FAQ

De Orde der artsen werd opgericht bij wet van 25 juli 1938. De Tweede Wereldoorlog legde echter de uitvoering van deze wet stil. Uiteindelijk zou ze slechts een decennium later toegepast worden: een besluit van de Regent van 3 april 1947 regelde de inrichting van de eerste verkiezingen die plaatsvonden op 13 juni 1947.

De Orde der artsen bestaat uit volgende organen: 10 provinciale raden, een Franstalige en een Nederlandstalige raad van beroep en de nationale raad.

De Orde der artsen heeft publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Zij is dus juridisch geen vereniging of een privaatrechtelijke organisatie waarvan een arts vrij deel kan uitmaken. De arts is integendeel verplicht zich in te schrijven op de lijst van één - en slechts één - provinciale raad.

Meer informatie over dit onderwerp


Het geneeskundige getuigschrift (art. 26, Code medische deontologie 2018)

Het geneeskundig getuigschrift strekt ertoe de echtheid van een medisch feit vast te stellen ten aanzien van derden (fysieke of psychische gezondheid, ziekte, ongeval, zorg).

Bij het opstellen ervan worden de beginselen van oprechtheid, objectiviteit, voorzichtigheid en naleving van het medisch geheim in acht genomen. Deze beginselen worden toegelicht in de adviezen van de nationale raad en worden hierna achtereenvolgens in herinnering gebracht.

Meer info vindt u via de volgende link : advies van de nationale raad van 19 september 2020:

Opstellen van medische documenten - Principes en aanbevelingen

Hoe moet een geneeskundig getuigschrift opgesteld worden ?

1. Blijk geven van oprechtheid en objectiviteit

Opzettelijk een vals attest opstellen is strafbaar, ongeacht de reden ervan. De arts moet objectief zijn en laat zich niet beïnvloeden.

De arts stelt het getuigschrift op na afloop van het gesprek met de patiënt, de anamnese en het medisch onderzoek.

Wanneer er geen medisch onderzoek plaatsvindt, vermeldt de arts dat hij zich baseert op een teleconsultatie of op het medisch dossier.

2. Voorzichtig en nauwkeurig te werk gaan

De arts is zich bewust van de grenzen van zijn kennis en van het onvoorspelbare in de evolutie van een gezondheidstoestand.

Hij beperkt zich tot het attesteren van een medisch feit.
Hij drukt zich correct uit en eerbiedigt de waardigheid van de patiënt.

De arts moet het getuigschrift ondertekenen en zijn identiteit, beroepsgegevens en Riziv- nummer vermelden.

Wanneer het model en de inhoud van het getuigschrift vastgelegd zijn door de wet, zorgt de arts ervoor dat het getuigschrift beantwoordt aan de wettelijke voorwaarden.

3. Relevante informatie vermelden en het medisch geheim eerbiedigen

De arts eerbiedigt het medisch geheim. De inhoud van het getuigschrift is beperkt tot wat noodzakelijk is voor het doeleinde ervan.

De in het getuigschrift te vermelden inlichtingen hangen af van de bestemmeling en van de wetgeving waarin het kadert (overlijdensverklaring, geneeskundig getuigschrift in het raam van een beschermingsmaatregel ten aanzien van een onbekwame meerderjarige, enz.)

De arts legt de inhoud van het getuigschrift uit aan de patiënt.

4. Het geneeskundig getuigschrift dagtekenen

De arts vermeldt op het geneeskundig getuigschrift altijd de datum van de dag waarop hij het opstelt, ook al attesteert hij de gezondheidstoestand van de patiënt op een moment voorafgaand aan het opstellen.

Bij een duplicaat preciseert de arts de datum waarop het originele document opgesteld werd en dateert hij het duplicaat met de opsteldatum.

Aan wie moet het geneeskundig getuigschrift overhandigd worden ?

De arts geeft het getuigschrift aan de patiënt of aan zijn vertrouwenspersoon indien de patiënt dit wenst.

Indien de patiënt een onbekwame meerderjarige is of een minderjarige die niet in staat is redelijkerwijze zijn belangen te beoordelen, geeft de arts het document aan zijn vertegenwoordiger.

Bijzonder geval - getuigschrift voor schoolverzuim


De arts mag geen geneeskundig getuigschrift voor schoolverzuim opstellen om een niet- medische reden (familievakantie, enz.)

De arts kan uitzonderlijk een ’dixit-attest’ opstellen waarin hij uitdrukkelijk vermeldt dat het uitsluitend gebaseerd is op de verklaringen van de betrokkene en niet op zijn eigen medische vaststellingen.

Bij twijfel over de gegrondheid van een geneeskundig getuigschrift dat een behandelend arts verstrekt om de afwezigheid van een leerling te rechtvaardigen, kan de ‘CLB’-arts van de school contact opnemen met zijn collega om verduidelijking te verkrijgen met inachtneming van het medisch geheim.

Zo bijvoorbeeld vermeldt het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid bestemd voor de werkgever de diagnose niet, in tegenstelling tot dat bestemd voor de verzekeringsinstelling.

Mits de patiënt zijn toestemming geeft, kan de arts het getuigschrift doorsturen naar de door de patiënt aangewezen arts.

Meer info vindt u via de volgende link : model dixit-attest opgesteld in overleg met het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap

Hoe weten welk ereloon een arts vraagt? (art. 33, Code medische deontologie 2018)

1- Is de arts geconventionneerd of deels geconventioneerd ?

De geconventioneerde arts verbindt er zich toe de tarieven vastgelegd door de akkoorden artsen-ziekenfondsen toe te passen.De niet-geconventioneerde arts bepaalt vrij zijn erelonen ; hij kan erelonensupplementen vragen.De deels geconventioneerde arts houdt zich op bepaalde dagen en tijdens bepaalde tijdblokken aan de tarieven vastgelegd door de akkoorden artsen-ziekenfondsen.Er is geen verband tussen de keuze van de arts om erelonensupplementen te vragen (niet geconventioneerd te zijn) en de zorgkwaliteit.De arts dient de patiënten in te lichten over zijn statuut (geconventioneerd, deels geconventioneerd, niet geconventioneerd). Deze informatie is eveneens toegankelijk hier. Indien de arts deels geconventioneerd is, preciseert hij de dagen en uren waarop hij de tarieven vastgelegd door de akkoorden artsen-ziekenfondsen niet toepast.Wanneer hij geconventioneerd is of werkt tijdens de uren waarop hij geconventioneerd is, komt enkel het remgeld voor rekening van de patiënt (het verschil tussen het bedrag terugbetaald door het ziekenfonds en de erelonen vastgelegd door het akkoord).Wanneer de arts niet geconventioneerd is, komen het remgeld en de eventuele ereloonsupplementen voor rekening van de patiënt.Het bedrag van de terugbetaling door de verzekeringsinstelling is hetzelfde ongeacht of de arts geconventioneerd is of niet. De hoogte van de tussenkomst van het ziekenfonds in de terugbetaling van de kosten verbonden aan de zorg dient gevraagd te worden aan dat ziekenfonds.Wat betreft de geneeskundige verstrekkingen in een ziekenhuisinstelling, is het de plicht van het ziekenhuis een lijst ter beschikking te stellen van de patiënten die aangeeft of de ziekenhuisarts de conventietarieven toepast.

2- Heeft het feit dat de arts geaccrediteerd is een impact op het bedrag van zijn erelonen ?

De artsen worden aangemoedigd zich tijdens hun ganse loopbaan bij te scholen om hun kennis en hun bekwaamheden up-to-date te houden met het oog op kwaliteit en veiligheid.

De accreditering is de erkenning die het RIZIV verleent aan de arts die voldaan heeft aan de vereisten van navorming gedefinieerd door het RIZIV.

Deze accreditering heeft een verhoging van de erelonen van de arts als gevolg, die gepaard gaat met een identieke verhoging van de tussenkomst van de verzekeringsinstelling bij de terugbetaling van de zorg.

3- Duidelijke en voorafgaande informatie over de erelonen

Het is aan de arts om de patiënt, vooraf en duidelijk, te informeren over de manier waarop hij zijn erelonen vastlegt (conventiestatuut, ereloonsupplementen, erelonen voor deskundigenonderzoek, enz.).

Deze informatie kan schriftelijk of mondeling geconcretiseerd worden, of zelfs door een uitnodiging zich tot het secretariaat van de arts te wenden. De patiënt moet nooit aarzelen bijkomende inlichtingen te vragen die hij nodig acht.

De arts vestigt de aandacht van de patiënt op de keuze en de kosten verbonden aan de zorg, in het bijzonder van de implantaten en protheses.

Hij deelt hem eveneens mee of de voorgestelde zorg (met inbegrip van de geneesmiddelen en de medische hulpmiddelen) niet terugbetaald wordt in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Moet ik een consult dat ik annuleerde of waarnaar ik niet ging, betalen ?

De arts kan een redelijke vergoeding vragen in geval van laattijdige annulatie of het niet opdagen op een afspraak.

De patiënt dient voorafgaand juist geïnformeerd te zijn over de toepassingsvoorwaarden van dergelijke vergoeding.

Wat met de ereloonsupplementen in geval van ziekenhuisopname ?

In geval van ziekenhuisopname preciseert de opnameverklaring de financiële gevolgen ervan. Het is de arts niet toegestaan ereloonsupplementen te factureren aan de patiënt die een

tweepersoonskamer of een gemeenschappelijke kamer kiest.

Alle bedragen schuldig voor de verstrekkingen van de ziekenhuisartsen dienen betaald te worden aan het ziekenhuis ; het is de arts verboden deze rechtstreeks te ontvangen.

Meer informatie betreffende de ziekenhuiskosten hier.

Zie tevens het artikel 24 van de Code Medische Deontologie 2018.

Hoelang moet de arts het patiëntendossier bewaren?

De Code van medische deontologie bepaalt dat de arts het patiëntendossier gedurende dertig jaar moet bewaren na het laatste contact met de patiënt. Daarna mag de arts de patiëntendossiers vernietigen. (art. 24, Code van medische deontologie) Deze deontologische plicht rust op alle artsen.

Voor artsen in ziekenhuisverband is de dertigjarige bewaartermijn van het patiëntendossier wettelijk verankerd. (art. 1, §3, koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waarvan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen).

De Kwaliteitswet, die in werking treedt op 1 juli 2022, bevestigt de dertigjarige bewaartermijn voor alle artsen (en zelfs ruimer: voor alle gezondheidszorgbeoefenaren). Voornoemde wet bepaalt dat de gezondheidszorgbeoefenaar het patiëntendossier gedurende minimum 30 jaar en maximum 50 jaar moet bewaren te rekenen vanaf het laatste patiëntencontact. (art. 35, wet van 22 april 2019 inzake de Kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg).

Overeenkomstig de Europese regelgeving moet de arts, indien hij het patiëntendossier langer dan dertig jaar bijhoudt, kunnen aantonen dat dit noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor hij de gezondheidsgegevens verwerkt, met name gezondheidszorg.

Moet de arts zelf instaan voor de bewaring? Is de bewaring door een derde toegestaan?

Hoewel elke arts de deontologische plicht heeft om het patiëntendossier gedurende dertig te bewaren na het laatste contact met de patiënt, hoeft de arts niet altijd zelf in te staan voor de bewaring.

De ziekenhuiswet bepaalt dat het patiëntendossier in ziekenhuisverband door het ziekenhuis wordt bewaard. (art. 20, §1, lid 1, gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen).

De arts met een deskundigenopdracht hoeft het patiëntendossier niet te bewaren in zijn eigen archieven. De bewaring van het dossier kan worden gewaarborgd door de openbare of private instelling die de arts tewerkstelt, of, indien de arts een zelfstandigenstatuut heeft, door de persoon die hem de opdracht gaf. (advies nationale raad van 5 juli 2019, “Termijn van bewaring van de medische dossiers – arts belast met een evaluatieopdracht”, 0166002) Het behoort evenwel tot de verantwoordelijkheid van de arts met een deskundigenopdracht dat hierover duidelijke contractuele afspraken worden gemaakt met de opdrachtgever en dat dit eveneens wordt vermeld in het privacyreglement.

Moet de arts buiten ziekenhuisverband (privépraktijk) zelf instaan voor de bewaring van het patiëntendossier na de stopzetting van zijn praktijk?

Na de stopzetting van zijn praktijk, meestal omwille van het bereik van de pensioenleeftijd, behoudt de arts de deontologische plicht de patiëntendossiers gedurende dertig jaar na het laatste patiëntencontact te bewaren.

Dit betekent evenwel niet dat hij deze patiëntendossiers dient te bewaren in zijn eigen archieven.

Hij kan, bij de stopzetting van zijn praktijk, overeenkomen met de arts die hem opvolgt om de bewaarplicht over te nemen. Het is aangewezen om een schriftelijke overeenkomst op te stellen over wie de dossiers zal bewaren.

Wat is de inhoud van het patiëntendossier?

In principe moet de arts alle persoons-en gezondheidsgegevens die deel uitmaken van het patiëntendossier gedurende dertig jaar na het laatste patiëntencontact bewaren.

De inhoud van het patiëntendossier varieert in functie van de bijzondere kwalificaties van de arts, het soort praktijk, de behandeling van de patiënt, enz. (Commentaar bij art. 22, Code van medische deontologie).

De structuur en de categorieën van gegevens die in het patiëntendossier moeten worden vermeld, zijn standaard. Het betreft (1) de persoonlijke sociaal-administratieve gegevens, (2) een verslag van elke consultatie (datum, reden, antecedenten, anamnese, klinisch onderzoek, diagnose, onderzoek/behandeling) en (3) de documenten met de inlichtingen en evaluaties die gebruikt zijn voor de aan de patiënt toegediende zorg, betreffende de gezondheid van de patiënt en de evolutie ervan (verslagen van onderzoeken, protocollen, rapporten, medische beeldvorming, enz.). (Commentaar bij art. 22, Code van medische deontologie).

De wettelijke inhoud van het patiëntendossier verschilt naargelang de bijzondere kwalificatie van de arts en naargelang de arts werkzaam is in een ziekenhuis of niet.

Er is specifieke regelgeving betreffende het patiëntendossier in ziekenhuisverband en voor een huisarts in een globaal medisch dossier. (art. 2, koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waarvan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen; art. 1, §§ 1 en 2, koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende het Algemeen Medisch Dossier).

De Kwaliteitswet, die in werking treedt op 1 juli 2022, voorziet in een minimale inhoud van het patiëntendossier voor elke arts (en zelfs ruimer: elke gezondheidszorgbeoefenaar). (art. 33, wet van 22 april 2019 inzake de Kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg).

Moeten alle elementen die deel uitmaken van het patiëntendossier worden bewaard? Wat bijvoorbeeld met medisch beeldmateriaal?

In principe moeten alle elementen die deel uitmaken van het patiëntendossier gedurende minimum dertig jaar na het laatste patiëntencontact worden bewaard.

De vraag rijst dikwijls of dit ook het geval is voor stukken die om praktische of financiële redenen moeilijk te bewaren zijn, bijvoorbeeld medische beeldvorming, coupes of paraffineblokken.

De nationale raad is van mening dat ook deze stukken gedurende dertig jaar na het laatste patiëntencontact moeten worden bewaard. (zie onder meer advies van de nationale raad van 14 oktober 2017, “Toegang tot de röntgenbeelden door de artsen”, a159003 en advies van de nationale raad van 17 september 2016, “Bewaring van de coupes en de paraffineblokken voor de anatoompathologie”, a154010).

Indien dit om praktische of economische redenen niet mogelijk is, mag de arts, na overleg en mits zijn akkoord, met de patiënt overeenkomen de stukken aan hem te overhandigen voor bewaring. De arts mag deze moeilijk te bewaren stukken geenszins vernietigen. Ten slotte, dient hij minstens het verslag of het protocol te bewaren in het patiëntendossier.

Welke maatregelen moet de arts nemen ter bewaring van het patiëntendossier?

De Code van medische deontologie bepaalt dat het patiëntendossier veilig en met inachtneming van het beroepsgeheim moet worden bewaard. (art. 24, Code van medische deontologie).

De patiëntenrechtenwet bepaalt dat de patiënt recht heeft op een veilig bewaard patiëntendossier. (art. 9, §1, wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt).

De arts of de instelling die het patiëntendossier bewaart, moet passende technische en organisatorische maatregelen nemen opdat de veilige bewaring van het patiëntendossier kan worden gegarandeerd, zodat de persoons- en gezondheidsgegevens van de patiënt beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging. (art. 5, 1. f), Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verban met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)).

De controlegeneeskunde wordt uitgeoefend door de controlearts voor rekening van een werkgever, waarbij hij nagaat of een werknemer niet in staat is te werken door ziekte of een ongeval.

Om de controlegeneeskunde uit te oefenen moet men gerechtigd zijn de geneeskunde uit te oefenen en vijf jaar ervaring hebben als huisarts of in een vergelijkbare praktijk.

Een arts kan niet terzelfder tijd handelen als controlearts en preventieadviseur- arbeidsarts voor hetzelfde bedrijf. Voor elke opdracht dient de controlearts een onafhankelijkheidsverklaring te ondertekenen die zijn onafhankelijkheid tegenover de werkgever en de werknemer waarborgt. Hij kan niet de arts zijn die het geneeskundig getuigschrift verstrekt heeft. Het model van deze onafhankelijkheidsverklaring is opgenomen in bijlage I van het koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanwijzing van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure.

De arts-scheidsrechter beslecht de geschillen van medische aard tussen de werknemer en de controlearts, overeenkomstig de scheidsrechterlijke procedure die is vastgelegd in artikel 31 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Om de functie van arts-scheidsrechter uit te oefenen moet men ingeschreven zijn op de lijst van artsen-scheidsrechters die bijgehouden wordt door de Orde der artsen (zie punt 1).

De onafhankelijkheid van de arts-scheidsrechter is essentieel. Hij kan niet de arts zijn die het geneeskundig getuigschrift aan de werknemer verstrekt heeft, noch de controlearts die hem onderzocht heeft. Hij kan ook niet de preventieadviseur-arbeidsarts van de onderneming zijn.

Sedert 1 augustus 2021 zijn de provinciale raden van de Orde der artsen, overeenkomstig de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, belast met het bijhouden van de lijst van artsen-scheidsrechters.

Ze zijn tevens belast met het behandelen van de klachten tegen controleartsen of artsen-scheidsrechters voor het opvolgen van de controle. Deze bevoegdheid komt bovenop de tuchtrechtelijke bevoegdheid waarover de provinciale raden reeds beschikken ten aanzien van deze artsen.

Lijst van artsen-scheidsrechters - vraag om inschrijving

De aanvraag tot inschrijving op de lijst van artsen-scheidsrechters wordt gericht aan de voorzitter van de provinciale raad van de Orde der artsen op wiens lijst de arts die de aanvraag indient ingeschreven is.

Ze wordt vergezeld van de volgende documenten :

  1. een attest van het RIZIV dat bewijst dat de aanvrager een huisartsactiviteit gedurende een termijn van minstens vijf jaar uitgeoefend heeft of het bewijs dat hij een vergelijkbare medische praktijk heeft;
  2. een verbintenisverklaring van onafhankelijkheid overeenkomstig het model dat in bijlage II bij het voornoemde besluit weergegeven is;
  3. een inventaris van alle uitgeoefende medische praktijken en van de plaatsen van uitoefening ervan;
  4. de aanwijzing van het geografische gebied waarvoor de uitoefening van de praktijk van de scheidsrechterlijke geneeskunde gevraagd wordt.

De gemotiveerde beslissing wordt genomen ten laatste drie maanden na de indiening van de aanvraag

Lijst van artsen-scheidsrechters - geldigheidsduur van de inschrijving

De inschrijving wordt toegekend voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.

Indien een arts-scheidsrechter niet meer voldoet aan de voorwaarden om ingeschreven te zijn op de lijst van artsen-scheidsrechters kan de Orde der artsen hem van deze lijst schrappen of hem schorsen.

Ingevolge een klacht kan de provinciale raad beslissen de arts-scheidsrechter van de lijst te schrappen of te schorsen voor een bepaalde periode.

Lijst van artsen-scheidsrechters - publicatie van de lijst van artsen-scheidsrechters

De lijst van artsen-scheidsrechters is beschikbaar op de website Ordomedic, onder het tabblad "zoek een arts".

Klacht tegen een controlearts of een arts-scheidsrechter - voorwerp van de klacht

De provinciale raden zijn bevoegd om klachten te behandelen betreffende de organisatie van de controle, de bevoegdheid, een gebrek aan onafhankelijkheid of een beroepsfout van een controlearts of een arts-scheidsrechter.

Op grond van hun tuchtbevoegdheid ten aanzien van de op hun lijst ingeschreven artsen zijn ze eveneens bevoegd om de fouten die deze artsen begaan in de uitoefening van hun beroep tuchtrechtelijk te bestraffen, alsook ernstige fouten die ze begaan buiten hun beroepsactiviteit wanneer deze de eer of de waardigheid van het beroep aantasten.

Klacht tegen een controlearts of een arts-scheidsrechter - Hoe klacht indienen ?

De klacht dient schriftelijk gericht te worden aan de voorzitter van de provinciale raad op wiens lijst de betrokken arts ingeschreven is.

Dit kan gebeuren via e-mail (https://ordomedic.be/nl/contact) of per post. De adressen van de provinciale raden zijn beschikbaar via de link https://ordomedic.be/nl/provinciale-raden/provinciale-raden.

De klacht wordt behandeld overeenkomstig de tuchtprocedure.

Wetgeving
  • Koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen (B.S. 14 november 1967)
  • Koninklijk besluit van 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren(B.S. 14 februari 1970)
  • Artikel 31 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (B.S. 22 augustus 1978)
  • Wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde (B.S. 13 juli 1999)
  • Koninklijk besluit van 1 juni 2021 betreffende de aanwijzing van de controleartsen en artsen-scheidsrechters, en betreffende de klachtenprocedure (B.S. 18 juni 2021) en de bijlagen ervan tot vaststelling van het model van onafhankelijkheidsverklaring van de controlearts en van het model van verbintenisverklaring van onafhankelijkheid van de arts die naar de functie van arts-scheidsrechter solliciteert

De arts die moet getuigen in rechte mag het medisch geheim doorbreken (artikel 458 van het Strafwetboek).

De arts die in rechte getuigt, kan enkel in het belang van zijn patiënt een zwijgrecht inroepen (artikel 28 van de Code van medische deontologie).

Voor meer informatie, raadpleeg: Medisch geheim en justitie

Wat valt onder het medisch geheim?

Het medisch geheim beschermt niet alleen de toevertrouwde geheimen van de patiënt, maar alle inlichtingen die ter kennis gebracht worden van de arts tijdens of bij gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep (artikel 25 van de Code van medische deontologie).

Wat is een getuigenis in rechte?

De getuigenis in rechte is een schriftelijke of mondelinge verklaring, onder eed, op verzoek van en voor een onderzoeksrechter of een rechter. De onderzoeksrechter kan, via een vordering, een politieagent belasten met het afnemen van een getuigenis in rechte.

Het verhoor in het kader van een opsporingsonderzoek door de procureur des Konings of, onder leiding van deze laatste, door de politie, is geen getuigenis in rechte.

Is de arts verplicht om te getuigen?

De arts die gedagvaard wordt, moet verschijnen en de eed afleggen maar het staat hem vervolgens vrij te spreken of te zwijgen.

Een getuige kan weigeren te getuigen op grond van een wettige reden, waaronder het beroepsgeheim (artikel 929 van het Gerechtelijk Wetboek).

De beoordelingsbevoegdheid ligt bij de arts en hij dient in geweten te beslissen of hij een verklaring moet afleggen over feiten die hem ter kennis gebracht worden tijdens of bij gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep.

De medische deontologie raadt aan dat de arts zich bij zijn beslissing laat leiden door het belang van de patiënt.

Is de toestemming van de patiënt nodig om te getuigen?

Wanneer de arts ondervraagd wordt over feiten waarvan een patiënt het slachtoffer is, is het wenselijk dat hij voorafgaandelijk met hem probeert te spreken om na te gaan of de patiënt instemt met zijn getuigenis. De eventuele weigering van de patiënt mag niet genegeerd worden, tenzij de arts meent dat zijn patiënt ernstig gevaar loopt en dat zijn getuigenis hem kan helpen.

Wanneer de patiënt zich in een kwetsbare situatie bevindt wegens leeftijd, ziekte, gebrekkigheid of lichamelijke of geestelijke handicap waardoor hij zijn belangen niet kan verdedigen, is het gerechtvaardigd het medisch geheim te doorbreken ter bescherming van de integriteit van de kwetsbare persoon.

Wanneer de arts ondervraagd wordt over feiten die de patiënt ten laste gelegd worden, dient hij het geheim te eerbiedigen tenzij hij in geweten en rekening houdend met de ernst van de feiten meent te moeten getuigen om een hoger belang te beschermen.

Wat moet worden onthuld?

De arts onthult enkel wat nodig is en verband houdt met het onderwerp van zijn verhoor.

Hij moet natuurlijk de waarheid spreken. Zijn verklaringen moeten objectief zijn en duidelijk een onderscheid maken tussen wat hij zelf heeft vastgesteld en wat hem ter kennis werd gebracht.


De wet schrijft voor dat de arts het overlijden moet vaststellen en het overlijdensattest moet verstrekken. Dit attest is een voorwaarde voor het opstellen van de overlijdensakte door de ambtenaar van de burgerlijke stand en voor het verlenen van toestemming tot begrafenis of crematie. Het maakt ook mogelijk statistische gegevens te verzamelen.

Het belang van de wettelijke taak van de arts mag niet worden onderschat noch gebagatelliseerd. Naast de juridische en administratieve aspecten van deze opdracht, zijn de tussenkomst en de aanwezigheid van de arts eveneens belangrijk voor de nabestaanden. Geconfronteerd met de dood bevinden zij zich in een situatie van emotionele kwetsbaarheid. In deze omstandigheden zijn de steun, begeleiding en solidariteit van de arts van wezenlijk belang.

1. Rol van de behandelend arts bij het vaststellen van een overlijden

De nationale raad is van oordeel dat bij overlijden de eerste arts die opgeroepen dient te worden de behandelend arts van de patiënt is. Indien mogelijk gaat deze ter plaatse, ook al heeft hij geen wachtdienst.

Indien de behandelend arts niet kan gaan, moet de arts met wachtdienst ter plaatse gaan.

2. Onderzoek van het lichaam

De arts moet attesteren of er een bezwaar tegen begrafenis of crematie is. Dit houdt in dat het lichaam zo spoedig mogelijk onderzocht moet worden om te vermijden dat bepaalde sporen verdwijnen, het lichaam verplaatst wordt, er iets gewijzigd wordt aan de plaats of de persoon afgelegd wordt vóór dit onderzoek.

De arts gaat zorgvuldig na of er sporen zijn van een gewelddadige of verdachte dood, die onopvallend kunnen zijn of zelfs op bedekte delen van het lichaam kunnen voorkomen. Een onderzoek op een naakt lichaam en aan alle zijden is noodzakelijk.

3. Nagaan of een pacemaker of defibrillator aanwezig is

Deze moeten verwijderd worden vóór de begrafenis of crematie door een beroepsbeoefenaar die over de nodige ervaring beschikt.

4. Het formulier model III C of het formulier model III D invullen

Het formulier model III C heeft betrekking op het overlijden van een persoon van een jaar of ouder, het formulier model III D op dat van een persoon van minder dan een jaar of doodgeboren. Beide formulieren bevatten een strook A, B, C en D.

Strook A is de enige strook die de identiteit, de verblijfplaats en het adres van overlijden van de overledene vermeldt.

Ze heeft betrekking op de eventuele bezwaren tegen begrafenis, crematie, conserveringstechnieken, vervoer zonder kist, schenking van het lichaam en onmiddellijke kisting in een hermetische kist.

Elk gewelddadig overlijden (ongeval, zelfmoord of doding) of elk vermoeden van gewelddadig overlijden heeft tot gevolg dat de arts die het overlijden attesteert het gerechtelijk-geneeskundig bezwaar tegen begrafenis, crematie en conserveringstechnieken aanduidt.

Er dient tevens bewaar tegen crematie en begrafenis aangeduid te worden indien bij de overledene een lithiumbatterij (pacemaker) aanwezig is.

Strook B bevat de datum, het uur en de plaats van het overlijden alsook het geslacht van de overleden persoon. Deze strook heeft een statistisch doeleinde.

Strook C bevat informatie van medische aard, met name de aard van het overlijden (natuurlijk of gewelddadig). Indien de arts twijfelt, duidt hij « kan niet bepaald worden » aan.

Strook C vermeldt ook de oorzaak van het overlijden. De arts moet de ziekte of aandoening preciseren die rechtstreeks de dood tot gevolg had. Indien hij de patiënt wiens overlijden hij dient vast te stellen niet kent en daardoor moeilijk de oorzaak ervan kan bepalen, wint hij medische informatie in bij de behandelend arts, bij de gezondheidszorgberoepsbeoefenaars die de overleden persoon behandeld hebben tijdens zijn levenseinde of bij zijn omgeving.

De arts gaat objectief en oprecht te werk en laat zich niet beïnvloeden bij het invullen van deze verschillende stroken. Bij moeilijkheden kan de arts terecht bij de provinciale raad van de Orde.

5. Voor wie zijn de verschillende stroken van de formulieren III C en III D bestemd ?

De arts vult de stroken A, B en C van de formulieren in, ondertekent ze en plaatst strook C onder verzegelde omslag. Hij overhandigt deze documenten aan de persoon die het overlijden gaat aangeven ; deze moet ze zonder verwijl bezorgen aan het gemeentebestuur van de plaats van overlijden.

Het gemeentebestuur vult strook D in, controleert strook B en bewaart strook A. Het neemt geen kennis van strook C (onder verzegelde omslag) en bezorgt de stroken B, C en D aan de verantwoordelijke arts-ambtenaar. Alleen deze laatste mag strook C openen en verwerken.

Het Nationaal Instituut voor de Statistiek stelt jaarlijks een statistiek van de doodsoorzaken op aan de hand van de inlichtingen op de formulieren model III C en model III D.

De arts-ambtenaar bezorgt de gegevens van de stroken B, C en D aan het Nationaal Instituut voor de Statistiek. De naam en het adres van de overleden persoon worden niet doorgegeven.

Elk formulier bevat een uniek identificatienummer. De arts mag dus in geen geval gebruik maken van kopieën. De formulieren voor de aangifte van overlijden, model III C en model III D, kunnen via mail besteld worden op het volgende adres demogra-cdc-enq-cit@economie.fgov.be.

De onderstaande tekst heeft uitsluitend betrekking op de toegang tot het dossier van de overleden patiënt zoals geregeld in artikel 9, §4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

Meer info vindt u via de volgende link : advies van de nationale raad van 17 december 2016

De toegang tot het patiëntendossier van de overleden patiënt kan plaatsvinden in specifiek omlijnde contexten (gerechtelijk deskundigenonderzoek, wetenschappelijk onderzoek, enz.) die we hier niet behandelen.

Wie kan toegang krijgen tot het dossier van een overleden patiënt ?

De echtgeno(o)t(e), de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede graad.

Onder welke voorwaarden ?

1- DE PATIËNT HEEFT ER ZICH TIJDENS ZIJN LEVEN NIET TEGEN VERZET

De nationale raad geeft de artsen de raad het verzet van de patiënt op te nemen in zijn dossier met vermelding van de datum.

2- HET VERZOEK MOET VOLDOENDE GEMOTIVEERD EN GESPECIFICEERD ZIJN

De wet bepaalt dat het verzoek om toegang voldoende gemotiveerd en gespecifieerd moet zijn. De (behandelende) arts die het verzoek krijgt, dient een afweging te maken van de betrokken belangen, enerzijds de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de overleden patiënt, anderzijds het gewettigd belang van de verzoekende partij.

Elke afweging dient geval per geval te gebeuren.

Een inzage kan bijvoorbeeld gerechtvaardigd zijn om medische redenen. Ook kan een inzage gerechtvaardigd zijn om de omstandigheden van het overlijden te kennen en zo het overlijden te verwerken. Tenslotte kunnen ook testamentaire betwistingen het voorwerp uitmaken van een gemotiveerd en gespecifieerd verzoek tot inzage, mits er ernstige elementen zijn om ervan uit te gaan dat het testament werd opgemaakt op een ogenblik dat de erflater niet over de vereiste wilsbekwaamheid beschikte en de inzage van het medisch dossier in het belang en ter bescherming is van de overleden patiënt.

Hoe verloopt de toegang tot het dossier ?

1- ONRECHTSTREEKSE TOEGANG

De wet kent de naasten het recht op onrechtstreekse toegang toe, via een andere gezondheidszorgbeoefenaar.

De naaste van de overleden patiënt mag het dossier niet zelf inkijken. Hij mag niet aanwezig zijn tijdens de inzage in de gezondheidsgegevens van de overledene door de gezondheidszorgbeoefenaar die hij aangewezen heeft.

De aangewezen beroepsbeoefenaar moet een beoefenaar zijn zoals bedoeld is in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen of met een praktijk zoals bedoeld is in de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen.

De nationale raad is van mening dat een adviserend arts van een verzekeringsmaatschappij, in het raam van zijn opdrachten, niet de beroepsbeoefenaar kan zijn door wiens tussenkomst de verwant van de overledene recht zou kunnen hebben op inzage in het medisch dossier van deze laatste (zie advies van 25 november 2006 over de inzage van het medisch dossier van een overledene door de adviserend arts van een verzekeringsmaatschappij, TNR nr. 115, maart 2007, p. 3).

De inzage ter plaatse geniet de voorkeur. In geval van praktische moeilijkheden (bijvoorbeeld afstand, hygiënemaatregelen in tijden van pandemie, enz.), mag de behandelende arts het (elektronisch en/of schriftelijk) dossier (eventueel gedeeltelijk) ter inzage opsturen naar de aangeduide gezondheidszorgbeoefenaar. Nadien bezorgt deze het dossier terug aan de behandelende arts. Het is de aangeduide gezondheidszorgbeoefenaar wettelijk verboden het dossier rechtstreeks ter beschikking te stellen aan de nabestaanden.

2- GEEN RECHT OP AFSCHRIFT

Dit recht op onrechtstreekse inzage laat niet toe een afschrift te verkrijgen van de gegevens in het medisch dossier.

De aangeduide beroepsbeoefenaar mag evenwel een kort verslag opstellen en dit overhandigen aan de verzoekende nabestaanden.

3- BEPERKTE TOEGANG

De toegang tot het dossier van de overleden patiënt is beperkt tot de gegevens van het dossier die relevant zijn voor de gegeven motivering.

Gegevens betreffende derden zijn uitgesloten van inzage.

Wat te doen bij moeilijkheden ?

De Orde der artsen staat ten dienste van de collega’s om hen te helpen het passende gevolg te geven aan de toegangsaanvragen die ze ontvangen. Ook aan patiënten en om het even welke andere persoon verstrekt zij graag de nodige informatie.

De ombudsfunctie ‘Rechten van de patiënt’ heeft onder meer als opdracht te bemiddelen in klachten van patiënten over de uitoefening van hun rechten, maar ook vragen en klachten te voorkomen door de communicatie tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar te bevorderen. Voor ambulante zorg kan de patiënt zich wenden tot de federale ombudsdienst "Rechten van de patiënt".

Voor ziekenhuiszorg kan de patiënt zich wenden tot de ombudsfunctie van het betrokken ziekenhuis.

Zie ook de adviezen van de Federale commissie rechten van de patiënt

De eerbiediging van de waardigheid en de autonomie van de persoon vereist dat hij vrij toestemt in de zorg die hem voorgesteld wordt na de nodige informatie te hebben ontvangen.

In de regel is de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt van toepassing. Deze wet stelt dat de informatie voorafgaandelijk en tijdig verstrekt wordt, zonder in een vaste bedenktermijn voor de patiënt te voorzien tussen het krijgen van de informatie en de medische interventie (artikel 8).

Enkele specifieke wetgevingen bepalen de bedenktijd die moet worden gerespecteerd (zie punt 5 hieronder).

1. De informatie wordt voorafgaandelijk en tijdig verstrekt

Krachtens artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt dient de informatie specifiek te zijn aan de medische handeling waarvoor de toestemming van de patiënt vereist is. Voor meer precisering over het informeren van de patiënt, zie het advies van 6 mei 2017 met als titel Informeren van de patiënt over zijn gezondheidstoestand en de verstrekte zorg

De patiënt moet ze zo spoedig mogelijk krijgen. De bedenktijd mag niet te lijden hebben onder te late informatie.

De tijd die de patiënt nodig heeft om de gekregen informatie te verwerken en in te stemmen met de zorg is specifiek aan elk geval. Hij dient geïndividualiseerd te worden en redelijk te zijn, rekening houdend met de medische omstandigheden van het geval (onomkeerbaarheid van de gevolgen van de interventie, enz.) en met de persoonlijke situatie van de patiënt.

Het belang van de patiënt is doorslaggevend.

Behalve in uitzonderlijke situaties moet de patiënt de tijd hebben om andere bronnen of een confrater te raadplegen voor een tweede mening (second opinion).

2. De bekwaamheid van de patiënt

Er dient rekening te worden gehouden met de bekwaamheid van de patiënt om de informatie te ontvangen, te begrijpen en te assimileren met het oog op het nemen van een beslissing. De persoonlijkheid, de psyche en de stress van de patiënt beïnvloeden zijn vermogen om te begrijpen en te denken.

Wanneer hij een emotie ondergaat, kan de patiënt onontvankelijk zijn voor de wetenschappelijke informatie. In dat geval moet hij eerst geholpen worden zijn emotie te boven te komen.

3. Dringend karakter van de interventie

De patiënt dient op de hoogte te worden gebracht van het dringende karakter van de interventie en van de termijn binnen dewelke, op medisch vlak, de medische handeling moet worden uitgevoerd.

De ernst van de aandoening, de risico’s inherent aan de voorgestelde handeling of de situatie van de urgentie bepalen de termijn tussen het informeren en de verwachte beslissing.

4. Onzekerheid

Wanneer in een spoedgeval geen duidelijkheid bestaat over de al dan niet voorafgaande wilsuitdrukking van de patiënt of zijn vertegenwoordiger bepaalt de wet betreffende de rechten van de patiënt dat iedere noodzakelijke tussenkomst van de beroepsbeoefenaar onmiddellijk gebeurt in het belang van de gezondheid van de patiënt (artikel 8, §5).

5. Speciale wetgevingen

Enkele specifieke wetgevingen versterken de verplichting de patiënt in te lichten of leggen specifieke bedenktermijnen op voor de patiënt.

Dit is bijvoorbeeld het geval van de wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen (minstens 15 dagen voor elke esthetisch-heelkundige ingreep), van de wet van 15 oktober 2018 betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen (zes dagen na de eerste raadpleging, behoudens indien er voor de vrouw een dringende medische reden bestaat om de zwangerschapsafbreking te bespoedigen) of nog van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie (een maand indien de arts van oordeel is dat de patiënt kennelijk niet binnen afzienbare tijd zal overlijden).

Bij gebrek aan een vaste termijn bepaald door een wet, schrijft de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt de algemene beginselen voor waarmee rekening dient te worden gehouden om te beoordelen welke bedenktijd de patiënt nodig heeft om in te stemmen met een medische handeling (artikel 8).

Diefstal of vervalsing van medische documenten (geneesmiddelenvoorschriften, medisch getuigschrift, aanvraag biologische analyse, medische vragenlijst, stempel van de arts, enz) is een pijnlijke situatie voor de arts die er het slachtoffer van is. Het is moeilijk zich hiertegen volledig te beschermen ondanks de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen (geen stempel of documenten laten rondslingeren, de computer afsluiten, het wachtwoord veilig bewaren, enz.).

1. Reactie ten opzichte van de patiënt wanneer die de auteur is van de diefstal of de vervalsing

Als u vermoedt dat een patiënt een document op uw naam gestolen of vervalst heeft, is het gepast een openhartig gesprek met hem te hebben in genuanceerde en weloverwogen woorden, tenzij u denkt dat dit misplaatst zou zijn of u in gevaar zou kunnen brengen. De ernst van de feiten, het in het gedrang brengen van de beroepsaansprakelijkheid van de arts op wiens naam een document werd uitgegeven, het optimale gebruik van gemeenschapsmiddelen, mogelijke schade voor de bestemmeling, de gezondheidsproblemen die de diefstal of fraude hebben gemotiveerd, enz. dienen met de patiënt te worden besproken.

Dergelijk gedrag kan leiden tot een vertrouwensbreuk tussen de arts en zijn patiënt. Dit kan rechtvaardigen dat u een einde maakt aan de therapeutische relatie, waarbij u de nodige maatregelen neemt om de zorgcontinuïteit te verzekeren (artikel 32 van de Code van medische deontologie).

2. Reactie ten opzichte van de bestemmeling van het document

Behalve jegens een collega die een therapeutische relatie heeft met de patiënt, dient u altijd het beroepsgeheim te eerbiedigen.

Het medisch geheim belet u niet aan de bestemmeling kenbaar te maken dat u het omstreden document niet hebt opgesteld en/of afgeleverd.

In geval van vervalsing of diefstal door een leerling kan het nuttig zijn de schoolarts te contacteren.

3. Autoriteiten aan wie de feiten moeten worden gemeld

• De politie – in geval van diefstal of om klacht in te dienen - hierbij enkel de identiteit van de verdachte persoon vermelden zonder andere gegevens over zijn gezondheid

• De provinciale geneeskundige commissie (https://www.health.belgium.be/nl/de-provinciale-geneeskundige-commissie) en de Farmaceutische Inspectie (pharmacy@afmps.be) - indien de fraude tot doel heeft geneesmiddelen te verkrijgen

• Het RIZIV (Secr.DGEC.SECM@riziv-inami.fgov.be)

• De provinciale raad op wiens lijst u ingeschreven bent – om vooruit te lopen op elk toekomstig probleem in geval van klacht .

Voor meer informatie, raadpleeg:

1. Minderjarigen en de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt (WPR)

a. Algemeen

Artikel 12, §1 WPR bepaalt dat bij een patiënt die minderjarig is, de rechten zoals vastgesteld door de WPR worden uitgeoefend door de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen of door de voogd.

Artikel 12, §2 WPR bepaalt dat de minderjarige patiënt wordt betrokken bij de uitoefening van zijn rechten, rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De rechten zoals opgesomd in de WPR kunnen door de minderjarige patiënt die tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, zelfstandig worden uitgeoefend.

Dit betekent dat de rechten zoals opgesomd in de WPR volledig zelfstandig worden uitgeoefend door de minderjarige, van zodra hij feitelijk wilsbekwaam is.

b. Ouderlijk gezag

Zolang de minderjarige patiënt niet feitelijk wilsbekwaam kan worden geacht om zelfstandig zijn rechten uit te oefenen, worden deze uitgeoefend door de ouders die het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefenen of door de voogd.

Het ouderlijk gezag wordt in principe uitgeoefend door beide ouders gezamenlijk. Dit betekent dat beide ouders gezamenlijk de rechten zoals opgesomd door de WPR zullen uitoefenen.

Er bestaat evenwel een vermoeden van gezamenlijk handelen ten opzichte van derden te goeder trouw. Voor alledaagse zorg kan de arts te goeder trouw ervan uitgaan dat de andere ouder, die niet aanwezig is op de consultatie, instemt met de gevraagde zorg. Voor ingrijpende, onomkeerbare medische handelingen is het aangewezen de geïnformeerde toestemming van beide ouders te bekomen.

c. Wilsbekwame minderjarige

Van zodra de minderjarige patiënt tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, oefent hij zijn rechten zelfstandig uit.

Deze feitelijke bekwaamheid, in het vakjargon ook wel de “medische meerderjarigheid” genoemd, wordt beoordeeld door de behandelende arts.

De arts kan bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de minderjarige rekening houden met onder meer de leeftijd, de ziekte-ervaring, de aard van het recht of de ingreep, de sociale en familiale omstandigheden, en de intellectuele ontwikkeling. De arts houdt rekening met het totaalbeeld om de feitelijke wilsbekwaamheid te beoordelen. De leeftijd is slechts een beoordelingselement en is niet determinerend.

Bij twijfel over de wilsbekwaamheid is het aangewezen te overleggen met andere zorgverleners die in nauw contact staan met de minderjarige, bijvoorbeeld de pedopsychiater, de huisarts of de psycholoog van de minderjarige.

2. Minderjarigen en vermoeden van misbruik

Indien de arts vermoedt dat een minderjarige het slachtoffer is van misbruik, dient hij de stappen te volgen zoals bepaald in artikel 29 van de Code van medische deontologie: Ordomedic | 29

Bij twijfel over de te volgen stappen of de aangifte bij de procureur des Konings, kan de arts de casus op anonieme wijze bespreken met het vertrouwenscentrum kindermishandeling van de betrokken provincie. Dit is een erkend en gesubsidieerd centrum dat bevoegd is in het verlenen van advies, ondersteuning en hulp aangaande kindermishandeling. (VK (vertrouwenscentrum-kindermishandeling.be)

1. Algemeen - Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt (WPR)

Artikel 14, §1, lid 1 WPR bepaalt dat de rechten vervat in de WPR door de meerderjarige persoon zelf worden uitgeoefend voor zover hij hiertoe wilsbekwaam is.

Indien de meerderjarige persoon wilsonbekwaam is, worden de rechten uitgeoefend door een andere persoon, overeenkomstig volgend cascadesysteem:

  • Een vertegenwoordiger aangewezen door de patiënt - artikel 14, §1, lid 2 WPR bepaalt dat, voor zover en zolang de persoon niet in staat is zijn rechten zelf uit te oefenen, deze worden uitgeoefend door een persoon die de patiënt vooraf heeft aangewezen om in zijn plaats op te treden. Deze aanwijzing geschiedt bij een gedagtekend en door de patiënt en de aangewezen persoon ondertekend bijzonder mandaat.
  • De bewindvoerder van de patiënt - artikel 14, §2 WPR bepaalt dat, indien de patiënt geen vertegenwoordiger heeft aangewezen of indien deze niet optreedt, de rechten bepaald door de WPR worden uitgeoefend door de bewindvoerder over de persoon, aangewezen door de vrederechter overeenkomstig artikel 492/1, §1, vierde lid, van het B.W., voor zover en zolang de beschermde persoon niet in staat is zijn rechten zelf uit te oefenen.
  • De samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of de feitelijk samenwonende partner – artikel 14, §3, lid 1 WPR bepaalt dat, indien er geen bewindvoerder is die bevoegd is om de patiënt te vertegenwoordigen, de rechten bepaald door de WPR worden uitgeoefend door de samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of de feitelijk samenwonende partner.
  • Een meerderjarig kind, een ouder, een meerderjarige broer of zus – artikel 14, §3, lid 2 WPR bepaalt dat indien de samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of de feitelijk samenwonende partner ontbreekt of niet wenst op te treden, de rechten in opeenvolgende volgorde worden uitgeoefend door een meerderjarig kind, een ouder, een meerderjarige broer of zus van de patiënt.
  • De betrokken beroepsbeoefenaar, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg – artikel 14, §3, lid 3 WPR bepaalt dat indien een meerderjarig kind, een ouder of een meerderjarige broer of zus ontbreekt of niet wenst op te treden, de betrokken beroepsbeoefenaar, in voorkomend geval in multidisciplinair overleg, de belangen van de patiënt behartigt. Dit is eveneens het geval bij conflict tussen twee wettelijke vertegenwoordigers (bijvoorbeeld twee meerderjarige kinderen).

Artikel 14, §4 WPR bepaalt dat de patiënt zoveel mogelijk en in verhouding tot zijn begripsvermogen moet worden betrokken bij de uitoefening van zijn rechte.

2. Meerderjarige patiënt onder een statuut van bewind

Betreffende de vertegenwoordiging van een meerderjarige patiënt die is geplaatst onder een statuut van bewind, hanteert de WPR de zogenaamde functionele standaard. Dit betekent dat de arts – geval per geval – zal oordelen of de patiënt al dan niet feitelijk wilsbekwaam is om zelfstandig zijn rechten uit te oefenen.

Voor een patiënt die is geplaatst onder een statuut van bewind, zal er een feitelijk vermoeden gelden van wilsonbekwaamheid.

De behandelende arts kan evenwel oordelen dat de patiënt wilsbekwaam is om zijn rechten zelfstandig uit te oefenen, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden en het totaalbeeld van de patiënt, zelfs indien de rechter de patiënt onder een statuut van bewind heeft geplaatst en onverminderd het feit dat de rechter uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat de rechten zoals bepaald door de WPR moeten worden uitgeoefend door de bewindvoerder(s).

De commentaar, evaluaties en beoordelingen van artsen op zoeksites geven vaak aanleiding tot vragen van artsen die er het voorwerp van zijn over hoe ze erop dienen te reageren.

1- Hoe reageren op negatieve kritiek ?

Soms gebeurt het dat kritiek weliswaar op een ongepaste manier is geformuleerd, maar toch pertinent is. In dit geval moet dit de arts aanzetten tot reflectie en moet hij eventueel contact opnemen met de patiënt.

Indien de arts wenst te reageren op commentaar over hem en hij hiertoe de mogelijkheid krijgt, moet hij dit op een professionele wijze doen. Zijn antwoord dient respectvol te zijn en te getuigen van empathie.

Een openbaar antwoord beperkt zich tot een hoffelijk, algemeen en indien nodig uitleg verstrekkend antwoord.

Voor het overige stelt de arts een privégesprek voor.

De vertrouwelijkheid waarop de zorgrelatie stoelt en de medische deontologie mogen niet geschonden worden.

Een ongepast antwoord schaadt meer iemands reputatie dan een anonieme commentaar.

2- Hoe reageren op ongepaste kritiek ?

Wanneer u te maken krijgt met commentaar die u ongepast acht, verzoekt u de auteur ervan of de beheerder van de site deze commentaar te verwijderen.

Als u inhoud van een website wilt verwijderen, moet u de webmaster contacteren. Dit geldt ook als u de content hebt gevonden via Google: Google heeft niets te zeggen over de content op de site zelf.

Waarom contact opnemen met de webmaster? Zelfs als Google deze site uit de zoekresultaten verwijdert, bestaat de pagina nog steeds op de site. Dit betekent dat deze nog steeds gevonden kan worden via de URL van de site, deelacties op sociale media of via andere zoekmachines.

Er zijn verschillende mogelijkheden om contact op te nemen met de webmaster van een website :

1.Contact-link: zoek een link voor contact opnemen of een e-mailadres van de webmaster. Deze informatie staat doorgaans op de homepage van de site.

2. De contactgegevens zoeken met Whois: u kan een Whois-zoekopdracht (Who is?) uitvoeren met Google om de website-eigenaar te vinden. Ga naar google.com en zoek naar Whois www.example.com. Het e-mailadres van de webmaster staat doorgaans onder ‘Registrant Email’ of ‘Administrative Contact’.

3. Contact opnemen met het hostingbedrijf van de site: de Whois-zoekresultaten bevatten meestal ook informatie over wie de host is van de site. Indien u de webmaster niet kan bereiken, probeer dan contact op te nemen met het hostingbedrijf van de site.

Indien de webmaster de gevraagde wijzigingen al doorgevoerd heeft op een site die in uw Google-zoekresultaten weergegeven wordt, kan u Google vragen verouderde informatie te verwijderen door een aanvraag voor het verwijderen van een webpagina in te dienen.

Verwijzingen :

https://support.google.com/websearch/answer/9109

https://support.google.com/websearch/troubleshooter/3111061?hl=fr

Voor meer informatie over hoe u actie kan ondernemen wanneer uw verzoeken aan de auteur of de host om een ongepaste commentaar of een zoeklink (indexering) te verwijderen mislukken, zie de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit - https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/

3. Welke rechten heeft een arts die het voorwerp uitmaakt van een beoordeling of een evaluatie ten opzichte van de auteur van het commentaar ?

Het publiceren van negatieve commentaar op een bij naam genoemde persoon is op zich niet onwettig. Het valt onder de vrijheid van meningsuiting.

De auteur kan evenwel aansprakelijk gesteld worden wanneer de betwiste commentaar een fout uitmaakt in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (bijv. een strafbaar feit zoals laster of eerroof).

Dit vereist een juridische studie die rekening houdt met de omstandigheden van het geval. Neem contact op met uw verzekering beroepsaansprakelijkheid indien u voor dit soort risico’s gedekt bent.

artikel 12 Code van medische deontologie 2018

De arts kan voor zijn beroepsuitoefening samenwerkingsovereenkomsten afsluiten.

De arts vermijdt elke vorm van collusie.

De arts is steeds persoonlijk verantwoordelijk voor zijn medisch handelen.

De arts zorgt ervoor dat zijn beroepsuitoefening en de organisatie van de professionele samenwerking stroken met de bepalingen van de medische deontologie. Hij legt die afspraken schriftelijk vast.

Voor verdere informatie, raadpleeg de commentaar bij artikel 12 van de Code van medische deontologie

Overeenstemming van de contracten en statuten met de medische deontologie

1. Richtlijnen

De nationale raad heeft op 15 september 2018 een leidraad “Contracten en vennootschappen” opgesteld. Deze bevat de voornaamste deontologische bepalingen in verband met overeenkomsten. U kan hem hier raadplegen.

De contracten, statuten en overeenkomsten die de arts sluit in het kader van zijn beroep mogen niet tot gevolg hebben dat hij zelf of zijn collega’s in strijd handelen met de regels van de medische deontologie.

De arts moet zich bij de keuzes die hij maakt in het kader van zijn beroepsactiviteit, met inbegrip van het opstellen van alle juridische aktes die hij ondertekent, laten leiden door zijn plicht om de geneeskunde uit te oefenen overeenkomstig de wet, de ethiek en de regels van de Code van medische deontologie 2018 ten voordele van de patiënt en in het belang van de gemeenschap.

Het valt onder de verantwoordelijkheid van de arts de toepasselijke wetgeving na te leven, waaronder het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en het Wetboek van economisch recht, en de ontwikkelingen ervan te volgen[1].

2. Adviezen van de nationale raad van vóór 2018

De Code van medische deontologie werd in mei 2018 geactualiseerd ; elk artikel gaat gepaard met een commentaar opgesteld vanuit een dynamisch perspectief (https://ordomedic.be/nl/code-2018).

De adviezen en richtlijnen die de nationale raad en de provinciale raden uitbrachten vóór mei 2018 en gebaseerd zijn op de verplichtingen van de Code van geneeskundige plichtenleer van 1975 die niet meer voorkomen in de Code van medische deontologie 2018 en zijn commentaar, zijn niet meer van toepassing.

Op wettelijk vlak dient bij het lezen van de vroegere adviezen met name rekening gehouden te worden met de evolutie van het Wetboek van economisch recht en van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019.

3. Rol van de Orde der artsen

De arts is niet meer verplicht om de ontwerpen van statuten, huishoudelijk reglement, oprichtingsakte van een vennootschap, of elk ontwerp van overeenkomst in verband met zijn beroepsactiviteit voor te leggen aan zijn provinciale raad. Hetzelfde geldt voor elk ontwerp tot wijziging van een van deze documenten. Hij hoeft ook niet aan de provinciale raad een afschrift te bezorgen van deze documenten wanneer ze definitief geworden zijn. Indien de voorgaande documenten dergelijke verplichting bevatten, is het raadzaam deze te schrappen.

Op verzoek van de arts verstrekt de Orde enkel advies over een specifieke vraag in verband met de medische deontologie.

De Orde stelt geen enkel model van overeenkomst, statuten, huishoudelijk reglement, enz. voor.

De Orde is niet bevoegd om juridisch advies te geven aan haar leden. De contractencommissies van de provinciale raden werden afgeschaft.

4. Multidisciplinaire samenwerking

De Code van medische deontologie 2018 schrijft niet langer voor dat de vennoten van een professionele vennootschap uitsluitend artsen moeten zijn.

Het voorwerp en de vorm van de samenwerking moeten in overeenstemming zijn met de wettelijke en deontologische regels. Onder deze voorwaarden bestaat er geen deontologisch bezwaar tegen de multidisciplinaire vennootschap waarbinnen de arts en andere collega’s of gezondheidsberoepsbeoefenaars hun beroepsactiviteiten uitoefenen.

De arts ziet erop toe dat de organisatie van zijn beroep, de juridische structuur waarbinnen hij het uitoefent en de samenwerkingsovereenkomsten die hij sluit, hem in staat stellen te voldoen aan de fundamentele eisen van professionele onafhankelijkheid (artikelen 7 en 36 CMD 2018), therapeutische vrijheid (artikelen 4 en 7 CMD 2018), vrije artsenkeuze door de patiënt (artikel 15 CMD 2018), kwaliteit van de zorg (artikel 8 CMD 2018)[2], continuïteit van de zorg (artikelen 8 en 13 CMD 2018), eerbiediging van het beroepsgeheim (artikel 25 CMD 2018) en het verbod op collusie of dichotomie (artikelen 12 en 34 CMD 2018). De arts stelt de belangen van de patiënt en van de gemeenschap boven zijn eigen financiële belangen (artikel 34 CMD 2018). De arts vergewist zich ervan dat de inzage, de verwerking en de bewaring van de medische dossiers in alle omstandigheden in overeenstemming zijn met de wettelijke[3] en deontologische vereisten (artikelen 22, 23, 24 en 35 CMD 2018).

De voorwaarden betreffende het nemen van een beslissing (meerderheid), het overdragen van aandelen, het uitsluiten van een vennoot en het verlaten van de vennootschap mogen geen belemmering voor deze vereisten vormen.

De professionele samenwerking mag geen afbreuk doen aan de rechten van de patiënt[4].

Bij de organisatie en de uitoefening van zijn medische activiteit mag de arts zich niet laten beïnvloeden, of er de schijn van wekken, door een ander doel dan de gezondheid van de patiënt. Hij verstrekt alleen zorg in samenwerking met personen die de wettelijk vereiste beroepskwalificaties bezitten.

5. Relatie met een niet-arts in het kader van de geneeskundepraktijk

De medewerking van een niet-arts in een vennootschap waarbinnen de arts zijn beroepsactiviteit uitoefent, bijvoorbeeld om redenen van huwelijksvermogen of erfrechtelijke redenen, mag geen invloed hebben op de goede uitoefening en de waardigheid van het artsenberoep in een aangepaste omgeving noch inmenging in het beroep van de arts mogelijk maken. Respect voor de medische deontologie, in het bijzonder de professionele onafhankelijkheid van de arts, moet gewaarborgd zijn.

De arts ziet erop toe dat de aan zijn geneeskundepraktijk inherente financiële aspecten, waaronder zijn financieringsbronnen, in overeenstemming zijn met de wet, met name met artikel 38, §2, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, en geen afbreuk doen aan de eer en de waardigheid van het beroep en de uitoefening ervan conform de medische deontologie (artikel 34 CMD 2018).

De arts zorgt ervoor statutaire of contractuele bedingen weg te laten die hem, met name door regels inzake meerderheid, zouden beletten zijn wettelijke en deontologische verplichtingen na te komen.

6. Beroepsaansprakelijkheid

De uitoefening van het beroep via een rechtspersoon heeft geen weerslag op de individuele aansprakelijkheid van de arts voor zijn medische handelingen.

De arts moet afdoend voor zijn beroepsaansprakelijkheid verzekerd zijn (artikel 9 CMD 2018).

7. Vorm van de vennootschap

De arts kiest een juridische structuur die waarborgt dat de uitoefening van de geneeskunde in België in overeenstemming is met de wettelijke en deontologische regels die er van kracht zijn.

8. Voorwerp van de vennootschap

Het voorwerp van de vennootschap waarmee de arts zijn beroepsactiviteit uitoefent moet verenigbaar zijn met de uitoefening van de geneeskunde zoals ze opgevat is in de wet, onder meer de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg, en in de medische deontologie.

De uitoefening van de geneeskunde is voorbehouden aan de natuurlijke persoon die houder is van het diploma van arts (artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidzorgberoepen).

9. Zetel van de vennootschap

De zetel van de vennootschap mag geen invloed uitoefenen op de naleving van de wettelijke en deontologische vereisten die van toepassing zijn op de uitoefening van de geneeskunde in België.

10. Naam van de vennootschap

De arts kiest, voor de juridische structuur waarbinnen hij zijn activiteit uitoefent, een objectieve, discrete en niet-misleidende benaming, die geen oneerlijke concurrentie teweeg brengt.

11. Niet-concurrentiebeding

Het is in strijd met de medische deontologie een niet-vestigingsbeding (niet-concurrentiebeding) op te nemen in een opleidingsovereenkomst.

In de andere overeenkomsten moet dergelijk beding niet alleen in overeenstemming zijn met de wet, maar ook gematigd zijn, dit wil zeggen beperkt in tijd, ruimte en voorwerp (i.e. wat de verboden activiteit betreft).


[1] Hier volgen enkele voorbeelden van wettelijke regels eigen aan de geneeskunde : bepalingen in door een arts gesloten overeenkomsten die zijn therapeutische en diagnostische keuzevrijheid schenden, worden als niet geschreven beschouwd (artikel 7 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg) ; de koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot de structuur en organisatie van de praktijk van de individuele gezondheidszorgbeoefenaar en van de samenwerkingsverbanden tussen gezondheidszorgbeoefenaars (artikel 32 van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg) ; het verbod op illegale verrijking van gezondheidszorgbeoefenaars door overeenkomsten in verband met hun beroep afgesloten met andere gezondheidszorgbeoefenaars of met derden (artikel 38 van de Gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen).

[2] Wet van 22 april 2019 wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg - deontologische knelpunten en bekommernissen (Advies van 23 april 2022 van de nationale raad, a169009)

[3] Artikelen 20 en 33-35, van de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg

[4] Zoals ze vastgelegd zijn in de wet van 22 augustus 2022 betreffende de rechten van de patiënt.