3.1. Het geneeskundige getuigschrift

laatste aanpassing 27/02/2026

Het geneeskundig getuigschrift strekt ertoe de echtheid van een medisch feit vast te stellen ten aanzien van derden (fysieke of psychische gezondheid, ziekte, ongeval, zorg).

Bij het opstellen ervan worden de beginselen van oprechtheid, objectiviteit, voorzichtigheid en naleving van het medisch geheim in acht genomen. Deze beginselen worden toegelicht in de adviezen van de nationale raad en worden hierna achtereenvolgens in herinnering gebracht.

Meer info vindt u via de volgende link :

Opstellen van medische documenten - Principes en aanbevelingen

(advies van de nationale raad van 19 september 2020)

Hoe moet een geneeskundig getuigschrift opgesteld worden ?

1. Blijk geven van oprechtheid en objectiviteit

Opzettelijk een vals attest opstellen is strafbaar, ongeacht de reden ervan. De arts moet objectief zijn en laat zich niet beïnvloeden.

De arts stelt het getuigschrift op na afloop van het gesprek met de patiënt, de anamnese en het medisch onderzoek.

Wanneer er geen medisch onderzoek plaatsvindt, vermeldt de arts dat hij zich baseert op een teleconsultatie of op het medisch dossier.

2. Voorzichtig en nauwkeurig te werk gaan

De arts is zich bewust van de grenzen van zijn kennis en van het onvoorspelbare in de evolutie van een gezondheidstoestand.

Hij beperkt zich tot het attesteren van een medisch feit.
Hij drukt zich correct uit en eerbiedigt de waardigheid van de patiënt.

De arts moet het getuigschrift ondertekenen en zijn identiteit, beroepsgegevens en Riziv- nummer vermelden.

Wanneer het model en de inhoud van het getuigschrift vastgelegd zijn door de wet, zorgt de arts ervoor dat het getuigschrift beantwoordt aan de wettelijke voorwaarden.

3. Relevante informatie vermelden en het medisch geheim eerbiedigen

De arts eerbiedigt het medisch geheim. De inhoud van het getuigschrift is beperkt tot wat noodzakelijk is voor het doeleinde ervan.

De in het getuigschrift te vermelden inlichtingen hangen af van de bestemmeling en van de wetgeving waarin het kadert (overlijdensverklaring, geneeskundig getuigschrift in het raam van een beschermingsmaatregel ten aanzien van een onbekwame meerderjarige, enz.).

Bij wijze van voorbeeld, op het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid bestemd voor de werkgever wordt de diagnose niet vermeld, in tegenstelling met dat bestemd voor de verzekeringsinstelling.

De arts legt de inhoud van het getuigschrift uit aan de patiënt.

Sinds de wet van 19 december 2025 tot uitvoering van een versterkt terug-naar- werkbeleid in geval van arbeidsongeschiktheid, mag de duur van elke voorgeschreven periode van arbeidsongeschiktheid voor het ziekenfonds niet meer dan drie maanden bedragen, ongeacht de ernst van de aandoening. Na afloop van deze periode kan het getuigschrift met maximaal drie maanden verlengd worden telkens wanneer de arts het nodig acht.

Deze beperking van de duur is enkel van toepassing op de getuigschriften van arbeidsongeschiktheid bestemd voor het ziekenfonds (artikel 88, 4de lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen).

4. Het geneeskundig getuigschrift dagtekenen

De arts vermeldt op het geneeskundig getuigschrift altijd de datum van de dag waarop hij het opstelt, ook al attesteert hij de gezondheidstoestand van de patiënt op een moment voorafgaand aan het opstellen.

Bij een duplicaat preciseert de arts de datum waarop het originele document opgesteld werd en dateert hij het duplicaat met de opsteldatum.

5. Aan wie moet het geneeskundig getuigschrift overhandigd worden?

De arts geeft het getuigschrift aan de patiënt of aan zijn vertrouwenspersoon indien de patiënt dit wenst.

Indien de patiënt een onbekwame meerderjarige is of een minderjarige die niet in staat is redelijkerwijze zijn belangen te beoordelen, geeft de arts het document aan zijn vertegenwoordiger.

De arts mag het getuigschrift doorgeven aan de arts aangewezen door de patiënt met de met diens toestemming.

Opgelet, de huisarts die een arbeidsongeschiktheid van meer dan 14 dagen voorschrijft of een verlenging van een reeds erkende arbeidsongeschiktheid, moet een elektronisch getuigschrift van arbeidsongeschiktheid opstellen en dit elektronisch via Mult-eMediatt naar de adviserend arts van het ziekenfonds van de patiënt sturen.

De voorafgaande toestemming van de patiënt om dit getuigschrift elektronisch te versturen, is niet vereist. De patiënt kan het papieren getuigschrift voor zijn werkgever ontvangen als hij dat nodig heeft. Het papieren getuigschrift voor het ziekenfonds blijft van toepassing voor arbeidsongeschiktheid van 14 dagen en minder (artikel 88, 3de lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen).

6. Controle van het voorschrijfgedrag

Binnen het RIZIV werd een databank gecreëerd, GAOCIT genaamd.

Deze bevat informatie uit elektronische arbeidsongeschiktheidsattesten die naar de verzekeringsinstelling en, indien van toepassing, naar de werkgever gestuurd werden.

Het doel van deze databank is het analyseren van:

- het voorschrijfgedrag van de behandelend arts, om een “ongepast voorschrijfgedrag” te vermijden of recht te zetten;

- de therapeutische relatie die de rechthebbenden op uitkeringen onderhouden met een of meer behandelende artsen in geval van voorschrijving van een periode van arbeidsongeschiktheid, om, al naargelang het geval, “ongepast gebruik van deze therapeutische relatie” te voorkomen of recht te zetten.

Deze databank kan door de Geneeskundige raad voor invaliditeit en de sociaal inspecteurs van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle gebruikt worden om hun respectieve controleopdrachten te vervullen (artikel 13/3 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen).

Bijzonder geval - Kortdurende afwezigheid van het werk wegens de gezondheidstoestand van een naaste (art. 30 bis, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten)

De sociale wetgeving voorziet in verschillende soorten van verlof waarop een werknemer aanspraak kan maken om zorg te verlenen aan een naaste.

Sedert november 2022 heeft de werknemer het recht om gedurende maximaal vijf, al dan niet aaneensluitende, dagen per kalenderjaar, van het werk afwezig te zijn met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een gezinslid of een familielid dat om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun (verlof om dwingende reden).

Om zijn afwezigheid om dergelijke reden te staven bij zijn werkgever moet de werknemer hem een medisch attest bezorgen.

De wet bepaalt dat dit attest:

- afgeleverd wordt door de behandelend arts van de naaste die behoefte heeft aan zorg;

- preciseert dat de patiënt om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun (de medische reden zelf mag niet vermeld worden);

- afgeleverd wordt in het kalenderjaar waarin het zorgverlof opgenomen wordt.

Hoewel dit niet uitdrukkelijk voortvloeit uit de wet meent de nationale raad het deontologisch verantwoord dat het attest:

- de identiteit van de patiënt preciseert;

- de periode vermeldt gedurende welke de gezondheidstoestand aanzienlijke zorg of steun vergt, indien het gaat over een beperkte duur;

- de naam van de arts en zijn ondertekening vermeldt;

- gedateerd is op de dag dat hij het opstelt.

De behandelend arts moet beoordelen of de gezondheidstoestand van de patiënt, al dan niet volgend op een ziekte of een medische ingreep, een ernstige medische reden vormt die aanzienlijke zorg of steun nodig maakt.

Onder zorg of steun wordt verstaan: “elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging”.

De steun- of zorgbehoevende persoon moet een persoon zijn die samenwoont met de werknemer, de echtgenoot van de werknemer of een bloed-of aanverwant van de werknemer in de eerste graad. De nationale raad meent dan ook dat het gerechtvaardigd is dat de identiteit van de steun- of zorgbehoevende persoon vermeld wordt aangezien de nauwe band met de werknemer een voorwaarde is om gebruik te maken van dit verlof.

Tot slot heeft de nationale raad er op deontologisch vlak geen bezwaar tegen dat wegens de gezondheidstoestand van éénzelfde persoon aan meerdere naasten (werknemers), bijvoorbeeld de beide ouders van een minderjarige, dergelijk attest overhandigd wordt indien de arts meent dat de patiënt hun persoonlijke hulp nodig heeft.