BESLISSING VAN DE PROVINCIALE RAAD – 6 FEBRUARI 2025

Documentcode: 2025020601Jurisdictie: provinciale raad

Overeenkomstig artikel 21, van de Code van medische deontologie, wijst de arts de patiënt op de gevolgen van onjuist geneesmiddelengebruik en van misbruik van substanties die tot afhankelijkheid kunnen leiden. Hij licht de risico’s van automedicatie en overconsumptie van geneesmiddelen toe. Bij ernstige middelenafhankelijkheid, handelt de arts in multidisciplinair verband.

De arts die geen zorgrelatie heeft met de patiënt en louter op diens verzoek verslavingsgevoelige medicatie voorschrijft zonder medische indicatie, schendt artikel 21, van de Code van medische deontologie.

De arts die optreedt als deskundige heeft geen zorgrelatie met de patiënt. Het is deontologisch ontoelaatbaar curatieve geneeskundige handelingen te stellen tijdens de uitoefening van zijn opdracht als deskundige, in het bijzonder het voorschrijven van verslavingsgevoelige medicatie.

[Extract]

« (…)

Inzake:

Dr. X, wonende te (…)

Dr. X op dd. (…) staat tuchtrechtelijk terecht wegens schending van de eer en de waardigheid van het beroep van arts te (…) door minstens in de periode van dd. (…) tot dd. (…) op onzorgvuldige wijze grote hoeveelheden Dafalgan codeïne voor Dhr. DV te hebben voorgeschreven zonder het bijhouden van een patiëntendossier, zoals verwoord in het schrijven van apotheker A per e-mail dd. (…) en dd. (…) overgemaakt aan de Orde der artsen.

Gelet op de stukken van het tuchtdossier;

Gelet op de uitleg van Dr. X op de zitting van de Raad van (…), gehouden achter gesloten deuren;

Feitenrelaas en voorgaanden

1.

Bij email van dd. (…) liet apotheker A weten dat een moeder van een patiënt regelmatig Dafalgan codeïne bruis en Bromazepam 12mg komt halen, op voorschrift van Dr. X. De apotheker wenst hiervan melding te maken maar benadrukt geen klacht te willen indienen (zie mail van dd. (…)). Er is intussen ook contact geweest tussen de apotheker en de arts.

Gelet op de kennisname van deze melding, heeft de provinciale raad het nodig geacht ambtshalve een onderzoek in te stellen en werd de schriftelijke versie gevraagd van Dr. X.

2.

Per brief van dd. (…) heeft Dr. X gesteld dat het schrijven van apotheker A geen klacht maar een melding betreft en dat dit hem telefonisch zo bevestigd werd.

Op dd. (…) werd Dr. X gehoord door de Onderzoekscommissie voor een mondelinge toelichting. Dr. X laat weten dat hij nooit Bromazepam heeft voorgeschreven voor de patiënt van apotheker A, de heer DV. Hij bevestigt wel dat hij deze patiënt, die hij niet kent, waarvan hij geen patiëntendossier heeft en die hij niet onderzocht, verschillende malen Dafalgan Codeïne Bruis heeft voorgeschreven. Hij heeft hiervoor geen prestaties aangerekend. Hij legt uit dat hij ongeveer tweemaal per maand expertises doet in het kabinet van een huisarts te (…). Op een van de expertiseraadplegingen zaten er een oude vrouw en haar zoon in de wachtzaal die Dr. X vroegen of hij Dafalgan codeïne kon voorschrijven. Dit werd gevraagd voor rugproblemen en Dr. X heeft enkele keren een voorschrift afgeleverd. Hij denkt dat hij op een periode van een tiental maanden een 20-tal dozen heeft voorgeschreven. Toen Dr. X vernam dat de patiënten ook bij andere artsen consulteerden en in verschillende apotheken de medicatie kochten, heeft hij geen voorschriften meer afgeleverd. Hij werd hierop wel nog lastig gevallen door patiënten.

De raad heeft op dd. (…) beslist om Dr. X in betichting te stellen.

3.

Op de raadszitting bevestigt Dr. X zijn verklaring van de onderzoekscommissie en benadrukt hij meermaals dat hij de patiënt en zijn moeder, op basis van hun verhaal, heeft willen helpen. Hij was zich zeer bewust van het feit dat zij verslaafd waren maar was van oordeel dat het sukkelaars waren en dat hij hem op deze manier het best kon helpen. Toen hij vernam dat er andere artsen ook voorschriften schreven, is hij ermee gestopt.

Dr. X doet geen curatieve geneeskunde meer, hij is 82 jaar oud en werkt gemiddeld nog 12 uur per dag (7/7). Hij doet voornamelijk expertises en schrijft soms nog medicatie voor doch dit is eerder uitzonderlijk.

Beoordeling

4.

Dr. X ontkent niet dat hij grote hoeveelheden potentieel verslavende medicatie heeft voorgeschreven voor patiënten waarmee hij geen therapeutische relatie heeft en waarvan hij besefte dat zij met een verslavingsproblematiek kampten. Hij is er evenwel van overtuigd dat hij de patiënten met deze voorschriften een dienst bewees.

Volgens artikel 21 van de Code van medische deontologie dient de arts de patiënt te wijzen op de gevolgen van onjuist geneesmiddelengebruik en van misbruik van substanties die tot afhankelijkheid kunnen leiden. De arts licht de risico's van automedicatie en overconsumptie van geneesmiddelen toe. De arts mag geen behandelingen of geneesmiddelen voorschrijven louter op verzoek van de patiënt zonder dat de toestand van deze laatste dit medisch rechtvaardigt. Bij het voorschrijven van verdovende middelen is de arts moreel en sociaal verplicht een preventieve en waakzame houding aan te nemen door de patiënt te informeren over het risico van afhankelijkheid. (zie hierover de becommentarieerde code).

Hij dient evenwel te beseffen dat zijn onzorgvuldig gedrag niet alleen de eer en waardigheid van het beroep schendt, maar dat zijn tussenkomsten gevaarlijk kunnen zijn voor de patiënten. Zijn voorschriften hebben de patiënten niet geholpen maar eerder de verslavingsproblematiek in de hand gewerkt. Dergelijke patiënten zijn voortdurend op zoek naar artsen met wie zij geen therapeutische relatie moeten opbouwen en waarvan ze het vertrouwen en de goedgelovigheid kunnen misbruiken. Het komt de arts toe dit te doorprikken en zeker niet mee te gaan in het mee in stand houden van een verslaving. Het feit dat dr. X nagenoeg geen curatieve geneeskunde meer uitoefent verhindert hem niet van nog voorschriften te blijven uitschrijven. Dr. X moet er zich absoluut van onthouden zich in de toekomst nog op die manier te laten overtuigen door patiënten met wie hij geen therapeutische relatie heeft.

Een waarschuwing is een gepaste sanctie voor de gepleegde feiten.

Gelet op het art. 21 van Code van medische deontologie van 2018, de artt. 6.2, 16, 19, 20, 24 van het K.B. nr. 79 van 10.11.1967 en op de artt. 24, 5, 26, 28 van het K.B. van 6.02.1970;

Om deze redenen, de raad,

Na het woord voor het laatst aan beklaagde te hebben gegeven voor zijn verdediging en na te hebben beraadslaagd,

RECHTSPREKEND NA TEGENSPRAAK, met de vereiste meerderheid ,

Spreekt een WAARSCHUWING uit ten aanzien van Dr. X ;

De rechtspleging verliep in het Nederlands en met gesloten deuren ».