Ordomedic

Gerelateerde adviezen en nieuws

Biologie (Klinische-)01/01/1978 Documentcode: a026031
Diagnostische en therapeutische vrijheid - Klinische biologie

De Nationale raad die zich bezorgd maakt over de aanzienlijke stijging van de uitgaven van de Z.l.V. op het vlak van de klinische biologie, heeft een commissie met de studie van dit probleem belast.

De Nationale raad die de artsen een diagnostische en therapeutische vrijheid wenst te waarborgen als waarborg voor een kwaliteitsverzorging van de zieken, kan het bestaan van misbruiken niet loochenen en is zich bewust van de ekonomische terugslag van deze geneeskunde die voortdurend verder evolueert.

Alvorens een opdracht, die ongetwijfeld lang en moeilijk zal zijn, tot een goed einde te brengen heeft de commissie de Raad verzocht alle artsen, zowel diegenen die de verstrekkingen uitvoeren als diegenen die ze voorschrijven, te waarschuwen.

Om dit vraagstuk degelijk te kunnen onderzoeken en met het oog op eventuele oplossingen is een samenwerking met de professoren van onze fakulteiten geneeskunde onmisbaar.

De Voorzitter van de commissie heeft zich met deze professoren in verbinding gesteld om hen om hun medewerking, voorstellen en adviezen te verzoeken.

De lezer vindt hieronder de tekst van de brief die naar alle Belgische artsen werd gezonden.

Geachte Collega,

Betreft: klinische biologie

De Nationale Plaad van de Orde van Geneesheren stelt vast dat bij de provinciale raden meerdere tuchtzaken in behandeling zijn waaruit blijkt dat de kwaal van de dichotomie opnieuw opduikt, en dit vooral in specialismen waar technische onderzoeken worden verricht voor diagnostische of therapeutische doel einden. Welnu het blijkt dat steeds meer grote reeksen analyses worden aangevraagd waarvan het nut niet bewezen is. Hierbij kan het zowel gaan om een onnodige herhaling van onderzoeken als om analyses waarvan het resultaat geen enkel nuttige informatie bijbrengt voor het onderzoek van de patiënt.

Bij de keuze van diagnotische en therapeutische middelen geniet de arts in België een zeer grote vrijheid. De Orde van Geneesheren moet volgens de wet evenwel de misbruiken van die vrijheid straffen. De Nationale Raad herinnert terzake aan de wettelijke en deontologische voorschriften (art. 11 en 18, K.B. nr. 78 en art. 35 van de wet van 9.8.1963; art. 36, 80 en 81 van de Code van Plichtenleer).

De Nationale Raad wijst er uitdrukkelijk op dat elke vorm van vergoeding voor het aanvragen van laboratoriumanalyses ten strengste verboden is. Eveneens strafbaar is elke zogezegde vergoeding vanwege het laboratorium aan de aanvragende arts voor monsterafname bij zijn persoonlijke patiënten of een huurvergoeding voor het gebruik van zijn kabinet bij gelegenheid van die afnamen. Geschenken van welke aard ook, dienen als vergoeding te worden beschouwd.

De Nationale Raad heeft de provinciale raden verzocht streng op te treden tegen al deze misbruiken die de geneeskunde in een handel doen ontaarden, die de patiënt en de gemeenschap geen baat bijbrengen en de faam van het medisch corps in opspraak brengen.

De Nationale Raad hoopt dat door dit schrijven de artsen tot een juister inzscht zullen komen en vraagt dat alle geneesheren zouden meewerken aan de bestrijding van hogervermelde misbruiken.

Met collegiale hoogachting,

de Ondervoorzitter,
DR. I. UYTTENDAELE

de Voorzitter,
J. GERNIERS

***

Bijlage bij deze circulaire van 5 februari 1978:

WETTELIJKE EN DEONTOLOGISCHE VOORSCHRIFTEN

K.B. nr. 78 van 10 november 1967

Art. 11 - Aan de beoefenaars bedoeld bij de artikelen 2, 3 en 4 mogen geen reglementaire beperkingen worden opgelegd bij de keuze van de middelen die aangewend moeten worden, hetzij voor het stellen van diagnose, hetzij voor het instellen en uitvoeren van de behandeling, hetzij voor het uitvoeren van magistrale bereidingen.

De misbruiken van de vrijheid waarvan zij in dit drievoudig opzicht genieten, worden beteugeld door de raden van de Orde waarvan zij afhangen.

Art. 18 - § 1. Is verboden onder beoefenaars van eenzelfde tak van geneeskunst, elke verdeling van honoraria onder gelijk welke vorm, behalve zo deze verdeling geschiedt in het raam van de organisatie van de groepsgeneeskunde.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikelen 15 en 17, is verboden elke overeenkomst van welke aard ook gesloten hetzij tussen de beoefenaars, bedoeld bij de artikelen 2, 3 en 4, hetzij tussen deze beoefenaars en derden, inzonderheid producenten van farmaceutische produkten of leveranciers van geneeskundige of protheseapparaten, wanneer deze overeenkomst betrekking heeft op hun beroep en ertoe strekt aan de een of de ander rechtstreeks of onrechtstreeks winst of voordeel te verschaffen.

Wet van 9 augustus 1963 tot instelling van een regeling voor verplichte ziekte‑ en invaliditeitsverzekering

Art. 35 - De geneesheer oordeelt in geweten en in volle vrijheid over de te verlenen verzorging.

De onrechtmatige verstrekkingen die in strijd zijn met de plichtenleer, worden evenwel ter beoordeling voorgelegd aan de Raden van de Orde der geneesheren.

Het komt uitsluitend die Raden toe de betwistingen van medische aard betreffende de toepassing van de bepaling van het vorig lid te beslechten tussen enerzijds, de geneesheer en, anderzijds, de verzekeringsinstellingen of de Dienst voor geneeskundige controle en gebeurlijk de geneesheer een tuchtstraf op te leggen wegens de fouten die hij te dien opzichte beging. De hiervoren bedoelde misbruiken zullen de Raden van de Orde ter kennis gebracht worden door de Dienst voor geneeskundige controle. Zodra de beslissing van de Raad der Orde niet meer vatbaar is voor beroep, zal zij de Dienst voor geneeskundige controle medegedeeld worden.

Code van de geneeskundige plichtenleer - 1975

Art. 36 - De geneesheer beschikt over de diagnostische en therapeutische vrijheid.

Hij zal vermijden onnodig dure onderzoekingen en behandelingen voor te schrijven of overbodige verstrekkingen te verrichten.

Art. 80 - Ereloonverdeling tussen geneesheren is toegestaan wanneer zij betrekking heeft op een aan de zieke rechtstreekse of onrechtstreekse bewezen dienst in het kader van de groepsgeneeskunde.

Behoudens deze gevallen, is het aanvaarden, het aanbieden of het vragen van een ereloonverdeling, zelfs zonder gevolg, een ernstige fout.

Art. 81 - Elke ereloonverdeling tussen geneesheren en niet‑geneesheren is verboden.

***

Beroepsgeheim01/01/1978 Documentcode: a026025
O.C.M.W. en beroepsgeheim

In een advies dat door een O.C.M.W. in een ziekenhuis werd uitgehangen, wordt het medisch en niet‑medisch personeel gewezen op zijn plichten in verband met het beroepsgeheim zoals die door de O.C.M.W. worden geïnterpreteerd.

Uit dat advies, citeren wij volgende alinea's:

«De arts is niet gebonden door het beroepsgeheim ten opzichte van de O.C.M.W. en evenmin ten opzichte van een van de leden ervan. Hetzelfde geldt des te meer voor het ziekenhuispersoneel en het personeel verbonden aan ouderlingentehuizen, meer bepaald het verplegend personeel...»

«... het is echter niet uitgesloten dat vertrouwelijke gegevens worden uitgewisseld tussen de Openbare Administraties en dat bepaalde gegevens of medische getuigschriften op hun verzoek of in uitvoering van wettelijke voorschriften, oordeelkundig aan bijvoorbeeld een verzekeringsinstelling of aan de sociale zekerheid worden medegedeeld zonder dat daarbij sprake is van een schending van het beroepsgeheim.»

«... Er moet echter een onderscheid worden gemaakt tussen de op hun verzoek aan de Raad van de O.C.M.W. of aan de Overheid bekendgemaakte feiten om gerechtvaardigde administratieve redenen, en de opzettelijke onthulling ten overstaan van derden die niets te zien hebben met de Administratie.

De eerste is noodzakelijk: het personeel van de O.C.M.W. heeft namelijk tot voornaamste taak de Administratieve Overheid waarvan het afhangt, zo volledig mogelijk in te lichten.

Het is in zijn hoedanigheid van ambtenaar bij de Administratie en voor rekening van die Administratie dat de functionnaris vertrouwelijke gegevens verzamelt.

Maar in feite is het de Administratie die recht heeft op het geheim en die er vrij over kan beschikken. »

De circulaire vervolgt, tussen aanhalingstekens:

«De functionnaris als dusdanig beschikt niet over het geheim welke ook zijn rang mag zijn. Het recht behoort de Administratie en alleen het hoofd van die Administratie mag er vrij over beschikken. Zolang hij van zijn rechtstreekse overheid niet de toelating heeft gekregen te spreken, moet de functionnaris het beroepsgeheid inroepen en het zwijgen bewaren. In andere woorden: hij beschikt niet zelf over het geheim; zijn recht is slechts relatief».

Nadat dit vraagstuk nader werd onderzocht, heeft de Nationale Raad de volgende nota goedgekeurd:

De nota die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Mons in verband met het beroepsgeheim aan alle artsen en aan het personeel van het Saint Georges ziekenhuis van Mons werd gezonden, blijft niet beperkt tot beschouwingen over de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van 8 juli 1976, maar handelt over het beroepsgeheim in het algemeen.

In die nota komen over dit laatste punt meerdere onjuiste verklaringen voor die niet overeen te brengen zijn met de wet en met de jurisprudentie van het Hof van Cassatie, alsmede beschouwingen waarbij geen rekening wordt gehouden met de studies die eminente juristen aan dit delikaat probleem hebben gewijd.

De nota schijnt gedeeltelijk te zijn geïnspireerd door een studie van M. Renaudière, gewezen afdelingshoofd van de C.O.O. van Schaarbeek en verschenen in de «Dictionnaire communal», maar zij gaat veel verder dan de beweringen in deze studie, die op haar beurt nogal wat vergissingen vervat.

Het is wellicht reeds voldoende erop te wijzen dat de tekst tussen aanhalingstekens in de eerste alinea van de nota van de O.C.M.W. van Mons, het zogezegde artikel 458 van het Strafwetboek, niet volledig is: de vermelding «Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid... » is weggelaten waarop dit artikel in de eerste plaats van toepassing is.

Het is bijgevolg volstrekt noodzakelijk te herinneren aan de wettelijke beschikkingen tot regeling van het beroepsgeheim en meer bepaald van het medisch geheim.

In artikel 458 van het Strafwetboek wordt bepaald:

«Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hen zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.»

Deze bepaling is, zoals alle strafrechtelijke bepalingen, van openbare orde. Het is bijgevolg verboden ervan af te wijken. Slechts via een wet kunnen er uitzonderingen aan toegevoegd worden, en deze uitzonderingen moeten beperkend worden geïnterpreteerd.

Wat in de nota in verband met de O.C.M.W. wordt gezegd, met name, «in feite is het de administratie die recht heeft op het geheim en die er vrij over kan beschikken», is een volkomen onjuiste bewering. Een administratie heeft geen recht op de mededeling van het beroepsgeheim en mag slechts over dit geheim beschikken binnen de daartoe door de wet nauwkeurig vastgelegde perken.

In de twee recente arresten van het Hof van Cassatie werd erop gewezen dat het medisch geheim van openbare orde is. (Cfr. C. 23 juni 1958, Pasicrisie 1958‑I‑1181; 14 juni 1965, Pasic. 1965‑I‑1102).

De artsen mogen bijgevolg behoudens de getuigenis in rechte, slechts het medisch geheim bekendmaken wanneer «de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken» zoals wordt bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

Het feit dat een andere persoon eveneens door het geheim gebonden is, volstaat geenszins voor de arts om hem het medisch geheim mede te delen indien hij daartoe door de wet niet wordt verplicht. Het gedeeld geheim, zelfs onder geneesheren, komt slechts voor wanneer zij eenzelfde patiënt moeten behandelen. Dit geval werd uitdrukkelijk voorzien in artikel 13 van het K.B. nr. 78 betreffende de geneeskunst.

Het hoeft niet te worden gepreciseerd dat de regels van openbare orde in verband met het medisch geheim van toepassing zijn ongeacht het statuut van de arts, hetzij hij zijn praktijk als een vrij beroep uitoefent, gebonden is door een arbeidscontract of het statuut heeft van functionaris.

De nota van de O.C.M.W. steunt in dat verband op verkeerde juridische begrippen.

In de wet van 8 juli 1976 komt geen enkele bepaling voor waarbij de arts wordt verplicht het medisch geheim bekend te maken aan de centra voor maatschappelijk welzijn wanneer zijn patiënt op een dergelijk centrum beroep doet.

Krachtens artikel 30 van de wet, worden de «volledige dossiers» inzake de onderwerpen op de agenda van de Raad voor maatschappelijk welzijn ter beschikking gesteld van de leden. Dat betekent eenvoudig dat elk lid van de Raad het recht heeft kennis te nemen van het volledig administratief dossier van het te onderzoeken geval.

Dat betekent echter geenszins dat het dossier gegevens moet bevatten die onder het beroepsgeheim vallen en die de arts zou moeten verstrekken. Indien de persoon die om sociale hulp verzoekt daarentegen zelf de medische getuigschriften heeft voorgelegd die bij het dossier zijn gevoegd, heeft elk lid vanzelfsprekend het recht er kennis van te nemen.

Indien het centrum, met het oog op het vervullen van zijn wettelijke opdracht, daarentegen op de hoogte moet zijn van bepaalde gegevens van administratieve, financiële of boekhoudelijke aard, kunnen die worden verstrekt zonder dat het nodig is daarbij de aard van de aandoening of van de behandeling bekend te maken.

Tenslotte moet worden onderstreept dat de artsen in principe door het beroepsgeheim zijn gebonden ten opzichte van het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn.

Overeenkomstig artikel 67 van de Code van plichtenleer mag de arts medische getuigschriften afleveren aan een patiënt die erom verzoekt met het oog op de tussenkomst van een Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

Indien voor de uitvoering van zijn wettelijke opdracht, het Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn noodzakelijker wijze op de hoogte moet zijn van bepaalde gegevens, met name op het administratieve, financiële of boekhoudelijke vlak, mag de arts deze gegevens verstrekken maar zij moeten beperkt blijven tot wat voor de wettelijke formaliteiten vereist is. Bijgevolg is het slechts in die mate dat de wet betreffende de Openbare centra voor maatschappelijk welzijn de arts verplicht bepaalde inlichtingen te verstrekken.

***

Op 20 februari 1978, werd door de Nationale Raad in dit verband een schrijven gericht aan de Minister van Volksgezondheid en Leefmilieu.

Beroepsgeheim01/01/1978 Documentcode: a026024
A.S.L.K. en overlijdensattest

Bij het afsluiten van een levensverzekering bij de Algemene Spaar‑ en Lijfrentekas, wordt de aanvrager verzocht een verklaring te ondertekenen waarbij hij de behandelende arts de toelating geeft de familie in het bezit te stellen van een getuigschrift waarin de doodsoorzaak wordt medegedeeld.

In een besluit van de Algemene Raad van de Algemene Spaaren Lijfrentekas, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 januari 1974, wordt bij artikel 8 voorzien dat de door de Verzekeringskas verschuldigde sommen aan de begunstigde worden uitbetaald tegen aflevering in geval van overlijden van de verzekerde, van een geneeskundig getuigschrift dat de oorzaak en de omstandigheden van het overlijden vermeldt.

***

Aangezien op analoge verzoeken vanwege privé verzekeringsmaatschappijen nooit eerder werd ingegaan, kan de Nationale Raad onmogelijk een uitzondering hierop maken voor wat het besluit betreft van de Algemene Raad van de ASLK.

Bedoelde bepaling is onverenigbaar met de voorschriften van artikels 458 van het Strafwetboek en 65 van de Code van Plichtenleer, alsmede met de jurisprudentie.

***

De Nationale Raad betwist de geldigheid van de verbintenis aangegaan door de verzekeringsnemer bij de ondertekening van het contract.

Alhoewel binnen de jurisprudentie van de feitenrechters en de rechtsleer, meningsverschillen bestaan omtrent het karakter van het medisch beroepsgeheim, is de doctrine van het Hof van Cassatie constant en formeel.

In de twee recentste arresten die op het vlak van het medisch geheim werden gewezen (23 juni 1958 en 14 juni 1965), heeft het Hof telkens uitdrukkelijk gewezen op het karakter van openbare orde van het medisch geheim.

Bijgevolg is de toestemming van een particulier, met name de zieke of in dit geval de verzekeringsnemers, niet voldoende om de arts van zijn zwijgplicht te ontslaan.

De clausule waarbij de arts van zijn beroepsgeheim wordt ontslaan kan geen enkel praktisch gevolg hebben.

Het spreekt namelijk vanzelf dat een arts niet gebonden is door de clausule van een contract waarvan hij geen partij is. Er bestaat voor de arts bijgevolg geen enkele contractuele verplichting om het getuigschrift af te leveren en hij kan geen enkele contractuele verantwoordelijkheid dragen ten opzichte van de begunstigden van de verzekering of ten opzichte van de verzekeraar, wanneer hij weigert het gevraagde getuigschrift af te leveren.

Anderzijds kan de arts die weigert een getuigschrift af te leveren evenmin een quasi‑delictuele verantwoordelijkheid dragen. Hij handelt namelijk overeenkomstig de beschikkingen van openbare orde inzake het beroepsgeheim en overeenkomstig de regels van de Code van Plichtenleer. Bovendien is de arts, zelfs bij ontbreken van dergelijke beschikkingen of regels, door geen enkele wettelijke beschikking of enige beroepsplicht gehouden een dergelijk getuigschrift af te leveren.

Verder lijkt het uiterst onwaarschijnlijk dat, wanneer ingevolge de weigering van de arts, de begunstigden van de verzekering het gevraagde getuigschrift niet kunnen voorleggen, de verzekeraar enkel op basis daarvan zou kunnen weigeren het contract uit te voeren. Voor de begunstigden is dat namelijk een geval van overmacht.

De geldigheid van een clausule, waarbij in een wederkerig contract een partij het naleven van haar verplichtingen bindt aan het uitvoeren van een formaliteit door een derde die van zijn kant door geen enkele verplichting is gebonden, is vanzelfsprekend betwistbaar.

Commercialisatie van de geneeskunde01/01/1978 Documentcode: a027001
report_problem Informatie/Documentatie
De commercialisatie van de geneeskunde

De medische ethiek steunt op enkele fundamentele beginselen die, in de Code, in praktische levensregels werden omgezet.

Eén van deze principes wordt geformuleerd in art. 10 van de Code: «De geneeskunde mag, in geen geval, en op geen enkele manier, als een handelszaak worden opgevat».

Er bestaat, inderdaad, een volstrekte onverenigbaarheid tussen handelsgeest en eerlijke geneeskunde.

In de handelspraktijk is het normaal zijn produktie op te drijven, publiciteit te maken, procenten of kommissielonen op te strijken, zijn verkoopspunten te vermenigvuidigen. In één woord zijn eigen materieel belang na te streven.

In de geneeskunde is het juist andersom.

De patiënt moet er vast kunnen op rekenen dat de verrichte onderzoeken, en voorgeschreven behandelingen zullen beperkt worden tot wat strikt nodig is voor zijn genezing.

Elke afspraak of overeenkomst, die de geneesheer zou kunnen aanzetten om zijn materieel voordeel te stellen boven het heil van zijn patiënt, is daarom uit den boze. Ze ondermijnt het vertrouwen van de patiënt en kan zelfs zijn physische integriteit aantasten.

Daarom werd elke dichotomie, onder welke vorm dan ook, of met om het even wie, steeds streng veroordeeld.

Als dichotomie dient beschouwd elke winst, rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel, die de geneesheer zou verwerven bij, of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep, behoudens natuurlijk zijn rechtmatig ereloon.

Deze deontologische principes werden ten andere zowel door de wet, de rechtsleer, en de jurisprudentie bevestigd.

Dit werd zeer kernachtig samengevat in een vonnis van de burgerlijke rechtbank van Antwerpen die het aldus formuleerde: «Benevens wetenschappelijke kennis en medische geschiktheid zijn immers de onafhankelijkheid en de belangloosheid van de geneesheer de grondbeginselen voor de uitoefening van goede geneeskunde en gelden dan ook als medische gedragsregelen. Omdat zij de nodige waardigheid van de geneesheer jegens zijn patiënten, en hun vertrouwen jegens hem waarborgen, en vooral omdat zij het recht zijner patiënten op dergelijke medische behandeling en op zijn lichamelijke integriteit beschermen. Deze grondbeginselen en gedragsregels zijn daarom zelfs van openbare orde, en elke overeenkomst die er afbreuk aan doet is aldus van rechtswege nietig». Burg. Antwerpen 23.12.1953 J.T. 1954 blz. 263/264.

Men mag dus terecht besluiten dat commerciële praktijken, als het ware, indruisen tegen het wezen zelf van de geneeskunde, en daarom, ook zowel door de deontologie, als door het recht veroordeeld worden.

Uit de parlementaire besprekingen, die de wettelijke oprichting van de Orde der geneesheren, in 1938 voorafgingen, blijkt dan ook dat de strijd tegen de commercialisatie, als een van de bijzonderste opdrachten van de Orde werd gezien, omdat het gerecht hier meestal machteloos staat.

Toen in 1947 de Orde eindelijk kon in werking treden, werd dit ook zo begrepen door de toenmalige Voorzitter van de Hoge Raad, die als inleiding op de Code van 1950 schreef: «Het kan niet langer meer geloochend worden dat in zekere milieu's de geneeskunde als een handelszaak wordt opgevat. Dergelijke praktijken moeten dan ook streng disciplinair beteugeld worden».

De strijdvaardige intenties van de Orde, en zijn voorzitter, werden echter in de kiem gesmoord door het verbreken van de Code door de Raad van State. Door de geneesheren werd dit verkeerdelijk geïnterpreteerd alsof de inhoud zelf van deze Code werd verworpen.

Intussen woekerden de misbruiken verder. Des te meer dan dat met het ontstaan van de Z.l.V. sommige personen en instanties in de geneeskunde de mogelijkheid zagen om er politiek philosophisch en ook financieel voordeel uit te halen.

Wanneer in 1970 de Nationale Raad door de wetgever werd belast met het opstellen van een nieuwe Code leek het wel onbegonnen werk tegen deze wantoestanden op te roeien.

Uiteindelijk heeft de Nationale Raad zijn verantwoordelijkheid genomen met de overweging dat zoals men in de U.S.A. zegt: «The wide extent of an unethical practice does not make it ethical». De grote verspreiding van ondeontologische praktijken maakt ze niet deontologisch.

Zo werd o.m. het systeem van de procentuele afhoudingen verworpen, dat, gekombineerd met de gratuiteit gans de gezondheidszorg bederft. Met dit systeem is het niet langer meer de beroepsbekwaamheid van de geneesheren, het belang van de zieke, de kwaliteit van de geneeskunde die centraal staan maar integendeel de gemeenschapelijke materiële belangen van instellingen EN geneesheren.

De Nationale Raad heeft nooit gedacht dat aldus onmiddellijk een einde kon gesteld worden aan wantoestanden, die bijna 40 jaar bestaan. Welbewust heeft hij echter de vinger gelegd op een etterende wonde, en het roer radikaal omgegooid. Het is duidelijk dat men hier staat voor een reuzetaak die, in samenspraak en samenwerking met alle betrokken instanties, tot een goed einde moet worden gebracht.

Dat men zou ongelijk hebben de armen te vlug te laten zakken wordt bewezen door een konkreet voorbeeld.

In 1964 ging de Hoge Raad ten strijde tegen de dichotomie over het algemeen, en de dichotomie in de heelkunde in het bijzonder. Daarbij werd beroep gedaan op de beroepsorganisaties. Het resultaat was dat de schande van de heelkundige dichotomie vrijwel verdwenen is.

Meer recent is nu een nieuwe plaag opgedoken, namelijk, de misbruiken in verband met de klinische biologie.

Het gaat van de brutale dichotomie, over allerhande varia, tot meer listige vormen als bijvoorbeeld het oprichten van allerhande verenigingen, waar alleen een doorgedreven studie van de statuten en vooral de praktijk de kollusie kan aan het licht brengen. Minstens twee jaar voor het huidige perskabaal, heeft de Orde hier ingegrepen, door herhaalde omzendbrieven van de Nationale Raad, en door het disciplinair optreden van de provinciale Raden.

Het lijkt wel of de strijd tegen de commercialisatie van de geneeskunde nooit af zal zijn. Eigenlijk hoeft dit, in deze wereld, geen verwondering te baren. Liet reeds Shakespeare, in zijn tijd, Hamiet niet zeggen: «To be honest, is to be one man pickt out of tenthousand».

Het gaat echter om een grondregel, om het wezen zelf van ons beroep.

Daarom zal de Orde, in al zijn geledingen zijn krachten inzetten, om ons beroep te bewaren: een bij uitstek humanitair beroep, ten dienste van de patiënt.

Dr. Alex De Bruyn,
Lid van de Nationale Raad.

Honoraria01/01/1978 Documentcode: a026018
Honoraria van psychiaters en psychotherapeuten bij niet nagekomen afspraak

De Nationale Raad ontving volgend schrijven van een provinciale raad: de meeste geneesheren‑psychiaters en psychotherapeuten van onze provincie vinden het vanzelfsprekend dat aan de patiënt systematisch een honorarium wordt aangerekend wanneer deze zijn afspraak niet nakomt, zelfs wanneer de afspraak werd afgezegd.

De leden van het Bureau vinden dat deze handelwijze niet goed verenigbaar is met het medisch beroep, of die afspraak nu al dan niet werd afgezegd.

Mogen wij om het advies verzoeken van de Nationale Raad wat dit probleem betreft ?

Zoals nooit aanvaard is dat bij de bepaling van een honorarium rekening wordt gehouden met het therapeutisch effekt ervan, kan niet worden aanvaard dat om therapeutische redenen een bijdrage wordt gevraagd voor een niet nageleefde afspraak.

Wanneer psychiaters en psychotherapeuten menen dat zij het recht hebben systematisch bedragen in rekening te brengen voor niet nageleefde afspraken, beroepen zij zich op therapeutische redenen. Een financiële bijdrage wordt voorgesteld als een hulpmiddel in de therapie.

Er zijn altijd geneesheren geweest die analoge principes verdedigen. Ter staving van te hoge erelonen wordt dan beweerd dat het werk anders niet naar waarde wordt geschat en het therapeutisch effekt van de interventie grotendeels verloren gaat.

In artikel 71 van de Code van geneeskundige Plichtenleer wordt dit kriterium niet vermeld.

Wanneer een psychiatrische patiënt zich niet aan een gemaakte afspraak houdt, is dit ongetwijfeld een belangrijk gebeuren in de therapie dat op het gepaste ogenblik dient te worden besproken. Zolang dit niet is gebeurd, kan de therapeut er de betekenis niet van kennen, noch zijn houding bepalen.

Het is uitgesloten dat de enige mogelijkheid om de therapie met kans op succes verder te zetten erin zou bestaan van de patiënt een financiële bijdrage te eisen.

In principe zijn alle bestaande vormen van psychotherapie ook mogelijk gedurende een klinische behandeling. Ook in een klinisch midden houdt de patiënt zich niet steeds aan een gemaakte afspraak met zijn psychotherapeut zonder dat deze het eisen van een financiële bijdrage als essentiële voorwaarde stelt voor het verderzetten van de therapie.

Gedetineerden01/01/1978 Documentcode: a027027
Behandeling van gedetineerden

In ons vorig nummer werd hieraan een artikel gewijd en naar aanleiding van het gepubliceerde advies ontvingen wij volgend schrijven van Mr. De Ridder, Directeurgeneraal van het Ministerie van Justitie:

Ik heb de eer te verwijzen naar uw brief nr. 7868 van 23 november 1977, waarin U mij het advies, dat de Nationale Raad van de Orde der geneesheren op 18 juli 1977 heeft uitgebracht betreffen de bepaalde problem en van de medische ethiek bij de behandeling van gedetineerden, nader toelicht.

Bedoeld probleem, meer in het bijzonder dit in verband met de plaatsing van een gedetineerde op strafcel, heeft mijn speciale aandacht weerhouden en maakt op heden het voorwerp uit van een voorontwerp tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 21 mei 1965, houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen.

Volgens dit voorontwerp zou de tekst van de artikelen 84 tot en met 87, waarnaar ik in mijn brief van 19 september 1977 reeds verwees en waarvan ik nuttigheidshalve afschrift in bijlage voeg, vervangen worden door de volgende:

«Art. 84 (ter vervanging van huidig artikel 84)

De straf waarbij de plaatsing van een gedetineerde in een strarcel bevolen wordt, mag niet uitgevoerd worden zonder dat de geneesheer de betrokkene heeft onderzocht.

De geneesheer kan zich om medische redenen tegen de uitvoering van de straf verzetten.

Alleen wanneer het gaat om een erge fout of daad van tuchtloosheid waarvan de bestraffing geen uitstel duidt, mag tot de onmiddellijke tenuitvoerlegging besloten worden.»

«Art. 85 (ter vervanging van het eerste lid van het huidig artikel 86 en van het huidig artikel 87)

De geneesheer moet dagelijks de gedetineerden, die in een strafcel zijn geplaatst, bezoeken.

Indien de gedetineerde ziek is of wordt, gedraagt de directeur zich naar de richtlijnen van de geneesheer en neemt hij alle passende maatregelen om de doelmatigheid van de voorgeschreven behandeling te verzekeren.»

«Art. 86 (ter vervanging van het huidig artikel 85)
In de strafcel hebben de gedetineerden een veldbed of een houten brits in plaats van het gewone bed.»

«Art. 87 (herneming van het tweede lid van huidig artikel 86)

De directeur of adjunctdirecteur en de hoofdbewaarder brengen aan de gedetineerden, die in de strafcel zijn geplaatst, dagelijks een bezoek. Wanneer hij zich in de inrichting bevindt, bezoekt de maandcommissaris hen eveneens.»

Volledigheidshalve meld ik U dat de tekst van voormeld nieuw artikel 86 nog niet volledig op punt staat, maar dat in ieder geval de zinsnede van het huidige artikel 85 («tenzij de directeur, op advies van de geneesheer, er anders over beslist») zal weggelaten worden.

Op practisch vlak gezien, zou het verslag van de geneesheer, opgemaakt bij toepassing van de bepalingen van het nieuw artikel 84, er uitzien als volgt:

«Geen medische behandeling nodig» of:

« Ik verzet mij tegen de uitvoering van de straf wegens: ...... (medische redenen).»

Bij toepassing van de bepalingen van het nieuw artikel 85, zou het verslag van de geneesheer er uitzien als volgt:

«Geen medische behandeling nodig» of:

« - medische gegevens: .....
- omstandigheden waarin de geneeskundige behandeling moet uitgevoerd worden: .....»

In dit laatste geval zou alsdan de gevangenisdirecteur, bij toepassing van artikel 85, moeten oordelen of de omstandigheden, waarin volgens de geneesheer de behandeling moet worden uitgevoerd, verenigbaar zijn met het behoud van gedetineerde in de strafcel.

Het zou mij aangenaam zijn moest ik uw goedkeuring of eventuele opmerkingen betreffende de voorgestelde teksten mogen vernemen. Ik dank U voor deze medewerking.

De voorgestelde wijzigingen die aan de adviezen van de Nationale raad tegemoet komen, werden door de Raad gunstig onthaald maar er werd niettemin op aangedrongen het beroepsgeheim van de gevangenisarts nader te preciseren:

«Het verslag van de geneesheer in toepassing van de bepalingen van het nieuwe artikel 85 moet zodanig worden opgemaakt, dat het beroepsgeheim wordt geëerbiedigd overeenkomstig punt 1 van het door de Nationale raad op 16 juli 1977 uitgebrachte advies in verband met de behandeling van gevangenen en gedetineerden.» (cfr. O.T. nr. 26 19771978, blz. 32)

Homeopathie05/07/1977 Documentcode: a079012
Homeopathie - Osteopathie

De terugbetaling van homeopathische en osteopathische verstrekkingen via de aanvullende verzekering door een ziekenfondsbond bracht tal van bedenkingen en vragen teweeg, die voorgelegd werden aan de Nationale Raad.

Brief van de Nationale Raad aan de minister van Volksgezondheid, de heer Colla, aan de minister van Sociale Zaken, mevrouw De Galan, en aan de minister-president van de Franse Gemeenschapsregering, mevrouw Onkelinx :

In maart van dit jaar werd de Nationale Raad op de hoogte gebracht van de beslissing van een ziekenfondsbond van Henegouwen om osteopathische verstrekkingen en homeopathische producten terug te betalen via de aanvullende verzekering.

De Nationale Raad vestigt uw aandacht op bepaalde gevaren die een dergelijke beslissing inhoudt, in het bijzonder het gevaar van een impliciete en onrechtstreekse erkenning van verzorgingsactiviteiten die, indien zij niet verricht worden door een houder van het wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, een onwettige uitoefening van de geneeskunde kunnen uitmaken.

De Nationale Raad sluit zich geheel aan bij de bewoordingen en de inhoud van de brief die u terzake toegestuurd werd door de Commissie homeopathie, chiropraxie en osteopathie van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde.

De patiënten hebben recht op een kwaliteitsverzorging en behandelingen die beantwoorden aan de meest recente wetenschappelijke bevindingen. De noodzakelijke wetenschappelijke waarde en het onschadelijke karakter van een verzorgingsactiviteit moeten op elk ogenblik geanalyseerd en kritisch beoordeeld kunnen worden. Dit vergt noodzakelijkerwijze dat deze verzorgingsactiviteit wetenschappelijk goed gedocumenteerd is.