Ordomedic

Gerelateerde adviezen en nieuws

Publiciteit en reclame01/01/1977 Documentcode: a026014
Reklame

Sommige artsen maken meer en meer medische reklame, hetzij op de televisie, de radio, in dagbladen en tijdschriften of zelfs via folders die niet veel verschillen van die gebruikt door de warenhuizen ...

Wat is het standpunt van de Orde terzake ?

Volgende nota werd aan de voorzitters van de provinciale raden gezonden:

Artikel 16 van de Code van geneeskundige Plichtenleer laat de geneesheer toe deel te nemen aan radio-en T.V.‑uitzendingen, maar dit slechts onder bepaalde voorwaarden die duidelijk in artikel 16 staan vermeld:

«De geneesheren mogen deelnemen aan medische voorlichtingscampagnes, aan radio‑ of televisie‑uitzendingen bestemd voor de volksopleiding en spreekbeurten houden, op voorwaarde dat ze de regels van bescheidenheid, waardigheid, kiesheid en omzichtigheid die eigen zijn aan het medisch beroep eerbiedigen, dat zij, in het algemeen, naamloos optreden en dat zij geen enkele reklame maken voor hun privé praktijk of voor bepaalde instellingen.

De geneesheer zal de provinciale raad waartoe hij behoort inlichten over zijn medewerking aan radio‑ of televisie‑uitzendingen.»

De Nationale Raad van de Orde van Geneesheren wenst ter illustratie van dit artikel er nadrukkelijk op te wijzen dat de geïnterviewde geneesheer niet de indruk mag wekken alsof hij alleen de mogelijkheden en ervaring heeft om een bepaalde methode van onderzoek of behandeling toe te passen. De medewerkende geneesheren aan uitzendingen dienen erover te waken dat het publiek op een duidelijke en volledige wijze wordt ingelicht.

Tevens meent de Nationale Raad dat de provinciale raden op eigen initiatief dienen op te treden tegen elke vorm van persoonlijke reklame en dit eveneens in de geschreven pers.

De provinciale raden worden verzocht deze omzendbrief via hun mededelingen aan de geneesheren kenbaar te maken.

Chirurgie01/01/1977 Documentcode: a026032
Cardiovasculaire chirurgie en getuigen van Jehovah

De Nationale Raad werd, zoals overigens de provinciale raden, reeds herhaalde malen geconfronteerd met het probleem van bloedtransfusies bij Getuigen van Jehovah.

De Raad meent daarom dat het voor Uw dokumentatie interessant is onderstaand Amerikaans rapport te publiceren in verband met cardiovasculaire chirurgie bij Getuigen van Jehovah.

RAPPORT OVER 542 OPERATIES ZONDER BLOEDTRANSFUSIE

David A. OTT, Denton A. COOLEY, Doctors in de geneeskunde.

- De Getuigen van Jehovah die een heelkundige ingreep moeten ondergaan betekenen voor de arts een ongemene uitdaging aangezien zij elke vorm van bloedtransfusie weigeren. Wij brengen hier verslag uit over onze ervaringen die een periode van twintig jaar bestrijken tijdens dewelke 542 Getuigen van Jehovah, met een leeftijd gaande van 1 dag tot 89 jaar, een operatie ondergingen. De vroegtijdige mortaliteit (binnen 30 dagen na de ingreep) bedroeg 9,4 %. Bij 362 patiënten waarbij een tijdelijke extra‑corporele circulatie noodzakelijk was, bedroeg die mortaliteit 10,7 %. Bij 126 zieken die een enkelvoudige of een dubbele valvulaire vervanging ondergingen, bedroeg het sterftecijfer 13,5 %. In de gevallen waarbij de valvula aortae werd vervangen of een interventriculaire wand werd hersteld, zijn de sterfgevallen uitsluitend te wijten aan de een of andere ernstige verwikkeling die reeds vóór de operatie bestond. Een pre‑ of post-operatieve anemie was een precipiterende factor bij 12 sterfgevallen terwijl bloedverlies de directe doodsoorzaak was in 3 gevallen. Een cardiovasculaire operatie kan veilig gebeuren zonder bloedtransfusie.
(JAMA 238: 1256‑1258, 1977)

In het verleden bleven personen die op religieuze gronden een bloedtransfusie weigerden dikwijls van elke heelkundige ingreep verstoken. In 1964 hebben wij melding gemaakt van de eerste openhartoperatie bij een Getuige van Jehovah. Alhoewel op deze patiënten reeds eerder ingrepen werden uitgevoerd door andere chirurgen, zijn in de medische literatuur weinig gevallen vermeld. (1) Daarom vinden wij een rapport over onze ervaringen gerechtvaardigd. Het betreft een retrospektieve analyse in verband met de 542 patiënten die sinds 1957 in het Texas Heart Institute een cardiovasculaire operatie zonder bloedtransfusie hebben ondergaan.

TECHNISCHE BESCHOUWINGEN

Telkens werd de snelste en eenvoudigste heelkundige techniek aangewend terwijl de hemostase uiterst nauwkeurig werd gevolgd. Bij de patiënten met een tijdelijke extra‑corporele circulatie, vond de operatie plaats onder normothermische of gematigde systematisch hypothermische voorwaarden. Er werd gebruik gemaakt van oxygenators die door middel van de oplossing van Ringer met een volume van 20 à 30 ml/kg lichaamsgewicht aan de gang werden gebracht. Het door de rolpomp geleverde debiet bedroeg gemiddeld 40 à 100 ml/kg lichaamsgewicht. Alvorens de aortacanule te verwijderen werd al het resterende bloed uit de extra‑corporele circulatie terug in de patiënt gevoerd. Er werd geen bloed toegevoegd voor, tijdens of na de operatie. Geen enkel bloedderivaat, zoals plasma, bloedplaatjes, fibrinogeen, albumine of cryoprecipitaat werd toegediend. Er werd uitsluitend gebruik gemaakt van krystalloïde oplossingen om het volume te handhaven. Gezien de nadelige uitwerking ervan op de hemostase, werd evenmin gebruik gemaaktvan dextran, maar er werd daarentegen voor de operatie wel ijzerdextran (Imferon) ingespoten ten einde de erythropoiese te stimuleren.

KLINISCHE GEGEVENS EN RESULTATEN

Van 1957 tot 1977 ondergingen 542 patiënten, met een leeftijd gaande van 1 dag tot 89 jaar, een belangrijke heelkundige ingreep zonder bloedtransfusie. De globale vroegtijdige mortaliteit (binnen 30 dagen na de ingreep) bedroeg 9,4 % (51 sterfgevallen). Bij 362 patiënten werd gebruik gemaakt van een tijdelijke extracorporele circulatie waarbij 39 patiënten vroegtijdig overleden, d.w.z. een mortaliteit van 10,7 %. Bij 75 patiënten vond hartchirurgie plaats zonder extra‑corporele cardiopulmonaire circulatie; hierbij overleden 7 patiënten vroegtijdig (9,3 %). Bij 105 patiënten vond andere dan hartchirurgie plaats met 5 vroegtijdige sterfgevallen (4,8 %).

Van de 67 patiënten bij wie de aortaklep werd vervangen, stierven er in totaal 10 (14,9 %). Belangrijke anatomische of fysiologische faktoren hebben bij deze 10 sterfgevallen het uiteindelijke resultaat beïnvloed. Bij drie van deze patiënten werd voor de tweede maal gebruik gemaakt van een extracorporele cardiopulmonaire circulatie; bovendien werd bij één van hen tegelijkertijd een aorto‑coronaire shunt aangebracht. Verder had een andere van deze drie patiënten niet langer anticoagulerende middelen genomen en vertoonde een longoedeem en hypotensie. Zij moest dringend heropereerd worden wegens een acute valvulaire trombose. Twee patiënten die omzeggens op sterven lagen vertoonden een acute bacteriële endocarditis die dringend diende te worden geopereerd. Voor de operatie leed één van de patiënten aan anurie, terwijl bij de andere patiënt een hemoglobine‑gehalte van 6,5 gr/dl werd vastgesteld. Twee patiënten die hierbij tevens een resectie van een aneurisma van de aorta ascendens ondergingen, zijn overleden; bij drie andere werd, op het ogenblik dat de valvula aortae werd vervangen, tevens de interventriculaire wand hersteld. Er kwamen geen sterfgevallen voor onder de patiënten bij wie een aortaklep werd vervangen wegens een deficiëntie zondere verdere complicaties.

Bij 43 patiënten bij wie de mitrale klep werd vervangen, bedroeg het sterftecijfer 11,6 % (5 patiënten). In één geval werd de dood veroorzaakt door een cerebrale embolie en in een ander, door een post‑operatief myocardiuminfarct. Bij een patiënt deed zich de 8ste dag na de operatie een onverwachte hartstilstand voor, terwijl een andere overleed ingevolge de complicaties van een pulmonarie hypertensie. Bij de 5de patiënt tenslotte ontwikkelde zich een ernstige hemolyse ingevolge een mitrale annuloplastie waardoor de mitrale klep dringend diende te worden vervangen. Zij overleed daarna aan een renale insufficiëntie.

Bij zestien patiënten werd zowel de mitrale als de aortaklep vervangen en daarbij overleden 2 patiënten vroegtijdig (12,5 %).

Bij 123 patiënten werd gebruik gemaakt van een aortocoronaire shunt al dan niet met de resectie van een links ventriculair aneurisma en het sterftecijfer bedroeg daar 6,5 %. Van de 8 personen die overleden, ondergingen drie bovendien een resectie van een links ventriculair aneurisma. Bij één patiënte kwam een hartstilstand voor tijdens de hartcatheterisatie; zij werd overgebracht naar de operatiezaal terwijl cardio‑pulmonaire reanimatie werd toegepast. Zij overleed nadat een aorto‑coronaire shunt werd gerealiseerd. Twee patiënten overleden ingevolge een post‑operatief myocardiuminfarct. Twee andere patiënten overleden in de operatiezaal: de ene ingevolge een hardnekkige ventriculaire fibrillatie en de andere ingevolge een cardiogenische shock.

De mortaliteit bij 25 patiënten die een open mitrale commissurotomie ondergingen, bedroeg 8 % (2 patiënten). Eén patiënt overleed ingevolge een acute congestieve hartverzwakking, terwijl de andere stierf ingevolge een hemorragische diathese waarvan de etiologie onbekend is.

Het herstellen bij 25 patiënten, van een interventriculaire wand zonder verdere complicaties, eiste geen enkele dode.

Twee van de 15 patiënten zijn overleden na een volledige correctie van de tetralogie van Fallot. Een aspiratie‑pneumonie had de dood van een patiënt tot gevolg. Een andere patiënt, 24 jaar oud, onderging tegelijkertijd de sluiting van een shunt tussen een aorta ascendens en de rechtse longslagader. De longslagader was brokkelig en de patiënt overleed ingevolge bloedverlies.

Op de 75 patiënten die diverse hartoperaties ondergingen, waarbij geen extra‑corporele cardiopulmonaire circulatie was vereist, overleden er 7. Het operatieve sterftecijfer bedroeg 9,3 %. Honderd en vijf patiënten ondergingen diverse niet‑cardiale ingrepen waarbij de mortaliteit 4,8 % bedroeg.

COMMENTAAR

In 1881 stichtte een kleermaker uit Pennsylvanië, Charles Russell, de «Watchtower Bible and Tract Society», een uitbreiding van een plaatselijke bijbelstudiegroep. Dank zij het evangelisatiewerk van de volgelingen en het omvangrijke aantal publikaties, kende deze religieuse beweging een fenomenale groei. Meer dan 2 miljoen mensen uit 210 landen traden tot deze godsdienst toe. In 1951 begonnen zij zich de Getuigen van Jehovah te noemen naar het voorbeeld van een passage uit de Bijbel waarin wordt gezegd: «Gij zijt mijn getuigen, zo luidt de godsspraak van Jahwe». (Jesaja 43/10).

De secte is fundamentalistisch van aard en een groot aantal van haar voorschriften zijn gebaseerd op een letterlijke interpretatie van de Schriften. Hun leer in verband met bloedtransfusie wordt nauwkeurig uiteengezet in een publikatie «Bloed, Geneeskunde en de Wet van God» waarin wordt verwezen naar passages uit de Bijbel, zoals Leviticus 17:14:

Want de levenskracht van mens en dier is zijn bloed: daarom heb ik de Israëlieten gezegd: «Nuttig nooit bloed van mens of dier. Want de levenskracht van mens en dier is in zijn bloed. Ieder die het nuttigt wordt uit zijn volk verwijderd.»

Volgens hun geloofsovertuiging betekent het toedienen van bloed of bloedderivaten de verbeurdverklaring‑ van elke kans op heropstanding of eeuwige zaligheid. De Getuigen van Jehovah zijn eerlijk en onwrikbaar in hun weigering bloed te ontvangen. De medisch‑wettelijke en ethische gevolgen van een dergelijke filosofie werden reeds uitgebreid besproken.(2) De chirurg die aanvaardt een Getuige van Jehovah te behandelen moet diens religieuze overtuiging eerbiedigen op de patiënt naar een collega verwijzen.

Uit onze ervaring is gebleken dat deze patiënten tot medewerking bereid zijn zolang aan hun religieuze wensen in verband met chirurgie wordt voldaan. Ondanks de litigieuse aard van onze maatschappij werd bij ons weten nog geen enkele klacht ingediend tegen een arts wegens het niet‑toedienen van bloed aan een Getuige van Jehovah. Wij menen dat de patiënt het recht heeft zelf een beslissing te nemen en dat de arts moreel verplicht is de wensen van de patiënt te eerbiedigen. Wij hebben nooit een overeenkomst geschonden die voor de operatie was gesloten en waarbij werd verklaard dat, ongeacht de omstandigheden of noden, geen bloed zou worden toegediend.

Bij kinderen moet hieraan meer aandacht worden besteed. Wanneer aanzienlijk bloedverlies wordt gevreesd, is een operatie niet aangewezen. Bij eenvoudige ingrepen zoals het herstellen van een open verbinding tussen aorta en longslagader, van een interatriale of interventriculaire wand, komen meestal geen moeilijkheden voor. Bij kinderen met meer gecompliceerde afwijkingen zoals de transpositie van de grote vaten of de tetralogie van Fallot, valt het moeilijker te beslissen of al dan niet operatief moet worden ingegrepen.

In deze kategorie zijn drie op de 51 sterfgevallen direct te wijten aan bloedverlies. Post‑operatieve anemie was een beslissende factor in 12 andere gevallen. Uit onze eravring is duidelijk gebleken dat patiënten die op religieuze gronden bloedtransfusies weigeren, belangrijke cardiovasculaire operaties kunnen ondergaan met een aannemelijk gering risico.

***

(1)- Sandiford FM, Chiariello L, Haliman GL, et al: Aortosoronary bypass in Jehovah's Witnesses: Report of 36 patients. J Thorac Cardiovasc Surg 68: 1‑7, 1974.
- Zaorski JR, Haliman GL, Cooley DA: Open heart surgery for acquired heart disease in Jehovah's Witnesses: A report of 42 operations. Am J Cardiol 29: 186‑189, 1972.
- Simmons CW Jr, Messmer BJ, Hallman GL, et al: Vascular surgery in Jehovah's Witnesses. JAMA 213: 1032‑1034, 1970.
- Cooley DA, Bloodwell RD, Beall AC Jr, et al: Cardiac valve replacement without blood transfusion. Am J Surg 112: 743‑751, 1966.

(2)- Schechter D.C.: Problems relevant to major surgical operative in Jehovah's Witnesses. Am. J. Surg. 116:73‑30,1968.
- Gardner B., Bivona J., Alfonso A.: Major surgery in Jehovah's Witnesses. NY State J. Med 76:765‑767,1976.
- Winters R.G., Dornette W.H.: Jehovah's Witnesses and consent. J. Legal Med. 2‑9, 1974.
- Fitts W.T., Orloff M.J.: Blood transfusion and Jehovah's Witnesses, Surg. Cynecol. Obstet 108‑502‑512,1959.

Discipline01/01/1977 Documentcode: a026022
Mededeling van disciplinaire beslissingen

De Minister van Volksgezondheid meldt de Nationale Raad dat de diensten voor geneeskundige en administratieve controle van het RIZIV door de provinciale geneeskundige commissies wensen te worden ingelicht omtrent de door de Raden van de Orde van Geneesheren genomen tuchtstraffen houdende schorsingen in het recht de geneeskunde uit te oefenen, zoals wordt bepaald bij de beschikkingen van artikel 37, § 1, 2°, e, van het K.B. nr. 78 van 10 november 1976.

Antwoord van de Nationale Raad:

In bedoeld artikel werd niet voorzien dat de beslissingen tot schorsing in de uitoefening van de geneeskunde door de provinciale geneeskundige commissie aan het R.l.Z.l.V. worden medegedeeld maar wordt slechts bepaald dat de geneeskundige commissie er enerzijds moet over waken dat de geneeskunde in overeenstemming met de wetten en reglementen wordt uitgeoefend en anderzijds, de gevallen van onwettige uitoefening van de geneeskunde moet opsporen en aan het Parket mededelen.

In artikel 37, § 1, 2°, e, wordt inderdaad wel gezegd dat de geneeskundige commissie met name tot opdracht heeft de belanghebbende personen van publiek‑ of privaatrecht in te lichten omtrent de door de Orde van de Geneesheren genomen beslissingen inzake de uitoefening van zijn aktiviteit door een beoefenaar van de geneeskunde.

Volgens alinea 2 van deze beschikkingen worden de personen bedoeld bij vorig lid op voorstel van de Nationale Raad van de betrokken Orde aangeduid.

Het is bijgevolg de Nationale Raad van de Orde die erover oordeelt welke mededelingen gerechtvaardigd zijn.
Deze beoordeling moet noodzakelijkerwijze gebeuren met eerbiediging van de principes die gelden in verband met de disciplinaire beslissingen.

Het tuchtrecht heeft tot doel, in het algemeen welzijn, de goede uitoefening van bepaalde beroepen te waarborgen.

Het wordt toegepast door bijzondere rechtsmachten samengesteld binnen elk betrokken beroep.

Bij alle tuchtrechtsmachten gebeurt dit met eerbiediging van het rechtsbeginsel van de bescheidenheid in het onderzoek en de berechting van de tuchtzaken, zoals vastgelegd door de jurisprudentie en de rechtsleer. (Cassatie, 22 sept. 1972, Arresten van het Hof van Cassatie 1973, p. 89; Van Reepinghen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Uitgave Staatsblad, p. 208.)

Het tuchtrecht verschilt door zijn doel en zijn toepassingsregels van de andere takken van het recht en meer bepaald van het strafrecht en het burgerlijk recht. Door het strafrecht wordt de bescherming van het openbaar belang beoogd terwijl het burgerlijk recht de partikuliere belangen moet beschermen. Alhoewel het tuchtrecht stoelt op het openbaar welzijn, beoogt het niet onmiddellijk de bescherming van de openbare of partikuliere belangen, maar uitsluitend de goede uitoefening van het betrokken beroep.

Dat is de reden waarom éénzelfde feit zowel een strafrechtelijke sanktie, een burgerlijke veroordeling en een tuchtstraf tot gevolg kan hebben.

Indien de leden van bepaalde beroepen zijn blootgesteld aan tuchtstraffen die niet gelden voor de andere burgers lijkt het niet wettig en strookt het niet met de aard van het tuchtrecht aan deze straffen bovendien ruchtbaarheid te geven.

Dat is de reden waarom in principe geen ruchtbaarheid wordt gegeven aan de tuchtstraffen uitgesproken ten laste van ambtenaren, militairen, magistraten, politie, onderwijzend personeel, advokaten, notarissen, artsen, apothekers, architecten, enz.

Het is door de wet op restrictieve wijze toegestaan de tuchtstraffen aan bepaalde rechtstreeks betrokken autoriteiten mede te delen. Deze mededelingen vallen onder het beroepsgeheim. Alhoewel het door de wet is toegestaan een tuchtstraf mede te delen aan de betrokken Minister, mag deze laatste deze mededeling niet aan een derde bekendmaken maar uitsluitend de diensten van zijn departement waarvan de opdracht rechtstreeks verband houdt met deze straf, ervan op de hoogte stellen.

In het licht van deze principes kan de Nationale Raad slechts het op 27 oktober 1970 geformuleerde advies benamen volgens hetwelk de betekeningen, voorzien onder artikelen 24, 26, 33 en 35 van het koninklijk besluit van 6 februari 1970, niet kunnen worden uitgebreid tot andere autoriteiten of andere openbare instellingen.

De mededeling van tuchtstraffen aan het R.l.Z.l.V. kan voor die instelling van belang zijn maar zou aan de tuchtstraffen een ruchtbaarheid geven die niet strookt met de principes van het tuchtrecht en bovendien niet bestaat bij andere beroepen. Om doetreffend te zijn zouden deze beslissingen bovendien ook aan alle verzekeringsmaatschappijen moeten worden medegedeeld, wat nog een grotere ruchtbaarheid tot gevolg zou hebben.

Het is wel zo dat het voor het openbaar belang noodzakelijk is dat de schorsingen in het recht de geneeskunde uit te oefenen, daadwerkelijk worden uitgevoerd.

Het is in de eerste plaats de taak van het Parket erover te waken dat op dit vlak het openbaar belang wordt beschermd, door de gevallen van onwettige uitoefening van de geneeskunde op te sporen en uit te schakelen.

Daarom worden de beslissingen medegedeeld aan de Prokureur‑Generaal bij het Hof van Beroep.

Bovendien moeten, volgens respektievelijk artikel 37, § 1, 2°, c, van het koninklijk besluit nr. 78 en artikel 6, 4°, van het koninklijk besluit nr. 79, de provinciale geneeskundige commissie en de provinciale raad van de Orde van de Geneesheren aan het Parket de gevallen van onwettige uitoefening van de geneeskunde waarvan zij kennis hebben, bekendmaken.

Tenslotte kunnen de gevallen van onwettige uitoefening van de geneeskunde gemakkelijk worden opgespoord door de Dienst voor Pharmaceutische Inspektie dank zij de kontrole op de medische voorschriften en aan het Parket worden medegedeeld.

De Raden van de Orde van de Geneesheren, van hun kant, treden streng op in de gevallen waar een schorsing in de uitoefening van de geneeskunde niet werd nageleefd. Onlangs werd een arts die een schorsing van 3 weken had opgelopen en deze straf niet had nageleefd, tot 6 maanden schorsing veroordeeld door een provinciale raad.

Deze maatregelen zijn van aard om op effektieve wijze het naleven van de schorsingen te waarborgen. Bijgevolg is het belang dat het R.l.Z.l.V. erbij kan hebben deze straffen te kennen om, met name, onrechtmatige terugbetalingen te voorkomen, tot een minimum herleid. Dit rechtvaardigt dan ook geenszins een uitzondering op het algemeen principe van bescheidenheid in verband met de tuchtstraffen.

De Nationale Raad is ervan overtuigd dat het departement van Volksgezondheid begrip zal tonen voor de gegrondheid van de principes die aan de grondslag liggen van zijn houding en zal inzien dat er hier geen sprake kan zijn van gebrek aan samenwerkingszin.

***

Beroepsgeheim01/01/1977 Documentcode: a026030
M.S.T. - en P.M.S. - centra

M.S.T.‑ EN P.M.S.‑CENTRA

Inleidende Nota:

De Nationale Raad van de Orde wordt vaak om advies gevraagd in verband met een mogelijke schending van het medisch beroepsgeheim in medico‑sociale instellingen. Inderdaad, en alhoewel men kan argumenteren dat het niet‑medisch personeel van deze instellingen eveneens door het beroepsgeheim gebonden is, hetzij op grond van artikel 458 van het strafwetboek, hetzij ook nog op grond van een uitdrukkelijke bepaling, die soms opgenomen is in de bijzondere wetgeving ter zake, bestaat er een werkelijk gevaar dat er tijdens de administratieve verwerking van de medische dossiers een ontoelaatbare veropenbaring geschiedt van gegevens die bestemd waren om strikt vertrouwelijk te blijven. Een geheim dat «gedeeld» wordt door een groot aantal personen is vanzelfsprekend geen geheim meer. De problemen die hierbij oprijzen zijn des te meer ernstig, doordat sommige reglementaire schikkingen de overdracht van medische dossiers opleggen, zelfs zonder medeweten van hen die de vertrouwelijke inlichtingen hebben geleverd.

Dit gebeurt onder meer tussen de centra voor medisch schooltoezicht (afgekort: M.S.T.) en de psycho‑medico‑sociale centra (afgekort: P.M.S.), en de Nationale Raad ontving een verzoek tot advies ter zake vanwege de Provinciale Raad van Brabant met het Frans als voertaal. Na kennis te hebben genomen van het verslag van de commissie ad hoc, heeft de Nationale Raad besloten een vroeger uitgebracht advies (van 9 september 1965) te bevestigen, met dien verstande dat met de betrokken administraties overleg zal worden gepleegd, om de reglementaire bepalingen in overeenstemming te brengen met de Code van Plichtenleer.

***

VERSLAG

A. Situering van het probleem:

Vooraf dient het onderscheid tussen de hier bedoelde centra te worden gepreciseerd:

1. Centra voor Medisch Schooltoezicht (MST)
  • Hebben een exclusieve medische opdracht waaraan niemand zich wettelijk kan onttrekken;
  • De geneesheer is hier hoofd van en verantwoordelijke voor zijn equipe;
  • Controle en subsidiëring geschiedt door het Departement van Volksgezondheid.
2. Psycho‑Medico‑Sociale Centra (P.M.S.) en subsidiaire Diensten voor Studie en Beroepsoriëntering
  • Hebben een veel bredere opdracht waarbij het noodzakelijk medisch onderzoek slechts één van de elementen uitmaakt; hun tussenkomst hangt af van de vrije wil van de betrokken personen (of hun wettelijke vertegenwoordigers);
  • De geneesheer - indien er één deel uitmaakt van het vast personeel - is slechts één van de medewerkers van de equipe;
  • De controle en subsidiëring geschiedt door het Departement van Nationale Opvoeding.

Dit principieel onderscheid wordt gedeeltelijk teniet gedaan door het feit dat de Wet op het M.S.T. (21 maart 1964) in haar artikel 4, § 1 het M.S.T. voor de Rijksscholen toevertrouwd heeft aan het personeel van de P.M.S.‑Centra van de Staat, waarvan de werking geregeld is door een Koninklijk Besluit van 13 augustus 1962.

3. Deontologische moeilijkheden

In de P.M.S.‑M.S.T.‑Centra van de Staat zijn er ogenschijnlijk geen moeilijkheden: minstens één geneesheer moet van de P.M.S.‑equipe deel uitmaken (artikel 22, laatste alinea van het Koninklijk Besluit van 13 augustus 1962), en deze heeft bijgevolg een dubbele hoedanigheid: a) hoofd van de equipe voor M.S.T. in de Rijksscholen, en b) lid van de P.M.S.‑equipe.

De documenten gedekt door het medisch beroepsgeheim worden onder zijn leiding opgesteld en onder zijn verantwoordelijkheid bewaard.

Anders is het in de vrije centra: al worden de M.S.T. en P.M.S.-diensten dikwijls in hetzelfde gebouw ondergebracht en door dezelfde inrichtende macht beheerd, de scheiding is er principieel volledig.

Daarom bepaalt artikel 3, § 2, laatste alinea van het Koninklijk Besluit van 13 augustus 1962: «De adviseur‑directeur moet verder over de uitdrukkelijke conclusies van een medisch onderzoek beschikken, ... » dat dus niet noodzakelijk door een geneesheer, vast verbonden aan het P.M.S.‑centrum wordt uitgevoerd. Hetzelfde koninklijk besluit bepaalt in artikel 15, tweede alinea: «De geneeskundige bundel of het duplicata hiervan moet in de dienst of in het centrum bewaard blijven», en in artikel 52, a) «...; de uitslagen hiervan ( = van het medisch onderzoek) worden ter beschikking gesteld van de dienst of van het centrum ingevolge een overeenkomst gesloten tussen de instelling die instaat voor bedoeld toezicht (= M.S.T.) en de dienst of het centrum ( = P.M.S.), zulks met goedkeuring van de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin, en van Nationale Opvoeding en Cultuur; ... ».

Deze laatste beschikking komt voor in de Afdeling 3 van het organiek koninklijk besluit, dat handelt over de subsidiëring van de P.M.S.‑centra, en heeft klaarblijkelijk alléén als bedoeling te verzekeren dat een medisch onderzoek werkelijk heeft plaatsgehad en dat de conclusies ervan ter beschikking zijn van de P.M.S.-equipe. Dit behelst geenszins dat alle leden van de P.M.S.‑equipe vrije toegang tot het volledig medisch dossier zouden hebben.

Dit gevaar bestaat nochtans:
de circulaire van het Ministerie voor Nationale Opvoeding en Franstalige Cultuur dd. 29 oktober 1976, die aanleiding was tot het verzoek om advies vanwege de Provinciale Raad van Brabant met het Frans als voertaal, herhaalt in feite alleen de hogergenoemde wettelijke en reglementaire beschikkingen, zonder te preciseren aan welke persoon in het P.M.S.‑centrum de vertrouwelijke medische documenten van het M.S.T. moeten worden overgemaakt, en wie verantwoordelijk is voor de bewaring.

Tenslotte weze aangestipt:

  1. dat het Koninklijk Besluit van 13 augustus 1962 over de P.M.S.-centra weliswaar in zijn artikel 19 het beroepsgeheim oplegt aan al het personeel van de centra, en
  2. dat de Wet van 21 maart 1964 op het M.S.T. daarentegen met geen enkel woord spreekt over het overmaken van medische inlichtingen aan de P.M.S.‑centra: de conclusies van het medisch onderzoek in het kader van het M.S.T. worden medegedeeld aan de onderzochte personen of hun wettelijke vertegenwoordigers, en aan de schooloverheid voor wat betreft praktische aanwijzingen met betrekking tot het studierendement; de volledige dossiers zijn slechts ter inzage voor te leggen aan de geneesheren‑ambtenaren van de dienst M.T.S. bij het Ministerie van Volksgezondheid.
B. Reeds verstrekte Deontologische Adviezen:
1. Advies van de Hoge Raad der Orde van 9 september 1965

Hoewel uiteraard anterieur, zowel aan de Code, als aan de hoger vernoemde administratieve circulaire, is dit naar unaniem advies van de Commissie niet voorbij gestreefd. (*)

__________
(*) Cfr. blz. 75.

2. Verslag van Dokter VANDERPERREN, destijds Secretaris van de Provinciale Raad van Brabant met het Frans als voertaal, opgenomen in de brochure «Etude sur le Problème de la Médecine Préventive», uitgegeven door diezelfde Raad in 1975.

De commisie is eveneens unaniem van oordeel dat dit verslag volledig kan onderschreven worden, inzonderlijk de passus blz. 34‑45.

«Pour des raisons purement administratives il existe de ce fait un risque d'indiscrétion, sans aucune justification technique.»

Als slotbemerking wijst de commissie erop, dat bij Koninklijk Besluit van 20 oktober 1969 een «Commissie voor Advies voor het medisch schooltoezicht» werd ingesteld, die krachtens artikel 2, § 3, o.m. als taak heeft ... «het onderzoek van de betrekkingen tussen de equipes voor M.S.T. en de andere preventieve en curatieve medische instanties».

Het is de commissie op het ogenblik niet bekend dat deze bijzondere commissie, afhangend van het Ministerie van Volksgezondheid, enig advies ter zake zou hebben verstrekt.

C. Voorstel van de Commissie:

De commissie is unaniem van oordeel dat, in de huidige staat van de wetgeving en van de Code van Geneeskundige Plichtenleer, het niet toegestaan is vertrouwelijke medische informatie over te maken, tenzij twee voorwaarden vervuld zijn:

  1. de mededeling gebeurt van geneesheer tot geneesheer;
  2. er is uitdrukkelijke en voorafgaande instemming van de onderzochte persoon, of zijn wettelijke vertegenwoordiger(s).

Sommige centra voor M.S.T. zijn hiervan bewust, en vragen vooraf een «blanco‑instemming» voor deze overdracht, hetgeen uiteraard geen waarde heeft aangezien de betrokkenen onbekend zijn met de juiste inhoud van de mededeling.
Het antwoord voor de Provinciale Raad van Brabant met het Frans als voertaal is bijgevolg zeer éénvoudig maar de commissie is unaniem van oordeel dat een rigoristische houding hier onverantwoord zou zijn:

Vele geneesheren zouden in moeilijkheden kunnen geraken met de administratieve overheden, zonder dat zij zich voldoende geruggesteund voelen.

Daarom stelt de commisie voor gebruik te maken van artikel 14, §1, alinea 4, van het Koninklijk Besluit nr. 78 dat zegt:

«De Koning bepaalt, op advies van de Nationale Raad van de betrokken Orde, de modaliteiten volgens dewelke de overdracht van de uitslagen, van de onderzoekingen bedoeld bij het eerste lid (= activiteit die betrekking heeft op de geneeskunde onder haar presentief voorkomen) of de mededeling van het geneeskundig dossier, bedoeld bij het tweede lid van dit artikel (= idem, minusarbeidsgeneeskunde), dient te geschieden.»

Naar het best weten van de commissie werd een dergelijk advies van officiële zijde nooit gevraagd. Niets belet nochtans dat de Nationale Raad dit op eigen initiatief zou doen. Vanzelfsprekend veronderstelt dit dat het probleem grondig wordt uitgekamd, niet alleen op deontologisch, maar ook op wettelijk en administratief gebied.

Indien de Nationale Raad ingaat op het voorstel van de commissie, vraagt deze in subsidiaire orde de toelating om met de betrokken hoofdambtenaren in de twee bevoegde ministeries overleg te plegen:

Het komt de commissie namelijk voor dat het mogelijk moet zijn voor de Nationale Raad om - met behoud van de huidige wetgeving inzake M.S.T. en P.M.S.‑centra - een advies te formuleren, dat de hoger aangehaalde deontologische regels vrijwaart, en door de bevoegde administraties in correcte administratieve richtlijnen kan worden omgezet.

Waar een geneesheer in vast verband aanwezig is, zou er duidelijk moeten worden gesteld, dat hij verantwoordelijk is voor de bewaring van medische dossiers in een daartoe geschikte afzonderlijke ruimte, en dat andere personeelsleden van het P.M.S.‑centrum slechts via de geneesheer toegang hebben tot vertrouwelijke inlichtingen die nodig zijn voor hun taak, inlichtingen waarover zij ten andere uitdrukkelijk door het beroepsgeheim gebonden zijn. Waar dit tot nu toe niet het geval is, kan terecht de vraag opgeworpen worden, of het al dan niet aanvaardbaar is dat een aktiviteit die klaarblijkelijk tot de preventieve geneeskunde in de breedste zin moet gerekend worden, in dergelijke omstandigheden zou blijven functionneren.

***

Brief van de Hoge Raad van 9 september 1965 aan de heer Voorzitter van de Provinciale Raad van de Orde van de geneesheren van Antwerpen.
Mijnheer de Voorzitter,

Gevolg gevend aan uw geëerd schrijven van 22 juli 1965, is de Hoge Raad van mening dat de volgende principes moeten gehandhaafd worden.

1. In de Medische Schoolcentra bestaan er signaletische fiches die buiten inlichtingen van algemene aard alleen de besluiten van de geneesheren‑onderzoekers moeten bevatten.

De geneeskundige onderzoeken van de leerlingen moeten op geneeskundige fiches opgetekend worden, die het geneeskundig dossier uitmaken. Deze dossiers moeten bewaard worden onder het uitsluitend toezicht van de geneesheer.

2. Wanneer centra voor beroepsoriëntering of sportcentra inlichtingen vragen aan de medische schoolcentra dan zullen deze inlichtingen van geneeskundige aard alleen geschieden van geneesheer tot geneesheer en dit onder gesloten omslag.

3. Ieder geneesheer‑onderzoeker zal oordelen welke gegevens in het belang van de onderzochte, al dan niet mogen overgemaakt worden.

4. Er kan geen sprake zijn systematisch alle gegevens van een centrum naar een ander over te maken. Ieder geneesheer werkend in een centrum is gehouden de persoon te onderzoeken en zich een oordeel te vellen aan de hand van dit onderzoek. Hij kan zich in zekere gevallen, rekening houdend met de hierboven vermelde procedure, tot een ander centrum wenden om bepaalde inlichtingen te bekomen, maar dat kan slechts gebeuren van geneesheer tot geneesheer.

5. In geen gaval mag en zal de geneesheer werkend in een preventief centrum duiden dat elementen uit zijn geneeskundig dossier aan administratieve instanties of aan buitenstaanders zouden overgemaakt worden.

6. In geval van conflicten hieromtrent met administratieve instanties zal de geneesheer‑onderzoeker het geval voorleggen aan de medische raad van het Centrum.

***

Gedetineerden01/01/1977 Documentcode: a026023
Behandeling van gedetineerden

In ons voorgaand nummer (1976-1977) hebben wij U medegedeeld dat dit vraagstuk in studie was.

Het Bestuur der Strafinrichtingen van België, dat door de C.l.O.M.S.I. (Conseil des Organisations Internationales des Sciences Médicales) om inlichtingen werd verzocht betreffende de medisch‑ethische principes in verband met de behandeling van gevangenen en gedetineerden, heeft dit vraagstuk op zijn beurt aan de Nationale Raad van de Orde voorgelegd.

Nadat het rapport van de commissie belast met deze studie nader werd onderzocht, heeft de Nationale Raad volgend advies geformuleerd:

1° De arts die aan een van zijn vrijheid beroofde patiënten wordt opgedrongen heeft, zoals elke arts gekozen door een vrije persoon, vooral een humanitaire opdracht te vervullen; hij moet correct zijn en begrip tonen tegenover de zieke; hij moet ervoor waken diens filosofische, godsdienstige of politieke overtuiging niet te kwetsen, hij moet gewetensvol en wetenschappelijk verantwoorde beslissingen nemen;

hij is door het beroepsgeheim gebonden voor wat de vertrouwelijke mededelingen van zijn patiënt betreffen;

hij mag zijn opdrachtgevers slechts inlichten over feiten die betrekking hebben op zijn opdracht.

2° De arts mag nooit, zelfs niet door zijn aanwezigheid als dusdanig, deelnemen aan strafmaatregelen tegen een gevangene. Hij mag geen advies verlenen aangaande de graad van bestraffing die de fysische toestand van de gevangene toelaat, noch de gevolgen ervan kontroleren tijdens de toepassing ervan.

3° De arts mag niet helpen, zelfs niet door zijn aanwezigheid als dusdanig, door middel van medische middelen of door toepassing van fysische of morele folteringen, de gevangene tot bekentenissen te dwingen.

Hij mag van het vertrouwen van de patiënt geen misbruik maken om aan een politie‑enquête mede te werken.

4° De arts mag geen wetenschappelijke experimenten uitvoeren of therapeutische proefnemingen doen op een van zijn vrijheid beroofde persoon.

5° De arts moet aan een van zijn vrijheid beroofde zieke de best mogelijke zorgen kunnen verlenen met in achtneming van de omstandigheden.

Hij moet van de overheid waarvan de patiënt afhangt, alle therapeutische of diagnostische maatregelen eisen die de toestand van de patiënt vereist, met inbegrip van een eventuele overbrenging naar een gespecialiseerd ziekenhuis.

6° De uitdrukkelijke wil van de gevangene, om door een hongerstaking of een zelfmoordpoging een aanslag te plegen op zijn gezondheid, ontslaat de arts niet van zijn plicht de zieke hulp te verlenen.

7° Kastratie is een ernstige medische ingreep. Zij mag bij de gedetineerde slechts plaatsvinden op basis van een ernstige therapeutische indikatie vastgesteld na consult van bevoegde artsen. De patiënt en zijn echtgenote of partner dienen behoorlijk te worden voorgelicht en moeten vrij hun toestemming kunnen geven.

Wat betreft de houding van de arts aangaande de «plicht» een toxicomaan aan te geven, is de Nationale Raad de volgende mening toegedaan:

De arts die meent dat het voor de toxicomaan beter is dat het geheim wordt geëerbiedigd, moet de zwijgplicht bewaren zonder dat hij daarbij aan zijn plicht t.o.v. de Maatschappij tekort schiet.

Het is voor de Maatschappjj wenselijker dat een toxicomaan zich aan een arts kan toevertrouwen, dan dat hij uit schrik voor een strafsanktie, hiervan afziet.

Naar aanleiding van dit advies, werd de Nationale Raad verzocht zijn standpunt te verduidelijken in verband met twee punten: de hongerstaking en de houding van de gevangenisarts bij strafmaatregelen.

In sommige artikelen van het Belgisch algemeen reglement van de strafinrichtingen wordt namelijk de deelname van artsen voorzien bij bepaalde disciplinaire maatregelen:

- Art. 84: De plaatsing van een gedetineerde in een strafcel mag niet worden opgelegd zonder dat de geneesheer de betrokkene heeft onderzocht en schriftelijk heeft bevestigd dat deze ertegen bestand is.

Van het voorgeschrevene in het eerste lid mag alleen worden afgeweken wanneer het gaat om een erge fout of daad van tuchteloosheid waarvan de bestraffing geen uitstel duidt.

- Art. 85: In de strafcel hebben de gedetineerden een veldbed of houten brits in plaats van het gewone bed, tenzij de directeur, op advies van de geneesheer, er anders over beslist.

- Art. 86: De geneesheer moet dagelijks de gedetineerden, die deze tuchtstraf uitzitten, bezoeken en aan de directeur verslag uitbrengen indien hij het nodig oordeelt dat aan de straf om redenen van lichamelijke of geestelijke gezondheid een einde wordt gemaakt.

De directeur of adjunct‑directeur en de hoofdbewaarder brengen hen dagelijks een bezoek. Wanneer hij zich in de inrichting bevindt, bezoekt de maandcommissaris hen eveneens.

- Art. 87: Indien de gedetineerden ziek is of wordt, schorst de directeur de straf op advies van de geneesheer.

Aanvullend advies van de Nationale Raad:

Hongerstaking

Het betreft inderdaad wel degelijk gedetineerden die over hun volle geestesvermogen beschikken en, zoals U onderstreept, bestaat er inderdaad geen enkel probleem voor de gevallen van geesteszieken.

In artikel 6 van het advies van de Raad van de Orde van 18 juli 1977, wordt met de woorden «hulp verlenen» bedoeld, de gevangene moreel en fysisch bijstand verlenen met eerbiediging van diens wil.

Indien de gedetineerde zijn hongerstaking wil doorzetten als verdedigingsmiddel, tot zijn eisen worden ingewilligd, dient de arts hem te wijzen op de gevaren van zijn handelwijze en hem medische bijstand te verlenen indien hij het bewustzijn verliest en dus niet langer in staat is zijn wil te kennen te geven.
Elk geval is specifiek zoals dat in de geneeskunde altijd het geval is en de arts moet volledig zelfstandig en volgens zijn geweten kunnen handelen.

Straffen

Het spreekt vanzelf dat indien de arts schriftelijk bevestigt dat een gevangene in staat is om in een strafcel te worden opgesloten, hij meewerkt aan de disciplinaire beslissing. Dat druist in tegen de medische ethiek.

Indien de arts in een medisch rapport, bestemd voor de directeur van de gevangenis, moet oordelen of de straf al dan niet mag worden voortgezet, neemt hij eens te meer deel aan de uitvoering ervan.

De arts moet niettemin in alle medische omstandigheden bijstand verlenen aan de gevangene waarvoor hij verantwoordelijk is, zelfs en vooral wanneer die gevangene de één of andere straf uitzit. Wanneer bijgevolg door de strafoverheden, de plaatsing van een gedetineerden in een strafcel wordt bevolen, moet hij een medisch onderzoek ondergaan, en de arts kan zich om medische redenen, tegen de uitvoering van de straf verzetten.

Tijdens de uitvoering van de straf moet de gedetineerde opnieuw een medisch onderzoek ondergaan. In het rapport van de arts mogen enkel medische gegevens worden vermeld en dienen de omstandigheden te worden bepaald waarin een geneeskundige behandeling eventueel moet worden uitgevoerd. Het is niet de taak van de arts te beslissen of de straf al dan niet moet worden voortgezet.

Beroepsgeheim01/01/1977 Documentcode: a026001
Medisch geheim en de maatschappij

De eerbied voor het beroepsgeheim is een teken van eerbied voor de menselijke persoon.

Het beroepsgeheim van de arts is een criterium van de houding die een maatschappij aanneemt ten opzichte van het individu.

Ingevolge de sociale en politieke evolutie wordt dit «archaïsche» geheim nu in vraag gesteld. Het beroepsgeheim zou zogezegd de toepassing van de sociale wetten in de weg staan, aanleiding geven tot oplichterij bij de verzekering, vertraging veroorzaken bij de administratieve maatregelen en het opstellen van statistieken zo goed als onmogelijk maken...

Het wordt inderdaad steeds moeilijker een evenwicht te handhaven tussen enerzijds, de rechten van de menselijke persoon en anderzijds, de eisen van de sociale wetten en de voordelen die zij het individu kunnen bieden.

Maar is het niet even moeilijk om in vrijheid, in een democratie te leven en terzelfdertijd de wetten te doen eerbiedigen, zonder in een dictatuur te vervallen ?

En alhoewel in bepaalde democratische landen een laksere houding wordt aangenomen in verband met het geheim dan in andere, is het zo dat in dictatoriale regimes het geheim helemaal niet wordt geëerbiedigd.

Sommigen vinden de Orde van Geneesheren met zijn verdediging van het geheim van openbare orde en van de absolute zwijgplicht, en met zijn eed van Geneva, die van de Eed van Hippocrates werd afgeleid, een verouderde, voorbijgestreefde en reaktionnaire Orde. Het medisch geheim vindt inderdaad zijn oorsprong in de verre oudheid en heeft enkel, dank zij de wil van de artsen en in weerwil van politieke regimes en revoluties, de eeuwen getrotseerd.

De eerbied voor de persoonlijke privacy is de morele grondslag van het geheim en is trouwens heel wat ouder dan het wettelijk fondament. Het feit dat het medisch geheim tot op heden heeft standgehouden en officiële erkenning vond in de Code Napoleon, na de ideëenexplosie van de 18e eeuw en de revolutie van 1789, wijst erop dat het werkelijk onmiskenbaar verbonden is met de eerbied voor de menselijke persoon.

Door de wet is het tot een begrip van openbare orde verheven. In de wet in kwestie, werd nergens de mogelijkheid voorzien voor de betrokkene om de arts van zijn zwijgplicht te ontslaan, behoudens dan de gevallen voorzien bij andere wetten en de afwijking in verband met de getuigenis in rechte.

Het beroepsgeheim werd niet zozeer voorgeschreven ten gunste van het individu, de zieke of de arts, maar ten bate van allen, opdat elkeen, van de misdadiger tot de eerlijkste mens, van de revolutionnair tot de meest conventionele burger, op om het even welke arts beroep zou kunnen doen, om het even waar en in alle omstandigheden, zonder te moeten vrezen dat zijn geheim, zijn verzoek of zijn privacy, zouden worden geschonden.

Het medisch geheim behoort in feite niet het individu. Het behoort de gemeenschap. Niemand kan bijgevolg het geheim schenden of de houder van zijn zwijgplicht ontslaan.

De maatschappij is ontegensprekelijk veranderd sinds Hippocrates en de Code Napoleon en het geheim geeft aanleiding tot moeilijkheden. Moet de wet daarom echter worden gewijzigd ?

Wij mogen niet zonder meer de fundamentele wetten verbreken zonder eerst alle gevolgen van een eventuele afschaffing te hebben afgewogen.

Gaat de materiële en technische vooruitgang van onze beschaafde wereld wel gepaard met een morele aanpassing waardoor de menselijke waarden gewaarborgd blijven ? Slechts eigenzinnige optimisten gaan daar niet aan twijfelen.

Onze oude wetten ter bescherming van onze vrijheden mogen zeker een gelukkige wetenschappelijke en sociale vooruitgang waarop wij fier mogen zijn, niet verhinderen. Maar in een leefbare maatschappij moet het toch voor iedereen mogelijk zijn zich te laten verzorgen en van de sociale vooruitgang te genieten zonder schrik voor indiscreties die het beoogde doel in de weg zouden kunnen staan.

Zou de maatschappij er baat bij vinden indien het beroepsgeheim van de advokaat werd opgeheven ? De taak van de politie zou er nogal wat op vergemakkelijken indien zij op de hoogte zou worden gehouden van de vertrouwelijke mededelingen van de verdachte aan diens verdediger !

En waarom niet in die lijn doordenken en de priester ertoe verplichten een nominatief dossier bij te houden van zijn biechtelingen ? Getourmenteerde misdadigers verlaten zich toch dikwijls op de vertegenwoordigers van God ? De dossiers zouden ter beschikking kunnen worden gelegd van het Gerecht.

En zou, door het ruchtbaarmaken van allerhande dossiers zoals: prenatale raadplegingen, raadplegingen voor zuigelingen, medisch schooltoezicht, PMS Centra en arbeidsgeneeskunde, de taak van de werkgevers, de verzekeringen, de administratie e.d., niet aanzienlijk worden vereenvoudigd ?

Door het op computer brengen van al deze dossiers zou het inderdaad mogelijk worden een administratief perfekte maatschappij te creëren.

Maar zou het een gelukkige, rechtvaardige en bevrijdende maatschappij zijn ?

***

De artsen zijn zich bewust van de moeilijkheden die soms rijzen ingevolge de wettelijk en deontologisch opgelegde geheimhouding.

Het zoeken naar een juiste harmonie tussen de morele, wettelijke en deontologische plichten van de arts en de sociale eisen, hebben tot het begrip «gedeeld geheim» geleid.

Door gedeeld geheim wordt verstaan het geheim dat de arts deelt met elke daartoe bevoegde persoon die tevens op zijn beurt gebonden is door de zwijgplicht.

Het gedeeld geheim mag echter niet het geheim van Jan en Alleman worden. De arts moet bepaalde regels en omstandigheden in acht nemen.

Diegene met wie hij het geheim deelt moet er, op grond van zijn studies, vorming en funktie, toe bevoegd zijn; hij moet tevens op zijn beurt gebonden zijn door het beroepsgeheim en deze plicht moet echt en geloofwaardig zijn; de bekendmaking moet gemotiveerd zijn door een algemeen of sociaal belang dat opweegt tegen het algemeen belang dat ten grondslag ligt van het geheim; bovendien moet de bekendmaking vereist zijn en het geheim mag nooit zonder gegronde reden, zelfs niet aan een andere arts, worden vrijgegeven; tevens is het akkoord vereist van de betrokkene en moet deze laatste de mogelijkheid krijgen om te oordelen over diegene die het geheim zal delen.

In de Code van Plichtenleer werd rekening gehouden met de sociale eisen en de voorwaarden vereist voor een gedeeld geheim en de Code is bijgevolg een nuttige gids voor de arts.

De medische deontologie mag niet vastgeroest zijn. Er moet kunnen worden ingehaakt op de sociale evolutie zonder evenwel de onmisbare principes ter bescherming van de mens aan te tasten.

Het medisch geheim is niet verouderd. Het is integendeel, aktueler dan ooit, nu het individu aan zoveel agressies is blootgesteld.

Dr. J. BACQUELAINE