Symposium 'over de grens' d.d. 28.03.2026
Inleiding
Dr. Hilde Van Kerckhoven - Voorzitter raad Antwerpen
Lange termijneffecten van seksueel misbruik en aandachtspunten in de geneeskundige praktijk, kennen, om te herkennen en erkennen.
Seksueel misbruik als jeugdtrauma: impact op de gezondheid en aandachtspunten voor de arts
Prof. Dr. Filip. Van Den Eede - Medisch coördinator psychiatrie UZA / hoogleraar FGGW UA
Seksueel misbruik van kinderen behoort tot de groep van adverse childhood experiences). In een invloedrijke meta-analyse uit 2017 worden de gezondheidseffecten van vijftien negatieve jeugdervaringen gerapporteerd, waarbij vaak sprake is van een cumulatief effect naar de gezondheidsrisico’s toe. Seksueel misbruik staat dan ook zelden op zichzelf, wat de problematiek complex maakt (The Lancet Public Health, 2017).
Hoewel bij seksueel misbruik vaak gedacht wordt aan een volwassene als dader, kan dit evenzeer plaatsvinden tussen minderjarigen onderling, bijvoorbeeld in een schools of sportief kader. De vraag wanneer gedrag ongepast wordt, is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. Als leidraad dienen er verscheidene elementen in beschouwing genomen te worden
(Preventie van seksueel grensoverschrijdend gedrag sport in ORTHO-RHEUMATO VOL 14, Nr 3, 2016 /Vertommen e.a., 2016/ Frans en Franck, 2010)
- toestemming: lichamelijk of seksueel gedrag is alleen oké indien alle betrokkenen duidelijk akkoord gaan en zich er prettig bij voelen;
- vrijwilligheid: er mag bij lichamelijk of seksueel gedrag geen dwang of druk zijn
- gelijkwaardigheid: lichamelijk en seksueel gedag is alleen oké tussen gelijkwaardige partners
- ontwikkeling: seksueel gedrag dat niet past bij een bepaalde leeftijd of ontwikkelingsfase is niet oké
- context: gezond lichamelijk of seksueel gedrag is aan gepast aan de context, de situatie of omstandigheden
- zelfrespect: kinderen en jongeren mogen zichzelf of de ander door wat ze doen of door een situatie geen schade berokkenen.
Het verband tussen jeugdtrauma en latere gezondheidsproblemen is inmiddels goed gedocumenteerd. Zowel psychiatrische stoornissen als somatische klachten komen frequenter voor bij deze populatie. De literatuur beschrijft een brede waaier aan psychopathologie, maar ook functionele aandoeningen zoals het chronisch vermoeidheidssyndroom en het prikkelbare darmsyndroom worden in verband gebracht met vroegkinderlijke traumatisering (Psychosomatic Medicine, 2014). Daarnaast blijkt er een sterk verband te bestaan tussen jeugdtrauma en chronische pijn op latere leeftijd met OR > 3.5, zowel bij mannen als bij vrouwen (JAMA, 2017). In de laatste jaren is ook gebleken dat jeugdtrauma een risicofactor kan zijn voor diversie ziekten, zoals cardiovasculaire en respiratoire aandoeningen. Hierbij spelen zowel rechtstreekse psychofysiologische als indirecte (gedragsmatige) mechanismen een rol.
Ook op neurobiologisch vlak groeit het inzicht. Jeugdtrauma beïnvloedt de ontwikkeling van de hersenen en heeft effecten op zowel fysiopathogenese als psychopathogenese. Naast omgevingsfactoren spelen ook genetische en epi genetische mechanismen een rol in de ontregeling van het stress systeem. Slachtoffers hebben vaak intense angst ervaren, wat zich diep in het lichaam kan verankeren.
Het herkennen en erkennen van slachtoffers van misbruik is belangrijk. Een terugkerend kenmerk is het paradoxale schuldgevoel bij slachtoffers, vaak gepaard gaand met schaamte. Dit kan een drempel vormen voor het slachtoffer om de negatieve ervaringen uit het verleden mee te delen. Voor de arts is het belangrijk hiermee rekening te houden. Aangezien niet altijd bekend is of een patiënt een trauma in de voorgeschiedenis heeft, is het zinvol deze mogelijkheid in gedachten te houden bij de bovengenoemde psychiatrische en functionele aandoeningen, evenals bij ambigue gevoelens t.a.v. het lichaam, recidiverend stellen van risicogedrag en moeilijkheden bij blootstelling aan lichamelijk onderzoek of medische procedures
Dit kan aldus ook implicaties hebben voor het klinisch onderzoek in de dagelijkse praktijk van artsen. Een lichamelijk onderzoek kan slechts adequaat verlopen indien de patiënt zich voldoende veilig voelt, terwijl net het ontkleden voor deze groep bijzonder moeilijk kan zijn.
In bepaalde situaties kan het aangewezen zijn voorzichtig en gradueel te peilen naar traumatische ervaringen, bijvoorbeeld met een open vraag zoals:
“We weten dat mensen met chronische pijn vaak ingrijpende ervaringen hebben gehad in hun jeugd. Herkent u dat bij uzelf? ”Zelfs dan blijft de drempel om hierover te spreken vaak hoog.
Het opbouwen van een vertrouwensrelatie, het creëren van een veiligheidsgevoel en het nemen van voldoende tijd zijn cruciaal. Stigmatisering of minimalisering zijn hierbij absoluut te vermijden. Onder rapportering van deze problematiek is waarschijnlijk en de melder verdient bij twijfel het voordeel van de twijfel. Bij vermoeden van misbruik is zorgvuldigheid essentieel, evenals een goede continuïteit van de zorgverlening.
De arts die mishandeling, misbruik, uitbuiting, belaging of verwaarlozing van een kwetsbare persoon vermoedt, doet onmiddellijk het nodige om deze persoon te beschermen (code art. 29).
In dit kader is artikel 458bis van het Strafwetboek relevant, dat artsen het recht geeft om misdrijven ten aanzien van minderjarigen te melden aan de procureur, wanneer er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of de bedoelde kwetsbare persoon en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere minderjarigen of bedoelde kwetsbare personen het slachtoffer worden van de in voormelde artikelen bedoelde misdrijven en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen.
Tot slot werd ook stilgestaan bij grensoverschrijdend gedrag door artsen zelf. Artikel 16 van de deontologische code is hierin duidelijk: de arts handelt steeds empathisch, attent en respectvol. Het ontkleden van een patiënt moet gerechtvaardigd en proportioneel zijn. Elke vorm van verleiding binnen de arts-patiëntrelatie is ontoelaatbaar, en seksuele gedragingen zijn onaanvaardbaar.
Er wordt dan ook gepleit voor meer aandacht voor deze thematiek binnen de opleiding geneeskunde en tijdens de stages.
Praktische aandachtspunten voor de arts:
Herkenning en alertheid
- Denk aan de mogelijkheid van jeugdtrauma bij onverklaarde of complexe klachten
- Wees alert bij combinatie van psychische en somatische symptomen
- Hou rekening met mogelijke onder rapportering
Communicatie
- Creëer een veilige en niet-oordelende context
- Neem voldoende tijd om vertrouwen op te bouwen
- Stel open, voorzichtige vragen (vermijd directieve ondervraging)
- Respecteer dat de patiënt niet meteen wil of kan vertellen
Klinisch onderzoek
- Licht elke stap van het onderzoek duidelijk toe
- Vraag expliciet toestemming, zeker bij ontkleden
- Wees extra bedachtzaam bij lichamelijk onderzoek
- Stop of stel uit indien de patiënt zich oncomfortabel voelt
Houding van de arts
- Vermijd elke vorm van minimalisering of stigmatisering
- Toon empathie en respect voor schaamte en kwetsbaarheid
- Erken mogelijke schuldgevoelens bij de patiënt
Bij vermoeden van misbruik
- Documenteer zorgvuldig en objectief
- Overweeg overleg met collega’s of gespecialiseerde diensten
- Ken het meldrecht (art. 458bis Strafwetboek)
- Geef bij twijfel het voordeel aan de mogelijke melder/slachtoffer
Professionele grenzen
- Respecteer strikt de deontologische code (art. 16)
- Zorg dat elk onderzoek proportioneel en gerechtvaardigd is
- Vermijd elke vorm van grensoverschrijdend gedrag
Grensoverschrijdend gedrag: klachten behandeling binnen de PRA.
Dr. Winne Haenen - Lid van de onderzoekscommissie van de provinciale raad Antwerpen
De Onderzoekscommissie: op zoek naar de waarheid
De Onderzoekscommissie van de Provinciale Raad bestaat uit drie artsen (leden van de Raad), een griffier en een magistraat. Zij onderzoeken, in opdracht van de Raad, elke klacht à charge en à décharge.
Hun opdracht is helder maar veeleisend: zo objectief mogelijk de waarheid achterhalen. De uiteindelijke beoordeling blijft steeds bij de voltallige Raad.
Ontvankelijkheid van een klacht
Een klacht is slechts ontvankelijk wanneer aan drie voorwaarden is voldaan:
- de klager is gekend
- de betrokken arts is gekend
- het onderwerp valt binnen de bevoegdheid van de Orde
Er is één belangrijke uitzondering: de Orde kan ambtshalve optreden. Wanneer de feiten ernstig en voldoende duidelijk zijn, kan een procedure worden opgestart, ook als de klager onbekend is of anoniem wenst te blijven. Deze beslissing wordt genomen door de voltallige Raad.
Dr. Winne Haenen, lid van de Onderzoekscommissie, opent met een treffende vaststelling:
“De beste vriend van de arts is het medisch dossier.”
Het medisch dossier vormt vaak een cruciale bron in het onderzoek. Daarnaast wordt ook beroep gedaan op onder meer RIZIV-gegevens en experten adviezen om de verklaringen van arts en klager zo objectief mogelijk te toetsen.
Beëindiging van de therapeutische relatie
Een vaak terugkerende klacht betreft het verbreken van de therapeutische relatie.
Een arts kan deze relatie eenzijdig beëindigen, maar niet zonder voorwaarden:
- een louter conflict is onvoldoende reden
- overleg met de patiënt is noodzakelijk
- de continuïteit van zorg moet gegarandeerd blijven
- een onmiddellijke stopzetting is enkel gerechtvaardigd bij een bedreiging van de fysieke of psychische integriteit
- de patiënt wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de stopzetting
(zie FAQ 4.6 op Ordomedic.be, inclusief modelbrief)
Grensoverschrijdend gedrag
Klachten rond grensoverschrijdend gedrag worden nooit geseponeerd zonder onderzoek.
In een periode van 22 maanden werden 25 klachten geregistreerd, waarvan 17 weerhouden. Dat komt neer op ongeveer één klacht om de zes weken.
Zowel klager als arts worden steeds afzonderlijk gehoord, met voldoende tijd en in een vertrouwelijke setting. Dat is essentieel: beide partijen moeten hun verhaal volledig en in alle rust kunnen brengen.
Deze dossiers zijn vaak complex en berusten geregeld op woord-tegen-woord. Toch blijkt het feit dat men gehoord wordt op zich al een belangrijke stap voor de klager.
Welwillendheidsattesten
Een tweede frequente bron van klachten zijn de zogenaamde welwillendheidsattesten, vaak in uiteenlopende contexten zoals:
- vechtscheidingen
- schoolverzuim
- arbeidsongeschiktheid
- betwistingen rond de gordelplicht
- …
Artsen geven verschillende redenen om dergelijke attesten toch op te stellen, maar één principe blijft fundamenteel:
een attest mag enkel objectieve medische vaststellingen bevatten.
Concreet:
- WEL “Er is een hematoom ter hoogte van de schouder, enkele dagen oud.”
- NIET “Dit letsel is het gevolg van partnergeweld.”
- NIET “Het is beter dat het kind bij de andere ouder verblijft.”
Een arts mag geen oorzakelijke interpretaties of waardeoordelen formuleren.
Zien en zeggen zijn twee verschillende zaken.
(zie FAQ 3.1 op Ordomedic.be)
NB: De term “klager” wordt hier generiek gebruikt en verwijst naar elke persoon die een klacht indient.
Praktische aandachtspunten voor de arts
Medisch dossier
- Zorg voor een volledig, correct en tijdig ingevuld dossier
- Noteer objectieve vaststellingen, vermijd interpretaties
- Houd rekening met mogelijke inzage in het kader van een onderzoek
Beëindiging therapeutische relatie
- Beëindig de relatie nooit abrupt zonder geldige reden
- Overleg met de patiënt en documenteer dit in het dossier
- Garandeer continuïteit van zorg (doorverwijzing)
- Onmiddellijke stopzetting enkel bij bedreiging van eigen integriteit
Klachtenprocedure
- Werk constructief mee aan elk onderzoek
- Wees transparant en consistent in verklaringen
- Besef dat zowel arts als klager gehoord worden in een vertrouwelijke setting
Grensoverschrijdend gedrag
- Wees bewust van professionele grenzen, in elke context
- Houd afstand en vermijd dubbelzinnige situaties
- Dossiers worden steeds grondig onderzocht
Attestering
- Beperk u strikt tot objectieve medische vaststellingen
- Vermijd causale verbanden zonder bewijs
- Formuleer geen waardeoordelen of aanbevelingen buiten medische expertise
- Laat u niet onder druk zetten door derden (bv. advocaten)
Algemeen principe
- Zien is noteren, niet interpreteren
Permanentie en continuïteit van zorg onder druk. Nostalgische mijmeringen of bittere ernst.
Prof. Dr. Dirk Ramaekers - Voorzitter Directiecomité FOD Volksgezondheid
De juiste zorg, op de juiste plaats, op het juiste moment
Een vleugje nostalgie om te beginnen. In 2000 was prof. Ramaekers een jonge kabinetsmedewerker. Samen met Frank Vandenbroucke ontving hij dr. Roger Renders, wat uiteindelijk leidde tot de oprichting van de eerste huisartsenwachtpost in Deurne.
Maar waar draait ons beroep in essentie om?
Om het bieden van de juiste zorg, op de juiste plaats, op het juiste moment. Dat lijkt evident, maar in de praktijk wordt dit voor niet-planbare zorg steeds complexer.
Wanneer we kijken naar de spoedopnames in ziekenhuizen, zien we een duidelijke trend. Volgens cijfers van het Intermutualistisch Agentschap (IMA) is het aantal spoedopnames tussen 2008 en 2023 jaar na jaar toegenomen, met bijna een factor 1,5 over deze periode.
Een daling van het aantal huisartsen lijkt hiervoor geen afdoende verklaring. Wel speelt mogelijk een verminderde beschikbaarheid een rol. Daardoor lijkt de perceptie bij patiënten te verschuiven: problemen ’s nachts en in het weekend worden steeds minder als een taak van de huisarts gezien. Prof. Ramaekers benoemde dit treffend als “la nuit profonde”. Een begrip dat indertijd werd ingevoerd, maar niet stamt uit de medische plichtenleer.
De huisartsenwachtpost vormt het andere luik van de medische permanentie. Iedere huisarts is wettelijk én deontologisch verplicht om hieraan deel te nemen binnen de regio waar hij of zij actief is. Deze verplichting vloeit voort uit de Kwaliteitswet van 22 april 2019.
Zowel binnen de ziekenhuizen als binnen de huisartsenwachtposten zijn de afgelopen jaren belangrijke evoluties zichtbaar. Huisartsen organiseren wachtdiensten in steeds grotere regio’s, hetgeen de wachtfrequentie ten goede komt, terwijl in ziekenhuizen meer gespecialiseerde artsen instaan voor de permanentie op de spoedgevallendiensten.
Het rapport Toegankelijkheid van de huisartsgeneeskunde (2023) toont aan dat onze kennis over deze problematiek nog onvolledig is. Verdere analyse en verdieping blijven noodzakelijk.
Toch tekenen zich enkele duidelijke tendensen af. De continuïteit van zorg en de toegankelijkheid van de eigen (GMD-houdende) huisarts is afgenomen: waar deze dertig jaar geleden quasi gegarandeerd was, is dat vandaag paradoxaal genoeg niet langer het geval. Tegelijk stellen we vast dat patiënten zich frequent tot de spoeddiensten wenden voor problemen die perfect in de eerste lijn kunnen worden opgevangen.
Een van de oplossingen die werd ontwikkeld, is triage door speciaal opgeleide medewerkers binnen het 1733-systeem. In de praktijk blijkt echter dat de veralgemeende uitrol van dit concept geen sinecure is, onder meer op het vlak van adequate bestaffing, hetgeen de duurzaamheid van dit systeem onder druk zet.
Prof. Ramaekers formuleert dan ook enkele prikkelende denkpistes:
- Moeten huisartsenwachtposten niet ook tijdens de week veralgemeend worden georganiseerd?
- Moeten we niet evolueren van twee gescheiden systemen — huisartsenwachtposten en spoeddiensten — naar één geïntegreerd model, waarbij de patiënt niet langer zelf moet kiezen?
- Sluiten we voldoende aan bij de veranderende zorgvraag maar ook zorgnood, waarbij ook binnen geplande zorgtrajecten er nood is aan opvang buiten de klassieke werkuren?
Dit is geen pleidooi om te stellen dat het slecht gaat. Integendeel: er loopt vandaag veel goed binnen onze gezondheidszorg.
Wel is het een oproep om samen verder te bouwen aan een werkbaar systeem voor niet-planbare zorg. Een systeem waarin zorgverleners hun deontologische verantwoordelijkheid opnemen en actief participeren aan de medische permanentie, zoals voorzien in de kwaliteitswet en de medische plichtenleer.
Alleen zo kunnen we blijven garanderen waar het uiteindelijk om draait:
de juiste zorg, op de juiste plaats, op het juiste moment.
Arts in Nood
Dr. Michel Bafort - Voorzitter Arts in Nood
0800 23460 Arts in Nood (AIN)
Arts in Nood is een project binnen de Orde der Artsen.
Het is dan ook zowel Nederlandstalig als Franstalig actief (nationaal project).
Sinds kort is dit platform niet alleen ter beschikking van de artsen, maar ook voor de Vlaamse dierenartsen.
Opvallend: studenten geneeskunde kunnen ook beroep doen op dit platform. Arts in Nood biedt steun en begeleiding naar therapeutische zorg. Het is geen therapeutisch platform en ook geen spoedeisend noodhulpplatform.
Er is wetenschappelijke evidentie dat aandacht voor het psychosociaal welzijn van zorgverleners bijdraagt aan een betere kwaliteit van geneeskunde. Vandaar dat Arts in Nood door de Orde en het RIZIV wordt gesubsidieerd.
De focus ligt op opvang en in 2025 waren er 701 oproepen waar dat in 2017 slechts 62 oproepen waren. Een explosieve stijging dus. Daarnaast organiseert AIN Webinars en zo bereikte AIN in 2025 in totaal 16500 deelnemers voor deze activiteit.
Wat is het hoofddoel? Artsen aan het werk houden.
Wie neemt vooral contact op met een hulpvraag? Dat is voor meer dan de helft een arts jonger dan 40 jaar.
Waarvoor contacteren ze AIN? Dat is vooral voor burn-out/professionele uitputting en voor organisatorische problemen (in de tweede plaats).
AIN is nog steeds op zoek naar vertrouwensartsen. Dat zijn collega’s waarnaar verwezen kan worden na de eerste opvang. Het zeer zinvol dat net een collega een luisterend en welwillend oor biedt.
AIN wil niet stilstaan en tracht als organisatie verder te professionaliseren om nog beter in te spelen op de noden.