Code van medische deontologie

Hoofdstuk 1: Arts - patiëntverhouding

print
21/03/2009
Artikel 27

De vrije keuze van een arts is een fundamenteel recht van de patiënt.

Niettemin kan een beperking van die vrije keuze onvermijdelijk zijn in het kader van de praktische organisatie van een permanent kwaliteitsvol zorgaanbod.

Over zulke beperking wordt zo adequaat mogelijk informatie verstrekt.

01/01/1975
Artikel 28

Behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende plichten tekort zou schieten, staat het de arts steeds vrij om persoonlijke of beroepsredenen de behandeling van een zieke te weigeren.

De arts mag eveneens van zijn opdracht afzien op voorwaarde dat hij de patiënt of de naastbestaanden ervan in kennis stelt, de continuïteit van de verzorging verzekert en aan de arts die zijn taak overneemt, alle nuttige inlichtingen verstrekt.

01/01/1975
Artikel 29

De arts moet pogen de patiënt voor te lichten over het waarom van elke voorgenomen diagnostische of therapeutische maatregel. Indien de zieke een voorgesteld onderzoek of behandeling weigert, mag de arts onder de in lid 2 van artikel 28 bepaalde voorwaarden, van zijn opdracht afzien.

01/01/1975
Artikel 30

Indien de patiënt minderjarig is of indien het een andere onbekwame persoon betreft, en het onmogelijk of niet wenselijk is de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger te bekomen, moet de arts gewetensvol de passende zorgen toedienen.

01/01/1975
Artikel 31

De arts, of hij nu vrij door de patiënt werd gekozen of aan de patiënt door een wet, een bestuurlijke verordening of bepaalde omstandigheden werd opgelegd, moet altijd correct zijn en begrip tonen; behalve in gevallen met een duidelijke therapeutische weerslag zal hij zich van inmenging in familiale aangelegenheden onthouden; hij zal er op bedacht zijn geen filosofische, godsdienstige of politieke overtuiging te kwetsen.

01/01/1975
Artikel 32

De al dan niet vrij gekozen arts zal enkel op gewetensvolle wijze en op wetenschappelijke gronden beslissingen nemen.

15/04/2000
Artikel 33

(Gewijzigd op 15 april 2000)

De arts deelt tijdig aan de patiënt de diagnose en de prognose mede; dit geldt ook voor een erge en zelfs voor een noodlottige prognose. Bij de informatie van de patiënt houdt de arts rekening met diens draagkracht en met de mate waarin hij wenst geïnformeerd te worden.

De arts verzekert de patiënt in ieder geval van een verdere aangepaste behandeling en begeleiding. De arts betrekt hierbij de naastbestaanden tenzij de patiënt zich daartegen verzet. Hij contacteert op verzoek van de patiënt de door deze aangewezen personen.