keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

29

pagina

Beroepsgeheim19/01/2013 Documentcode: a140012
Publicatie in of communicatie met de media door een lid of een gewezen lid van een orgaan van de Orde
In welke omstandigheden mag een lid of een gewezen lid van een orgaan van de Orde van geneesheren verwijzen naar deze hoedanigheid in geval van publicatie in of communicatie met de media ?

Advies van de Nationale Raad :

REGELS VOOR EEN CORRECT GEDRAG INZAKE PUBLICATIE IN EN COMMUNICATIE MET DE MEDIA

De Nationale Raad van de Orde van geneesheren legt de volgende gedragsregels vast in de omgang - publicatie of communicatie - met de media.

De ondervoorzitters van de National Raad zijn, elk in hun taal, de woordvoerders van deze Raad wanneer ze onmiddellijk dienen te antwoorden op een vraag van de media.

Wat de provinciale raden betreft, acht de Nationale Raad het aangewezen dat de voorzitter, of in zijn afwezigheid, de ondervoorzitter, deze rol op zich neemt, met respect voor het beroepsgeheim (artikel 30 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren).

Ze gaan daarbij oordeelkundig te werk en geven verantwoording voor hun tussenkomst aan hun Raad.

De woordvoerders onthouden zich van iedere bemerking over een tuchtprocedure.

Indien ze dit verkiezen, kunnen zij de communicatie delegeren aan een ander lid van de Nationale Raad of provinciale raad.

In de andere omstandigheden, wanneer een lid van een orgaan van de Orde van geneesheren in het openbaar, schriftelijk of mondeling, optreedt, mag hij dit slechts in deze hoedanigheid doen met de toestemming van het orgaan/autoriteit/instantie waartoe hij behoort.

Indien hij deze toestemming niet gevraagd of niet bekomen heeft, preciseert hij dat zijn tussenkomst op persoonlijke titel is.

Voormalige leden van een orgaan van de Orde van geneesheren mogen zich enkel op persoonlijke titel uitspreken. De Nationale Raad acht het daarom aangewezen dat ze geen gewag maken van hun vroegere lidmaatschap van één van de organen van de Orde van geneesheren.

Internet08/12/2012 Documentcode: a140006
Opstarten van de website www.healthandbeauty-info.be
De Nationale Raad van de Orde van geneesheren wordt om advies gevraagd aangaande het opstarten van de website www.healthandbeauty-info.be.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 8 december 2012 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw e-mail van 6 juni 2012 aangaande het opstarten van de website www.healthandbeauty-info.be onderzocht.

Deze website ambieert o.a. het informeren van burgers aangaande het laseren van ogen, esthetische chirurgie en tandheelkunde.

De Nationale Raad heeft geen bevoegdheid ten opzichte van deze privé-initiatieven.

Uw vraag betreft evenwel een domein dat wordt geregeld door de wet van 6 juli 2011 tot instelling van het verbod op reclame voor ingrepen van medische esthetiek en tot regeling van de medische informatie over dergelijke ingrepen.

De Nationale Raad is van oordeel dat het geven van informatie beter geschiedt door middel van een website onder de auspiciën van een wetenschappelijke vereniging van het betrokken specialisme.

Wat betreft het aanbieden van contactadressen van de artsen die de door u aangehaalde specialismen uitoefenen, leert de ervaring dat deze omwille van hun volatiliteit niet correct te verzamelen noch bij te houden zijn, waardoor uw aanbod sterk aan waarde inboet.

Wat het aanmaken betreft van een forum waarop patiënten hun mening kunnen geven over de door de arts aangeboden informatie en behandeling, leert de ervaring dat zulk forum onmiddellijk en onvermijdelijk bezoedeld wordt door subjectieve berichtgeving zodat de burger die de website raadpleegt geen antwoord krijgt op zijn/haar vraag naar objectieve informatie.

Gedetineerden08/12/2012 Documentcode: a140005
Voorstel “Heimans” tot wijziging van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis
Advies van de Nationale Raad in verband met het voorstel "Heimans" tot wijziging van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis.

Advies van de Nationale Raad :

De wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 juli 2007, maar is na meer dan vijf jaar nog niet in werking getreden.

Deze wet van 2007 was aan herziening toe en de Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft in zijn advies van 11 december 2010 ‘Wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen die lijden aan een geestesstoornis' (Tijdschrift Nationale Raad nr. 132) meerdere bezwaren geuit en voorstellen geformuleerd. Meerdere nieuwe versies werden uitgewerkt in de loop der jaren.

Dit advies is gebaseerd op de laatste versie ‘04.10.2012 Henri Heimans' en beperkt zich tot de deontologische implicaties van het psychiatrische deskundigenonderzoek en de tenuitvoerlegging van de internering.

1/ Deze nieuwe versie benadrukt meer dan de vorige de doelstelling van de wet: rekening houdend met het veiligheidsrisico moet de nodige zorg aangeboden worden die gericht is op maatschappelijke re-integratie via een zorgtraject waarin de geïnterneerde telkens zorg op maat aangeboden wordt (art. 2). De oorspronkelijke wet van 2007 was niet werkbaar vanuit behandelstandpunt. Deze nieuwe versie is meer gericht op het effectief ter beschikking stellen van de behandelmogelijkheden van de psychiatrische zorg.

2/ In zijn advies van 11 december 2010 vroeg de Nationale Raad een vereenvoudiging en versoepeling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 21 april 2007. Van vereenvoudiging is er nauwelijks sprake. De huidige versie telt 120 artikelen tegen 156 artikelen in de versie van 2007 en slechts 32 artikelen in de wet van 1 juli 1964 die tot de dag van vandaag van toepassing is. De vraag naar een versoepeling en meer behandelgerichtheid van de uitvoeringsmodaliteiten van de internering werd echter wel duidelijk positief beantwoord in deze nieuwe versie.

De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen een inverdenkinggestelde of een beschuldigde die geïnterneerd wordt, bij afzonderlijk gemotiveerde beslissing, onmiddellijk in vrijheid stellen, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden.

De strafuitvoeringskamer kan beslissen tot de ‘plaatsing' of ‘overplaatsing' van de geïnterneerde in een psychiatrische afdeling van de gevangenis of een Federale inrichting tot bescherming van de maatschappij. De wet voorziet een ‘onderhandelde plaatsing of onderhandelde overplaatsing' als het gaat om een forensisch psychiatrisch centrum of een privé- of gemeenschapsinstelling (artikelen 19 en 20). In dergelijk geval verklaart de inrichting zich akkoord met de opname van de geïnterneerde. De inlassing van deze regel in de wet is positief.

De verschillende concrete modaliteiten ter uitvoering van de rechterlijke beslissing tot internering kunnen voortaan in elke fase van de uitvoering van de internering toegekend worden door de strafuitvoeringskamer uitsluitend bevoegd voor interneringszaken. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met voorwaarden of tegenaanwijzingen, maar dit is een zeer positieve wijziging van de oorspronkelijke wet van 2007 die veel te rigide opgesteld was. De concrete modaliteiten waarvan sprake zijn zowel de uitgangsvergunning, het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de invrijheidstelling op proef, de voorlopige invrijheidstelling of de vervroegde invrijheidstelling.

3/ Naast het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek, voorziet deze nieuwe versie van de wet de alternatieve mogelijkheid van een ‘psychologisch deskundigenonderzoek' uitgevoerd door ‘een forensisch psycholoog die de erkende titel van psycholoog draagt en geregistreerd is bij de psychologencommissie' (art. 5, § 2). De Nationale Raad onderschrijft zonder reserve het feit dat het psychiatrisch deskundigenonderzoek in college en/of met bijstand van andere gedragswetenschappers kan uitgevoerd worden onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een deskundige die voldoet aan de voorwaarden welke zijn gesteld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. In de mate dat de taak van de deskundige er ook in bestaat een medische diagnose te stellen en behandeladviezen te geven kan de Nationale raad niet akkoord gaan met het voorstel om die taak ook toe te vertrouwen aan zorgverleners die niet erkend zijn door voornoemd koninklijk besluit. Het betreft immers diagnostische en behandeladviezen over patiënten met een ernstige psychiatrische aandoening zoals geclassificeerd in de DSM-IV. Dit dient te gebeuren door een psychiater of door een multidisciplinair team onder leiding en verantwoordelijkheid van een psychiater.

4/ Het artikel 6, § 1, voorziet in de mogelijkheid van een psychiatrisch deskundigenonderzoek met opneming ter observatie in de psychiatrische afdeling van de gevangenis of het forensisch psychiatrisch centrum. De opnamemogelijkheid in een psychiatrische afdeling van de gevangenis bestond reeds in de wet van 1964, maar kon nooit uitgevoerd worden omdat de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen hiervoor nooit uitgerust geweest zijn en zij zijn het nog steeds niet. Deze leemte moest worden ingevuld door het koninklijk besluit van 19 april 1999 tot de instelling van een Penitentiair onderzoek- en klinisch observatiecentrum (POKO). Dit centrum moest de opneming ter observatie zoals bepaald door de wet mogelijk maken maar het werd nooit opgericht. De huidige wet tracht dit te omzeilen door de opname ter observatie mogelijk te maken in een forensisch psychiatrisch centrum.

De Nationale Raad heeft ernstige bezwaren tegen dit voorstel. De bedoelde forensische psychiatrische centra zijn behandelinstellingen voor geïnterneerden en dreigen door het gebrek aan alternatieven binnen de gevangenis misbruikt te worden door deze wet voor deskundigendoeleinden. De Nationale Raad pleit steeds voor een strikte scheiding tussen enerzijds behandeling en anderzijds expertise, hierin gesteund door artikel het 100, § 3, van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden dat stelt dat de functie van adviserende arts onverenigbaar is met een opdracht als zorgverlener in de gevangenis.

De Nationale Raad herhaalt bijgevolg advies tot oprichting van het POKO, wat de kwaliteit van het psychiatrisch deskundigenonderzoek in problematische gevallen zeker ten goede zal komen. Deze deskundigenopdracht gewoon doorschuiven naar extrapenitentiaire zorgverlenende instellingen is niet verantwoord.

5/ De Nationale Raad stelt met tevredenheid vast dat er binnen de strafuitvoeringsrechtbank een kamer opgericht wordt die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken. Een aangepaste samenstelling van deze kamer is verantwoord door het feit dat de internering geen straf maar en beschermingsmaatregel is. Het ware wenselijk in de wet te specificeren dat de strafuitvoeringsrechter in deze kamer bijgestaan wordt door een assessor gespecialiseerd in interneringszaken.

6/ De Nationale Raad onderschrijft het voorstel betreffende het tegensprekelijk karakter van het deskundigenonderzoek (art. 7bis) en betreffende de delicate situatie waarbij een persoon zowel een vrijheidsstraf, als een internering ondergaat (artt. 114 en 114bis). Er wordt niet meer verwezen naar de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

In zijn advies van 11 december 2010 heeft de Nationale raad zich positief uitgesproken over de nieuwe formulering van de gestelde vragen aan de deskundige, het voorzien van een erkenning van de deskundigen door de minister bevoegd voor volksgezondheid en het opstellen van een verslag overeenkomstig het door de Koning vastgelegde model. Dit blijft ongewijzigd in het laatste voorstel en zal de kwaliteit van de rapportages ten goede komen.

Keuze (Vrije artsen-)08/12/2012 Documentcode: a140009
Mag de coördinerende en raadgevende arts (CRA) van een rust- en verzorgingstehuis de behandelende arts van de bewoners zijn
De Nationale Raad van de Orde van geneesheren krijgt een adviesaanvraag omtrent de mogelijkheid voor een OCMW om aan de coördinerende en raadgevende arts (CRA) van een rust- en verzorgingstehuis te verbieden de behandelende arts van de bewoners te zijn.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 8 december 2012 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw mail van 28 juni 2012 waarin u hem ondervraagt over de mogelijkheid voor een OCMW om aan de coördinerende en raadgevende arts (CRA) van een rust- en verzorgingstehuis te verbieden de behandelende arts van de bewoners te zijn.

De Nationale Raad stuurt u als bijlage drie adviezen van de Nationale Raad die handelen over de medische praktijk van de raadgevende en coördinerende arts.

- Advies van 16 september 2000, Coördinerend arts in de RVT's - KB van 24 juni 1999, Tijdschrift Nationale Raad nr. 90, p. 10 ;
- Advies van 16 september 2000, Coördinerende artsen van een RVT en behandelende artsen in een RVT, Tijdschrift Nationale Raad nr. 90, p. 9 ;
- Advies van 20 november 1999, Coördinerend arts in een RVT - Taak en functie, Tijdschrift van de Nationale Raad nr. 87, p. 29.

In deze adviezen aanvaardt de Nationale Raad, onder bepaalde strikte voorwaarden die hij definieert, dat de CRA de behandelende arts van sommige bewoners is.

Dit standpunt wordt namelijk gerechtvaardigd door het beginsel van vrije keuze van zijn arts door de patiënt. Dit is een recht dat uitdrukkelijk bekrachtigd wordt door artikel 6 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en door het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis, als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels, dat uitdrukkelijk bepaalt (bijlage 1, B, 4, d):

4. Huishoudelijk reglement.
(...)
d) Het reglement regelt de rechten en plichten van de bewoners en de beheerder met inachtname van de hierna vermelde regels :
(...)
- de vrije keuze van de arts en diens toegang tot de instelling overeenkomstig de bepalingen van het huishoudelijk reglement m.b.t. de medische activiteiten.

Door aan de coördinerende en raadgevende arts te verbieden de bewoners te behandelen, zouden de bewoners beperkt worden in hun vrije keuze van de behandelend arts.

U vindt eveneens als bijlage de synthesetekst "Voorstellen en maatregelen voor een betere coördinatie van het zorgbeleid in de RVT's" (enkel beschikbaar in het Frans) van een gemengde werkgroep, gedateerd van 22 december 2010, die deze problematiek aansnijdt in punt 13 op pagina 25. De werkgroep verwijst ook naar de eerbiediging van het principe van vrije keuze door de patiënt.

De voornoemde synthesetekst stelt in verband met het statuut van de CRA "dat de CRA niet mag belast worden met de behandeling van de patiënten, noch met het opstellen van een diagnose. Hij mag ook niet de rol vervullen van de arbeidsarts binnen de instelling."

Deze zienswijze is gelijkaardig aan die uiteengezet door de Nationale Raad in zijn adviezen.

Bovendien voegt de werkgroep eraan toe dat het beter is dat de CRA een geneeskundige praktijk behoudt. Maar hij preciseert dat de CRA "niet de behandelende arts mag worden van de patiënten waarvan hij niet de behandelende arts was vóór hun opname in de instelling" , alvorens te verwijzen naar het principe van vrije keuze.

Op dit punt is de Nationale Raad van mening dat indien de vrije keuze van de patiënt op de CRA valt, deze keuze zou moeten kunnen worden geëerbiedigd, precies om reden van dit vrije keuzeprincipe.

Arts (Adviserend-)17/11/2012 Documentcode: a140004
Medisch dossier opgesteld door de adviserende arts van een verzekeringsmaatschappij - Rechten van de patiënt : nieuwe gegevens
De Nationale Raad wordt om advies gevraagd over de toepassing van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt op het medisch dossier opgesteld door de adviserende arts van een verzekeringsmaatschappij over een persoon die het slachtoffer was van een ongeval en die hij onderzocht in het kader van de afhandeling van de gevolgen van dit ongeval.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 november 2012 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 3 augustus 2012 waarin u hem ondervraagt over de toepassing van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt op het medisch dossier opgesteld door de raadsgeneesheer van een verzekeringsmaatschappij over een persoon die het slachtoffer was van een ongeval en die hij onderzocht in het kader van de afhandeling van de gevolgen van dit ongeval.

De situaties inzake controle- en expertisegeneeskunde zijn uiteenlopend.

Uw vraag betreft een persoon die het slachtoffer was van een ongeval.

Bij het begeleiden van de gewonden, slachtoffers van arbeidsongevallen gedekt door de wetsverzekering of van ongevallen in het privéleven waarvan de schade vergoed wordt door de verzekering die de verantwoordelijke derde dekt of door de individuele verzekering, is het gebruikelijk dat de gewonde uitgenodigd wordt zich te melden bij de raadsgeneesheer die door het verzekeringsorganisme belast werd met het evalueren van de evolutie van de letsels en met de opvolging van de behandeling die vergoed wordt door het verzekeringsorganisme

Deze opdracht van de raadsgeneesheer heeft voornamelijk een vooruitlopend doel : het verzekeringsorganisme moet de financiële reserves voorzien nodig voor de schadeloosstelling en eventueel voorschotten betalen wanneer de situatie van de gewonde het rechtvaardigt. Hij heeft ook een objectief van therapeutische optimalisatie: de verzekeraar heeft er belang bij dat de patiënt zo goed mogelijk verzorgd wordt om de ernst van de nawerkingen van het ongeval te verminderen. De verzekeraar kan ook wensen er zich van te vergewissen dat de zorg toegediend aan de getroffene wel degelijk een verband heeft met de letsels veroorzaakt door het ongeval.

Na het onderzoek maakt de raadsgeneesheer een verslag op dat medische gegevens bevat. Hij voegt er een technische nota bij aangaande de evolutievooruitzichten die bestemd is voor de verzekeraar.

U ondervraagt de Nationale Raad over het recht van de gewonde om een kopie te krijgen van het hem betreffende dossier opgesteld door de raadsgeneesheer van de verzekering.

In zijn advies van 9 oktober 2009 betreffende de consultatie van het medische dossier dat wordt bijgehouden door de geneesheer-expert in het kader van een strafzaak, stelt de federale commissie "Rechten van de patiënt", zonder verdere nuance, "Allereerst onderstreept de Commissie dat de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt van toepassing is op de expertisegeneeskunde. De patiënt heeft dan ook het recht om rechtstreeks toegang te hebben tot het dossier dat door de geneesheer-expert wordt bijgehouden".

De Nationale Raad was in zijn advies van 24 oktober 2009 van mening dat de patiënt, in het kader van de controle- en arbeidsgeneeskunde, recht heeft op inzage in zijn dossier krachtens artikel 9, § 2, van de wet betreffende de rechten van de patiënt.

Op aanvraag van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid werd er door de Universiteit Antwerpen in juli 2011 een uitgebreide studie gemaakt over de toepassing van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt op het gebied van de controle- en expertisegeneeskunde. De bedoeling van dit project is te peilen naar de theoretische en praktische problemen die ontstaan bij het toepassen van de Wet Patiëntenrechten in de praktijk van de controle- en expertisegeneeskunde. Het is beschikbaar via de website van de FOD Volksgezondheid op het volgende adres :
http://www.health.belgium.be/eportal/Myhealth/PatientrightsandInterculturalm/Patientrights/BillRightsPatient/index.htm.
U vindt kopie van dit document als bijlage.

Deze studie vermeldt verschillende mogelijke restricties op de toepassing van voornoemde wet van 22 augustus 2002 wat inzage in het dossier betreft.

Meer bepaald aangaande uw vraag wordt er de volgende nuance aangebracht (pagina 60, punt 4.5.4., van de studie) :

Wat betreft de situatie van een raadsgeneesheer die de patiënt onderzoekt in opdracht van bv. een private verzekeringsmaatschappij kan er wel een probleem opduiken : naast de strikt medische vaststellingen (anamnese, klinisch onderzoek, beeldvorming,...) -waartoe de patiënt ongetwijfeld toegang moet hebben- is er ook informatie die bestemd is voor de opdrachtgever en die meer te maken heeft met de administratief-financiële kant van de zaak : bv . wordt van de raadsgeneesheer verwacht dat hij reeds vroeg in de expertise een inschatting geeft van het percentage ongeschiktheid dat mogelijks zou kunnen worden toegekend aan patiënt in kwestie . Dit laat de verzekeringsmaatschappijen toe om de nodige provisie aan te leggen. Gezien de raadsgeneesheren en de verzekeringmaatschappijen menen dat het inzagerecht van de patiënt hier niet geldt, wordt de zaak in de praktijk soms opgelost door een gescheiden dossier te maken : een met de medische en persoonlijke en professionele
gegevens, en een met gegevens en inschatting van financieel-technische aard, waartoe de patiënt dan geen toegang heeft.

Er wordt niet gepreciseerd of de inhoud van deze studie goedgekeurd werd door de federale commissie "Rechten van de patiënt".

De Nationale Raad heeft beslist de minister van Volksgezondheid hierover te ondervragen in een brief waarvan u kopie als bijlage vindt.

In afwachting van een antwoord van de minister betreffende het recht van de gewonde om inzage te hebben in de technische nota die door de raadsgeneesheer voor de verzekeraar om administratieve doeleinden opgesteld werd, kan uw provinciale raad zich baseren op het voornoemde advies van de federale commissie "Rechten van de patiënt" van 9 oktober 2009, overgenomen in het advies van de Nationale Raad van 24 oktober 2009, om de inzage van de patiënt in het medische verslag opgesteld door de raadsgeneesheer te rechtvaardigen.

Gezien de discussies die voorafgaan is het beter aan de raadsgeneesheren aan te raden de twee aspecten van hun opdracht, de evaluatie van de letsels en hun evolutie (medisch verslag) en de prognose van de ongeschiktheidsgraad (technische nota), duidelijk te onderscheiden in de documenten die ze opstellen.

Beslissing van het Bureau van de Nationale Raad d.d. 22.08.2013 :
Als bijlage vindt u het advies van de federale commissie voor de rechten van de patiënt van 21 juni 2013 betreffende de controle- en expertisegeneeskunde. Dit advies geeft een antwoord op de vragen die door de Nationale Raad van de Orde van geneesheren werden gesteld in zijn advies van 17 november 2012, "Medisch dossier opgesteld door de adviserende arts van een verzekeringsmaatschappij", TNR 140, dat werd gericht aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Het advies van de federale commissie voor de rechten van de patiënt en het voornoemde advies van 17 november 2012 zullen op het publieke gedeelte van de website van de Orde van geneesheren worden geplaatst.
Honoraria13/10/2012 Documentcode: a139013
Vergoeding in geval van telemonitoring
Een provinciale raad vraagt aan de Nationale Raad van de Orde van geneesheren of onderstaande denkpiste strookt met de deontologie: "Een arts oordeelt dat telemonitoring noodzakelijk is voor de behandeling van een patiënt met hartfalen. Een bedrijf levert de toestellen, neemt de transmissie en het technisch support op zich en rekent dit aan de patiënt door via een maandelijks abonnement. Van deze som stort het bedrijf een deel door aan de huisarts en aan de specialist als compensatie voor de supervisie en de reactie op de alarmen van de thuismonitoring."

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 13 oktober 2012 heeft de Nationale Raad uw vraag onderzocht of onderstaande denkpiste strookt met de deontologie: "Een arts oordeelt dat telemonitoring noodzakelijk is voor de behandeling van een patiënt met hartfalen. Een bedrijf levert de toestellen, neemt de transmissie en het technisch support op zich en rekent dit aan de patiënt door via een maandelijks abonnement. Van deze som stort het bedrijf een deel door aan de huisarts en aan de specialist als compensatie voor de supervisie en de reactie op de alarmen van de thuismonitoring."

De Nationale Raad is zich bewust van het belang van telemonitoring bij bepaalde patiënten met hartfalen en is op de hoogte dat er actueel geen terugbetaling is voorzien.

De Nationale Raad meent echter dat de financiële aspecten van het beschreven systeem kunnen leiden tot een belangenconflict tussen de verschillende actoren en dat de voornoemde oplossing in strijd zou kunnen zijn met de deontologie.

Indien deze techniek er aankomt, zullen een herziening van de financieringsvormen en een verduidelijking van het juridisch kader voor dit soort zorg nodig zijn (KCE Reports 136A).

Indien de noodzaak van telemonitoring zich stelt, kan de arts zelf aan de patiënt een billijke vergoeding vragen voor het gepresteerde werk, namelijk de supervisie en de reactie op de alarmen. Hij dient de patiënt voorafgaandelijk te informeren aangaande de te nemen schikkingen bij alarmen of bij urgente situaties.

De arts zal van zijn kant erover waken dat de firma de nodige waarborgen voorziet omtrent de biotechnische veiligheid en het onderhoud van de monitors en de permanente beschikbaarheid van de geregistreerde signalen.

Bloedafname15/09/2012 Documentcode: a139002
De arts en de « direct-to-consumer »-testen in het algemeen en zeker in het genetische domein
Naar aanleiding van het advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren over: "De arts en de « direct-to-consumer »-testen in het algemeen en zeker in het genetische domein" d.d. 24 maart 2012, vraagt de Hoge Gezondheidsraad een advies van de Orde over zijn document (nr. 8714) betreffende dezelfde problematiek.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 15 september 2012 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het werkstuk van de Hoge Gezondheidsraad over genetische «direct-to-consumer»-testen besproken en gespiegeld aan zijn advies d.d. 24 maart 2012 over dezelfde thematiek.

Hij vindt het een grondige nota die uitgebreid ingaat op de beschikbare testen, de visie en organisatie van de aanbiedende firma's, de mogelijke gevaren en maatschappelijke bekommernissen, alsook op de bestaande maar nog erg gebrekkige nationale en internationale regulering van deze praktijk.

Hij ziet geen deontologische bezwaren in de resulterende 6 aanbevelingen van dit deskundigenrapport, die in de lijn liggen van het betreffende advies van Nationale Raad van de Orde van geneesheren.
Zo wijzen beide op de noodzaak van:

1. Het intensief informeren van de zorgverstrekkers en het brede publiek. In het advies van de Orde lezen we: "Politiek en maatschappelijk lijkt daarom minstens een zeer brede informatiecampagne noodzakelijk om "direct-to-consumer"-testen in het algemeen en zeker in het genetisch domein, voor het brede publiek in een voorbehoedend en breed-evenwichtig kader te plaatsen".

2. Een versterking van het nationaal en internationaal regelgevend toezicht. De bestaande wetgeving dekt onvoldoende de "Direct to consumer genetic testing services". In het advies van de Orde lezen we: "....kunnen deze onderzoeken aan quasi iedere professionele controle ontsnappen". De Nationale Raad van de Orde van Geneesheren kan zich vinden in een naar Zwitsers voorbeeld geïnspireerd model dat dwingende beperkingen inbouwt om dergelijke testen op de markt te brengen.

Beide visies onderstrepen duidelijk de waarde en feitelijke noodzaak van het betrekken van artsen bij deze problematiek: "Idealiter zouden we kunnen hopen dat de bestelling van genetische testen via internet bij wet verboden wordt en dat het uitvoeren ervan bij wet alleen kan op medisch voorschrift in een speciaal erkend laboratorium" of: "The SHC recommends that Belgium should implement similar legislation with regard to DTC genetic testing for health purposes as in Switzerland........, and requests that those tests are offered under medical supervision, have demonstrated, validated and published clinical utility, and are offered with respect for patient rights, and with correct information".

Wanneer artsen bij een dergelijke vraag betrokken worden "dienen ze zich te laten leiden door de deontologische principes die bepalen dat geen testen gebruikt worden zonder medisch-therapeutisch doel en die als regel stellen zich niet te mengen in familiale aangelegenheden". Bovendien zijn artsen in deze materie bij uitstek geplaatst "om de patiënten te informeren niet alleen over de waarde van de testen, maar ook over bijvoorbeeld de complexiteit van het informed consent", om duiding te geven bij "onverwachte positieve of negatieve gegevens", om te waken over "de weerslag op ons gezondheidssysteem, de consequenties van medisch-wetenschappelijk niet onderbouwde preventieve maatregelen als gevolg van medisch niet verantwoorde genetische onderzoeken", om te waken over beroepsgeheim en privacy "wat met de niet gewilde informatie over derden, is er veiligheid uitgebouwd om deze gegevens niet toegankelijk te moeten of mogen maken voor verzekeringsmaatschappijen of werkgevers".

Een bijkomend aandachtspunt, beklemtoond in het werkstuk van de Hoge Gezondheidsraad, is artsen te herinneren aan het algemeen aanvaard deontologisch principe van het voorkomen van een "conflict of interest": "A conflict of interest that may arise when the healthcare professionals involved in the counseling are employed by or linked to the companies selling the tests."

3. Meer onderzoek en overleg betreffende deze complexe en evoluerende problematiek. Het is duidelijk dat voor talrijke nog open en nieuwe vragen oplossingen zullen moeten worden uitgewerkt; denken we alleen al maar aan de bewaring van deze gevoelige gegevens: "Your genetic information is extremely sensitive. In fact, it may be the most sensitive information there is and as new discoveries are made, and more is learned about what your genes say about you, this information is likely to become ever more sensitive over time", centraal of perifeer: "Individuals want to have a more active role in the creation, storage and protection of their personal genetic information", of aan de logische gevolgen van: "Not supplying genetic testing services direct-to-the-public to those under the age of 16 or to those not able to make a competent decision regarding testing", op het huidige waarschijnlijk al meest gevraagde toepassingsgebied in de embryonale en foetale geneeskunde: "That the DTC offer of preconceptional carrier testing questions the offer of preconception care and the systematic offer of carrier tests towards a population of couples that are planning a pregnancy. Such a systematic screening offer doesn't exist in our healthcare system at this moment. It may however even more so create an increased impact on our health care system. Further interdisciplinary discussion on this matter is also necessary".

Vorige pagina

29

pagina