De Orde der artsen werd opgericht bij wet van 25 juli 1938. De Tweede Wereldoorlog legde echter de uitvoering van deze wet stil. Uiteindelijk zou ze slechts een decennium later toegepast worden: een besluit van de Regent van 3 april 1947 regelde de inrichting van de eerste verkiezingen die plaatsvonden op 13 juni 1947.

De Orde der artsen bestaat uit volgende organen: 10 provinciale raden, een Franstalige en een Nederlandstalige raad van beroep en de nationale raad.

De Orde der artsen heeft publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Zij is dus juridisch geen vereniging of een privaatrechtelijke organisatie waarvan een arts vrij deel kan uitmaken. De arts is integendeel verplicht zich in te schrijven op de lijst van één - en slechts één - provinciale raad.

Meer informatie over dit onderwerp


Het geneeskundige getuigschrift. (Art. 26 van de Code medische deontologie 2018)

Het geneeskundig getuigschrift strekt ertoe de echtheid van een medisch feit vast te stellen ten aanzien van derden (fysieke of psychische gezondheid, ziekte, ongeval, zorg).

Bij het opstellen ervan worden de beginselen van oprechtheid, objectiviteit, voorzichtigheid en naleving van het medisch geheim in acht genomen. Deze beginselen worden toegelicht in de adviezen van de nationale raad en worden hierna achtereenvolgens in herinnering gebracht.

Meer info vindt u via de volgende link : advies van de nationale raad van 19 september 2020:

Opstellen van medische documenten - Principes en aanbevelingen

Hoe moet een geneeskundig getuigschrift opgesteld worden ?

1. Blijk geven van oprechtheid en objectiviteit

Opzettelijk een vals attest opstellen is strafbaar, ongeacht de reden ervan. De arts moet objectief zijn en laat zich niet beïnvloeden.

De arts stelt het getuigschrift op na afloop van het gesprek met de patiënt, de anamnese en het medisch onderzoek.

Wanneer er geen medisch onderzoek plaatsvindt, vermeldt de arts dat hij zich baseert op een teleconsultatie of op het medisch dossier.

2. Voorzichtig en nauwkeurig te werk gaan

De arts is zich bewust van de grenzen van zijn kennis en van het onvoorspelbare in de evolutie van een gezondheidstoestand.

Hij beperkt zich tot het attesteren van een medisch feit.
Hij drukt zich correct uit en eerbiedigt de waardigheid van de patiënt.

De arts moet het getuigschrift ondertekenen en zijn identiteit, beroepsgegevens en Riziv- nummer vermelden.

Wanneer het model en de inhoud van het getuigschrift vastgelegd zijn door de wet, zorgt de arts ervoor dat het getuigschrift beantwoordt aan de wettelijke voorwaarden.

3. Relevante informatie vermelden en het medisch geheim eerbiedigen

De arts eerbiedigt het medisch geheim. De inhoud van het getuigschrift is beperkt tot wat noodzakelijk is voor het doeleinde ervan.

De in het getuigschrift te vermelden inlichtingen hangen af van de bestemmeling en van de wetgeving waarin het kadert (overlijdensverklaring, geneeskundig getuigschrift in het raam van een beschermingsmaatregel ten aanzien van een onbekwame meerderjarige, enz.)

De arts legt de inhoud van het getuigschrift uit aan de patiënt.

4. Het geneeskundig getuigschrift dagtekenen

De arts vermeldt op het geneeskundig getuigschrift altijd de datum van de dag waarop hij het opstelt, ook al attesteert hij de gezondheidstoestand van de patiënt op een moment voorafgaand aan het opstellen.

Bij een duplicaat preciseert de arts de datum waarop het originele document opgesteld werd en dateert hij het duplicaat met de opsteldatum.

Aan wie moet het geneeskundig getuigschrift overhandigd worden ?

De arts geeft het getuigschrift aan de patiënt of aan zijn vertrouwenspersoon indien de patiënt dit wenst.

Indien de patiënt een onbekwame meerderjarige is of een minderjarige die niet in staat is redelijkerwijze zijn belangen te beoordelen, geeft de arts het document aan zijn vertegenwoordiger.

Bijzonder geval - getuigschrift voor schoolverzuim


De arts mag geen geneeskundig getuigschrift voor schoolverzuim opstellen om een niet- medische reden (familievakantie, enz.)

De arts kan uitzonderlijk een ’dixit-attest’ opstellen waarin hij uitdrukkelijk vermeldt dat het uitsluitend gebaseerd is op de verklaringen van de betrokkene en niet op zijn eigen medische vaststellingen.

Bij twijfel over de gegrondheid van een geneeskundig getuigschrift dat een behandelend arts verstrekt om de afwezigheid van een leerling te rechtvaardigen, kan de ‘CLB’-arts van de school contact opnemen met zijn collega om verduidelijking te verkrijgen met inachtneming van het medisch geheim.

Zo bijvoorbeeld vermeldt het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid bestemd voor de werkgever de diagnose niet, in tegenstelling tot dat bestemd voor de verzekeringsinstelling.

Mits de patiënt zijn toestemming geeft, kan de arts het getuigschrift doorsturen naar de door de patiënt aangewezen arts.

Meer info vindt u via de volgende link : model dixit-attest opgesteld in overleg met het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap

Hoe weten welk ereloon een arts vraagt? (Art. 33 van de Code medische deontologie 2018)

1- Is de arts geconventionneerd of deels geconventioneerd ?

De geconventioneerde arts verbindt er zich toe de tarieven vastgelegd door de akkoorden artsen-ziekenfondsen toe te passen.De niet-geconventioneerde arts bepaalt vrij zijn erelonen ; hij kan erelonensupplementen vragen.De deels geconventioneerde arts houdt zich op bepaalde dagen en tijdens bepaalde tijdblokken aan de tarieven vastgelegd door de akkoorden artsen-ziekenfondsen.Er is geen verband tussen de keuze van de arts om erelonensupplementen te vragen (niet geconventioneerd te zijn) en de zorgkwaliteit.De arts dient de patiënten in te lichten over zijn statuut (geconventioneerd, deels geconventioneerd, niet geconventioneerd). Deze informatie is eveneens toegankelijk hier. Indien de arts deels geconventioneerd is, preciseert hij de dagen en uren waarop hij de tarieven vastgelegd door de akkoorden artsen-ziekenfondsen niet toepast.Wanneer hij geconventioneerd is of werkt tijdens de uren waarop hij geconventioneerd is, komt enkel het remgeld voor rekening van de patiënt (het verschil tussen het bedrag terugbetaald door het ziekenfonds en de erelonen vastgelegd door het akkoord).Wanneer de arts niet geconventioneerd is, komen het remgeld en de eventuele ereloonsupplementen voor rekening van de patiënt.Het bedrag van de terugbetaling door de verzekeringsinstelling is hetzelfde ongeacht of de arts geconventioneerd is of niet. De hoogte van de tussenkomst van het ziekenfonds in de terugbetaling van de kosten verbonden aan de zorg dient gevraagd te worden aan dat ziekenfonds.Wat betreft de geneeskundige verstrekkingen in een ziekenhuisinstelling, is het de plicht van het ziekenhuis een lijst ter beschikking te stellen van de patiënten die aangeeft of de ziekenhuisarts de conventietarieven toepast.

2- Heeft het feit dat de arts geaccrediteerd is een impact op het bedrag van zijn erelonen ?

De artsen worden aangemoedigd zich tijdens hun ganse loopbaan bij te scholen om hun kennis en hun bekwaamheden up-to-date te houden met het oog op kwaliteit en veiligheid.

De accreditering is de erkenning die het RIZIV verleent aan de arts die voldaan heeft aan de vereisten van navorming gedefinieerd door het RIZIV.

Deze accreditering heeft een verhoging van de erelonen van de arts als gevolg, die gepaard gaat met een identieke verhoging van de tussenkomst van de verzekeringsinstelling bij de terugbetaling van de zorg.

3- Duidelijke en voorafgaande informatie over de erelonen

Het is aan de arts om de patiënt, vooraf en duidelijk, te informeren over de manier waarop hij zijn erelonen vastlegt (conventiestatuut, ereloonsupplementen, erelonen voor deskundigenonderzoek, enz.).

Deze informatie kan schriftelijk of mondeling geconcretiseerd worden, of zelfs door een uitnodiging zich tot het secretariaat van de arts te wenden. De patiënt moet nooit aarzelen bijkomende inlichtingen te vragen die hij nodig acht.

De arts vestigt de aandacht van de patiënt op de keuze en de kosten verbonden aan de zorg, in het bijzonder van de implantaten en protheses.

Hij deelt hem eveneens mee of de voorgestelde zorg (met inbegrip van de geneesmiddelen en de medische hulpmiddelen) niet terugbetaald wordt in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Moet ik een consult dat ik annuleerde of waarnaar ik niet ging, betalen ?

De arts kan een redelijke vergoeding vragen in geval van laattijdige annulatie of het niet opdagen op een afspraak.

De patiënt dient voorafgaand juist geïnformeerd te zijn over de toepassingsvoorwaarden van dergelijke vergoeding.

Wat met de ereloonsupplementen in geval van ziekenhuisopname ?

In geval van ziekenhuisopname preciseert de opnameverklaring de financiële gevolgen ervan. Het is de arts niet toegestaan ereloonsupplementen te factureren aan de patiënt die een

tweepersoonskamer of een gemeenschappelijke kamer kiest.

Alle bedragen schuldig voor de verstrekkingen van de ziekenhuisartsen dienen betaald te worden aan het ziekenhuis ; het is de arts verboden deze rechtstreeks te ontvangen.

Meer informatie betreffende de ziekenhuiskosten hier.

De onderstaande tekst heeft uitsluitend betrekking op de toegang tot het dossier van de overleden patiënt zoals geregeld in artikel 9, § 4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

Meer info vindt u via de volgende link : advies van de nationale raad van 17 december 2016

De toegang tot het patiëntendossier kan plaatsvinden in specifiek omlijnde contexten (gerechtelijk deskundigenonderzoek, wetenschappelijk onderzoek, enz.) die we hier niet behandelen.

Wie kan toegang krijgen tot het dossier van een overleden patiënt ?

De echtgeno(o)t(e), de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede graad.

Onder welke voorwaarden ?

1- De patiënt heeft er zich tijdens zijn leven niet tegen verzet

De nationale raad geeft de artsen de raad het verzet van de patiënt op te nemen in zijn dossier met vermelding van de datum.

2- Het verzoek moet voldoende gemotiveerd en gespecificeerd zijn

Doordat de wet oplegt dat het verzoek om toegang gemotiveerd moet zijn, dient degene die de vraag krijgt een afweging te maken van de betrokken belangen, langs de ene kant de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de overleden patiënt, langs de andere kant het gewettigd belang van de aanvrager.

Elke afweging dient geval per geval te gebeuren.

Hoe verloopt de toegang tot het dossier ?

1- Onrechtstreekse toegang

De wet kent de naasten het recht op onrechtstreekse toegang toe, via een beroepsbeoefenaar.

De naaste van de overleden patiënt mag het dossier niet zelf inkijken. Hij mag niet aanwezig zijn tijdens de inzage in de gegevens door de beoefenaar die hij aangewezen heeft.

De aangewezen beroepsbeoefenaar moet een beoefenaar zijn zoals bedoeld is in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen of met een praktijk zoals bedoeld is in de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen.

De nationale raad is van mening dat een adviserend arts van een verzekeringsmaatschappij, in het raam van zijn opdrachten, niet de beroepsbeoefenaar kan zijn door wiens tussenkomst de verwant van de overledene recht zou kunnen hebben op inzage in het medisch dossier van deze laatste (zie advies van 25 november 2006 over de inzage van het medisch dossier van een overledene door de adviserend arts van een verzekeringsmaatschappij, TNR nr. 115, maart 2007, p. 3).

2- Geen recht op afschrift

Dit recht op onrechtstreekse inzage laat niet toe een afschrift te verkrijgen van de gegevens in het medisch dossier.

3- Beperkte toegang

De toegang tot het dossier van de overleden patiënt is beperkt tot de gegevens van het dossier die relevant zijn voor de gegeven motivering.

Gegevens betreffende derden zijn uitgesloten van inzage.

Wat te doen bij moeilijkheden ?

De Orde der artsen staat ten dienst van de collega’s om hun te helpen het passende gevolg te geven aan de toegangsaanvragen die ze ontvangen. Ook aan patiënten en om het even welke andere persoon verstrekt zij graag de nodige informatie.

De ombudsfunctie ‘Rechten van de patiënt’ heeft onder meer als opdracht te bemiddelen in klachten van patiënten over de uitoefening van hun rechten maar ook vragen en klachten te voorkomen door de communicatie tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar te bevorderen. Voor ambulante zorg kan de patiënt zich wenden tot de federale ombudsdienst "Rechten van de patiënt".

Voor ziekenhuiszorg kan de patiënt zich wenden tot de ombudsfunctie van het betrokken ziekenhuis.

Zie ook de adviezen van de Federale commissie rechten van de patiënt

Zie tevens het artikel 24 van de Code Medische Deontologie 2018.

Hoelang moet de arts het patiëntendossier bewaren?

De Code van medische deontologie bepaalt dat de arts het patiëntendossier gedurende dertig jaar moet bewaren na het laatste contact met de patiënt. Daarna mag de arts de patiëntendossiers vernietigen. (art. 24, Code van medische deontologie) Deze deontologische plicht rust op alle artsen.

Voor artsen in ziekenhuisverband is de dertigjarige bewaartermijn van het patiëntendossier wettelijk verankerd. (art. 1, §3, koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waarvan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen).

De Kwaliteitswet, die in werking treedt op 1 juli 2022, bevestigt de dertigjarige bewaartermijn voor alle artsen (en zelfs ruimer: voor alle gezondheidszorgbeoefenaren). Voornoemde wet bepaalt dat de gezondheidszorgbeoefenaar het patiëntendossier gedurende minimum 30 jaar en maximum 50 jaar moet bewaren te rekenen vanaf het laatste patiëntencontact. (art. 35, wet van 22 april 2019 inzake de Kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg).

Overeenkomstig de Europese regelgeving moet de arts, indien hij het patiëntendossier langer dan dertig jaar bijhoudt, kunnen aantonen dat dit noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor hij de gezondheidsgegevens verwerkt, met name gezondheidszorg.

Moet de arts zelf instaan voor de bewaring? Is de bewaring door een derde toegestaan?

Hoewel elke arts de deontologische plicht heeft om het patiëntendossier gedurende dertig te bewaren na het laatste contact met de patiënt, hoeft de arts niet altijd zelf in te staan voor de bewaring.

De ziekenhuiswet bepaalt dat het patiëntendossier in ziekenhuisverband door het ziekenhuis wordt bewaard. (art. 20, §1, lid 1, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen).

De arts met een deskundigenopdracht hoeft het patiëntendossier niet te bewaren in zijn eigen archieven. De bewaring van het dossier kan worden gewaarborgd door de openbare of private instelling die de arts tewerkstelt, of, indien de arts een zelfstandigenstatuut heeft, door de persoon die hem de opdracht gaf. (advies nationale raad van 5 juli 2019, “Termijn van bewaring van de medische dossiers – arts belast met een evaluatieopdracht”, 0166002) Het behoort evenwel tot de verantwoordelijkheid van de arts met een deskundigenopdracht dat hierover duidelijke contractuele afspraken worden gemaakt met de opdrachtgever en dat dit eveneens wordt vermeld in het privacyreglement.

Moet de arts buiten ziekenhuisverband (privépraktijk) zelf instaan voor de bewaring van het patiëntendossier na de stopzetting van zijn praktijk?

Na de stopzetting van zijn praktijk, meestal omwille van het bereik van de pensioenleeftijd, behoudt de arts de deontologische plicht de patiëntendossiers gedurende dertig jaar na het laatste patiëntencontact te bewaren.

Dit betekent evenwel niet dat hij deze patiëntendossiers dient te bewaren in zijn eigen archieven.

Hij kan, bij de stopzetting van zijn praktijk, overeenkomen met de arts die hem opvolgt om de bewaarplicht over te nemen. Het is aangewezen om een schriftelijke overeenkomst op te stellen over wie de dossiers zal bewaren.

Wat is de inhoud van het patiëntendossier?

In principe moet de arts alle persoons-en gezondheidsgegevens die deel uitmaken van het patiëntendossier gedurende dertig jaar na het laatste patiëntencontact bewaren.

De inhoud van het patiëntendossier varieert in functie van de bijzondere kwalificaties van de arts, het soort praktijk, de behandeling van de patiënt, enz. (Commentaar bij art. 22, Code van medische deontologie).

De structuur en de categorieën van gegevens die in het patiëntendossier moeten worden vermeld, zijn standaard. Het betreft (1) de persoonlijke sociaal-administratieve gegevens, (2) een verslag van elke consultatie (datum, reden, antecedenten, anamnese, klinisch onderzoek, diagnose, onderzoek/behandeling) en (3) de documenten met de inlichtingen en evaluaties die gebruikt zijn voor de aan de patiënt toegediende zorg, betreffende de gezondheid van de patiënt en de evolutie ervan (verslagen van onderzoeken, protocollen, rapporten, medische beeldvorming, enz.). (Commentaar bij art. 22, Code van medische deontologie).

De wettelijke inhoud van het patiëntendossier verschilt naargelang de bijzondere kwalificatie van de arts en naargelang de arts werkzaam is in een ziekenhuis of niet.

Er is specifieke regelgeving betreffende het patiëntendossier in ziekenhuisverband en voor een huisarts in een globaal medisch dossier. (art. 2, koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waarvan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen; art. 1, §§ 1 en 2, koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende het Algemeen Medisch Dossier).

De Kwaliteitswet, die in werking treedt op 1 juli 2022, voorziet in een minimale inhoud van het patiëntendossier voor elke arts (en zelfs ruimer: elke gezondheidszorgbeoefenaar). (art. 33, wet van 22 april 2019 inzake de Kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg).

Moeten alle elementen die deel uitmaken van het patiëntendossier worden bewaard? Wat bijvoorbeeld met medisch beeldmateriaal?

In principe moeten alle elementen die deel uitmaken van het patiëntendossier gedurende minimum dertig jaar na het laatste patiëntencontact worden bewaard.

De vraag rijst dikwijls of dit ook het geval is voor stukken die om praktische of financiële redenen moeilijk te bewaren zijn, bijvoorbeeld medische beeldvorming, coupes of paraffineblokken.

De nationale raad is van mening dat ook deze stukken gedurende dertig jaar na het laatste patiëntencontact moeten worden bewaard. (zie onder meer advies van de nationale raad van 14 oktober 2017, “Toegang tot de röntgenbeelden door de artsen”, a159003 en advies van de nationale raad van 17 september 2016, “Bewaring van de coupes en de paraffineblokken voor de anatoompathologie”, a154010).

Indien dit om praktische of economische redenen niet mogelijk is, mag de arts, na overleg en mits zijn akkoord, met de patiënt overeenkomen de stukken aan hem te overhandigen voor bewaring. De arts mag deze moeilijk te bewaren stukken geenszins vernietigen. Ten slotte, dient hij minstens het verslag of het protocol te bewaren in het patiëntendossier.

Welke maatregelen moet de arts nemen ter bewaring van het patiëntendossier?

De Code van medische deontologie bepaalt dat het patiëntendossier veilig en met inachtneming van het beroepsgeheim moet worden bewaard. (art. 24, Code van medische deontologie).

De patiëntenrechtenwet bepaalt dat de patiënt recht heeft op een veilig bewaard patiëntendossier. (art. 9, §1, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt).

De arts of de instelling die het patiëntendossier bewaart, moet passende technische en organisatorische maatregelen nemen opdat de veilige bewaring van het patiëntendossier kan worden gegarandeerd, zodat de persoons- en gezondheidsgegevens van de patiënt beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging. (art. 5, 1. f), Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verban met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)).

De controlegeneeskunde wordt uitgeoefend door de controlearts voor rekening van een werkgever, waarbij hij nagaat of een werknemer niet in staat is te werken door ziekte of een ongeval.

Om de controlegeneeskunde uit te oefenen moet men gerechtigd zijn de geneeskunde uit te oefenen en vijf jaar ervaring hebben als huisarts of in een vergelijkbare praktijk.

Een arts kan niet terzelfder tijd handelen als controlearts en preventieadviseur- arbeidsarts voor hetzelfde bedrijf. Voor elke opdracht dient de controlearts een onafhankelijkheidsverklaring te ondertekenen die zijn onafhankelijkheid tegenover de werkgever en de werknemer waarborgt. Hij kan niet de arts zijn die het geneeskundig getuigschrift verstrekt heeft. Het model van deze onafhankelijkheidsverklaring is opgenomen in bijlage I van het koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanwijzing van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure.

De arts-scheidsrechter beslecht de geschillen van medische aard tussen de werknemer en de controlearts, overeenkomstig de scheidsrechterlijke procedure die is vastgelegd in artikel 31 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Om de functie van arts-scheidsrechter uit te oefenen moet men ingeschreven zijn op de lijst van artsen-scheidsrechters die bijgehouden wordt door de Orde der artsen (zie punt 1).

De onafhankelijkheid van de arts-scheidsrechter is essentieel. Hij kan niet de arts zijn die het geneeskundig getuigschrift aan de werknemer verstrekt heeft, noch de controlearts die hem onderzocht heeft. Hij kan ook niet de preventieadviseur-arbeidsarts van de onderneming zijn.

Sedert 1 augustus 2021 zijn de provinciale raden van de Orde der artsen, overeenkomstig de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, belast met het bijhouden van de lijst van artsen-scheidsrechters.

Ze zijn tevens belast met het behandelen van de klachten tegen controleartsen of artsen-scheidsrechters voor het opvolgen van de controle. Deze bevoegdheid komt bovenop de tuchtrechtelijke bevoegdheid waarover de provinciale raden reeds beschikken ten aanzien van deze artsen.

Lijst van artsen-scheidsrechters - vraag om inschrijving

De aanvraag tot inschrijving op de lijst van artsen-scheidsrechters wordt gericht aan de voorzitter van de provinciale raad van de Orde der artsen op wiens lijst de arts die de aanvraag indient ingeschreven is.

Ze wordt vergezeld van de volgende documenten :

  1. een attest van het RIZIV dat bewijst dat de aanvrager een huisartsactiviteit gedurende een termijn van minstens vijf jaar uitgeoefend heeft of het bewijs dat hij een vergelijkbare medische praktijk heeft;
  2. een verbintenisverklaring van onafhankelijkheid overeenkomstig het model dat in bijlage II bij het voornoemde besluit weergegeven is;
  3. een inventaris van alle uitgeoefende medische praktijken en van de plaatsen van uitoefening ervan;
  4. de aanwijzing van het geografische gebied waarvoor de uitoefening van de praktijk van de scheidsrechterlijke geneeskunde gevraagd wordt.

De gemotiveerde beslissing wordt genomen ten laatste drie maanden na de indiening van de aanvraag

Lijst van artsen-scheidsrechters - geldigheidsduur van de inschrijving

De inschrijving wordt toegekend voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.

Indien een arts-scheidsrechter niet meer voldoet aan de voorwaarden om ingeschreven te zijn op de lijst van artsen-scheidsrechters kan de Orde der artsen hem van deze lijst schrappen of hem schorsen.

Ingevolge een klacht kan de provinciale raad beslissen de arts-scheidsrechter van de lijst te schrappen of te schorsen voor een bepaalde periode.

Lijst van artsen-scheidsrechters - publicatie van de lijst van artsen-scheidsrechters

De lijst van artsen-scheidsrechters is beschikbaar op de website Ordomedic, onder het tabblad "zoek een arts".

Klacht tegen een controlearts of een arts-scheidsrechter - voorwerp van de klacht

De provinciale raden zijn bevoegd om klachten te behandelen betreffende de organisatie van de controle, de bevoegdheid, een gebrek aan onafhankelijkheid of een beroepsfout van een controlearts of een arts-scheidsrechter.

Op grond van hun tuchtbevoegdheid ten aanzien van de op hun lijst ingeschreven artsen zijn ze eveneens bevoegd om de fouten die deze artsen begaan in de uitoefening van hun beroep tuchtrechtelijk te bestraffen, alsook ernstige fouten die ze begaan buiten hun beroepsactiviteit wanneer deze de eer of de waardigheid van het beroep aantasten.

Klacht tegen een controlearts of een arts-scheidsrechter - Hoe klacht indienen ?

De klacht dient schriftelijk gericht te worden aan de voorzitter van de provinciale raad op wiens lijst de betrokken arts ingeschreven is.

Dit kan gebeuren via e-mail (https://ordomedic.be/nl/contact) of per post. De adressen van de provinciale raden zijn beschikbaar via de link https://ordomedic.be/nl/provinciale-raden/provinciale-raden.

De klacht wordt behandeld overeenkomstig de tuchtprocedure.

Wetgeving
  • Koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen (B.S. 14 november 1967)
  • Koninklijk besluit van 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren(B.S. 14 februari 1970)
  • Artikel 31 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (B.S. 22 augustus 1978)
  • Wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde (B.S. 13 juli 1999)
  • Koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanwijzing van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure (B.S. 18 juni 2021) en de bijlagen ervan tot vaststelling van het model van onafhankelijkheidsverklaring van de controlearts en van het model van verbintenisverklaring van onafhankelijkheid van de arts die naar de functie van arts-scheidsrechter solliciteert