Code van medische deontologie

Hoofdstuk 9: Het naderende levenseinde

print
18/03/2006
Artikel 95

In het verlengde van artikel 33 informeert de behandelend arts de patiënt tijdig over diens naderende levenseinde en de bijstand die hem daarbij kan worden verleend.
Hierbij houdt de arts rekening met de klinische toestand van de patiënt, diens draagkracht, filosofische en godsdienstige overtuiging evenals met de mate waarin hij wenst te worden geïnformeerd.

Bij elke vraag over het levenseinde, legt de arts uit welke initiatieven elke persoon kan nemen zoals het aanstellen van een vertegenwoordiger en het opstellen zowel van een weigering tot toestemming voor een welomschreven tussenkomst als van een wilsverklaring tot euthanasie.

De arts wijst zijn patiënt er op dat deze altijd recht heeft op palliatieve zorg.

De arts informeert de patiënt tijdig en duidelijk over de medische bijstand die hij bereid is hem bij het naderende levenseinde te verlenen. De patiënt dient over de nodige tijd te beschikken om een tweede medisch advies in te winnen.

De behandelend arts en de patiënt stellen zich akkoord over de te informeren personen en de hen te verstrekken informatie.