarbij de patiënt en de arts er, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden in dit advies, voordeel bij hebben de face-to-face raadpleging te vervangen door teleconsultatie.

De nationale raad vestigt de aandacht op de noodzaak om verder de noodzakelijke zorg te blijven verstrekken. Het spreekt voor zich dat de arts de zorgcontinuïteit dient te verzekeren voor patiënten met een chronische ziekte, in het bijzonder indien de opvolging cruciaal is voor de patiënt: er kan o.m. worden gedacht aan zware diabetespatiënten, patiënten die bloedverdunners innemen, patiënten die een transplantatie ondergingen, patiënten met een nierinsufficiëntie en aan de opvolging van cerebrovasculaire accidenten en ernstige open wonden. De geriatrische en/of psychiatrische patiënten die thuis geïsoleerd zijn mogen niet uit het oog verloren worden. Indien de arts zelf de opvolging van zijn patiënten niet kan verzekeren, dient hij hen door te verwijzen naar een medische structuur die de zorg voor hen kan opnemen.

De nationale raad verwijst naar de aanbevelingen van het RIZIV betreffende de erelonen voor een raadpleging op afstand

https://www.inami.fgov.be/nl/nieuws/Paginas/specifiek-honorarium-medisch-advies-telefoon-covid19.aspx en https://www.inami.fgov.be/nl/nieuws/Paginas/zorgverlenen-afstand-covid19-globale-aanpak-meerdere-zorgberoepen.aspx).

Iedereen draagt de verantwoordelijkheid om verstandig en voorzichtig te werk te gaan in het belang van de gezondheid van de patiënt, die gewetens- en kwaliteitsvol verzorgd dient te worden, en van de gemeenschap. De arts die een beslissing neemt via de telefoon moet, alvorens een vermoeden van besmetting met COVID-19 uit te sluiten, aandachtig zijn voor een atypisch ziektebeeld van de ziekte COVID-19 (patiënt zonder symptomen of misleidende symptomen), in het bijzonder bij oudere patiënten.

Wat betreft het gebruik van telegeneeskunde binnen de arbeidsgeneeskunde, heeft de nationale raad er, op deontologisch vlak geen bezwaar tegen dat de preventieadviseur/arbeidsarts, wanneer de bijzondere omstandigheden het toelaten, in deze pandemiecontext zijn opdrachten uitvoert via telefonische raadplegingen, met gezond verstand en voorzichtig in het belang van de gezondheid van de werknemers.

Dat kan slechts gebeuren door middel van de beschreven waarborgen in verband met de toegang tot de gezondheidsgegevens, de kennis van de werkomstandigheden, de beroepsanamnese, de precisering op het evaluatieformulier dat deze per telefoon gebeurde en het informeren van de werknemer dat hij de mogelijkheid heeft een spontane raadpleging te vragen in het medisch kabinet na de crisisperiode te wijten aan de COVID-19-pandemie.

De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg heeft aanbevelingen uitgebracht betreffende het gezondheidstoezicht tijdens de coronacrisis

(https://www.ehealth.fgov.be/nl/egezondheid/task-force-data-technology-against-corona/nuttige-apps).


COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167030
Bezorgen van geneeskundig getuigschrift en geneesmiddelenvoorschrift door de arts aan de patiënt na teleconsultatie tijdens de COVID-19-crisis

Aan de nationale raad werd de vraag voorgelegd hoe het getuigschrift na een teleconsultatie tot bij de patiënt geraakt (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

De nationale raad verwijst naar de aanbevelingen van het RIZIV: https://www.inami.fgov.be/nl/covid19/Paginas/medische-getuigschriften-veranderingen-gedurende-covid19.aspx.

Het geneeskundig getuigschrift wordt door de huisarts aan de patiënt toegestuurd per post of elektronisch.
De getuigschriften moeten niet door de arts worden ondertekend indien ze elektronisch worden meegedeeld, maar moeten een identificatie van de arts bevatten (naam, voornaam, RIZIV-nummer).
De patiënten moeten die getuigschriften zelf aan de bestemmeling ervan bezorgen.

Wat betreft het bezorgen van een papieren bewijs van het geneesmiddelenvoorschrift aan de patiënt tijdens de COVID-crisis, verwijst de nationale raad naar de aanbevelingen van het RIZIV in verband met de mogelijkheid de RID-code van het elektronisch voorschrift door te geven in plaats van het papieren bewijs. (https://www.inami.fgov.be/nl/themas/kost-terugbetaling/door-ziekenfonds/geneesmiddel-gezondheidsproduct/geneesmiddel-voorschrijven/Paginas/geneesmiddelen-elektronisch-voorschrijven.aspx#Tijdelijke_maatregel_‘COVID-19':_mogelijkheid_om_de_RID-code_te_bezorgen_in_plaats_van_het_papieren_

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167029
Getuigschrift van arbeidsongeschiktheid na teleconsultatie in de context van de COVID-19-pandemie

De nationale raad onderzocht meerdere vragen betreffende het afleveren van een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid in de context van COVID-19-pandemie (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Indien de arts meent dat een telefonisch advies volstaat om de risico's voor de patiënt, het medisch personeel en de gemeenschap te beoordelen en indien hij ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het volstaat dat de patiënt zich thuis verzorgt, kan hij hem, gedurende de periode van uitzonderlijke maatregelen in verband met de COVID-19-pandemie, een getuigschrift verstrekken op basis van de telefonische anamnese en niet noodzakelijk van een fysiek onderzoek (wat gepreciseerd dient te worden in het getuigschrift). In dit getuigschrift attesteert de arts dat hij de patiënt aangeraden heeft de woning niet te verlaten om reden van vermoeden van besmetting met COVID-19.

De arts noteert in het dossier van de patiënt dat hij telefonisch contact gehad heeft met de patiënt, de raadgevingen die hij hem verstrekt heeft en de eventuele afgifte van een getuigschrift.

Sciensano spoort de huisartsen ertoe aan gebruik te maken van teleconsultatie voor patiënten die mogelijk besmet zijn met COVID-19 en formuleert hiertoe aanbevelingen (https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_GP_NL.pdf).

Voor de COVID-19-periode stelt het RIZIV modellen van geneeskundige getuigschriften voor (https://www.inami.fgov.be/nl/covid19/Paginas/medische-getuigschriften-veranderingen-gedurende-covid19.aspx)

- het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid bestemd voor de werkgever van de patiënt / voor de patiënt die zelfstandig is

- het getuigschrift van "quarantaine" bestemd voor de werkgever van de patiënt / voor de patiënt die zelfstandig is.
Dit zogenaamde "quarantainegetuigschrift" wordt afgeleverd aan een werknemer die arbeidsgeschikt is, maar die zich niet naar zijn werkplek kan begeven, meer bepaald als hij in nauw contact is geweest met een geïnfecteerde persoon, als hij zelf besmet is terwijl hij geen symptomen vertoont of als zijn medische situatie een risico is (bijvoorbeeld als zijn immuun-/afweersysteem verzwakt is).

Een patiënt die een quarantainegetuigschrift ontvangt, mag in het algemeen de woning niet verlaten.
Toch zal de arts elke individuele situatie beoordelen en zijn patiënt informeren over de essentiële afwijkingen die toegestaan blijven, zoals essentiële medische afspraken die niet kunnen worden uitgesteld tot na de quarantaineperiode en, als de patiënt geen ander alternatief heeft, voor de bevoorrading van geneesmiddelen en voedsel.

- de arbeidsongeschiktheidsgetuigschriften bestemd voor het ziekenfonds.

Het RIZIV heeft het gebruik van de verschillende modellen van arbeidsongeschiktheidsgetuigschriften voor de ziekenfondsen verduidelijkt in de tabel die geraadpleegd kan worden via de link https://www.inami.fgov.be/SiteCollectionDocuments/tabel_getuigschrift_arbeidsongeschiktheid_telefoon_covid19.docx.

Indien een patiënt vraagt een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid omwille van een ander motief dan COVID-19 te verlengen, is het deontologisch gezien denkbaar dat, indien de arts de patiënt kent en hij het initiële getuigschrift van arbeidsongeschiktheid opgesteld heeft, gewetensvol beslist dit te verlengen op grond van de telefonisch verkregen informatie, van de gegevens in zijn medisch dossier en van andere objectieve gegevens waarover hij beschikt. De arts dient op het getuigschrift te vermelden dat hij de patiënt niet klinischonderzocht heeft.

Indien het gaat over de initiële afgifte van een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid zonder klinisch onderzoek van de patiënt is dit deontologisch gezien slechts uitzonderlijk mogelijk, met name voor een patiënt die de arts goed kent, in wiens medisch dossier hij inzage heeft en die typische tekenen vertoont van een aandoening die behandeld kan worden zonder klinisch onderzoek maar arbeidsongeschiktheid vereist (bijvoorbeeld een acute exacerbatie van een chronische obstructieve longziekte (COPD), een seizoensgebonden exacerbatie van een gekende allergische astma, etc..) . De arts dient desgevallend op het getuigschrift te vermelden dat hij de patiënt niet onderzocht heeft.

Indien het gaat om de afgifte van een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid zonder voorafgaand klinisch onderzoek bij een patiënt die van tevoren niet gekend is bij de arts, vergt dit nog meer voorzichtigheid van de arts. Dit is alleen aanvaardbaar wanneer de ziekte geen fysieke raadpleging vraagt, bijvoorbeeld na een ongeval met breuk die niet geconsolideerd is (de arts kan dit verifiëren door de beelden via PACS on WEB te bekijken) of wanneer de patiënt in revalidatie is na een hartaanval of een cerebrovasculair accident. De arts moet toegang hebben tot het medisch dossier of, zoals eerder gezegd, de antecedenten en de medische situatie van de patiënt kunnen begrijpen door een zorgvuldige en volledige anamnese af te nemen die vooral betrekking heeft op de huidige medicamenteuze behandelingen.

De arts moet voorzichtig en uiterst nauwkeurig te werk gaan bij het verzamelen en analyseren van de elementen maar ook bij het bepalen van de duur van de arbeidsongeschiktheid. Het getuigschrift dient uitdrukkelijk weer te geven of het gebaseerd is op de anamnese door de arts of op medische documenten (medisch dossier), of zelfs op de verklaringen van de patiënt. Er dient expliciet vermeld te worden dat er geen rechtstreeks contact noch klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden ten gevolge van de uitzonderlijke omstandigheden.

In de huidige omstandigheden draagt iedereen de verantwoordelijkheid om verstandig en voorzichtig te werk te gaan in het belang van de gezondheid van de patiënt, die gewetens- en kwaliteitsvol verzorgd dient te worden, en van de gemeenschap.

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167031
Attest aanpassing van de arbeidsomstandigheden (telewerk) voor risicopatiënten COVID-19

De nationale raad onderzocht of een arts een attest kan afleveren waarin wordt aangegeven dat een aanpassing van de arbeidsomstandigheden (telewerk) zich opdringt omdat de patiënt, gezien zijn medische toestand, een risicopatiënt is in de context van de pandemie COVID-19 (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Op deontologisch vlak heeft de nationale raad geen bezwaar dat de arts een attest aflevert aan patiënten wier gezondheidstoestand dit rechtvaardigt, bevestigend dat in de context van de COVID-19-pandemie hun gezondheidstoestand de afzondering oplegt. Dit vereist dat hij toegang heeft tot hun medisch dossier.

De nuttige informatie is beschikbaar via de volgende link : https://werk.belgie.be/nl/nieuws/update-coronavirus-preventiemaatregelen-en-arbeidsrechtelijke-gevolgen

Indien de behandelende arts eraan denkt de arbeidsarts te contacteren, vestigt de nationale raad de aandacht op de noodzaak vooraf de toestemming van de patiënt hierover te bekomen.

Het RIZIV stelt een model van geneeskundig getuigschrift van "quarantaine" voor dat bestemd is voor de werkgever van de patiënt / voor de patiënt die zelfstandig is (https://www.inami.fgov.be/nl/covid19/Paginas/medische-getuigschriften-veranderingen-gedurende-covid19.aspx).

Dit zogenaamde "quarantainegetuigschrift" wordt afgeleverd aan een werknemer die arbeidsgeschikt is, maar die zich niet naar zijn werkplek kan begeven, meer bepaald als hij in nauw contact is geweest met een geïnfecteerde persoon, als hij zelf besmet is terwijl hij geen symptomen vertoont of als zijn medische situatie een risico uitmaakt (bijvoorbeeld als zijn immuun-/afweersysteem verzwakt is).

Een patiënt die een quarantainegetuigschrift ontvangt, mag in het algemeen de woning niet verlaten.

Toch zal de arts elke individuele situatie beoordelen en zijn patiënt informeren over de essentiële afwijkingen die toegestaan blijven, zoals essentiële medische afspraken die niet kunnen worden uitgesteld tot na de quarantaineperiode en, als de patiënt geen ander alternatief heeft, voor de bevoorrading van geneesmiddelen en voedsel.

Getuigschrift19/09/2020 Documentcode: a167021
Opstellen van medische documenten – principes en aanbevelingen

In zijn vergadering van 19 september 2020 heeft de nationale raad het volgende advies uitgebracht betreffende het opstellen van medische documenten, met name medische getuigschriften, om aan de confraters de principes te herinneren die hen moeten leiden.

Artikel 26 van de Code van medische deontologie (CMD 2018) stelt:

De arts bezorgt de patiënt de medische documenten die hij nodig heeft

De arts stelt deze documenten waarheidsgetrouw, objectief, voorzichtig en discreet op, met aandacht voor het vertrouwen dat de maatschappij in hem stelt. Hij vermeldt daarbij geen gegevens over derden.

De arts bezorgt op vraag van de patiënt de documenten aan de arts die de patiënt aanwijst.

1.1. Onderwerp van artikel 26 van de CMD 2018

Artikel 26 van de CMD 2018 gaat over de handelwijze van de behandelende arts die door zijn patiënt gevraagd wordt een document betreffende zijn gezondheidstoestand op te stellen of in te vullen.

De woorden "medische documenten" gebruikt in artikel 26 van de CMD 2018 zijn algemene termen die betrekking hebben op elk door de arts opgesteld document dat de patiënt nodig heeft ter attentie van een derde persoon waarin de arts beschrijft of verklaart een feit van medische aard (fysieke of psychische gezondheidstoestand, ziekte, ongeval, zorg) te hebben vastgesteld, na een medische raadpleging of op basis van het medisch dossier.

Dit omvat het opstellen van verscheidene stukken, waaronder de medische getuigschriften, de antwoorden op medische vragenlijsten of nog de medische kaarten die informatie betreffende de gezondheid van de patiënt vermelden (allergie, inspuiting van een radioactief product, enz.).

Het doel van deze documenten is meervoudig : het verkrijgen van een sociaal voordeel (inkomensvervangende tegemoetkoming, sociale steun voor een gehandicapte, enz.), de vrijstelling of de uitvoering van een wettelijke verplichting (schoolplicht, stemplicht, vaccinatieplicht, enz.), het verkrijgen van de terugbetaling van een geneesmiddel dat de toestemming vereist van de adviserende arts, het opmaken van het bewijs in het kader van een deskundigenonderzoek of van een contractuele relatie (reisannulatieverzekering, enz.) zijn enkele voorbeelden hiervan.

Deze documenten hebben gemeen dat ze de werkelijkheid van een medisch feit trachten te waarborgen ten opzichte van derden. De eraan verbonden bewijswaarde is het resultaat van het vertrouwen dat de maatschappij heeft in het medisch korps en meer bepaald in de beroepsbekwaamheid van zijn auteur en in de integriteit die zijn beroepsdeontologie hem oplegt. Het opstellen van een medisch document stelt de arts verantwoordelijk.

Bij de redactie ervan moeten altijd eerlijkheid, objectiviteit, voorzichtigheid en discretie in acht worden genomen.

Sommige medische documenten zijn onderworpen aan een specifieke wetgeving die de vorm en de bestemmelingen ervan bepaalt (bijvoorbeeld het koninklijk besluit van 29 juli 2019 tot vaststelling van de inhoud en de vorm van het standaardformulier van omstandige geneeskundige verklaring ter uitvoering van artikel 1241, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Het is een deontologische plicht van de behandelende arts, binnen de grenzen van zijn bekwaamheden en objectief, te voldoen aan de rechtmatige vragen van de patiënt die slechts kunnen worden geconcretiseerd met zijn medewerking. Hij kan zich er niet aan onttrekken zonder gegronde reden.

1.2. Datum van het document en van de elementen waarop het gebaseerd is

Het medische document dient altijd de datum te dragen van de dag van zijn redactie.

In geval van afschrift preciseert de arts de datum van opstelling van het originele document en dateert hij het afschrift met de redactiedatum.

Behalve bijzondere reden te vermelden in het medisch dossier (bijvoorbeeld een definitieve gezondheidstoestand), wordt het document opgesteld na de medische raadpleging tijdens welke de arts de nodige, actuele, informatie kon verzamelen en een klinisch onderzoek kon uitvoeren.

Indien de arts gevraagd wordt de gezondheidstoestand van de patiënt op een vroeger moment (voorafgaand aan het opstellen) te attesteren, mag hij zich baseren op medische elementen die hij toen verzamelde of op geactualiseerde gegevens uit het dossier.

1.3. Eerlijkheid

De arts stelt het medische document gewetensvol en volledig waarheidsgetrouw op, geleid door de huidige stand van de wetenschap.

Opzettelijk valse attesten schrijven kan leiden tot strafrechtelijke en disciplinaire vervolging.

Een welwillendheidsattest is een vals attest dat de arts vrijwillig en uit pure inschikkelijkheid opstelt met het oog op het opwekken van de welwillendheid van de bestemmeling tegenover zijn patiënt.

Deze eerlijkheidsplicht slaat op alle elementen in het document: beschreven medische feiten, voorgestelde behandelingen, vermelde data, handtekeningen, enz.

1.4. Objectiviteit

De arts handelt objectief door er onder andere voor te zorgen zich niet te laten beïnvloeden door onredelijke vragen van de patiënt of van derden en geen zaken te attesteren die buiten zijn medische bekwaamheid vallen of wetenschappelijk ongegrond zijn, zonder verband met de gezondheidstoestand van de patiënt of met betrekking tot derden die hij niet kent of die hij niet onderzocht heeft (i.v.m. de derden, zie ook punt 1.6. Medisch geheim). Hij alleen bepaalt wat hij schrijft.

Hij bevestigt of wat hij beschrijft gebaseerd is op een anamnese, een klinisch onderzoek, een raadpleging op afstand, medische documenten (medisch dossier) of zelfs louter op de verklaringen van de patiënt (dixitattest).

Een dixitattest is louter gebaseerd op de verklaring van de betrokkene en niet op de eigen medische vaststellingen van de arts. De arts vermijdt in de mate van het mogelijke een dergelijk document op te stellen. Zoals alle attesten mag dit geen verklaringen over derden bevatten.

1.5. Voorzichtigheid en uiterste nauwkeurigheid

De arts dient voorzichtig te zijn in wat hij formuleert, bewust van de grenzen van zijn kennis en van het onvoorspelbare in de evolutie van een gezondheidstoestand.

Hij moet redactiefouten vermijden (ontbreken van datum of handtekening, onleesbaarheid, enz.).

Hij let erop dat de vorm en de inhoud van het document beantwoorden aan de desgevallend vigerende wettelijke bepalingen en heeft aandacht voor de motivering van de vraag en de bestemmeling van het document (RIZIV, wetsverzekeraar, verzekeringsorganismen, verzekeringsmaatschappijen, probatiecommissie, onderwijsinstelling, werkgever, enz.).

De arts moet uiterst nauwkeurig te werk gaan bij het verzamelen en analyseren van de elementen waarop hij zich baseert om een medisch feit te attesteren. Zijn bewoordingen moeten voorzichtig en genuanceerd zijn en zich beperken tot medische beschouwingen.

Het document vermeldt de identiteit van de betrokken persoon. Het bevat ook de beroepsgegevens, met inbegrip van het RIZIV-nummer, van de arts zodat deze identificeerbaar is.

Het is nuttig en sterk aangeraden in het medisch dossier een kopie of een spoor van de redactie van het document te bewaren, met name om de datumgegevens te onthouden maar ook in geval van verlies of zelfs van geschil.

1.6. Discretie en beroepsgeheim

De arts zorgt ervoor de inhoud van het document te beperken tot wat relevant en nodig is, overeenkomstig de context waarin het wordt gebruikt (bijvoorbeeld, het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid bestemd voor de werkgever vermeldt de diagnose niet, in tegenstelling met dat bestemd voor het verzekeringsorganisme (ziekenfonds).

Het document respecteert de waardigheid van de patiënt.

De arts die aan de patiënt een document geeft waarin persoonsgegevens staan over zijn gezondheid die deze hem toevertrouwde schendt het beroepsgeheim tegenover de patiënt zelf niet.

Ten opzichte van derden voor wie het document bestemd is, komt de eerbiediging van het geheim in gevaar wanneer elementen onnodig kenbaar gemaakt worden.

De wens van de patiënt om in het document elementen te vermelden die geen verband houden met het voorwerp ervan, volstaat niet om de arts te beschermen tegen een inbreuk op de vertrouwelijkheidsplicht.

1.7. Loyaliteit

De arts legt aan de patiënt de elementen uit die hij in het medische document vermeldt zodat deze, volledig op de hoogte van de inhoud, het vrij kan gebruiken zoals hij wenst, met eerbiediging van zijn autonomie.

Indien de patiënt zich verzet tegen bepaalde openbaarmakingen, oordeelt de arts of er een reden is tot weigering om het document op te stellen omdat de door de patiënt gevraagde weglating de eerlijkheid van de inhoud aantast.

1.8. Overhandigen van het document

De arts geeft het medische document aan de patiënt, of aan zijn vertrouwenspersoon indien de patiënt dit wenst, ook al is het bestemd om overhandigd te worden aan een derde. Indien de patiënt een onbekwame meerderjarige is of een minderjarige die niet in staat is redelijkerwijze zijn belangen te beoordelen, geeft de arts het document aan zijn vertegenwoordiger.

Mits de patiënt zijn toestemming geeft, kan de arts het medische document dat hij opstelde doorsturen naar de arts aangeduid door de patiënt (de adviserend arts van het verzekeringsorganisme (ziekenfonds), de schoolarts, enz.)

Wilsbekwaamheid19/09/2020 Documentcode: a167026
Inschatten van de wilsbekwaamheid van een patiënt - zorgvolmacht

De nationale raad van de Orde der artsen heeft de adviesaanvraag betreffende het inschatten van de wilsbekwaamheid van een patiënt voor het ondertekenen van een zorgvolmacht, onderzocht.

Een zorgvolmacht is een schriftelijke volmacht waarbij een persoon een andere persoon aanduidt die beslissingen kan nemen in zijn plaats vanaf het moment waarop de opsteller niet meer wilsbekwaam is.

Op het ogenblik van het opstellen van de zorgvolmacht dient de opsteller wilsbekwaam te zijn. In principe is hiervoor geen attest van wilsbekwaamheid vereist. De controle gebeurt post-factum. Dit betekent dat indien achteraf zou blijken dat de opsteller wilsonbekwaam was ten tijde van het opstellen van de zorgvolmacht, deze nietig kan worden verklaard. Het is evenwel aannemelijk dat men daarop tracht te anticiperen en reeds voorafgaand aan het opstellen van de zorgvolmacht wil nagaan of de opsteller wilsbekwaam is. De behandelende arts kan, op verzoek van of met toestemming van de patiënt, een wilsbekwaamheidsattest verlenen aan de patiënt of aan de notaris, via de patiënt.

(https://www.ordomedic.be/nl/adviezen/advies/wilsbekwaamheid-van-de-patient-attest)

Gezien de wilsbekwaamheid van een persoon een medische aangelegenheid is, ligt de verantwoordelijkheid voor de evaluatie van de feitelijke wilsbekwaamheid bij de arts. Op heden bestaat er in België evenwel geen concreet stappenplan ter beoordeling van de wilsonbekwaamheid van de patiënt. Het raadgevend comité voor bio-ethiek heeft in het verleden, weliswaar binnen een andere context, gezegd dat een collegiale besluitvorming is aangewezen.

(https://www.health.belgium.be/sites/default/files/uploads/fields/fpshealth_theme_file/7948443/Advies%20nr.%209%20d.d.%2022%20februari%201999%20betreffende%20het%20levensbe%C3%ABindigend%20handelen%20bij%20wilsonbekwamen.pdf)

De nationale raad is niet bevoegd, noch bekwaam om hierover specifieke richtlijnen uit te brengen. Deontologisch dient te arts te handelen overeenkomstig de huidige stand van de wetenschap. (art. 4, Code van medische deontologie). Daarnaast is de arts bewust van de grenzen van zijn kennis en zijn mogelijkheden. (art. 6, Code van medische deontologie). De arts vraagt, indien hij dit nodig acht, het advies van collega's of andere gezondheidszorgbeoefenaars. Elke arts heeft bovendien de verantwoordelijkheid om de patiënt te verwijzen naar een andere ter zake bevoegde beoefenaar van een gezondheidszorgberoep wanneer de gezondheidsproblematiek waarvoor een tussenkomst is vereist de grenzen van het eigen competentiegebied overschrijdt. (Commentaar bij artikel 6, Code van medische deontologie)


COVID-1919/09/2020 Documentcode: a167027
Hoe de arts dient te handelen indien een patiënt weigert zich te laten testen op COVID-19 of weigert de verplichte maatregel van quarantaine na te leven

De nationale raad van de Orde der artsen heeft onderzocht wat de arts moet doen indien een patiënt, die voldoet aan de definitie van een mogelijk geval van COVID-19 of geclassificeerd is als hoog-risico contact, weigert zich te laten testen of weigert de verplichte maatregel van quarantaine op te volgen.

  1. Inleiding

Overeenkomstig de richtlijnen van Sciensano voor gezondheidsprofessionals moeten sommige categorieën van personen verplicht worden getest op COVID-19.

(https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_Case%20definition_Testing_NL.pdf;

https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_FAQ_travel_NL.pdf)

Daarnaast moet de arts de patiënt informeren over de verplicht te volgen maatregelen, onder meer de verplichte quarantaine.

(https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_contact_NL.pdf)

De nationale raad kreeg herhaaldelijk de vraag wat de arts moet doen indien een patiënt weigert zich te laten testen of weigert de verplichte maatregel van quarantaine op te volgen.

  1. De patiënt weigert zich te laten testen

Overeenkomstig artikel 8, § 1, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt (hierna: patiëntenrechtenwet) heeft de patiënt het recht om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar.

Artikel 8, § 4, van de patiëntenrechtenwet bepaalt dat de patiënt het recht heeft om de in § 1 bedoelde toestemming voor een tussenkomst te weigeren of in te trekken. De grondslag van het weigeringsrecht is enerzijds gelegen in de fysieke integriteit van de patiënt, anderzijds in de geneeskundige behandelovereenkomst.(1) De patiënt kan bijgevolg nooit gedwongen worden tot de afname van een test.

Het weigeringsrecht van de patiënt doet evenwel geen afbreuk aan de verplichting van de arts melding te maken van een mogelijke besmetting bij de gegevensbank opgericht bij Sciensano.

De verplichte melding gebeurt op basis van artikel 6, § 1, van het Koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020(2). Ook indien de patiënt weigert zich te laten testen, moet de arts melding maken van een meldingsplichtige ziekte binnen de 24 uur vanaf het eerste vermoeden van een ernstige infectie die is opgenomen in de lijst "meldingsplichtige infectieziekten", met het oog op de opstart van de contactopvolging.

De arts kan deze melding doen via het "eFormulier 3", "Directe aanvraag contactopvolging bij zeer sterk vermoeden van besmetting COVID-19, onafhankelijk van het testresultaat". (https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_GP_NL.pdf)

  1. De patiënt weigert in quarantaine te verblijven

Hoewel het weigeren van een test een fundamenteel recht is en geen directe gevolgen met zich meebrengt, kan het niet naleven van de verplichte maatregel van quarantaine wel een gevaar betekenen voor de volksgezondheid.

De arts dient de patiënt te informeren over deze gevaren, te wijzen op de individuele verantwoordelijkheid van de patiënt ten aanzien van de maatschappij en te communiceren dat, indien de patiënt deze maatregel niet naleeft, de mogelijkheid bestaat dat de arts de bevoegde autoriteiten, met name de dienst infectiebestrijding, op de hoogte kan brengen van de overtreding.

Indien de arts verneemt dat de patiënt, door het niet naleven van de quarantainemaatregel, een onmiddellijk en ernstig gevaar betekent voor de gezondheid van anderen, en het onthullen van de informatie de enige manier is om een hoger belang, met name de volksgezondheid, te beschermen, kan de arts het beroepsgeheim doorbreken op basis van de noodtoestand.

In dat geval kan de arts de dienst infectiebestrijding van zijn regio op de hoogte brengen van de situatie en de nodige gegevens van de patiënt doorgeven.(3)

(https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_GP_NL.pdf)

  1. Besluit

De patiënt heeft het recht te weigeren zich te laten testen op COVID-19. Het fundamenteel weigeringsrecht doet geen afbreuk aan de verplichting van de arts de gezondheidsgegevens van de mogelijks besmette patiënt door te geven aan de gegevensbank opgericht door Sciensano.

Het weigeren van een test geeft geen aanleiding tot het doorbreken van het beroepsgeheim. Doch, het niet naleven van de verplichte maatregel van quarantaine kan, indien dit een onmiddellijk en ernstig gevaar betekent voor de volksgezondheid, aanleiding geven tot het doorbreken van het beroepsgeheim. De arts kan in dat geval de dienst infectiebestrijding van zijn regio op de hoogte brengen.

(1) T. Vansweevelt en F. Dewallens, "Handboek gezondheidsrecht Volume II, Rechten van patiënten: van embryo tot lijk", p. 345

(2) KB nr. 44 van 26 juni 2020 betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano.

(3) De ambtenaren- artsen of artsen van het Agentschap kunnen binnen de perken van hun opdracht en voor zover noodzakelijk bijstand vorderen van de lokale of de federale politie; art. 41, §4, tweede streepje, decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid; art. 19, §4, decreet van 2 mei 2019 tot wijziging in het Waalse wetboek van sociale actie in gezondheid wat betreft de preventie en de bevordering van de gezondheid.

Beroepsgeheim19/09/2020 Documentcode: a167020
Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen

De nationale raad van de Orde der artsen werd gecontacteerd door een lid-arts van een Commissie van Toezicht opgericht door de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen betreffende het advies van 20 september 2014 "Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen". Door wijzigende wetgeving en de vernieuwing van de Code van medische deontologie is het betrokken advies achterhaald en wordt het vervangen door hetgeen volgt.

Advies van de nationale raad: Toegang tot het medisch dossier van de gedetineerden door de Commissies van Toezicht van de gevangenissen

  1. Principe: recht op privacy van de gedetineerde

De gedetineerde heeft, overeenkomstig tal van internationale en Europese verdragsteksten(1), de Belgische grondwet(2) en aanvullende nationale wetgeving(3), recht op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, in het bijzonder met betrekking tot zijn gezondheidsgegevens. Een derde persoon heeft in principe geen toegang tot de medische gegevens van de gedetineerde.

Ter bescherming van het recht op privacy van de gedetineerde is de behandelende arts (gevangenisarts) gehouden tot het beroepsgeheim.

2. Uitzonderingen

2.1. Schriftelijke instemming van de gedetineerde

De Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden voorziet evenwel in de mogelijkheid voor de leden van de Commissies van Toezicht tot kennisname van de medische gegevens van de gedetineerde en stelt dat eerstgenoemden "het recht hebben om alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde in te zien, voor zover dit voor de uitoefening van de taken noodzakelijk is, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde".(4)

De verwerking van de gezondheidsgegevens door een derde - in casu de leden van de Commissies van Toezicht - is mede onderworpen aan de principes van medische deontologie, de regels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.

Zelfs indien de kennisname van het medisch dossier noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken, blijft het deontologisch ontoelaatbaar dat de leden van de Commissies van Toezicht zich (rechtstreeks) toegang verschaffen tot alle medische gegevens van de gedetineerde. De gevangenisarts zal enkel de noodzakelijke medische gegevens van de gedetineerde ter kennis brengen van een lid van de Commissie dat tevens arts is. Deze laatste arts zal autonoom oordelen welke medische gegevens en onder welke vorm deze gegevens kunnen worden meegedeeld aan de leden van de Commissie van Toezicht.

Er wordt hierbij rekening gehouden met de principes van noodzakelijkheid, proportionaliteit en finaliteit.

Daarnaast geldt de vereiste van transparante informatie en wordt de gedetineerde op de hoogte gebracht van welke medische gegevens worden doorgegeven.(5)

2.2. Uitzonderingen op het beroepsgeheim van de gevangenisarts

Ter bescherming van het recht op privacy van de gedetineerde en overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek en artikel 25 van de Code van medische deontologie is de gevangenisarts gehouden tot het beroepsgeheim.

De uitzonderingen betreffende het beroepsgeheim zijn evenwel ook van toepassing op de gevangenisarts. In sommige gevallen zal de gevangenisarts bepaalde medische gegevens van de gedetineerde ter kennis brengen van de leden van de Commissies van Toezicht, bijvoorbeeld ter zijner verdediging in rechte of in uitzonderlijke omstandigheden, ter vrijwaring van een hoger rechtsgoed en zich beroepend op de noodtoestand.

3. Besluit

De gedetineerde heeft recht op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Ter bescherming van dit recht op privacy is de gevangenisarts gehouden tot het beroepsgeheim en kan deze, in beginsel, geen medische gegevens doorgeven aan de leden de Commissies van Toezicht opgericht door de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen.

De Basiswet van 12 januari betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden laten echter toe dat de leden van de Commissies van Toezicht kennis nemen van het medisch dossier, mits dit noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken en mits voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van de gedetineerde. In dat geval worden de medische gegevens doorgegeven door de gevangenisarts aan een arts van de Commissie en wordt rekening gehouden met de principes van noodzakelijkheid, proportionaliteit en finaliteit.

Tenslotte zullen de leden van de Commissie in bepaalde gevallen ook kennis nemen van sommige medische gegevens in geval de gevangenisarts zich beroept op een uitzondering op het medisch geheim, zoals de verdediging in rechte of de noodtoestand.


(1) Onder meer art. 8 EVRM en art. 1 GDPR

(2) Art. 22 Belgische Grondwet

(3) Onder meer de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens

(4) Art. 27, § 1 Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden

(5) Art. 12 Algemene Verordening Gegevensbescherming