Code van medische deontologie

Hoofdstuk 2: Professionaliteit

print
31/12/2021
Artikel 4

De arts onderhoudt tijdens zijn professionele loopbaan zijn wetenschappelijke kennis en schoolt die permanent bij.

De arts handelt overeenkomstig de huidige stand van de wetenschappelijke kennis. Hij draagt bij tot de vooruitgang ervan en deelt zijn kennis met zijn collega's en andere gezondheidszorgbeoefenaars.

1. Algemeen

1.1. Voortdurende professionele ontwikkeling

De arts schoolt zijn kennis bij doorheen zijn professionele loopbaan. Naast het bijwerken van zijn theoretische kennis dient de arts ook de veranderingen in praktijkvoering door de verschuiving van de accenten in de maatschappij te integreren. De arts heeft eveneens aandacht voor bijscholingen aangaande kwaliteit van zorg, patiëntveiligheid, communicatie met patiënten, samenwerking met andere beroepsbeoefenaars, het kunnen begeleiden van patiënten en komen tot een "shared decision".

De arts bepaalt zelf welke navorming aansluit bij zijn praktijkvoering en zijn professionele loopbaan. De arts plant zelf hoe hij via nascholing tegemoetkomt aan de noden van patiënten, gezondheidszorgdiensten en de maatschappij.

Om de voortdurende professionele ontwikkeling aan te moedigen, is er een accrediteringssysteem op het niveau van het RIZIV.

Voor de erkende huisarts bepaalt het ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen dat hij ertoe gehouden is gedurende zijn hele loopbaan zijn bekwaamheid te behouden en te ontwikkelen door praktische en wetenschappelijke vorming.

1.2. De huidige stand van de wetenschappelijke kennis

De arts handelt conform de actuele wetenschappelijke kennis. Hij houdt rekening met de adviezen van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde, de geneeskunde gebaseerd op evidentie (evidence-based medecine) en de aanbevelingen van de nationale en internationale wetenschappelijke verenigingen.

De arts die bij het verstrekken van gezondheidszorg afwijkt van de huidige stand van de wetenschappelijke kennis, moet die keuze verantwoorden.

1.3. Bijdrage tot de vooruitgang van de huidige stand van de wetenschappelijke kennis en delen van kennis met collega's en andere gezondheidszorgbeoefenaars

De arts heeft de deontologische verplichting bij te dragen aan de vooruitgang van de wetenschappelijke kennis. De arts neemt actief deel aan multidisciplinaire overlegmomenten voor de bespreking van patiëntendossiers. De arts staat open om zijn medische praktijkvoering te laten beoordelen (peer review, accreditering) met het doel de zorgkwaliteit te verbeteren.

Indien mogelijk draagt de arts ook actief bij met wetenschappelijke publicaties binnen zijn domein.

2. Adviezen van de nationale raad

  • Off-label gebruik van geneesmiddelen verschaft door de arts tijdens een raadpleging (Advies NR 16 juli 2016, a154003)
  • Stopzetten en weigeringen van behandelingen (Advies NR 12 december 2015, a151005)
  • Toegang tot de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde (Advies NR 9 februari 2013, a140017)
  • Relatie artsen met farmaceutische industrie - Gemeenschappelijk advies van de Koninklijke Academies voor Geneeskunde van België (Advies NR 16 november 2002, a099007)
  • De toekomst van de gezondheidszorg in België - Denkpistes en suggestie (Advies NR 15 april 2000, a089004)
  • Accreditering (Advies NR 5 juli 1997, a079015)

3. Wettelijke bepalingen

  • Artt. 8, 9, 10, 11 en 41, Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, BS 14 mei 2019. Deze artikelen zijn in werking getreden op 1 januari 2022 : cf. KB van 12 december 2021 houdende vaststelling van een datum van inwerkingtreding voor een aantal artikelen van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.

  • Koninklijk besluit van 26 maart 2014 betreffende de uitoefening van de homeopathie, BS 12 mei 2014
  • Koninklijk besluit van 26 maart 2014 betreffende de algemene voorwaarden die gelden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken, BS 12 mei 2014
  • Art. 10, Ministerieel besluit van 1 maart 2010 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen, BS 4 maart 2010
  • Wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen, BS 24 juni 1999

4. Informatie - Documentatie - Links

5. Trefwoorden

Accreditering - kwaliteit van de zorg - permanente vorming - wetenschappelijke kennis - wetenschappelijk onderzoek

Oudere versies