Covid-19

Gerelateerde adviezen en nieuws

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167031
Attest aanpassing van de arbeidsomstandigheden (telewerk) voor risicopatiënten COVID-19

De nationale raad onderzocht of een arts een attest kan afleveren waarin wordt aangegeven dat een aanpassing van de arbeidsomstandigheden (telewerk) zich opdringt omdat de patiënt, gezien zijn medische toestand, een risicopatiënt is in de context van de pandemie COVID-19 (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Op deontologisch vlak heeft de nationale raad geen bezwaar dat de arts een attest aflevert aan patiënten wier gezondheidstoestand dit rechtvaardigt, bevestigend dat in de context van de COVID-19-pandemie hun gezondheidstoestand de afzondering oplegt. Dit vereist dat hij toegang heeft tot hun medisch dossier.

De nuttige informatie is beschikbaar via de volgende link : https://werk.belgie.be/nl/nieuws/update-coronavirus-preventiemaatregelen-en-arbeidsrechtelijke-gevolgen

Indien de behandelende arts eraan denkt de arbeidsarts te contacteren, vestigt de nationale raad de aandacht op de noodzaak vooraf de toestemming van de patiënt hierover te bekomen.

Het RIZIV stelt een model van geneeskundig getuigschrift van "quarantaine" voor dat bestemd is voor de werkgever van de patiënt / voor de patiënt die zelfstandig is (https://www.inami.fgov.be/nl/covid19/Paginas/medische-getuigschriften-veranderingen-gedurende-covid19.aspx).

Dit zogenaamde "quarantainegetuigschrift" wordt afgeleverd aan een werknemer die arbeidsgeschikt is, maar die zich niet naar zijn werkplek kan begeven, meer bepaald als hij in nauw contact is geweest met een geïnfecteerde persoon, als hij zelf besmet is terwijl hij geen symptomen vertoont of als zijn medische situatie een risico uitmaakt (bijvoorbeeld als zijn immuun-/afweersysteem verzwakt is).

Een patiënt die een quarantainegetuigschrift ontvangt, mag in het algemeen de woning niet verlaten.

Toch zal de arts elke individuele situatie beoordelen en zijn patiënt informeren over de essentiële afwijkingen die toegestaan blijven, zoals essentiële medische afspraken die niet kunnen worden uitgesteld tot na de quarantaineperiode en, als de patiënt geen ander alternatief heeft, voor de bevoorrading van geneesmiddelen en voedsel.

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167032
Ethische richtlijnen betreffende het maken van keuzes in de zorg ingeval de nood aan het aanbod overstijgt

De nationale raad formuleerde een antwoord op meerdere vragen naar ethische richtlijnen en aanbevelingen ingeval er niet voldoende medische hulpmiddelen (bv. beademingstoestellen) beschikbaar zijn en er een keuze moet worden gemaakt welke patiënt eerst wordt behandeld (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Elke patiënt heeft, met eerbiediging van zijn menselijke waardigheid en zijn zelfbeschikking, het recht op een kwaliteitsvolle gezondheidszorg die beantwoordt aan zijn behoeften. Zolang als mogelijk zal aldus gestreefd worden naar een gelijke behandeling van elke patiënt in nood.

Wanneer de hulpvraag evenwel het hulpaanbod overstijgt, zowel betreffende het aantal zorgverleners, als met betrekking tot de medische apparatuur, is het aangewezen dat het artsenteam op basis van objectieve parameters een beslissing neemt aan wie de schaarse middelen worden toegewezen. Een mogelijke ethische benadering bij schaarste is het "veil of ignorance" van Rawls. In de praktijk komt dit neer op het inschakelen van een onafhankelijk orgaan, bv het ethisch comité van het desbetreffende ziekenhuis.

De nationale raad verwijst naar de artikelen 30 en 39 van de gecommentarieerde code van medische deontologie.

Voor ethische richtlijnen betreffende het maken van keuzes in de zorg verwijst de nationale raad naar de volgende documenten :
-de aanbevelingen van de Belgian Society of Intensive care medicine, " Ethical principles concerning proportionality of critical care during the 2020 COVID-19 pandemic in Belgium ";
-de aanbevelingen van de commissie voor ethiek van het universitair ziekenhuis van Leuven, "Ethische aspecten van het maken van keuzes in de COVID-19 crisis", de dato 17 maart 2020;
-Ethical principles and guidance with regard to ethical decisions in pre-hospital and emergency medicine in Belgium during the COVID-19 pandemic. A joint statement of the Belgian Society of Emergency and Disaster Medicine and the Belgian Resuscitation Council (22 March 2020);
-een artikel van Govind Persad, Alan Wertheimer en Ezekiel J Emanuel, « Principles for allocation of scarce medical interventions », The Lancet, vol. 373, 31 januari 2009;
-een document genoemd " quelques repères pour une démarche éthique" (enkele oriëntatiepunten voor een ethische beadering), voorgesteld door Ressort-HERS en overgenomen door het "Collège de Médecine Générale" (CMG) en de "Société Scientifique de Médecine Générale" (SSMG).

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167028
Teleconsultatie en telefonische triage in de context van de COVID-19-pandemie

De nationale raad formuleerde in zijn vergadering van 17 oktober 2020 een advies betreffende teleconsultatie en telefonische triage in de context van de COVID-19-pandemie, op basis van de Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19.

Het Franstalige College voor huisartsgeneeskunde van België (CMG) en Domus Medica raden een telefonische triage aan van patiënten die symptomen vertonen van besmetting met COVID-19.

Wat betreft de deontologische beginselen bij de behandeling van een patiënt zonder rechtstreeks fysiek contact met hem en de grenzen en de mogelijkheden van teleconsultatie, verwijst de nationale raad naar zijn advies van 21 september 2019 over de teleconsultatie met het oog op het stellen van een diagnose en het voorstellen van een behandeling (a166007).

Het volgende werd daarbij in herinnering gebracht: "Een raadpleging op afstand heeft, ook al blijkt ze gebruiksvriendelijk voor de patiënt, niet dezelfde nauwkeurigheid als een raadpleging in aanwezigheid van de patiënt en de arts. Teleconsultatie biedt dan ook niet dezelfde veiligheid op het vlak van de diagnose en van het voorschrijven van geneesmiddelen. Teleconsultatie kan de klassieke face-to-face raadpleging slechts vervangen indien een bijzondere situatie dit rechtvaardigt."

In de huidige omstandigheden gaat het wel degelijk over een bijzondere situatie gezien de pandemiecontext vergt dat maatregelen genomen worden op het gebied van de volksgezondheid om de risico's op verspreiding in te perken. Verplaatsingen van besmette patiënten of van patiënten van wie vermoed wordt dat ze besmet zijn met het virus zo veel mogelijk beperken, is een prioritaire maatregel bij deze pandemie.

Om een telefonisch advies te verstrekken moet de arts een volledige anamnese uitvoeren rekening houdend met de risicofactoren die inherent zijn aan de pathologie ("red flags"), met de antecedenten van de patiënt en met zijn andere acute of chronische aandoeningen die hem kwetsbaarder kunnen maken. De eerstelijnsartsen verwachten van de wetenschappelijke en gezondheidsautoriteiten dat zij de alarmtekens ("red flags") die inherent zijn aan deze pathologie preciseren en actualiseren. De gevolgen van dergelijke besmetting zijn nog steeds onvoldoende gekend, kunnen een atypisch ziektebeeld geven en een bepaald percentage van patiënten ontwikkelt een ernstige longaandoening die levensbedreigend kan zijn.

De minimumvoorwaarden opdat de organisatie van teleconsultaties via videobeelden aanvaardbaar is, houden in dat de arts a) de patiënt en zijn antecedenten goed kent, b) inzage heeft in de medische informatie betreffende de patiënt (medisch dossier) en c) in staat is de continuïteit van de zorg te waarborgen (Persbericht van de nationale raad van 10 maart 2020 (a167005).

Ingeval er geen dossier bestaat of de toegang ertoe onmogelijk is, moet de arts de antecedenten en de medische situatie van de patiënt kunnen begrijpen door een zorgvuldige en volledige anamnese die voornamelijk betrekking heeft op de huidige medicamenteuze behandelingen.

De richtlijnen van het RIZIV zijn te vinden op https://www.inami.fgov.be/nl/nieuws/Paginas/zorgverlenen-afstand-covid19-globale-aanpak-meerdere-zorgberoepen.aspx.

De arts die telefonisch gecontacteerd wordt, moet de risico's voor de patiënt en voor de gemeenschap afwegen tussen een telefonisch advies, een face-to-face raadpleging, een huisbezoek en doorverwijzing naar een structuur (al dan niet ziekenhuisgebonden) die instaat voor de opsporing en de behandeling van patiënten die besmet zijn of van wie vermoed wordt dat ze besmet zijn met COVID-19.

Sciensano actualiseert regelmatig zijn aanbevelingen aan de artsen betreffende de procedure die dient te worden gevolgd bij patiënten van wie wordt vermoed dat ze besmet zijn met COVID-19 (https://covid-19.sciensano.be/nl/covid-19-procedures).

Wanneer een arts gebruikt maakt van teleconsultatie voor patiënten die vermoedelijk niet besmet zijn met COVID-19 is eveneens het genoemde advies van de nationale raad van 21 september 2019 (a166007) van toepassing. De coronaviruspandemie is een bijzondere situatie waarbij de patiënt en de arts er, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden in dit advies, voordeel bij hebben de face-to-face raadpleging te vervangen door teleconsultatie.

De nationale raad vestigt de aandacht op de noodzaak om verder de noodzakelijke zorg te blijven verstrekken. Het spreekt voor zich dat de arts de zorgcontinuïteit dient te verzekeren voor patiënten met een chronische ziekte, in het bijzonder indien de opvolging cruciaal is voor de patiënt: er kan o.m. worden gedacht aan zware diabetespatiënten, patiënten die bloedverdunners innemen, patiënten die een transplantatie ondergingen, patiënten met een nierinsufficiëntie en aan de opvolging van cerebrovasculaire accidenten en ernstige open wonden. De geriatrische en/of psychiatrische patiënten die thuis geïsoleerd zijn mogen niet uit het oog verloren worden. Indien de arts zelf de opvolging van zijn patiënten niet kan verzekeren, dient hij hen door te verwijzen naar een medische structuur die de zorg voor hen kan opnemen.

De nationale raad verwijst naar de aanbevelingen van het RIZIV betreffende de erelonen voor een raadpleging op afstand

https://www.inami.fgov.be/nl/nieuws/Paginas/specifiek-honorarium-medisch-advies-telefoon-covid19.aspx en https://www.inami.fgov.be/nl/nieuws/Paginas/zorgverlenen-afstand-covid19-globale-aanpak-meerdere-zorgberoepen.aspx).

Iedereen draagt de verantwoordelijkheid om verstandig en voorzichtig te werk te gaan in het belang van de gezondheid van de patiënt, die gewetens- en kwaliteitsvol verzorgd dient te worden, en van de gemeenschap. De arts die een beslissing neemt via de telefoon moet, alvorens een vermoeden van besmetting met COVID-19 uit te sluiten, aandachtig zijn voor een atypisch ziektebeeld van de ziekte COVID-19 (patiënt zonder symptomen of misleidende symptomen), in het bijzonder bij oudere patiënten.

Wat betreft het gebruik van telegeneeskunde binnen de arbeidsgeneeskunde, heeft de nationale raad er, op deontologisch vlak geen bezwaar tegen dat de preventieadviseur/arbeidsarts, wanneer de bijzondere omstandigheden het toelaten, in deze pandemiecontext zijn opdrachten uitvoert via telefonische raadplegingen, met gezond verstand en voorzichtig in het belang van de gezondheid van de werknemers.

Dat kan slechts gebeuren door middel van de beschreven waarborgen in verband met de toegang tot de gezondheidsgegevens, de kennis van de werkomstandigheden, de beroepsanamnese, de precisering op het evaluatieformulier dat deze per telefoon gebeurde en het informeren van de werknemer dat hij de mogelijkheid heeft een spontane raadpleging te vragen in het medisch kabinet na de crisisperiode te wijten aan de COVID-19-pandemie.

De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg heeft aanbevelingen uitgebracht betreffende het gezondheidstoezicht tijdens de coronacrisis

(https://www.ehealth.fgov.be/nl/egezondheid/task-force-data-technology-against-corona/nuttige-apps).


COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167034
Beroepsgeheim – Meedelen van de COVID-19-diagnose door de arts

De nationale raad beantwoordde meerdere vragen wat betreft het meedelen van de COVID-19-diagnose door de arts (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Wat betreft de vraag of een arts de diagnose van een overleden patiënt mag meedelen aan het mortuarium en de begrafenisondernemer ingeval het gaat om een COVID-19-patiënt, verwijst de nationale raad o.a. naar de aanbevelingen van Sciensano, "Procedure voor het beheer van een overlijden van een patiënt met Covid-19", versie van 30 april 2020, https://epidemio.wiv-isp.be/ID/Documents/Covid19/COVID-19_procedure_deaths_NL.pdf.

Uit punt 3 "Informatieoverdracht" blijkt uitdrukkelijk dat personeel van het mortuarium en de begrafenisondernemers op de hoogte moeten worden gebracht van een (mogelijk) overlijden door COVID-19, via strook A van het overlijdensattest (Model IIIC en IIID).

Punt 10 "Administratieve bepalingen", preciseert het volgende:
"Op het overlijdensattest (Model IIIC of IIID) moet de arts bij het overlijden van een patiënt die COVID-19 positief testte of bij een klinisch vermoeden dat deze COVID-19 positief is, maar geen test werd uitgevoerd (mogelijk geval) op strook A bij rubrieken ‘bezwaar tegen schenking lichaam(2)': ja aankruisen en bij ‘bezwaar tegen eventueel vervoer zonder kist(6)': neen.
(...)
Op de strook A moet gespecifieerd worden dat het gaat om een (mogelijk) overlijden aan COVID-19.
COVID-19 is geen tegenindicatie voor crematie."

Wat betreft de vermelding van de diagnose van COVID-19 op het geneesmiddelenvoorschrift ter bescherming van de apotheker die het geneesmiddel aflevert, is de nationale raad van mening dat het beroepsgeheim van toepassing blijft.
De diagnose van de patiënt moet niet worden vermeld op het geneesmiddelenvoorschrift.

COVID-1917/10/2020 Documentcode: a167035
Vroegtijdig verlaten van ziekenhuis door COVID-19-patiënt - Verantwoordelijkheid van de arts

De nationale raad beraadde zich over de vraag wat de arts mag ondernemen indien de patiënt het zorgcentrum/ziekenhuis verlaat en hierdoor de maatregelen overtreedt en andere personen in gevaar brengt (cf. Vragen en Antwoorden (maart, april, mei 2020) gepubliceerd op www.ordomedic.be, rubriek COVID-19).

Een zorgcentrum/ziekenhuis dat instaat voor de zorg aan COVID-19-patiënten heeft niet de wettelijke bevoegdheid patiënten te verhinderen de zorginstelling te verlaten.

De zorgverleners binnen de zorginstelling zijn gehouden tot het beroepsgeheim. Evenwel kunnen zij zich, na een afweging tussen het belang van het beroepsgeheim en het risico op besmetting en het gevaar voor de volksgezondheid, beroepen op de noodtoestand en de bevoegde instanties of personen op de hoogte brengen van de problematiek, bijvoorbeeld de nachtopvangdiensten, de naasten van de patiënt of de dienst infectiebestrijding.

Het is van belang om, in eerste instantie, goed te communiceren met de patiënt, de maatregelen op een duidelijke manier uit te leggen, alsook de gevolgen die de patiënt veroorzaakt door het vroegtijdig verlaten van de instelling.

De nationale raad verwijst tevens naar zijn advies Hoe de arts dient te handelen indien een patiënt weigert zich te laten testen op COVID-19 of weigert de verplichte maatregel van quarantaine na te leven van 19 september 2020 (a167027).

COVID-1919/09/2020 Documentcode: a167025
Dringende medische hulp: controle door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering

In zijn vergadering van 19 september 2020 besprak de nationale raad van de Orde der artsen de wet van 29 maart 2018 tot wijziging van de artikelen 2 en 9ter van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die bekendgemaakt werd in het Belgisch Staatsblad op 1 april 2020.

De nationale raad had op 24 februari 2018 een advies uitgebracht over dit wetsontwerp(1), dat u kan raadplegen op de website www.ordomedic.be.

De nationale raad blijft bij zijn verzoek om betrokken te worden bij de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten waarin de regels en modaliteiten vastgelegd worden voor de controles die toevertrouwd worden aan de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering alsook bij de vastlegging van het statuut van de controlearts (art. 9 ter, § 5, b) en d) van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.


(1) Advies van 24 februari 2018, getiteld ‘Patiënten in illegaal verblijf - Dringende medische hulp - Terugbetaling', Tijdschrift van de Nationale Raad, nr. 160


COVID-1919/09/2020 Documentcode: a167027
report_problem Advies van 19 september 2020 aangepast op 17 oktober 2020
Hoe de arts dient te handelen indien een patiënt weigert zich te laten testen op COVID-19 of weigert de verplichte maatregel van quarantaine na te leven

De nationale raad van de Orde der artsen heeft onderzocht wat de arts moet doen indien een patiënt, die voldoet aan de definitie van een mogelijk geval van COVID-19 of geclassificeerd is als hoog-risico contact, weigert zich te laten testen of weigert de verplichte maatregel van quarantaine op te volgen.

  1. Inleiding

Overeenkomstig de richtlijnen van Sciensano voor gezondheidsprofessionals moeten sommige categorieën van personen verplicht worden getest op COVID-19.

(https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_Case%20definition_Testing_NL.pdf;

https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_FAQ_travel_NL.pdf)

Daarnaast moet de arts de patiënt informeren over de verplicht te volgen maatregelen, onder meer de verplichte quarantaine.

(https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_contact_NL.pdf)

De nationale raad kreeg herhaaldelijk de vraag wat de arts moet doen indien een patiënt weigert zich te laten testen of weigert de verplichte maatregel van quarantaine op te volgen.

  1. De patiënt weigert zich te laten testen

Overeenkomstig artikel 8, § 1, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt (hierna: patiëntenrechtenwet) heeft de patiënt het recht om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar.

Artikel 8, § 4, van de patiëntenrechtenwet bepaalt dat de patiënt het recht heeft om de in § 1 bedoelde toestemming voor een tussenkomst te weigeren of in te trekken. De grondslag van het weigeringsrecht is enerzijds gelegen in de fysieke integriteit van de patiënt, anderzijds in de geneeskundige behandelovereenkomst.(1) De patiënt kan bijgevolg nooit gedwongen worden tot de afname van een test.

Het weigeringsrecht van de patiënt doet evenwel geen afbreuk aan de verplichting van de arts melding te maken van een mogelijke besmetting bij de gegevensbank opgericht bij Sciensano.

De verplichte melding gebeurt op basis van artikel 6, § 1, van het Koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020(2). Ook indien de patiënt weigert zich te laten testen, moet de arts melding maken van een meldingsplichtige ziekte binnen de 24 uur vanaf het eerste vermoeden van een ernstige infectie die is opgenomen in de lijst "meldingsplichtige infectieziekten", met het oog op de opstart van de contactopvolging.

De arts kan deze melding doen via het "eFormulier 3", "Directe aanvraag contactopvolging bij zeer sterk vermoeden van besmetting COVID-19, onafhankelijk van het testresultaat". (https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_GP_NL.pdf)

  1. De patiënt weigert in quarantaine te verblijven

Hoewel het weigeren van een test een fundamenteel recht is en geen directe gevolgen met zich meebrengt, kan het niet naleven van de verplichte maatregel van quarantaine wel een gevaar betekenen voor de volksgezondheid.

De arts dient de patiënt te informeren over deze gevaren, te wijzen op de individuele verantwoordelijkheid van de patiënt ten aanzien van de maatschappij en te communiceren dat, indien de patiënt deze maatregel niet naleeft, de mogelijkheid bestaat dat de arts de bevoegde autoriteiten, met name de dienst infectiebestrijding, op de hoogte kan brengen van de overtreding.

Indien de arts verneemt dat de patiënt, door het niet naleven van de quarantainemaatregel, een onmiddellijk en ernstig gevaar betekent voor de gezondheid van anderen, en het onthullen van de informatie de enige manier is om een hoger belang, met name de volksgezondheid, te beschermen, kan de arts het beroepsgeheim doorbreken op basis van de noodtoestand.

In dat geval kan de arts de dienst infectiebestrijding van zijn regio op de hoogte brengen van de situatie en de nodige gegevens van de patiënt doorgeven.(3)

(https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_GP_NL.pdf)

  1. Besluit

De patiënt heeft het recht te weigeren zich te laten testen op COVID-19. Het fundamenteel weigeringsrecht doet geen afbreuk aan de verplichting van de arts de gezondheidsgegevens van de mogelijks besmette patiënt door te geven aan de gegevensbank opgericht door Sciensano.

Het weigeren van een test geeft geen aanleiding tot het doorbreken van het beroepsgeheim. Doch, het niet naleven van de verplichte maatregel van quarantaine kan, indien dit een onmiddellijk en ernstig gevaar betekent voor de volksgezondheid, aanleiding geven tot het doorbreken van het beroepsgeheim. De arts kan in dat geval de dienst infectiebestrijding van zijn regio op de hoogte brengen.

(1) T. Vansweevelt en F. Dewallens, "Handboek gezondheidsrecht Volume II, Rechten van patiënten: van embryo tot lijk", p. 345

(2) KB nr. 44 van 26 juni 2020 betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano.

(3) De ambtenaren- artsen of artsen van het Agentschap kunnen binnen de perken van hun opdracht en voor zover noodzakelijk bijstand vorderen van de lokale of de federale politie; art. 41, §4, tweede streepje, decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid; art. 19, §4, decreet van 2 mei 2019 tot wijziging in het Waalse wetboek van sociale actie in gezondheid wat betreft de preventie en de bevordering van de gezondheid.

COVID-1927/07/2020 Documentcode: a167019
report_problem Dit advies wordt vervangen door het advies van 19 september 2020 (a167027).
COVID-19 – Meldingsplicht door de arts bij terugkeer van een patiënt uit een rode zone

Het bureau van de nationale raad van de Orde der artsen heeft de vraag onderzocht van Domus Medica betreffende wat een arts moet doen indien hij kennis heeft van het feit dat een patiënt is teruggekeerd uit een rode zone en deze pertinent weigert zich te laten testen en niet in quarantaine verblijft.

Overeenkomstig de richtlijnen van Sciensano moet verplicht een test worden afgenomen bij asymptomatische reizigers die terugkeren uit een rode zone. Asymptomatische reizigers die terugkeren uit hoog-risico-zones worden beschouwd als hoogrisico contacten. Zij moeten de richtlijnen voor testen en quarantaine volgen van de procedure contact. Voor de meeste reizigers zal dit betekenen dat ze meteen na aankomst (tijdens de normale werkuren) contact moeten nemen met hun huisarts om een eerste test af te spreken. Ook als die test negatief is, moeten ze verder in quarantaine blijven. De quarantaine wordt gestopt 14 dagen na het verlaten van het risicogebied of ten vroegste 10 dagen na het verlaten van het risicogebied, op voorwaarde dat er een tweede negatieve test op dag 9 gebeurde.

Tijdens de hele periode moeten ze waakzaam zijn voor het eventueel verschijnen van symptomen en indien ze aan de definitie van een mogelijk geval voldoen, moeten ze zo snel mogelijk getest worden.

(https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_FAQ_travel_NL.pdf;

https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_contact_NL.pdf;

https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_GP_NL.pdf)

Quarantaine is verplicht voor reizigers die België betreden vanuit een rode zone. Indien de patiënt niet meer in verlof is en niet kan thuiswerken, wordt hiervoor een certificaat van quarantaine opgesteld. Alle terugkerende reizigers wordt gevraagd extra waakzaam te zijn op het verschijnen van symptomen. Als er zich symptomen ontwikkelen die kunnen wijzen op COVID-19 wordt hen gevraagd om hun huisarts te contacteren en de reisgeschiedenis te vermelden.

(https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_FAQ_travel_NL.pdf;

https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_contact_NL.pdf;

https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_GP_NL.pdf)

De verplichting van de arts een test voor te schrijven bij reizigers die terugkeren uit een rode zone valt onder de verplichte melding overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 44 betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano (hierna: KB nr. 44). Artikel 6, § 1, lid 2 van het KB nr. 44 bepaalt "een verplichte melding van de Personen Categorie I (de personen voor wie de arts een coronavirus COVID-19 test heeft voorgeschreven) waarvan de arts geen vermoeden heeft dat zij besmet zijn met COVID-19 (...)"

Artikel 6, § 1, lid 1 van het KB nr. 44 bepaalt ook " een verplichte melding voor de personen zoals bedoeld in het decreet van het Vlaams Parlement van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, het decreet van 2 mei 2019 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid wat betreft de preventie en de bevordering van de gezondheid, de ordonnantie van 19 juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie van 23 april 2009 betreffende de profylaxe tegen overdraagbare ziekten, en het decreet van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap van 1 juni 2004 betreffende de gezondheidspromotie en inzake medische preventie en zijn uitvoeringsbesluiten (...)". Bijgevolg moet de behandelende arts ook zonder dat een test werd voorgeschreven melding maken van een meldingsplichtige ziekte binnen de 24 uur vanaf het eerste vermoeden van een ernstige infectie die is opgenomen in de lijst "meldingsplichtige infectieziekten".

Tenslotte, overeenkomstig het ministerieel besluit van 10 juli 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, is de reiziger die terugkeert uit een gebied in de Schengenzone aangeduid als rode zone, verplicht om voorafgaand aan de reis het "Passenger Locator Form", bekendgemaakt op de website van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en de Dienst Vreemdelingenzaken (https://diplomatie.belgium.be/nl), in te vullen, te ondertekenen en te bezorgen aan de vervoerder, die ertoe gehouden is deze verklaring te bezorgen aan Saniport.

Een persoon die terugkeert uit een rode zone heeft aldus de wettelijke verplichting het "Passenger Locator Form" in te vullen, opdat de bevoegde overheid de noodzakelijke maatregelen zou kunnen nemen en de betrokken (mogelijks besmette) persoon naderhand kan contacteren. In deze context heeft niet enkel de arts, maar iedere burger een verantwoordelijkheid en kan een inbreuk op deze verplichting door eenieder worden gemeld aan de bevoegde autoriteiten.

Beroepsgeheim14/05/2020 Documentcode: a167014
Beroepsgeheim in de context van de methode van de contactopsporing in de strijd tegen de verdere verspreiding van het coronavirus Covid-19

Het bureau van de nationale raad van de Orde der artsen heeft de problematiek onderzocht betreffende het beroepsgeheim in de context van de methode van de contactopsporing in de strijd tegen de verdere verspreiding van het coronavirus Covid-19.

De bevoegde overheden nemen de maatregelen die zij nodig achten ter voorkoming van de verdere verspreiding van het coronavirus Covid-19. Het opleggen van maatregelen aan de burgers, vergt steeds een afweging tussen verschillende normen en belangen binnen de samenleving. Bij het implementeren van maatregelen op gezondheidsvlak zullen telkens onder meer de bescherming van de volksgezondheid, het recht op kwaliteitsvolle zorg, het recht op privacy en het beroepsgeheim tegen elkaar worden afgewogen.

Contactopsporing is geen nieuwe methode om een verdere verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan, ter bescherming van de volksgezondheid. Deze methode laat toe de besmettingsbronnen op te sporen en vroegtijdig preventief te handelen, door de individuele burger gezondheidsadvies te verstrekken en in te lichten over een mogelijk risico op besmetting met het virus, met als gevolg een tweede besmettingsgolf te vermijden.

Gezien de bijzonder ernstige gezondheidssituatie, de aanzienlijke gevolgen op de maatschappij en de noodzakelijkheid om het coronavirus Covid-19 in te dijken, zowel voor de bevoegde instanties, als voor de zorgverleners en de burgers, is het miskennen van de methode van de contactopsporing niet bedachtzaam. Het gaat om een tijdelijke maatregel(1), waarvoor een advies werd gevraagd aan de bevoegde autoriteiten betreffende de beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit en de gevoeligheden inzake de privacywetgeving(2). In afwezigheid van een adequaat geneesmiddel en een efficiënt vaccin is de methode van de contactopsporing het middel bij uitstek om de pandemie te proberen bedwingen. Bovendien biedt deze methode een perspectief voor de evolutie en de beheersbaarheid van de epidemie in het belang van de volksgezondheid.

Om deze redenen is het deontologisch aangewezen dat de arts zijn medewerking verleent aan de contactopsporing, zowel betreffende de verplichte melding van de patiënten die vermoedelijk besmet zijn met Covid-19, als betreffende de contactopvolging in het geval de arts zelfs besmet is met Covid-19.

Om de vertrouwensrelatie met de patiënt te vrijwaren, dient de arts de patiënt in duidelijke taal te informeren over de methode van de contactopsporing en het nut ervan in de strijd tegen het coronavirus.

De bevoegde overheden stellen affiches en informatiefolders, eventueel te plaatsen in de wachtzaal, ter beschikking via https://www.info-coronavirus.be/nl/contactopvolging. Patiënten kunnen informatie inwinnen via de link https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_patient_info_contact_tracing_NL.pdf.

Op juridisch vlak is een zorgvuldig wettelijk kader betreffende het beroepsgeheim noodzakelijk (3).

(1) Art. 6 van het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020 tot oprichting van een databank bij Sciensano in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus Covid-19 bepaalt dat het besluit ophoudt uitwerking te hebben op 4 juni 2020.

(2) Algemene Verordening Gegevensbescherming van 27 april 2016; Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens

(3) Inmiddels werd een juridisch kader uitgewerkt met als gevolg dat het doorgeven van patiëntgegevens door een arts aan het contactcentrum gerechtvaardigd is en niet langer een juridisch strafrechtelijke inbreuk vormt op het beroepsgeheim. Artikel 1, §5 van het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020 betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano, bepaalt dat "in afwijking van artikel 458 van het Strafwetboek zijn de gezondheidszorgverleners ontheven van hun geheimhoudingsplicht uit hoofde van dit besluit".