keyboard_arrow_right
Deontologie

Resultaten

Resultaten

Vorige pagina

30

pagina

Huisarts26/11/2011 Documentcode: a136001
Aanvullend onderzoek m.b.t. het advies ‘Huisartsenwachtdienst – Verplichting van de wachtarts om zich te verplaatsen’

Tijdens een vergadering van de Nationale Raad met de voorzitters van de provinciale raden werd het advies van de Nationale Raad ‘Huisartsenwachtdienst - Verplichting van de wachtarts om zich te verplaatsen' van 29 oktober 2011 besproken.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 29 oktober 2011 bracht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren een op de stand van de huidige wetgeving en van de regels van medische plichtenleer gestoeld advies uit omtrent de organisatie van de wachtdienst, inzonderheid 's nachts.

Dit advies vormde de basis voor een bespreking met de voorzitters van de provinciale raden, tijdens een op 5 november 2011 georganiseerde vergadering.

Tijdens de uiteenzettingen werden op het terrein ervaren concrete moeilijkheden van wachtorganisatie opgeworpen met bepaalde voorstellen om daaraan te verhelpen.

De Nationale Raad heeft deze aangelegenheid op 26 november 2011 opnieuw besproken.

Als gevolg van de vergadering van 5 november 2011 zal de betreffende problematiek voorwerp zijn van een aanvullend onderzoek door de Nationale Raad, onder meer wat de opportuniteit van de gedane voorstellen en van de mogelijkheid van toepassing ervan betreft, wat de noodzakelijkheid van wetgevende aanpassing zou kunnen meebrengen.

De Nationale Raad is zich bewust van de problematiek van de wachtdienst en zal in het licht van het resultaat van dit aanvullend onderzoek zijn houding bepalen.

Publiciteit en reclame29/10/2011 Documentcode: a135009
Het internetplatform www.verbeterjezorg.be

PERSBERICHT

Diverse journalisten vragen het advies van de Nationale Raad omtrent het internetplatform www.verbeterjezorg.be, dat de mogelijkheid biedt ervaringen omtrent artsen en andere zorgverstrekkers te melden. Tevens bestaat de mogelijkheid de artsen en andere zorgverstrekkers te beoordelen, zowel in positieve als in negatieve zin.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 29 oktober 2011 nam de Nationale Raad van de Orde van geneesheren kennis van het bestaan van het door het innovatiebureau "i12 social innovation" gecreëerde internetplatform www.verbeterjezorg.be, dat de mogelijkheid biedt ervaringen omtrent artsen en andere zorgverstrekkers te melden. Tevens bestaat de mogelijkheid de artsen en andere zorgverstrekkers te beoordelen, zowel in positieve als in negatieve zin.

Om volgende redenen keurt de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het internetplatform www.verbeterjezorg.be nadrukkelijk af.

De niet-controleerbare en aldus niet-beoordeelbare op de website ingegeven informatie kan niet alleen de betrokken arts, maar ook zijn patiënten en de noodzakelijke vertrouwensverhouding arts-patiënt ernstige schade toebrengen.

In strijd met de blijkbare overtuiging van de website-initiatiefnemer is er geen zekerheid dat de gegevensinvulling gebeurt door een patiënt van de vermelde arts: zij kan immers uitgaan van een al dan niet aan een patiënt gerelateerde derde. Ingeval de patiënt zelf de informatie heeft gegeven vertoont zij geen waarborg inzake correctheid en goede trouw, om niet te spreken van de loyaliteit van de bedoeling. In bepaalde gevallen kan dit initiatief zelfs een concurrentieel oogmerk hebben, wat geen objectiviteit garandeert. Subjectief ingegeven kan zij, in voorkomend geval, lasterlijk en eerrovend zijn.

De verspreide informatie kan van die aard zijn dat de arts ten onrechte in een slecht daglicht wordt gesteld met als gevolg een onterechte aantasting van zijn reputatie en op zijn minst een betreurenswaardige weerslag op de vertrouwensrelatie van die arts met zijn andere patiënten, die van een voor hen heilzaam medisch contact zouden kunnen afzien. Deze toestand zal niet alleen zeer nadelig zijn voor de betrokken arts maar ook, zelfs vooral, voor die patiënten.

Daarenboven is de Nationale Raad van mening dat een arts die zich op deze internetsite laat registreren tekort komt aan zijn deontologische verplichtingen (artikelen 12 tot 17 van hoofdstuk III, betreffende publiciteit, van de Code van geneeskundige plichtenleer).

De Nationale Raad heeft geen principieel bezwaar tegen de beoordeling van artsen, wat door het tuchtrechtelijke optreden tegen niet correct handelende artsen in de praktijk wordt gestaafd.

Daarbij verwijst de Nationale Raad naar het artikel 11 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, die deze laatste de mogelijkheid biedt een klacht in te dienen bij de bevoegde ombudsdienst. Naast de bemiddeling betreffende de klacht, heeft de ombudsfunctie onder meer tot opdracht de communicatie te bevorderen tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar, alsook aanbevelingen te formuleren ter voorkoming van herhaling van tekortkomingen.

Huisarts29/10/2011 Documentcode: a135010
Huisartsenwachtdienst – Verplichting van de wachtarts om zich te verplaatsen

Een provinciale raad stelt sedert half juni 2011 dat de wachtarts niet meer de deontologische plicht zou hebben om zich systematisch te verplaatsen, indien hij/zij ervan overtuigd is dat de patiënt kan wachten.
De provinciale geneeskundige commissie (PGC) van dezelfde provincie heeft vragen over dit advies van de provinciale raad, gezien het art. 422bis van het Strafwetboek, indien de huisarts van wacht zou weigeren tussen te komen.
De PGC is van oordeel dat het standpunt van de provinciale raad mogelijks kan aanleiding geven tot aansprakelijkheidsproblemen ingeval een accident zou kunnen toegewezen worden aan een verkeerde beoordeling van het gevaar door de wachtarts en vraagt het advies van de Nationale Raad.

Een andere provinciale raad vroeg advies aan de Nationale Raad omtrent de reorganisatie van de huisartsenwachtdienst 's nacht van een huisartsenkring uit zijn provincie.
De Nationale Raad verstrekte aan deze provinciale raad dit zelfde advies.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 29 oktober 2011 besprak de Nationale Raad uw vraag betreffende een project van reorganisatie van huisartsenwachtdienst 's nachts, dat goedgekeurd werd door de PR ... en drie huisartsenkringen (...), in samenwerking met het ziekenhuis van ....

De Nationale Raad wenst de aandacht te vestigen op de bepalingen die essentieel zijn voor de wettelijke haalbaarheid en de deontologische aanvaardbaarheid van het voorliggende project:


1° De continuïteit van de zorg wordt geregeld door het koninklijk besluit van 78. art. 8.-§ 1:

"De in artikelen 2, 3, 21bis en 21noviesdecies bedoelde beoefenaars mogen, wetens en zonder wettige reden in hunnen hoofd, een in uitvoering zijnde behandeling niet onderbreken zonder vooraf alle maatregelen te hebben getroffen om de continuïteit van de zorgen te verzekeren door een ander beoefenaar die dezelfde wettelijke kwalificatie heeft.
De continuïteit van de zorg omvat tevens de palliatieve verzorging en de behandeling van pijn van de patiënt.
De raad van de Orde der geneesheren ziet erop toe dat de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars de bepaling van het eerste lid naleven en de bevoegde geneeskundige commissie ziet erop toe dat de in artikelen 3, 21bis en 21noviesdecies bedoelde beoefenaars de bepaling van het eerste lid naleven."

Uit voorgaande wettelijke bepaling volgt duidelijk dat een erkend huisarts voor de continuïteit van de zorg enkel beroep kan doen op een ander erkend huisarts, gezien de vereiste kwalificatie : die bepaling geldt zowel voor de continuïteit van de zorg voor de individuele praktijkpatiëntele als voor de ganse bevolking tijdens de wachtdienst voor de regelmatige en normale toediening van de zorg.

Het koninklijk besluit van 25 november 1991 geeft de lijst weer van de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde: de "huisarts" is de eerste van de voorbehouden bijzondere beroepstitels, vervolgens de diverse ‘specialismen'.

Elke huisarts die de "erkenning" en de bijzondere beroepstitel van "huisarts" wenst te bekomen, dient houder te zijn van een door de bevoegde overheid uitgereikt diploma, certificaat of ander bewijsstuk dat een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde bekrachtigt; die opleiding bedraagt ten minste drie jaar en omvat een theoretisch en een praktisch gedeelte; dit staat volledig autonoom en los van de opleiding tot de diverse andere ‘specialismen'. In het bijzonder moet in die opleiding elke kandidaat-huisarts minimaal 120 uren huisartsenwachtdiensten vervullen binnen de georganiseerde bevolkingswachtdienst van de huisartsenkring.

De veronderstelling dat de continuïteit van de zorg van huisartsen binnen de eerste lijn zou kunnen overgenomen worden door eender welke geneesheer specialist van de tweede lijn intramuraal (bv. urgentisten) - los van de specifieke competentie verbonden aan de bijzondere beroepstitel "huisarts" - heeft derhalve geen enkele wettelijke basis en is aansluitend evenmin deontologisch aanvaardbaar gezien de wettelijk voorziene toezichtopdracht daarop vanwege de raden van de Orde.


2° De organisatie van de wachtdiensten wordt geregeld door het koninklijk besluit nr. 78. art. 9. -§ 1:

"De representatieve beroepsverenigingen van de beroepsbeoefenaars, bedoeld in de artikelen 2, 3, 21bis en 21noviesdecies, of te dien einde opgerichte groeperingen mogen wachtdiensten instellen die de bevolking een regelmatige en normale toediening van de gezondheidszorgen, zowel in het ziekenhuis als ten huize waarborgen.
Geen enkele beoefenaar, bedoeld in de artikelen (...) die voldoet aan de vereiste voorwaarden kan uitgesloten worden van deze wachtdiensten, op voorwaarde dat hij/zij het huishoudelijk reglement onderschrijft en zich houdt aan de deontologische regels.
De in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde verenigingen of groeperingen delen aan de bevoegde geneeskundige commissie de door hen opgestelde wachtrol mede alsook elke wijziging die er zou aan gebracht worden en een huishoudelijk reglement.
De Koning kan de door Hem bepaalde opdrachten in verband met de lokale organisatie en de vertegenwoordiging van de betrokken beroepsbeoefenaars, en in verband met de samenwerking met andere beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg, toevertrouwen aan de verenigingen of groeperingen bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat ze daarvoor erkend worden.
De voorwaarden en de procedure voor het verkrijgen van de erkenning worden vastgesteld door de minister die de Volksgezondheid in zijn bevoegdheid heeft."

De bevolkingswachtdienst van huisartsen wordt georganiseerd door de huisartsenkringen, volgens het koninklijk besluit van 8 juli 2002 (koninklijk besluit tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen).

De erkenningprocedure van de huisartsenkringen die de wachtdienst mogen organiseren wordt bepaald in het ministrieel besluit van 16 december 2002. (ministerieel besluit tot vaststelling van de erkenningmodaliteiten van de huisartsenkringen).

De opdrachten van de bevolkingswachtdienst zijn o.a.

Art. 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° praktijkvoerende artsen : erkende huisartsen, huisartsen in beroepsopleiding en algemeen geneeskundigen met verworven rechten;
2° huisartsenkring : een vereniging, welke alle vrijwillig toegetreden praktijkvoerende artsen groepeert, die binnen een welbepaalde geografisch omschreven en aaneengesloten zone hun beroepsactiviteit uitoefenen, ten einde de opdrachten geformuleerd onder hoofdstuk II van onderhavig besluit uit te voeren;
3° huisartsenwachtdienst : een uitgewerkt beurtrolsysteem dat regelmatige en normale verstrekking van huisartsgeneeskundige zorgen aan de bevolking garandeert en dat wordt beheerd door praktijkvoerende artsen binnen de huisartsenzone, zoals bedoeld in artikel 1, 5°, van dit besluit;
4° huisartspraktijkpermanentie : een beschikbaarheid van de huisartsgeneeskunde ten aanzien van het patiëntenbestand van één of meerdere praktijken;
5° huisartsenzone : een aaneengesloten geografisch gebied van één of meerdere gemeenten - of deel van een gemeente in de grote agglomeraties van Antwerpen, Charleroi, Gent en Luik - dat tot het werkgebied van een huisartsenkring behoort.
Art. 2. Om te worden erkend en erkend te blijven, moeten de huisartsenkringen voldoen aan de hiernavolgende bepalingen.
Art. 4. De huisartsenkring organiseert één huisartsenwachtdienst binnen de gehele huisartsenzone. Deze huisartsenwachtdienst kan bestaan uit meerdere onderdelen om samen één huisartsenwachtdienst voor de gehele huisartsenzone te vormen.
Art. 5. De huisartsenwachtdienst dient te beantwoorden aan de volgende normen :
1° bij de aanvraag tot erkenning dient minimaal de huisartsenwachtdienst geregeld tijdens de weekends en feestdagen;
2° indien binnen één huisartsenzone meerdere wachtdienstonderdelen worden georganiseerd, mogen er geen geografische overlappingen bestaan, noch gebiedsdelen die niet gedekt worden binnen deze huisartsenzone;
3° per huisartsenkring dient een huishoudelijk reglement omtrent de wachtdienst te worden opgesteld, dat de praktische organisatorische afspraken en engagementen tussen de verstrekkers regelt; het begin en eindmoment van de wachtdienst dient hierin duidelijk te worden gepreciseerd; tevens dienen de modaliteiten van interne kwaliteitszorg hierin gestipuleerd;
4° gedurende de tijdsperiode dat de huisartsenwachtdienst functioneert, dient minstens één huisarts permanent beschikbaar te zijn en à rato van één huisarts per volledige schijf van 30 000 inwoners;
5° de wachtdienst wordt op duidelijke wijze bekendgemaakt aan de bevolking;
6° de huisartsenwachtdienst is subsidiair aan de huisartspraktijkpermanentie. In het huishoudelijk reglement van de wachtdienst dient de afgrenzing tussen de praktijkpermanentie en de wachtdienst geregeld;
7° de huisartsenkring maakt afspraken met de ziekenhuizen en extra-murale specialisten teneinde een optimale afstemming te bekomen tussen de huisartsenwachtdienst, de spoeddiensten en de dringende medische hulpverlening in de huisartsenzone.
Daaruit volgt dat enkel een erkende huisartsenkring bevoegd is voor de organisatie van de bevolkingswachtdienst in de huisartsenzone. Die wachtdienst moet aan strikte voorwaarden voldoen: in het bijzonder moet minstens één huisarts (per schijf van 30.000 inwoners) permanent beschikbaar zijn, en dit minimaal tijdens de weekends en de feestdagen, en dit volgens een beurtrolsysteem dat de regelmatige en normale toediening van de zorg garandeert.

Die bepalingen dienen opgenomen te worden in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst, dat moet nagezien en goedgekeurd worden door de PGC en de PRO.
Een huisartsenkring die niet (meer) aan de (minimaal) gestelde opdrachten voldoet kan de erkenning als organisator van de bevolkingswachtdienst verliezen.

Dat geeft mogelijks ernstige complicaties voor alle lokale erkende huisartsen van de huisartsenzone voor het behoud van hun "erkenning", alsook voor de kandidaat-huisartsen in opleiding , gezien het wettelijk imperatief om deel te nemen aan een officieel erkende bevolkingswachtdienst .

De veronderstelling dat de bevolkingswachtdienst niet (volledig) operationeel zou zijn tussen 22.00 uur s'avonds en 08.00 uur de volgende morgen - ‘la nuit profonde' - en dat de oproepen systematisch zouden doorverwezen worden naar de tweede lijn en een dienst spoedopname van een ziekenhuis (voor zorgtriage en/of behandeling) schept een ernstig conflict met het wettelijke kader van de bevolkingswachtdienst georganiseerd door de huisartsenkring en ook met de wettelijke criteria voor het bekomen en het behouden van de erkenning als huisarts.
De Nationale Raad verwijst ook naar de NCGZ (Nationale Commissie Geneesheren-Ziekenfondsen), en de bepalingen over de organisatie van de wachtdiensten van huisartsen: o.a. de "beschikbaarheidhonoraria" tijdens wachtdiensten, met de specifieke vermelding van een tijdsperiode vanaf 19.00 uur tot 08.00 uur de daarop volgende dag.


3° Zorgverlening tijdens de bevolkingswachtdienst.

De Nationale Raad bracht op 08 mei 2010 twee adviezen uit (Huisartsenwachtdienst - Voorstel tot wijziging van art. 9, §1, van het KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de gezondheidszorgberoepen, TNR 130, en Huisartsenwachtendienst - Verplichting van de wachtarts om zich te verplaatsen, TNR 130), op grond van een studie over de verplichting van de huisarts van wacht om zich te verplaatsen, bekeken vanuit de huidige stand van zaken wat betreft het strafrecht, het burgerlijk recht, het wettelijk medisch kader en de deontologie.

De toepasbaarheid van artikel 422bis SW op artsen is evident. Bovendien wordt dat nog eens verzwaard in het kader van de uitoefening van de wachtdienst, versus artsen die niet van wacht zijn (en die juist door het bestaan van een wachtdienst eventueel een verzachtende omstandigheid kunnen aanwenden).

Het koninklijk besluit van 8 juli 2002 bepaalt dat "de huisartsenkring afspraken maakt met de ziekenhuizen en extra-murale specialisten teneinde een optimale afstemming te bekomen tussen de huisartsenwachtdienst, de spoeddiensten en de dringende medische hulpverlening in de huisartsenzone."
Bij deze moet herhaald worden dat de bevolkingswachtdienst van huisartsen de regelmatige en normale toediening van gezondheidszorg (thuis) moet garanderen, zowel in de wachtdienst (koninklijk besluit 78, art. 9 §1) als voor de continuïteit van de dagelijkse zorg (koninklijk besluit 78, art. 8, §1) gezien talrijke bepalingen van de NAGZ (Nationaal Akkoord Geneesheren-Ziekenfondsen). Het uitvoeren van die zorgverlening door huisartsen en de continuïteit van de zorg op de eerste lijn kunnen echter niet overgenomen worden door de tweede lijn (cf. 1°).

Bij het voorgestelde triagesysteem wordt de zorgvraag tussen 22.00 uur en 08.00 uur telefonisch ontvangen en ook beoordeeld - naar ernst en uitvoering - door een "derde" op de spoeddienst van het ziekenhuis (...): die beslist over een eventuele verplaatsing van de huisarts van wacht, in voorkomend geval het uitstellen van een interventie van de huisarts van wacht tot de volgende morgen (na 08.00 uur) wanneer die ‘wachtdienst' (cf. 2°) opnieuw ‘operationeel' wordt.

De Nationale Raad maakt een ernstig voorbehoud tegen elk model van uitstellen van zorgverlening tijdens de wachtdienst, louter gebaseerd op een telefonische appreciatie.

Dit volgt uit de gekende problematiek van het telefonisch inschatten van een medisch probleem zonder onderzoek (telefonisch consult/advies), zelfs als het een arts is.

Er is voldoende jurisprudentie van veroordelingen van (huis)artsen in het kader van artikel 422bis SW. voor het niet voldoende of onzorgvuldig optreden bij zorgvragen.

In elk geval mag een (huis)arts - zeker als die van dienst is tijdens een wachtdienst - zich niet in de onmogelijkheid plaatsen om de ernst van een gevaar te kunnen inschatten, omdat bij de hulpverlening deskundigheid hierbij een belangrijke factor is.

De arts mag zich niet tevreden stellen met een beschrijving van de toestand door diegene die zijn hulp inroept (zelfs niet via een collega); de arts moet integendeel "actief" informatie inwinnen, en moet zich zo een nauwkeurig oordeel vormen van de situatie. Er wordt verwacht dat de arts zich exact op de hoogte stelt en dat hij zich bij twijfel (o.a. telefonische oproepen met onduidelijkheid) ter plaatse begeeft.

Bij de werking van de wachtdienst - en in het kader van het artikel 422bis - speelt het onderscheid tussen hulp "verlenen" (venir en aide) en hulp "verschaffen" (procurer une aide) : de eerste is de plicht om zelf te handelen, het tweede om hulp in te roepen van een ander en dit dan nog nadat men zelf eerst hulp heeft verleend.


Besluit:

Herhaaldelijk heeft de Nationale Raad in adviezen over de wachtdienst gewezen op de ernstige gevaren voor de juridische verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid - volgens het artikel 422bis SW -van (huis)artsen die niet het "passend gevolg" geven aan de zorgvraag: in het bijzonder de noodzaak van een voorafgaandelijk onderzoek van de patiënt voor het stellen van de diagnose en het instellen van de behandeling, zeker voor patiënten tijdens de wachtdienst die meestal onbekend zijn aan de huisarts van wacht.

Beroepsgeheim29/10/2011 Documentcode: a135013
Beroepsgeheim – Informatie aan de VDAB betreffende de arbeidshandicap

Door een Provinciale raad wordt nadere informatie gevraagd nopens het advies van 30 april 2011 van de Nationale Raad aangaande de informatie aan de VDAB betreffende arbeidshandicap.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 29 oktober 2011 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw schrijven van 19 mei 2011 besproken.

De term "bevrijdende toestemming" als factor die belet dat het misdrijf, met name de schending van het beroepsgeheim, tot stand komt, werd reeds verscheidene malen aangehaald door verschillende gezaghebbende instanties en auteurs 1,2,3.

De interpretatie van de bevrijdende toestemming ten opzichte van het artikel 64 van de Code van geneeskundige plichtenleer is tweeledig. Enerzijds bestendigen de voorwaarden gekoppeld aan de bevrijdende toestemming het artikel 64 van de Code van geneeskundige plichtenleer, meer bepaald dat een verklaring van de patiënt op zich onvoldoende is om de arts van zijn zwijgplicht te ontslaan. Anderzijds werkt de Nationale Raad aan een herwerking van de Code van geneeskundige plichtenleer, waarbij hij rekening zal houden met de weerslag van de maatschappelijk evolutie betreffende de invulling van het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt omtrent zijn informationele privacy.

De summiere vraagstelling ter toetsing van de stukken die reeds door de patiënt aan de bevoegde diensten van de VDAB geleverd werden onderstrepen de centrale en begeleidende rol van de behandelende arts eerder dan deze een rol van deskundige toe te meten.


-------------------------------------------------------------
1. R. v. St. 27 november 1992, nr. 41.211, R.A.C.E.1992.
2. Verklaring van Amsterdam. A declaration on the promotion of patient's rights in Europe, 28-29 march1994, WHO, Regional Office of Europe.
3. Van der Straete I., Put J., Beroepsgeheim en hulpverlening (2005), Brugge, Die Keure, p. 190.

Orgaandonatie17/09/2011 Documentcode: a135001
Wetsvoorstellen tot wijziging van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen

Brief aan de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden van de Belgische Senaat.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 september 2011 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw brief van 5 juli 2011 en ook de verschillende wetsvoorstellen tot wijziging van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen bestudeerd. Hij analyseerde eveneens de verslagen van de hoorzittingen naar aanleiding hiervan voor de commissie van Sociale Zaken en ook het advies nr. 50 van het het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek van 9 mei 2011 betreffende bepaalde ethische aspecten van de wijzigingen door de wet van 25 februari 2007 aangebracht aan de wet van 13 juni 1986. Hij vond het niet opportuun elk van de wetsvoorstellen, die soms over hetzelfde onderwerp gaan, in detail te bespreken en beperkt zich in dit advies tot het geven van commentaar en aanbevelingen over de verschillende aspecten behandeld in deze teksten.

1. Gebruik van het eHealthplatform voor het registreren van orgaandonatie

De hierboven genoemde wet van 13 juni 1986 bepaalt in artikel 10 betreffende de wegneming na overlijden :
"Organen, bestemd voor transplantatie, alsmede voor de bereiding, (...) van therapeutische bestanddelen, mogen worden weggenomen bij al wie in het bevolkingsregister of sedert meer dan zes maanden in het vreemdelingenregister is ingeschreven, behalve indien vaststaat dat tegen een dergelijke wegneming verzet is geuit".

Deze procedure van onuitgesproken toestemming (opting out) heeft het voor België mogelijk gemaakt één van de hoogste donorpercentages te hebben : 25 per miljoen inwoners per jaar. De wachtlijsten blijven echter lang en een niet te verwaarlozen percentage patiënten overlijdt alvorens toegang te hebben tot een transplantatie.
Het verzet tegen of de uitdrukkelijke wilsuiting tot orgaandonatie kan te kennen gegeven worden bij de gemeentelijke overheid en kan genoteerd worden door de diensten van het Rijksregister. Het wetsvoorstel tot het gebruik van het eHealth-platform voor het registreren van orgaandonatie (Parlementaire Stukken, Sen., nr. 5.666/1, art. 2) breidt deze mogelijkheid uit tot de huisarts die het globaal medisch dossier van de betrokkene beheert en dit via het eHealth-platform.


De Nationale Raad heeft geen principieel bezwaar tegen dit voorstel dat verschillende voordelen biedt. De kennis die de huisarts van zijn patiënt heeft laat hem toe aan deze laatste raad te geven over het belang en de betekenis van zijn standpuntinname. De huisarts is competenter dan de gemeenteambtenaar om vragen afdoende te beantwoorden. We kunnen hopen op die manier het aantal uitdrukkelijke wilsuitingen tot donatie te verhogen, bepaalde weigeringen gemotiveerd door onwetendheid, misverstanden of vooroordelen te vermijden en de bevolking bewust te maken van het belang en het altruïstische karakter van de orgaandonatie. Bepaalde punten van het voorstel dienen echter verduidelijkt te worden.

a.
De verklaringen verzameld door de gemeentelijke overheden en door de huisartsen moeten opgeslagen worden in eenzelfde databank bijvoorbeeld deze beheerd door het Rijksregister, en waarvan de toegang beperkt moet worden tot de bevoegde personen.

b.
Zal de tussenkomst van de huisarts zich beperken tot het antwoorden op de spontane vragen van de patiënt of moet ze systematisch zijn zoals dit het geval is in Nederland ? In deze tweede eventualiteit is het risico groot het aantal verzetgevallen te zien toenemen en het huidige systeem van onuitgesproken toestemming (opting out), dat zijn doeltreffendheid bewezen heeft, progressief te vervangen door een systeem van impliciete toestemming (opting in) zoals in de buurlanden, wat een daling van het aantal donors zou kunnen meebrengen. De Nationale Raad sluit zich aan bij de vertegenwoordigers van de transplantatieteams om te vragen dat het principe van de onuitgesproken toestemming het basisprincipe blijft van de wetgeving betreffende het wegnemen van organen na het overlijden.

c.
De procedure moet eenvoudig zijn om de administratieve last van de huisartsen niet te verzwaren.

d.
Tot slot, hoewel de huisarts een betere kennis en een grotere ervaring heeft van de transplantatie en van de psychologie van zijn patiënt dan de gemeenteambtenaar, lijkt het toch nuttig dat er een bijkomende opleiding verzorgd wordt.


2. Schrappen van artikel 6, §2 toegevoegd in de wet van 13 juni 1986 door de wet van 25 februari 2007.

Artikel 6, §2, uit hoofdstuk II gewijd aan de wegneming bij levenden stelt :
"Indien een persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, wegens zijn geestestoestand niet bij machte is zijn wil te uiten, is voor het wegnemen (...) de instemming vereist van de wettelijke (...) vertegenwoordiger (...)"
en is het voorwerp van controverse.

Deze bepaling negeert inderdaad het recht op zelfbeschikking dat elke persoon bezit en schendt verschillende internationale conventies die bepalen dat een ingreep in het domein van de gezondheid op een persoon die niet bekwaam is zijn toestemming te geven slechts kan uitgevoerd worden indien deze in zijn rechtstreeks voordeel is (Verklaring van Oviedo over de rechten van de mens en de biogeneeskunde van 1997, artikel 6).

Zoals het advies nr. 50 van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek het in detail bespreekt, zou het zonder meer weglaten van dit artikel echter moeilijkheden kunnen veroorzaken doordat het afnemen van regeneratieve weefsels, zoals hematopoëtisch merg en circulerende stamcellen, niet meer toegelaten zal zijn. Deze verwijderingen houden slechts kleine risico's in voor de levende donor en, in sommige omstandigheden, bijvoorbeeld transplantatie bij een broer of een zus, kunnen ze voordelen bieden ten opzichte van weefsel afgenomen bij andere donors. Deze situatie dient voorafgaand te worden voorgelegd aan het oordeel van een multidisciplinaire commissie onafhankelijk van het transplantatieteam. De onbekwame patiënt dient altijd betrokken te worden bij de beslissing rekening houdend met zijn begrips- en beoordelingsvermogen.


3. Oprichten van een transplantatienetwerk in België

Een analyse van de activiteit van de intensieve zorgeenheden, gerealiseerd door de FOD Volksgezondheid, toont aan dat de verhouding wegnemingen van organen ten opzichte van het totaal aantal sterfgevallen sterk varieert naargelang de ziekenhuizen. We kunnen hieruit besluiten dat bepaalde ziekenhuizen meer inspanningen doen dan andere om organen weg te nemen met het oog op een transplantatie. Het advies van de Nationale Raad van 14 december 1991 (TNR nr. 55, p. 31) illustreert de moeilijkheden die soms voorkomen. Het wetsvoorstel tot oprichting van een transplantatienetwerk in België (Parlementaire Stukken, Sen., nr. 5.667/1) bestaat uit het creëren van een transplantatienetwerk om de ziekenhuizen te helpen bij het opsporen van potentiële donors en bij hun begeleiding. Het voorziet dat een samenwerkingsakkoord met een transplantatiecentrum in de toekomst een erkenningscriterium van de ziekenhuizen zou kunnen zijn.

Naar aanleiding van de Europese Richtlijn 2010/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 inzake kwaliteits- en veiligheidsnormen voor menselijke organen, bestemd voor transplantatie, heeft de FOD Volksgezondheid aan alle ziekenhuizen met een donorpotentieel reeds een brief gestuurd om de financiering voor te stellen van een coördinatienetwerk voor de transplantatie. De Nationale Raad stelt voor de impact van dit initiatief, de voordelen en de toepassingsmoeilijkheden ervan te meten alvorens de deelname van de ziekenhuizen aan een transplantatienetwerk, waarvan het nut niettemin wel degelijk bewezen is, dwingend te maken. Het is ook aangeraden de agressiviteit van het systeem aangenomen in Spanje te vermijden, waar de plaatselijke coördinatoren zich in een ware jacht op donors storten omwille van het financiële voordeel dat ze eruit kunnen halen, wat strijdig is met artikel 10 van de Code van de geneeskundige plichtenleer en met artikel 4, §1, van de hierboven geciteerde wet van 13 juni 1986.


4. Voorstellen om de orgaanhandel en het transplantatietoerisme af te keuren.

De orgaanhandel en het transplantatietoerisme zijn in België strafbaar met toepassing van de artikels 17 tot 19 van de wet van 13 juni 1986 en van artikel 433 quinquies, §1, 4°, van het Strafwetboek dat deel uitmaakt van het hoofdstuk over de mensenhandel. Het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen, teneinde de transplantatie van onrechtmatig weggenomen organen strafbaar te stellen (Parlementaire Stukken, Sen., nr. 5. 922/1), streeft ernaar ieder die een orgaan afstaat of een transplantatie uitvoert met commerciële doeleinden of die er voordeel uit haalt op meer specifieke manier te kunnen bestraffen.

De Nationale Raad sluit zich aan bij dit initiatief dat de wetgeving inzake het voorkomen en bestraffen van deze praktijken die onwettig zijn en in strijd met de deontologie en de ethiek versterkt. Deze praktijken die vaak veroordeeld worden in de media en door de Verklaring van Istanbul van 2 mei 2008 betreffende orgaanhandel en orgaantoerisme, kunnen de goede faam van de transplantatie schaden, de motivering van de vrijwillige donors doen afnemen en hierdoor de therapeutische mogelijkheden aantasten.

De Nationale Raad stelt zich echter vragen over de respectieve verantwoordelijkheden van de verschillende actoren betrokken in deze praktijken. De verantwoordelijkheid van de personen die de donors ronselen en die er vaak winst uit halen, en ook die van de artsen die een orgaan transplanteren waarvan ze de illegale oorsprong kennen lijdt geen twijfel en moet gestraft worden. Moet er daarentegen geen rekening gehouden worden met het feit dat de donor zeer vaak dwang onderging of in de orgaandonatie een middel zag om aan een moeilijke socio-economische situatie te ontsnappen ?

In hoeverre is een Indische boer die een nier verkoopt om zijn familie te voeden of de studies van zijn kinderen te betalen schuldig ?

Evenzo, kunnen er geen verzachtende omstandigheden ingeroepen worden voor de ontvanger wiens gezondheidstoestand achteruitgaat terwijl hij sinds lange tijd op een transplantatiewachtlijst staat ?

Een repressieve wetgeving waarvan de Nationale Raad het belang erkent zou met deze nuances moeten rekening houden.

Te uwer beschikking blijvend groeten wij u.

Beroepsgeheim17/09/2011 Documentcode: a135005
Beroepsgeheim – Ontwerp tot wijziging van artikel 458bis van het Strafwetboek

Brief aan meerdere Belgische senatoren m.b.t. artikel 6 van het wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving wat de verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie betreft, (tekst aangenomen door de Kamer van Vertegenwoordigers op 20 juli 2011 - Parlementair document 53 K1639/005).

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 september 2011 onderzocht de Nationale Raad van de Orde van geneesheren artikel 6 van het wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving wat de verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie betreft, (tekst aangenomen door de Kamer van Vertegenwoordigers op 20 juli 2011 - Parlementair document 53 K1639/005).

Dit artikel 6 strekt ertoe het artikel 458bis van het Strafwetboek te vervangen zodat het spreekrecht (het recht om het geheim te verbreken) van de bewaarder ervan verruimd wordt.

1° Momenteel stelt artikel 458bis van het Strafwetboek :

Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en die hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425 en 426, gepleegd op een minderjarige kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, op voorwaarde dat hij het slachtoffer heeft onderzocht of door het slachtoffer in vertrouwen werd genomen, er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de psychische of fysieke integriteit van de betrokkene en hij deze integriteit zelf of met hulp van anderen niet kan beschermen.

Het artikel 458bis voorgesteld door het voornoemde wetsontwerp bepaalt :

Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425 en 426, gepleegd op een minderjarige of op een persoon die kwetsbaar is ten gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, hetzij wanneer er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de bedoelde kwetsbare persoon en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere minderjarigen of bedoelde kwetsbare personen het slachtoffer worden van de in voormelde artikelen bedoelde misdrijven en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen.

De verschillen tussen het huidige artikel 458bis van het Strafwetboek en het artikel in ontwerp zijn de volgende :

- Het toepassingsgebied van artikel 458bis wordt uitgebreid tot de misdrijven gepleegd op een kwetsbare meerderjarige persoon, terwijl de huidige tekst enkel gaat over de misdrijven gepleegd op minderjarigen.

- Het toepassingsgebied van artikel 458bis wordt uitgebreid tot het geheim onthuld door de dader van het misdrijf of door een derde, en is niet langer beperkt tot het geheim dat aan de bewaarnemer van het geheim bekend is door het onderzoek of door de vertrouwelijke mededelingen van het slachtoffer.

- Tot slot, het recht van de bewaarder van het geheim de procureur des Konings in te lichten wordt uitgebreid tot de situatie waarin er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere minderjarigen of kwetsbare personen het slachtoffer worden van misdrijven bedoeld in artikel 458bis.

Artikel 422bis van het Strafwetboek waarnaar artikel 458bis van hetzelfde wetboek verwijst, bepaalt dat
Met gevangenisstraf (...) wordt gestraft hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen.
(...)

Het doel van artikel 422bis is het bestraffen van het feit geen hulp te verlenen aan iemand die in groot gevaar verkeert. Naargelang van het geval kan deze hulp erin bestaan de openbare overheid in te lichten, maar ze kan ook van een totaal andere aard zijn.

Dit artikel laat de geneesheer die vaststelt dat een persoon blootgesteld is aan ernstig gevaar toe de procureur des Konings daarvan in kennis te stellen voordat het gevaar werkelijkheid wordt.

Het doel van het ontwerpartikel 458bis is aan de bewaarder van het geheim spreekrecht te geven, d.i. het recht de procureur des Konings in te lichten wanneer een bepaald misdrijf gepleegd werd en het slachtoffer blootgesteld is aan een groot gevaar of er ernstige aanwijzingen zijn dat andere personen het slachtoffer zouden worden van het strafbare gedrag.

2° De Code van geneeskundige plichtenleer stelt in dit verband in artikel 61, §§ 1 en
2 :

§1. Als een geneesheer vermoedt dat een kind wordt mishandeld, seksueel wordt misbruikt of ernstig wordt verwaarloosd dient hij te opteren voor een multidisciplinaire benadering zoals bijvoorbeeld de inschakeling van een voor die problematiek opgerichte specifieke voorziening.
Indien een geneesheer vaststelt dat een kind in ernstig gevaar verkeert dient hij onmiddellijk het nodige te doen om het kind te beschermen. Indien het gevaar dreigend is en er geen andere middelen zijn om het kind te beschermen, kan de geneesheer de procureur des Konings in kennis stellen van zijn bevindingen.
De ouders of de voogd van het kind zullen door de geneesheer geïnformeerd worden over zijn bevindingen en de initiatieven die hij wenst te nemen tenzij dit de belangen van het kind kan schaden.
Alvorens om het even welk initiatief te nemen, dient de geneesheer voorafgaandelijk met het kind te overleggen in de mate dat zijn onderscheidingsvermogen dit toelaat.

§2. Als een geneesheer vermoedt dat een door ziekte, handicap of leeftijd weerloze patiënt wordt mishandeld, misbruikt of ernstig wordt verwaarloosd zal hij, indien de verstandelijke mogelijkheden van de patiënt dit toelaten, zijn bevindingen met de patiënt bespreken. De geneesheer zal de patiënt ertoe aansporen zelf de nodige initiatieven te nemen, zoals onder meer het informeren van zijn naaste verwanten.
Indien deze bespreking met de patiënt niet mogelijk is, kan de behandelend geneesheer met een terzake bevoegde collega overleggen aangaande diagnostiek en benadering van de problematiek.
Indien de patiënt in ernstig gevaar verkeert en er geen andere middelen zijn om hem te beschermen, kan de geneesheer de procureur des Konings in kennis stellen van zijn bevindingen.
De geneesheer zal de naaste verwanten in kennis stellen van zijn bevindingen en de initiatieven die hij wenst te nemen om de patiënt te beschermen indien dit de belangen van deze laatste niet schaadt.

De Code van geneeskundige plichtenleer overweegt twee hypotheses: deze van de mishandeling van een minderjarige en deze van de mishandeling van andere weerloze personen.

Hij onderscheidt trouwens verschillende houdingen naargelang de arts de mishandeling vermoedt of het ernstige gevaar vaststelt.

Het ontwerp van artikel 458bis behoudt als voorwaarde voor het opheffen van het beroepsgeheim dat een misdrijf reeds werd gepleegd. Het preventief kennisgeven van elk misdrijf is dus niet mogelijk op basis van het huidige en het ontwerpartikel 458bis van het Strafwetboek.
Artikel 61 van de Code van geneeskundige plichtenleer is dus ruimer en beoogt eveneens de hypothese waarbij een misdrijf nog niet gepleegd werd. Artikel 61 van de Code van geneeskundige plichtenleer baseert zich op de artikels 422bis en 458bis van het Strafwetboek maar ook op het begrip van de noodtoestand. De noodtoestand wordt gedefinieerd als een uitzonderlijke situatie waarin het schenden van strafrechtelijke bepalingen (in casu artikel 458 van het Strafwetboek) en van juridische waarden en belangen die strafrechtelijk beschermd zijn het enige middel is om andere, hogere juridische waarden en belangen te behoeden.

De Nationale Raad verwijst naar zijn advies van 11 december 2010 (TNR nr. 132) met als titel "Aangifte kindermishandeling : de arts tussen wet en Code" waarin hij de toepassing van artikel 61 van de Code van geneeskundige plichtenleer in detail beschrijft.

3° De Nationale Raad stelt vast dat het wetsontwerp, naar het voorbeeld van de Code van geneeskundige plichtenleer, het toepassingsgebied van artikel 458bis van het Strafwetboek, en dus het spreekrecht van de bewaarder van het geheim, verruimt tot de misdrijven gepleegd op een weerloos persoon.

Het wetsontwerp geeft uitdrukkelijk aan dat, om de melding te doen, het voor de bewaarder van het geheim niet langer nodig is dat hij het slachtoffer onderzocht heeft of vertrouwelijke mededelingen van deze laatste ontvangen heeft.
Hierdoor verbetert het wetsontwerp de rechtsveiligheid van de arts die, in de uitoefening van zijn beroep, van een patiënt of van een derde verneemt dat er een misdrijf is gepleegd op een minderjarige of kwetsbare persoon en die van mening is dat hij de procureur des Konings hiervan moet inlichten.

De Nationale Raad benadrukt dat een spreekrecht zoals bepaald in het ontwerpartikel 458bis slechts uitgeoefend mag worden binnen de strikt vastgelegde grenzen.

Net zoals de beteugeling van misdrijven is de medische aanpak van bepaalde seksuele aandoeningen van aard om de maatschappij te beschermen. Om die reden bevatten de probatievoorwaarden opgelegd bijvoorbeeld aan de seksueel delinquenten meestal een medische begeleiding.

Het onrechtmatig verbreken van het beroepsgeheim, ongeacht of de feiten toevertrouwd werden door het slachtoffer of door de dader van het misdrijf, is potentieel schadelijk voor de vertrouwensrelatie die moet bestaan tussen een arts en zijn patiënt en bijgevolg voor de latere behandeling van de patiënt.
Systematisch gebruik maken van het spreekrecht zonder rekening te houden met de strikte voorwaarden van de wet zou de patiënten, daders maar ook slachtoffers, ervan kunnen weerhouden een beroep te doen op medische zorg.

Het spreekrecht bepaald in het ontwerp, en dat toelaat de procureur des Konings in te lichten, dient gebruikt te worden als een ultimum remedium. Artikel 458bis van het Strafwetboek verduidelijkt dat het spreekrecht slechts van toepassing is wanneer de bewaarder van het geheim, zelf of met hulp van anderen, de integriteit van de minderjarige of van de kwetsbare persoon niet kan beschermen.
Bovendien verwijst artikel 458bis uitdrukkelijk naar artikel 422bis van het Strafwetboek dat de verplichting inhoudt hulp te verlenen aan iemand die in groot gevaar verkeert.

Uit de parlementaire documenten, onder meer het verslag van 15 juli 2011 namens de commissie voor de Justitie (Doc. 53 K 1639/003), blijkt duidelijk dat, het doel nagestreefd door de wijziging van artikel 458bis, nooit geweest is een meldingsplicht in te stellen.


***

Het wetsontwerp roept echter vragen op.


Ten eerste, het verschil tussen de begrippen "een ernstig en dreigend gevaar" en "aanwijzingen van een gewichtig en reëel gevaar" en de rechtvaardiging om verschillende begrippen te gebruiken naargelang het slachtoffer al dan niet potentieel is, worden niet duidelijk gepreciseerd in de parlementaire voorbereiding van de wet.

Ten tweede, wanneer de arts handelt op basis van een beschrijving gegeven door een derde, heeft hij vaak weinig middelen om het gevaar in te schatten en de ernstige situatie te doen ophouden. Er valt dan ook te vrezen dat de arts, nu zijn spreekrecht uitgebreid wordt, sneller geneigd zal zijn om melding te doen en dat het wetsontwerp in de praktijk minder zal uitmonden op een uitgebreid spreekrecht dan op een meldingsplicht.

Tot slot is de Nationale Raad van mening dat de kwalificatie "reëel" van het begrip "aanwijzingen van een gewichtig en reëel gevaar" zeer belangrijk is. Het gerecht legt aan daders van seksuele agressie een behandeling op juist omdat ze potentieel gevaarlijk zijn voor anderen. De artsen krijgen ook patiënten over de vloer die spontaan op consult komen en die tekenen van potentiële gevaarlijkheid vertonen. Zoals hierboven reeds gezegd zou de wet niet als gevolg mogen hebben de patiënten ervan af te brengen een behandeling te starten.

De draagwijdte van het wetsontwerp is voor de artsen onduidelijk bij gebrek aan klaarheid met betrekking tot het beoogde evenwicht tussen het beroepsgeheim en de bepalingen van de artikelen 422bis en 458bis van het Strafwetboek.

De arts die ingelicht is over het gevaar heeft de moeilijke opdracht de omstandigheden van het geval te beoordelen alvorens een beslissing te nemen waarover hij zich later zou kunnen moeten verantwoorden voor een rechter.

Vorige pagina

30

pagina