Code van medische deontologie

Hoofdstuk 2: Professionaliteit

print
31/12/2020
Artikel 7

De arts waakt, binnen de grenzen van zijn functie in de gezondheidszorg, over zijn professionele onafhankelijkheid. Hij draagt, in het belang van zijn patiënten en de maatschappij, daarvoor zijn verantwoordelijkheid.

1. Algemeen

De professionele onafhankelijkheid omvat enerzijds de diagnostische en therapeutische vrijheid, anderzijds laat het de arts toe een situatie binnen een medische context in te schatten.

De arts dient binnen de functie die hij uitoefent zijn beoordelingsvrijheid te bewaren.

Binnen de zorgrelatie betekent professionele onafhankelijkheid "therapeutische vrijheid".

De diagnostische en therapeutische vrijheid is wettelijk vastgelegd in het artikel 73, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994. De arts oordeelt "in geweten en in volle vrijheid over de aan de patiënten te verlenen verzorging". Wat betreft het stellen van een diagnose en het uitvoeren van een behandeling "mogen [aan de arts] geen reglementaire beperkingen worden opgelegd bij de keuze van de middelen die aangewend moeten worden'"(art. 31, WUG) en "mag het algemeen reglement geen bepalingen bevatten die de professionele autonomie van de individuele ziekenhuisarts [...] in het gedrang brengt" (art. 144, § 1, WUG).

Opmerking: artikel 4 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg bepaalt dat "de gezondheidszorgbeoefenaar, binnen de perken van de hem door of krachtens de wet toegewezen bevoegdheden, vrij de middelen kiest die hij aanwendt bij het verstrekken van gezondheidszorg. Er mogen hem daarbij geen reglementaire beperkingen worden opgelegd". De wet treedt in werking op 1 juli 2021.

De diagnostische en therapeutische vrijheid is een gebonden, een geconditioneerde vrijheid. De arts dient op verantwoordelijke wijze zijn beslissingen te nemen zoals een competente en zorgvuldig handelende arts in dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan.

Opmerking: artikel 4 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg bepaalt dat "de gezondheidszorgbeoefenaar zich bij zijn keuze laat leiden door relevante wetenschappelijke gegevens en zijn expertise en rekening houdt met de voorkeuren van de patiënt". De wet treedt in werking op 1 juli 2021.

Volgende grenzen of condities aan de therapeutische vrijheid zijn belangrijk:

1. de zorgrichtlijnen

Zorgrichtlijnen en wetenschappelijk bewijsmateriaal moeten systematisch worden geïntegreerd in de klinische praktijk, met het oog op rationele en kwaliteitsvolle zorg met respect voor de behoeften van de patiënt.

Deze richtlijnen baseren zich op wetenschappelijke, internationaal erkende literatuur en zijn bekrachtigd door advies- en overlegorganen.

Het doel van deze richtlijnen bestaat erin om een leidraad te bieden voor de dagelijkse kwaliteitsvolle praktijk. Een richtlijn is maar toepasbaar indien deze overeenkomt met de noden en verwachtingen van de patiënt. Indien de arts afwijkt van de richtlijn, moet hij zich kunnen verantwoorden.

2. de door de gemeenschap ter beschikking gestelde middelen

De middelen inzake gezondheidzorg zijn beperkt. De arts dient een sociaal verantwoorde houding aan te nemen en zo goed mogelijk de middelen aan te wenden die de maatschappij ter beschikking stelt met het oog op doelmatige zorg (art. 41, CMD 2018).

3.het belang van de patiënt

De arts verleent de best mogelijke zorg rekening houdend met de context waarbinnen de arts-patiëntrelatie vorm krijgt.

De arts houdt bij het bewaren van zijn professionele autonomie binnen de arts-patiëntrelatie rekening met de autonomie van de patiënt. De arts overlegt met de patiënt (art. 17, CMD 2018).

De arts streeft naar een persoonsgerichte zorg waarbij niet enkel rekening gehouden wordt met de gezondheidstoestand van de patiënt maar ook met diens persoonlijke situatie, behoeften en voorkeuren.

De arts dient therapeutische verbetenheid te vermijden.

De arts kan beslissen een therapeutische relatie met een patiënt te beëindigen of een medische tussenkomst of behandeling te weigeren om medische redenen op grond van zijn professionele onafhankelijkheid, Hij verzekert in dat geval de continuïteit van de zorg. (art. 32, CMD 2018). Dergelijke medische beslissingen van de arts dienen te worden onderscheiden van deze op grond van zijn persoonlijke overtuiging (art. 31, CMD 2018).

4.

De diagnostische en therapeutische vrijheid wordt ook verder geconditioneerd door de organisatie van de zorgverlening die aangeeft of een individuele zorgverlener of zorginstelling een welbepaalde ingreep of procedure kwalitatief en met het oog op het best mogelijke resultaat mag of kan uitvoeren, onder meer de aanwezigheid van de nodige omkadering (art. 14, wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg), de structurering van medische activiteiten in ziekenhuizen (artt. 18 tot 22, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen) en de bevoegdheid van de netwerkhoofdarts om instructies te geven aan de ziekenhuisartsen in het kader van de ziekenhuisnetwerken (art. 17, wet van 28 februari 2019 tot wijziging van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, wat de klinische netwerking tussen de ziekenhuizen betreft).

De arts moet erover waken dat deze inperkingen de kwaliteit van de zorg niet in het gedrang brengen.

2. Adviezen van de nationale raad

3. Wettelijke bepalingen

4. Informatie - Documentatie - Links

  • GOFFIN, T., De professionele autonomie van de arts. De rechtspositie van de arts in de arts-patiëntrelatie, Brugge, die Keure, 2012
  • NYS, H., Geneeskunde - Recht en medisch handelen, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, 2016

5. Trefwoorden

diagnostische en therapeutische vrijheid - professionele autonomie - onafhankelijkheid van de arts - therapeutische verbetenheid - therapeutische verantwoordelijkheid

Oudere versies